← België

Arrest 257329 - Dierenwelzijn - 15/09/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.329 Rolnummer: A. 239992/VII-42190 Zaak: Arrest 257329 - Dierenwelzijn - 15/09/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-09-18 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-06-10 11:54 Fiche Arrest nr 257.329 van 15 september 2023 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 257.329 van 15 september 2023 in de zaak A. 239.992/VII-42.190 In zake:

  1. XXXX
  2. XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Claes kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Verbist kantoor houdend te 3550 Heusden-Zolder Pastoor Paquaylaan 184 tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47, bus 001 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  3. De vordering, ingesteld op 8 september 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de inspecteur-dierenarts/controleur bij de afdeling Dierenwelzijn van het departement Omgeving van 8 augustus 2023 waarbij in toepassing van artikel 42, § 1, van de wet van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en het welzijn der dieren’ (hierna: dierenwelzijnswet) administratief beslag wordt gelegd op 4 kittens zonder chipnummer, 46 stuks pluimvee, 28 ganzen en 42 schapen (oormerknummers 20131, BE02070 6569, BE11509 0009, BE12070 VII-42.190-1/12 6580, BE12071 7885, BE12071 7886, BE12072 3458, BE18153 9236, BE22070 6571, BE320288603, BE331 0 3408 0344, BE331 1 2067 9378, BE331 1 2067 9381, BE331 2 2067 9369, BE331 4 2067 9368, BE331 4 2067 9371, BE331 5 2067 9409, BE331 6 2067 9367, BE331 7 2067 9358, BE331 7 2067 9408, BE331 7 2067 9411, BE331 8 2067 9366, BE42070 6570, BE 02070 6586, BE52048 0599, BE52061 6908, BE52066 7891, BE52070 6575, BE61509 0001, BE62034 2598, BE62070 6583, BE62071 7888, BE72048 0598, BE72061 6907, BE72070 6588, BE72070 6591, BE82036 5622, BE82056 4718, BE82070 6582, BE91982 6077, BE92048 0597 en BEX2070 6579). II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 september 2023, om 11.00 uur. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris Claes, die verschijnt voor de verzoekers en advocaat Kristien Vanderheiden, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  5. VII-42.190-2/12 III. Feiten
  6. Bij een controle bij de verzoekers op 8 augustus 2023 stelt voormelde inspecteur-dierenarts bij de afdeling Dierenwelzijn van het departement Omgeving in aanwezigheid van de verzoekers diverse inbreuken op de dierenwelzijnswet vast in een navolgend proces-verbaal: “• Dieren in de woning o Kittens huisvesten in een bench o Geen niveaus en schuilmogelijkheden voor de kittens in de bench o Geen krabpalen - geen krabmatten voor de kittens in de bench o Geen kattenbak - onvoldoende kattenbakken voor het aantal kittens in de bench o Niet gechipte en niet geregistreerde kittens verwerven o Niet gesteriliseerde kittens verwerven o Ontoereikende hygiëne en verluchting in de woning o Onvoldoende verrijking voor de valkparkiet en agapornis o Kooi van valkparkiet en agapornis in duistere living plaatsen o Ontoereikende hygiëne voor valkparkiet en agapornis - vuil hok, traliewerk en bodem met uitwerpselen bedekt. o Op een ongeschikte manier aanbieden van water en voer aan agapornis en valkparkiet - voer en water op de grond. o Overleden honden niet afmelden in DogID o Foutief geregistreerde honden • Dieren op terrein en stallen thuisadres en op weide o Zieke katten houden - dierenarts niet ontbieden o Niet gechipte en niet geregistreerde katten houden o Niet gesteriliseerde katten houden o Schrijnend gebrek aan verzorging en diergeneeskundige begeleiding voor de kippen (snot, kalkpoten, gapende ademhaling,…), ganzen (mank), de schapen (te lange klauwen, mank, pompende ademhaling, hoesten, hoornen tegen hoofd, mager …) en het varken (tand te lang) o Sterk ontoereikende, onhygiënische huisvesting voor de schapen (geen proper, droog en zacht ligbed) o Onvoldoende / onaangepaste voeding voor de schapen met magere schapen tot gevolg o Het brood aanbieden aan de schapen op de weide in de modder en de uitwerpselen o Gevaarlijke materialen/voorwerpen waaraan de dieren zich kunnen kwetsen o Sterk onvoldoende waterpartijen voor de ganzen o Geen gras en geen aangepaste voeding voor de ganzen o Onvoldoende / onaangepaste voeding voor het pluimvee met zeer hongerige en magere dieren tot gevolg o Geen legnesten en geen aangepaste zitstokken voor het pluimvee VII-42.190-3/12 • De vroeger opgelegde maatregelen niet opvolgen”. De inspecteur-dierenarts legt op 8 augustus 2023 vervolgens: - administratief beslag op 4 kittens zonder chipnummer, 46 stuks pluimvee, 28 ganzen en 42 schapen (oormerknummers 20131, BE02070 6569, BE11509 0009, BE12070 6580, BE12071 7885, BE12071 7886, BE12072 3458, BE18153 9236, BE22070 6571, BE320288603, BE331 0 3408 0344, BE331 1 2067 9378, BE331 1 2067 9381, BE331 2 2067 9369, BE331 4 2067 9368, BE331 4 2067 9371, BE331 5 2067 9409, BE331 6 2067 9367, BE331 7 2067 9358, BE331 7 2067 9408, BE331 7 2067 9411, BE331 8 2067 9366, BE42070 6570, BE 02070 6586, BE52048 0599, BE52061 6908, BE52066 7891, BE52070 6575, BE61509 0001, BE62034 2598, BE62070 6583, BE62071 7888, BE72048 0598, BE72061 6907, BE72070 6588, BE72070 6591, BE82036 5622, BE82056 4718, BE82070 6582, BE91982 6077, BE92048 0597 en BEX2070 6579); - een aantal maatregelen op die hetzij onmiddellijk, hetzij tegen uiterlijk eind augustus moeten worden uitgevoerd. De administratief in beslag genomen dieren worden in afwachting van de bestemmingsbeslissing overgebracht naar erkende dierenasielen.
  7. Het proces-verbaal met de vaststellingen op 8 augustus 2023 evenals de bestreden beslissing worden aan de verzoekers meegedeeld op 21 augustus 2023 die ze ontvangen op 24 augustus
  8. IV. Grondvoorwaarden voor een schorsing
  9. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende VII-42.190-4/12 noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de partijen
  10. De verzoekers zetten uiteen wat volgt: “
  11. De beslissing van 21 augustus 2023 werd aan de [verzoekers] betekend op 24 augustus
  12. Heden 8 september 2023 is de 15e dag na de betekening, hetgeen aanvaardbaar is als termijn voor het indienen van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. […]
  13. Op het moment van huidig verzoekschrift is het een maand geleden dat de dieren in beslag genomen werden. Gezien hebben ervaringen in het verleden kunnen verzoekende partijen er bezwaarlijk op vertrouwen dat men hen de dieren terug zal bezorgen binnen de termijn van twee maanden na inbeslagname. Indien de inbeslagname niet opgeheven wordt, lijkt de kans dat de dieren in adoptie gegeven worden en/of geëuthanaseerd, bijzonder groot. De vorige inbeslagname van 20 januari 2023 werd gevolgd door de overdracht in volle eigendom van een aantal dieren op 3 maart 2023 en de euthanasering van een aantal andere dieren. Verzoekende partijen hebben dus begrijpelijk weinig vertrouwen in het handelen van verwerende partij en beseffen dat het nu hun laatste kans is om de dieren terug te krijgen.
  14. Gezien de wettelijke termijn van twee maanden uit art. 42 Wet Dierenwelzijn en de zeer grote kans op overdracht in volle eigendom en/of euthanasie vóór het einde van deze termijn (die op 8 oktober 2023 eindigt) is huidige vordering de laatste kans van verzoekende partijen om de inbeslagname ongedaan te maken. Indien dat niet het geval is, dan rest hen later eigenlijk enkel nog een mogelijke procedure tot schadevergoeding. Het is dus duidelijk dat de doorlooptijd van een vernietigingsprocedure en zelfs van een gewone schorsingsprocedure niet afgewacht kan worden, om op te treden tegen de inbeslagname en de dieren terug te krijgen. Er is voldaan aan de voorwaarde van een uiterst dringende noodzakelijkheid”.
