id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.378 Rolnummer: A. 239971/IX-10325 Zaak: Arrest 257378 - Examens (onderwijs) - 20/09/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-09-20 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-18 20:00 Fiche Arrest nr 257.378 van 20 september 2023 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 257.378 van 20 september 2023 in de zaak A. 239.971/IX-10.325 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rafaël Mommen kantoor houdend te 3500 Hasselt Minderbroederstraat 52 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW SECUNDAIR ONDERWIJS SINT-QUINTINUS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hugo Lamon kantoor houdend te 3500 Hasselt Schiervellaan 23 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 6 september 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de “beslissing van de beroepscommissie van het Virga Jessecollege Hasselt […] d.d. 22 augustus 2023 […] waarbij deze heeft beslist om de beslissing van de delibererende klassenraad (en bijgevolg het studiebewijs ‘oriënteringsattest C’) te handhaven”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. IX-10.325-1/22 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 september 2023, om 11 uur. Staatsraad Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Rafaël Mommen, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Hugo Lamon, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is tijdens het schooljaar 2022-2023 als regelmatig leerling ingeschreven in het eerste jaar van de derde graad ASO studierichting economie-wiskunde, in het Virga Jessecollege te Hasselt, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. Op het einde van het schooljaar laat verzoeker jaartekorten optekenen voor Frans (48%), wiskunde (46%) en chemie (44,5%). De klassenraad beslist op 30 juni 2023 om aan verzoeker een oriënteringsattest C toe te kennen, op grond van de volgende motivering: “De jaartekorten voor het richtingsvak wiskunde (46%) en de tekorten voor Frans (48%) en chemie (44,5%) voor een totaal van 10 jaaruren tonen aan dat de leerplandoelen op onvoldoende wijze bereikt zijn. Bijgevolg slaag je niet in het vijfde jaar.” IX-10.325-2/22 De klassenraad adviseert om over te zitten in de studierichting Economie-wiskunde DOD mits voldoende inzet vanaf de eerste schooldag. 3.
- Het overleg met de directeur op 30 juni 2023 leidt niet tot een nieuwe samenkomst van de delibererende klassenraad. De motivering dienaangaande luidt als volgt: “Tijdens het overleg dat in onze school plaatsvond op 30 juni 2023, heeft u de redenen van uw betwisting van de evaluatiebeslissing van de delibererende klassenraad t.a.v. XXXX kenbaar gemaakt. In bijlage vindt u een schriftelijke neerslag van dit overleg. Ik ben van mening dat de elementen die u heeft aangebracht, geen nieuwe bijeenkomst van de delibererende klassenraad rechtvaardigen.” 3.
- Middels beroepschrift van 11 juli 2023 stelt verzoeker bezwaar in tegen de beslissing van de delibererende klassenraad bij het schoolbestuur, waarin de hiernavolgende duiding wordt gegeven bij de jaartekorten. “ Jaartotaal /200 Jaartotaal % Wiskunde
(6u): 96/200 48% Duiding Opmerkelijke vooruitgang in het tweede semester. Geslaagd op het eindexamen EX 2 (62%!). De leerplandoelen werden minstens voor het volledige tweede semester behaald. De vakcommentaar luidt: ‘Je behaalde de volgende resultaten op het eindexamen: Deel 1 (exponentiële en logaritmische functies, limieten van rijen): 25/42; Deel 2 (limieten van functies, afgeleiden): 25,5/43; Deel 3 (matrices, stelsels, determinanten): 27,5/41; Vaststelling De leerplandoelen voor deel 1, 2 en 3 werden minstens op voldoende wijze behaald. Het lichte jaartekort is toe te schrijven aan de mindere resultaten behaald op tussentijdse toetsen dagelijks werk. Dan nog hoofdzakelijk deze van het eerste trimester. Deze tekorten tonen op zich niet aan dat XXXX de tekorten uit het eerste trimester niet zou kunnen wegwerken in het volgende studiejaar. Chemie