  15. De verwerende partij repliceert dat de uiterst dringende noodzakelijkheid niet wordt aangetoond: “
  16. De verzoekende partijen menen dat ze de vordering tot schorsing bij uiterst dringend noodzakelijkheid tijdig indienden op het moment dat de bestreden beslissing eigenlijk al 1 maand oud is. VII-42.190-5/12 De verzoekende partij moet diligent optreden bij het inleiden van een vordering tot schorsing wegens UDN. Diligent optreden - dit wil zeggen dat de eisende partij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de RvS - is een vereiste dat vervat is in de voorwaarde van de UDN. Die dwingende vereiste moet zijn vervuld opdat de RvS een verzoekende partij zou toelaten tot de schorsingsprocedure bij UDN. De verzoekende partijen gingen niet uiterst diligent te werk. Ze werden geconfronteerd met een controle en inbeslagname op 8 augustus 2023 en deden niets terwijl op 8 augustus 2023 de dieren werden opgeladen (laatste foto stuk 33) Ze ontvingen de bestreden beslissing van 21 augustus 2023 op 24 augustus 2023 en wachten nog meer dan 2 weken af alvorens een verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringend noodzakelijkheid in te dienen en dit terwijl er al een andere procedure lopende is, ingediend door dezelfde advocaat. De verzoekende partijen deden niet het nodige om de schade te beperken. Ze hadden veel sneller een procedure kunnen starten. Een dergelijk lang tijdsverloop tussen de kennisgeving van de bestreden beslissing en het instellen van de vordering houdt dan ook de negatie in van de uiterst dringende noodzakelijkheid. De verzoekende partijen handelden niet diligent. De voorwaarden om een procedure bij uiterst dringend noodzakelijkheid te starten zijn niet voldaan. […]
  17. De verzoekende partijen stellen dat de bestreden beslissing onherroepelijke schade veroorzaakt. Ze verwijzen hiervoor naar artikel 42, §3 Dierenwelzijnswet waarin gesteld wordt dat het beslag van rechtswege opgeheven wordt door de bestemmingsbeslissing of, bij het uitblijven van een dergelijke beslissing, na een termijn van 2 maanden te rekenen vanaf de datum van inbeslagname. Het verzoekschrift wordt 1 maand na datum van inbeslagname neergelegd. De kans op spontane teruggave van de dieren is klein zoals in het verleden al bleek. De enige manier om de dieren terug te krijgen en te vermijden dat ze in volle eigendom worden overgedragen of geëuthanaseerd is middels een procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
  18. In het arrest nr. 239.488 van 23 oktober 2017 van uw Raad lezen we: […] De verwerende partij sluit zich in casu aan bij deze redenering. Het feit dat de gewone schorsingsprocedure te lang zal duren om een oordeel te bekomen over de vordering tot schorsing is onvoldoende om te stellen dat de voorwaarde van uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is. De verzoekende partijen tonen niet op voldoende concrete wijze aan waarin de UDN gelegen is van hun beroep en waarom een gewone schorsing van de bestreden beslissing in hun geval te laat zou komen. Zij tonen niet aan welk concreet, ernstig en onherstelbaar nadeel zij menen te lijden wanneer de beslissing niet bij hoogdringendheid zou worden geschorst. Een moreel nadeel of financieel nadeel kunnen in principe worden rechtgezet middels een vernietiging van de bestreden beslissing. De voorwaarden voor het voeren van de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid zijn niet voldaan. VII-42.190-6/12
  19. Een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, moet in haar verzoekschrift concrete feiten aanvoeren die de spoedeisendheid verantwoorden. Te dezen ontbreekt in het verzoekschrift een concrete uiteenzetting van de gegevens die de spoedeisendheid verantwoorden. Er is op dit moment geen enkele indicatie dat de dieren in kwestie zouden worden geëuthanaseerd. Bovendien bepaalt artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dat de schorsing ‘op elk moment’ kan worden bevolen. Daarnaast kan een moreel nadeel in beginsel worden rechtgezet aan de hand van een vernietigingsarrest. Verzoeker maakt niet aannemelijk waarom het in het huidige geval anders zou zijn. De voorwaarden voor het voeren van een procedure tot schorsing zijn niet voldaan”. Beoordeling
  20. De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid brengt een ernstige verstoring teweeg in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, beperkt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en brengt de uitoefening van de rechten van de verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang. Daarom moet de aanwending van die procedure zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond.
  21. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Er kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen daarover in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd. De Raad van State kan geen acht slaan op hetgeen ter terechtzitting nog door een verzoekende partij wordt VII-42.190-7/12 bijgebracht. De verwerende partij kan daarop immers niet meer schriftelijk repliceren en de auditeur kan daarover niet op een deugdelijke wijze advies verlenen in een procedure die op grond van artikel 22 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State essentieel schriftelijk is.