(1u): 89/200 46% (afronding volgens gebruike- lijke regels in onderwijs) Duiding Opmerkelijke vooruitgang in het tweede semester. Geslaagd voor Kerst EX 1 (55%) én eindexamen Ex 2 (50%). IX-10.325-3/22 Vaststelling De getoetste leerplandoelen voor zowel Kerst EX 1 als het eindexamen Ex 2 werden in voldoende mate bereikt. Het lichte jaartekort is toe te schrijven aan de mindere resultaten behaald op tussentijdse toetsen dagelijks werk. Deze tekorten tonen op zich niet aan dat de leerplandoelen niet op voldoende wijze werden behaald. Frans
(3u): 96/200 48% Duiding Opmerkelijke vooruitgang in het tweede semester (na Kerstvakantie). De vakleerkracht erkent bovendien dat de slechte resultaten in het eerste trimester te wijten zijn aan een klassikaal probleem, met name dat XXXX net zoals zovele leerlingen van de klas, begonnen is met een grote achterstand voor Frans. XXXX heeft daarna, zo bevestigt de vakleerkracht zich goed ingezet en ‘een enorme’ (sic) vooruitgang gemaakt voor het vak Frans. Op het eind van semester 2 (grootste aandeel leerstof) behaalde XXXX 54% en scoorde hij goede punten op grammaire en vocabulaire. Vaststelling De vakleerkracht spreekt zich weliswaar niet uit over de deliberatie, maar geeft minstens impliciet aan dat het tekort van het eerste trimester niet van aard is om een rol van betekenis te spelen in de globale eindevaluatie. Te meer daar sprake is van een klassikale achterstand bij aanvang van het schooljaar. Tevens wordt de beroepscommissie attent gemaakt op de positieve evolutie. De positieve evolutie van de cijfers doorheen schooljaar 2022-2023 is bovendien opmerkelijk voor alle vakken, uitgezonderd Nederlands, waar zich uiteraard gezien het slaagcijfer geen enkel probleem stelt. Een overzicht: Esthetica 57,5% 75% Geschiedenis 56% 63,5% Godsdienst 44,5% 56% Engels 54% 57% Frans 42% 54% + 12% Wiskunde 36,5% 55,5% + 20% Aardrijkskunde 59,5% 63% Biologie 40,5% 59,5% + 19% Chemie 41,5% 47,5% + 6% Fysica 56% 62% + 6% Economie 54,5% 56% ” Daarnaast worden in hoofdorde de volgende overwegingen en grieven opgenomen in het beroepschrift: “Een cijfermatige benadering IX-10.325-4/22 Zoals hierboven in de feiten uiteengezet tonen de jaartekorten op zich in deze zaak geenszins aan dat de leerplandoelen op onvoldoende wijze bereikt zijn. Vooreerst springt in het oog dat XXXX voor het richtingsvak wiskunde op het eindexamen 62 % behaalt. Hoewel de school tot op heden niet is ingegaan op het verzoek van de ouders tot inzage en kopiename van de proefwerken voor DW en EX 1 en 2, kan redelijkerwijze gesteld worden dat door het significant positieve resultaat op het eindexamen in juni, de leerplandoelen, die voordien mogelijk nog onvoldoende bereikt waren in het dagelijks werk, finaal wel op voldoende wijze bereikt zijn. Het onderpresteren gedurende het eerste trimester blijft een gegeven, maar de vraag stelt zich of daar redelijkerwijze kan uit afgeleid worden dat de tekorten niet kunnen worden weggewerkt in de verdere loop van de graadsopleiding. Het antwoord lijkt alleszins negatief indien, zoals hierna zal blijken, naar de positieve evolutie wordt gekeken en de aandachtsproblematiek mee in overweging wordt genomen. Voor het vak chemie, dat als éénuursvak overigens niet doorslaggevend kan zijn, valt bij nader onderzoek onmiddellijk op dat XXXX, naast een positieve evolutie, ook voor beide examens (zowel Ex 1 als eindexamen EX 2) geslaagd is. Het valt dan ook op het eerste zicht niet in te zien dat op basis van deze resultaten, behaald nota bene op een examen van grotere lesonderdelen, de beoordeling dat de leerling op onvoldoende wijze de leerplandoelen heeft bereikt staande kan blijven. Geslaagd is geslaagd. Indien de leerling finaal zijn kennis aantoont op examens waarbij grotere lesgehelen worden getoetst, compenseert dit alleszins de eventuele tussentijdse tekorten op dagelijks werk. Minstens toont de delibererende klassenraad het niet anders aan. Voor het vak Frans tenslotte werd reeds hoger verwezen naar de erkenning door de vakleerkracht dat er sprake was van een klassikale achterstand bij aanvang van het schooljaar en de enorme vooruitgang die XXXX heeft geboekt. Het aanvankelijk tekort is gelet op de omstandigheden alleszins niet van aard om een dermate strenge evaluatiebeslissing (C-attest) mede op te schragen. De positieve evolutie Toegespitst op het richtingsvak wiskunde blijkt uit de commentaren van de vakleerkracht dat XXXX een goed eindexamen maakte. De leerkracht geeft wel aan dat het jammer is dat XXXX zo lang gewacht heeft om zijn capaciteiten te tonen op toetsen/examens. Hieruit blijkt alleszins dat de leerkracht ook de capaciteiten van de leerling erkent en dat XXXX minstens de doelstellingen voor deze leerplanonderdelen voldoende heeft bereikt. Daarbij komt dat uit de e-mail van 27 juni 2023 niets anders kan afgeleid worden dan dat de leerkracht van oordeel is dat XXXX de richting Economie-wiskunde aankan. Hij stelt expliciet dat XXXX voor wiskunde het nodige inzicht heeft. IX-10.325-5/22 De hierboven op schematische wijze voorgestelde positieve evolutie is daarenboven dermate significant dat niet begrepen kan worden dat een delibererende klassenraad dit niet mee in overweging neemt in het voordeel van de leerling. Ten slotte kan nog opgemerkt worden dat, hoewel op de eindexamens van semester 2 grotere lesonderdelen werden bevraagd dan bij het eerste examen voor Kerst, hieraan klaarblijkelijk geen groter cijfermatig gewicht wordt toegekend. Mocht dit -zoals in vele andere scholen in derde graad- wel het geval zijn, zouden de jaartekorten verhoudingsgewijs nog minder doorwegen. De impact van de aandachtsproblematiek (…) XXXX heeft desalniettemin op eigen kracht een slechte start weten om te buigen. De eerste observaties - meldingen van ADD gebeuren tijdens het OC bij Kerstmis via de leerkracht economie en chemie. Zij spreken over speelsheid – gebrek aan concentratie. Dit wordt bevestigd via mailverkeer. Verzoekers hebben deze meldingen ter harte genomen en hebben afspraak gemaakt bij een psychiater voor een diagnostisch onderzoek. Wegens de lange wachtlijsten kon het onderzoek niet onmiddellijk uitgevoerd worden. In afwachting schreef de arts het medicijn ‘Rilatine’ voor. (Zie stuk 8). Het is zeer aannemelijk dat het concentratievermogen van XXXX sterk verbeterd is ten gevolge van de medicatie. Dit verklaart enerzijds de positieve evolutie die zich uit in veel betere resultaten maar anderzijds ook het onderpresteren in het eerste trimester. Op die wijze kan ook de commentaar van de leerkracht wiskunde worden begrepen wanneer die stelt dat het jammer is dat XXXX zolang gewacht heeft om zijn capaciteiten te tonen. Kort toegelicht kunnen de kenmerken van ADD als volgt worden beschreven: ‘Leerlingen met ADD vertonen een gebrek aan concentratie en volgehouden aandacht. Hun denken verloopt chaotisch. Dit verklaart mede waarom remediëringen of deadlines vaak niet gehaald worden zonder gerichte sturing van de vakleerkracht. Bovendien merken zij op dat er een moeizame kennisopbouw is voor de vakken wiskunde en Frans.’ (https://eurekaleuven.be/add/) Dit alles komt ook duidelijk tot uiting in het leerproces van XXXX. Verzoekers hebben de school van een vastgestelde diagnose niet in kennis kunnen stellen om de eenvoudige reden dat deze diagnose nog niet officieel gesteld kon worden gelet op de lange wachtlijsten voor psychomedische zorgen. Wel werd de school in kennis gesteld van de aandachtsproblematiek en het feit dat sedert de medisch voorgeschreven inname van het medicijn ‘Rilatine’ significante verbetering werd vastgesteld in het concentratievermogen van XXXX. Het is evident dat de school dergelijke informatie wel degelijk moet betrekken in de evaluatieprocedure zeker indien zij er te nuttiger tijde kennis van heeft gekregen zoals in dit dossier. Minstens tijdens het overleg na kennisname van de deliberatiebeslissing is deze problematiek uitvoerig IX-10.325-6/22 besproken en had de directeur de klassenraad hiervan alsnog in kennis kunnen stellen door deze na het overleg bijeen te roepen. Er anders over oordelen zou o.m. in strijd zijn met art. 5 §5 van het Organisatiebesluit secundair onderwijs dat bepaalt dat de delibererende klassenraad zich bij zijn beslissingen zal laten leiden door de concrete gegevens uit het dossier van de leerling. Bovendien zou de manifeste weigering om dergelijke belangrijke psychomedische elementen mee in overweging te nemen (weze het op grond van een onregelmatige bepaling in het schoolreglement) strijden met het principe van de discretionaire volheid van bevoegdheid van een klassenraad en bij uitbreiding een beroepscommissie.” 3.