  22. Deze stelplicht impliceert dat de verzoekers aan de hand van precieze en concrete gegevens in hun verzoekschrift aantonen dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien zij pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekers veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure de verzoekende partij niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
  23. De toepassing ervan kan alleen worden aanvaard indien de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen. Dit impliceert ook dat de verzoekers met de vereiste spoed en diligentie zijn opgetreden. Diligent optreden is vervat in de voorwaarde van de uiterst VII-42.190-8/12 dringende noodzakelijkheid. Die dwingende vereiste moet zijn vervuld opdat de Raad van State de verzoekers zou toelaten tot de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
  24. De controle en de inbeslagname van voormelde dieren dateren van 8 augustus
  25. De verzoekers, die niet voor de eerste keer hun dieren in administratief beslag hebben zien nemen door de verwerende partij, waren aldus op de hoogte van de uitgevoerde bestreden beslissing, namelijk dat de dieren in beslag werden genomen. De bestreden beslissing werd hen ter kennis gebracht op 24 augustus 2023 maar dit neemt niet weg dat de verzoekers reeds sinds 8 augustus 2023 op de hoogte waren dat de dieren in beslag waren genomen. Toch hebben de verzoekers nog 15 dagen na de kennisneming van de betekende bestreden beslissing gewacht om hun vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te stellen. Het in de gegeven omstandigheden twee weken talmen met het instellen van hun vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid terwijl de verzoekers reeds een maand op de hoogte waren van de beslissing tot beslagname en de uitvoering ervan, doet besluiten dat de vordering niet met de vereiste spoed en diligentie werd ingesteld.
  26. Daarbij komt dat de verzoekers om te voldoen aan de vereiste van uiterst dringende noodzakelijkheid, aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk moeten maken dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekers veilig te stellen. De verzoekers moeten daarom ook concreet uiteenzetten waarin hun schade of nadeel bestaat evenals de wijze waarop zij willen beletten dat die schade of dat nadeel ontstaat en/of toeneemt. Zij moeten niet alleen aannemelijk maken dat zij die schade of dat nadeel lijden maar ook waarom hier dringend moet worden aan verholpen. VII-42.190-9/12
  27. In het verzoekschrift stellen de verzoekers dat de bestreden beslissing nadelig is. Zij zetten verder de gevolgen van de bestreden beslissing uiteen, namelijk dat overeenkomstig artikel 42, § 3, van de dierenwelzijnswet het beslag van rechtswege wordt opgeheven na twee maanden of na de bestemmingsbeslissing. Dit is een gevolg van de bestreden beslissing maar geen element dat de uiterst dringende noodzakelijkheid voor de verzoekers aantoont. Het feit dat zodra er een bestemmingsbeslissing tussenkomt de dieren kunnen worden geadopteerd of geëuthanaseerd is een rechtstreeks gevolg van de wetgeving maar toont op zich niet de vereiste uiterst dringende noodzakelijkheid aan. De verzoekers verwijzen ook naar de termijn die reeds verstreken is maar, zoals hiervoor is aangegeven, dit is vooral te wijten aan de houding van de verzoekers die twee weken na de kennisneming van de betekende bestreden beslissing hebben getalmd om hun vordering in te stellen terwijl zij reeds twee weken eerder op de hoogte waren van de inbeslagname en de uitvoering ervan. Conclusie is dat de verzoekers enkel de gevolgen van de bestreden beslissing uiteenzetten maar nalaten om het nadeel dat zij lijden door de inbeslagname op 8 augustus 2023 uiteen te zetten, laat staan om uiteen te zetten waarom hieraan dringend moet worden tegemoetgekomen. Concreet ontbreekt een uiteenzetting over welk nadeel - financieel, moreel en/of enig ander nadeel - de verzoekers zouden lijden en waarom zij dit niet zouden kunnen lijden in de periode van afhandeling van een gewone schorsingsprocedure.
  28. Ook het loutere gegeven dat de bestreden beslissing zijn volledige uitwerking zal hebben gekregen volstaat op zich niet om de uiterst dringende noodzakelijkheid te doen aannemen. VII-42.190-10/12
  29. De verzoekers kunnen de Raad van State er in de gegeven omstandigheden niet van overtuigen ten gevolge van de bestreden beslissing in een situatie te verkeren die voor hen een geval van uiterst dringende noodzakelijkheid uitmaakt. Conclusie
  30. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn om een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen inwilligen. BESLISSING
  31. De Raad van State verwerpt de vordering.
  32. De verzoekers worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  33. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekers niet bekendgemaakt. VII-42.190-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijftien september tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Pierre Lefranc VII-42.190-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.329 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.