- Op 22 augustus 2023 beslist de beroepscommissie het C-attest te handhaven, op grond van de volgende motivering: “De beroepscommissie sluit zich aan bij de motivering van de klassenraad. Een cijfermatige benadering is op zichzelf niet fout. De cijfers zijn representatief voor de beoordeling en zijn gebaseerd op een vermoeden van deskundigheid in hoofde van de leerkrachten. De beoordeling van de klassenraad gaat over de globaliteit. De mails die worden bijgebracht van een aantal leerkrachten spreken nergens de beslissing van de klassenraad tegen. De beroepscommissie neemt akte van het bijgebrachte argument m.b.t. de ‘aandachtsstoornis’ en houdt hiermee rekening, onafgezien van de bepalingen van het schoolreglement desbetreffende. Desondanks moet de beroepscommissie tot het besluit komen dat de tekorten niet zijn weggewerkt en dat de basiskennis en vaardigheden onvoldoende zijn om verder te gaan naar een zesde jaar. Hierbij werd ook rekening gehouden met de evolutie van de cijfers. De beslissing is gebaseerd op een globale beoordeling.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende IX-10.325-7/22 noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
- Verzoeker beroept zich terecht op de vaste rechtspraak van de Raad van State die stelt dat het dreigend verlies van een schooljaar een nadeel uitmaakt dat binnen een gewone schorsingsprocedure niet tijdig zal kunnen worden gekeerd. De verwerende partij betwist dit ook niet. VI. Ernst van de middelen Enige middel Standpunt van de partijen
- Verzoeker voert in een enig middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de formelemotiveringswet), van onder meer artikel 123/17, §2, tweede lid, 6°, van de Codex Secundair Onderwijs, van de artikelen 5, §§5 en 8, 38, 1°, en 57 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’ ( hierna: het Organisatiebesluit) en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het motiveringsbeginsel (de formele- en materiëlemotiveringsplicht), het beginsel patere legem quam ipsi fecisti, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel. Wat de aangevoerde schending van het motiveringsbeginsel betreft leest verzoeker de motivering van de bestreden beslissing als “een opeenstapeling van algemeenheden en niet nader geduide aannames” die geen steun vinden in het leerlingendossier, nu de beroepscommissie zijn opgeworpen grieven “koudweg” naast zich neerlegt zonder de minste poging om hierop in te gaan en deze te weerleggen op een wijze “die het gebruik van loutere gemeenplaatsen overstijgt”, temeer nu volgens verzoeker van een IX-10.325-8/22 beroepscommissie, die een discretionaire bevoegdheid heeft, minstens mag verwacht worden dat zij in de motivering uitlegt waarom zij het anders ziet op een wijze dat het voor de leerling in kwestie minstens duidelijk is dat de expliciet aangehaalde en onderbouwde grieven in overweging werden genomen en weerlegd alvorens te besluiten dat de leerling in kwestie onbekwaam is om zijn studies voort te zetten, terwijl als dusdanig de motivering neerkomt op een al te cijfermatige benadering (met name de vaststelling van drie lichte jaartekorten) en zij aldus prima facie strijdt met de voormelde wetsbepalingen en de aangehaalde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoeker voert met betrekking tot wat hij als een eerste onderdeel van de motivering ziet, waarin wordt gesteld dat de beroepscommissie zich aansluit bij de motivering van de klassenraad; dat een cijfermatige benadering op zichzelf niet fout is en dat de cijfers representatief zijn voor de beoordeling en gebaseerd zijn op een vermoeden van deskundigheid in hoofde van de leerkrachten, aan, dat, niettegenstaande een cijfermatige benadering ‘op zichzelf’ niet fout is en bij deliberatiebeslissingen zelfs het uitgangspunt van de beoordeling vormt, dit evenwel niet wegneemt dat de beroepscommissie zich niet kan beperken tot de vaststelling dat er sprake is van drie jaartekorten zonder nader te onderzoeken hoe deze jaartekorten kunnen worden begrepen, temeer wanneer enerzijds de leerling in kwestie heel wat grieven heeft voorgelegd die een ander licht laten schijnen op de cijfers ‘an sich’, waarbij de representativiteit van de cijfers, in verband met de vaststelde concentratiestoornis ADHD, minstens in twijfel kan worden getrokken en waarover de beroepscommissie zich desbetreffend in stilzwijgen hult en anderzijds het ‘vermoeden van deskundigheid’, sedert 1 september 2023 decretaal verankerd, terzake niets wezenlijk toevoegt. Verzoeker is daarnaast van mening dat een volgend onderdeel van de motivering waarin wordt gesteld dat de beoordeling van de klassenraad over de globaliteit gaat, dermate algemeen is dat hij er het raden naar heeft op welke wijze de beroepscommissie de beoordeling op globale wijze heeft IX-10.325-9/22 uitgevoerd, nu de beroepscommissie volheid van bevoegdheid hebbende haar eigen beslissingen in de plaats van de delibererende klassenraad neemt en het haar toekomt het dossier daadwerkelijk in zijn globaliteit te beoordelen, wat uit dit onderdeel van de motivering geenszins blijkt dat zij dit heeft gedaan, laat staan op ernstige wijze. Waar vervolgens in de motivering wordt aangevoerd dat de mails die worden bijgebracht van een aantal leerkrachten nergens de beslissing van de klassenraad tegenspreken, benadrukt verzoeker de e-mails van drie leerkrachten te hebben bijgebracht, enerzijds om aan te tonen dat deze leerkrachten ofwel bezorgd waren omdat tijdens de deliberatie geen rekening was gehouden met de impact van de aandachtsstoornis (leerkracht chemie die aangaf dit zeker te melden in het overleg), ofwel omdat een belangrijk tekort in het eerste trimester mede te wijten was aan klassikale achterstand, doch dat de leerling enorme progressie heeft geboekt (leerkracht Frans), ofwel dat de leerling wel degelijk inspanningen heeft geleverd die in het tweede semester resultaat hebben opgeleverd waaruit blijkt dat hij de richting aankan en anderzijds ter ondersteuning van het pleidooi voor een globale en meer prospectieve beoordeling. Vervolgens kan volgens verzoeker uit de motivering dat de beroepscommissie akte neemt van het bijgebrachte argument m.b.t. de ‘aandachtsstoornis’ en hiermee rekening houdt, onafgezien van de bepalingen van het schoolreglement desbetreffend en dat desondanks de beroepscommissie tot het besluit moet komen dat de tekorten niet zijn weggewerkt en dat de basiskennis en vaardigheden onvoldoende zijn om verder te gaan naar een zesde jaar, waarbij ook rekening werd gehouden met de evolutie van de cijfers, niet worden afgeleid op welke wijze de beroepscommissie rekening heeft gehouden met de inmiddels gediagnosticeerde aandachtsstoornis ADHD, laat staan afgeleid kan worden dat de psychomedische toestand van de leerling in kwestie ernstig wordt genomen of minstens dat een oorzakelijk verband wordt gezien met de behaalde resultaten. De beroepscommissie laat alleszins na dit te duiden en beperkt zich tot de vaststelling dat ‘de tekorten niet zijn weggewerkt en dat de basiskennis en vaardigheden onvoldoende zijn om verder te gaan naar een zesde jaar’, zonder een antwoord te IX-10.325-10/22 geven op de door verzoeker in zijn beroepschrift uitgewerkte grieven die tevens uitvoerig werden uiteengezet op de hoorzitting van 22 augustus
- Dienaangaande benadrukt hij dat hij op zeer uitdrukkelijk en specifieke wijze verzocht heeft om de jaartekorten af te zetten tegen de resultaten behaald op de examens vermits bijvoorbeeld het jaartekort voor chemie louter het gevolg is van tekorten op het dagelijks werk en dat voor wiskunde een enorme progressie werd gemaakt en dat het niet behalen van alle leerplandoelen tijdens het eerste trimester, niet toelaat om zonder verdere duiding te besluiten dat de basiskennis onvoldoende is om verder te gaan naar het zesde, nu het de beroepscommissie toekomt om deze argumenten te ontmoeten, te onderzoeken en indien zij motieven heeft, om deze argumenten niet voldoende overtuigend te achten om de beslissing van de klassenraad te hervormen en deze vervolgens ook te expliciteren. Evenzeer blijft het motiveringsonderdeel waarbij ‘rekening werd gehouden met de evolutie van de cijfers’ volgens verzoeker hangen in onduidelijkheid, nu hieruit niet kan afgeleid worden op welke wijze de beroepscommissie met de evolutie van de cijfers rekening heeft gehouden, temeer nu verzoeker zelf expliciet duiding heeft gegeven bij de gunstige evolutie van de studieresultaten en in de mate dat de beroepscommissie rekening heeft gehouden met de evolutie van de cijfers, deze motivering geen steun lijkt te vinden in het dossier vermits de manifest gunstige evolutie in het voordeel van de leerling zou moeten spelen en bijgevolg de beroepscommissie dit onderdeel van de motivering niet op deugdelijke wijze kon aanvoeren ter ondersteuning van haar beslissing tot handhaving van het C-attest. Verzoeker benadrukt tenslotte, voor wat de aangevoerde schending van het motiveringsbeginsel betreft, dat in zoverre in de bestreden beslissing wordt gesteld dat deze gebaseerd is op een globale beoordeling, niet anders kan dan worden opgemerkt dat dergelijke motivering dermate algemeen en in feite nietszeggend is doordat niet de minste duiding wordt gegeven op welke wijze globaal beoordeeld werd. Dit klemt volgens verzoeker des te meer nu de beoordeling louter gebaseerd blijft op de cijfermatige jaartekorten en derhalve IX-10.325-11/22 allesbehalve als globaal kan beschouwd worden nu de beroepscommissie op generlei wijze inhoudelijk ingaat op tal van gefundeerde argumenten die door verzoeker met de nodige zorg werden uiteengezet. In een volgend onderdeel van het enig middel benadrukt verzoeker dat, niettegenstaande hij in zijn intern beroepschrift de beroepscommissie heeft verzocht om minstens te overwegen toepassing te maken van de mogelijkheid ofwel van een door de klassenraad uitdrukkelijk gegeven waarschuwing, waarbij ondanks één of meer tekorten toch een positieve beslissing wordt genomen met één jaar tijd om bij te werken ofwel van het uitdiepen of op peil houden van één of ander vak tijdens de vakantie waarbij als studiehulp een vakantietaak wordt gegeven indien de klassenraad van oordeel is dat betrokkene wel geslaagd is, zoals voorzien in artikel 2.3.3.3 van het schoolreglement, de beroepscommissie dit verzoek geheel onbesproken laat en daarmee in de eerste plaats de formele motiveringsplicht lijkt te schenden. Minstens lijkt het onbesproken laten van dit verzoek onredelijk gelet op de talrijke positieve elementen van het dossier die volgens verzoeker expliciet aangehaald werden, temeer nu van een zorgvuldige administratieve beroepscommissie verwacht mag worden dat zij met de nodige zorg medische attesten en diagnoses interpreteert en betrekt in haar besluitvorming, terwijl in casu haar houding dienaangaande de facto neerkomt op het niet ernstig nemen van de medische aandachtsstoornis waaraan de leerling lijdt, waardoor de beroepscommissie het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur schendt. In ondergeschikte orde betoogt verzoeker dat de beroepscommissie met de bevestiging van het C-attest en gezien de uiteengezette middelen een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon van een in dezelfde omstandigheden geplaatste beroepscommissie, dat niet te begrijpen valt hoe deze zelfs binnen de ruim geachte discretionaire bevoegdheid tot stand is kunnen komen en bijgevolg als zijnde in strijd met het redelijkheidsbeginsel voorkomt. IX-10.325-12/22
- In de nota benadrukt de verwerende partij vooreerst dat in zoverre door verzoeker een schending van artikel 38 van het Organisatiebesluit wordt aangevoerd, de delibererende klassenraad een C-attest verstrekte en deze beslissing door de beroepscommissie werd bevestigd en verzoeker verzuimt aan te tonen in hoeverre de bestreden beslissing het voornoemde artikel van het Organisatiebesluit schendt. Daarnaast wijst de verwerende partij erop dat de beroepscommissie volheid van bevoegdheid heeft om het evaluatieresultaat te bevestigen of door een andere te vervangen op grond van inhoudelijke of procedurele aspecten en dat het vaststaande rechtspraak van de Raad van State is dat de beroepscommissie de zaak moet onderzoeken op grond van al de feitelijke gegevens die hem zijn voorgelegd. De formelemotiveringsplicht verplicht de administratieve beroepsinstantie niet om uitdrukkelijk, laat staan uitvoerig te antwoorden op alle in het beroepschrift verwoorde argumenten, het volstaat dat de indiener van het beroep erop kan rekenen dat zijn beroepschrift door de beroepsinstantie zorgvuldig wordt onderzocht en dat zij, ingeval zij meent tot hetzelfde oordeel te moeten komen als in de beslissing waarvan beroep, voor de verwerping van de aangevoerde beroepsargumenten goede redenen heeft. Dat is volgens de verwerende partij in casu het geval, zoals overigens alleen al blijkt uit het door verzoeker neergelegde verzoekschrift waarin vijf onderdelen van de motivering worden bekritiseerd, waaruit voortvloeit dat er specifiek werd ingegaan op de grieven van verzoeker en tevens ten overvloede blijkt dat hieruit minstens impliciet kan worden afgeleid waarom verzoekers argumenten in het algemeen niet werden aanvaard. Deze vaststelling volstaat volgens de verwerende partij om te oordelen dat het middel niet ernstig is. Meer concreet betoogt de verwerende partij dat verzoeker niet betwist op jaarbasis een onvoldoende te scoren voor drie vakken (samen goed voor 10 jaaruren), met name voor het hoofdvak wiskunde en de algemene vakken Frans en chemie, wat een ernstig tekort is dat onder ogen moet worden gezien; dat IX-10.325-13/22 verzoeker evenmin de examenresultaten als zodanig betwist, zodat men niet om de vaststelling kon dat er drie jaartekorten zijn voor in totaal 10 jaaruren; dat de beroepscommissie (net als de delibererende klassenraad) van oordeel is dat die jaaronvoldoendes het onmogelijk maken om over te gaan naar het zesde jaar; dat de motivering van de delibererende klassenraad door de bestreden beslissing wordt hernomen en op zichzelf draagkrachtig is; dat de beroepscommissie ook rekening houdt met het feit dat verzoeker pas na de deliberatie voor het eerst gewag maakt van het feit dat hij aandachtsstoornissen heeft en daarvoor medicatie neemt; dat dit vooraf niet was gemeld aan de verwerende partij, die dan ook niet een specifieke begeleiding kon voorzien op een ogenblik dat dit nog nuttig was; dat de bestreden beslissing stelt dat er akte wordt genomen van het “bijgebrachte argument m.b.t. de aandachtsstoornis” en er ook rekening mee houdt, maar in dat verband stelt dat “desondanks (…) de beroepscommissie tot het besluit (moet) komen dat de tekorten niet zijn weggewerkt en dat de basiskennis en vaardigheden onvoldoende zijn om verder te gaan naar het zesde jaar” en dat deze motivering draagkrachtig is. Daarnaast benadrukt de verwerende partij dat de Raad van State, als wettigheidsrechter, niet vermag de verbetering van de examens over te doen en evenmin, op zicht van de behaalde goede en minder goede resultaten, zich een eigen oordeel te vormen over het al dan niet slagen van een leerling en dat hij derhalve zijn eigen opvattingen niet kan substitueren aan deze van de beroepscommissie, nu het de Raad van State enkel toekomt om na te gaan of de beroepscommissie, binnen de grenzen van haar beoordelingsvrijheid, regelmatig tot haar besluit is gekomen. Specifiek ingaande op de door verzoeker in zijn verzoekschrift aangevoerde grieven wijst de verwerende partij erop dat verzoeker zelf erkent dat een cijfermatige benadering “op zichzelf niet verkeerd is” en evenmin de juistheid van deze cijfers bekritiseert. In zoverre uit verzoekers argument dat het niet volstaat om te verwijzen naar jaartekorten maar dat er ook zou moeten worden onderzocht “hoe deze jaartekorten kunnen worden begrepen” moet worden afgeleid dat er verschillende interpretaties mogelijk zouden zijn van een concreet IX-10.325-14/22 en niet betwist cijfer, mist het middel iedere ernst. Volgens de verwerende partij stelt de bestreden beslissing terecht, wat niet wordt tegengesproken door verzoeker, dat de leerkrachten het best geplaatst zijn om na te gaan of de leerdoelstellingen bereikt zijn, zodat indien de leerling een jaartekort heeft hieruit voortvloeit dat hij onvoldoende de leerstof beheerst voor het betreffende vak. In zoverre door verzoeker wordt aangegeven dat de “representativiteit” van de cijfers in twijfel moet worden getrokken in het licht van een door een klinisch psycholoog afgeleverd attest van 22 augustus 2023 waarin op grond van een diagnostisch onderzoek van 10 augustus 2023 voor het eerst de diagnose ADHD bij hem wordt vastgesteld, benadrukt de verwerende partij dat die vaststelling, die pas twee maand na het einde van het schooljaar voor het eerst ter kennis wordt gebracht van de school, geen afbreuk doet aan de effectief behaalde schoolresultaten en het feit dat de leerplandoelen onvoldoende werden bereikt. In zoverre verzoeker de beoordeling van de klassenraad over de globaliteit bekritiseert om vervolgens zelf aan te geven dat de beroepscommissie, die over een volheid van bevoegdheid beschikt, “het dossier daadwerkelijk in zijn globaliteit (moet) beoordelen”, geeft verzoeker volgens de verwerende partij zelf toe dat het uitgangspunt van de bestreden beslissing correct is, zodat de kritiek in het middelonderdeel feitelijke grondslag mist. Dienaangaande wijst de verwerende partij er nog op dat de klassenraad vertrekt van een globale beoordeling door vast te stellen dat verzoeker 3 jaartekorten heeft voor 10 jaaruren en dat de bestreden beslissing dit gegeven terecht kan kwalificeren als een “beoordeling over de globaliteit”, temeer nu de bestreden beslissing die motivering niet enkel herneemt, maar gaat verder aangezien erin ook uitdrukkelijk wordt verwezen naar het feit dat mails van de leerkrachten en de bijgebrachte argumenten m.b.t. de “aandachtsstoornis” in de beroepsbeslissing worden betrokken, zodat de aangevoerde grief dan ook feitelijke grondslag mist. Evenmin kan verzoekers derde grief, waarin de vermelding in de bestreden beslissing dat de mails die worden bijgebracht van een aantal leerkrachten nergens de beslissing van de klassenraad tegenspreken, wordt IX-10.325-15/22 bekritiseerd, worden bijgetreden, nu deze grief als volgt wordt verduidelijkt ”Deze e-mails zijn louter aanvullend bedoeld ter ondersteuning van het pleidooi voor een globale en meer prospectieve beoordeling” en verzoeker derhalve een “globale en prospectieve beoordeling” vraagt, terwijl de bestreden beslissing uitdrukkelijk aangeeft niet enkel rekening te houden met de cijfers, maar ook met de in de bestreden beslissing andere geëxpliciteerde motieven. Net zomin overtuigt verzoekers vierde grief gericht tegen de overweging waarin wordt gesteld “akte te nemen van het bijgebrachte argument m.b.t. de aandachtsstoornis” en daarmee rekening te houden, waarbij bijkomend wordt geëxpliciteerd dat er ook rekening wordt gehouden met de evoluties van de cijfers, maar dat dit niet belet dat de tekorten niet zijn weggewerkt en dat de basiskennis en vaardigheden onvoldoende zijn om verder te gaan naar het zesde jaar, nu de bestreden beslissing volgens de verwerende partij op dit punt draagkrachtig is gemotiveerd, nu de verzoekers bezwaren daadwerkelijk in overweging zijn genomen, zodat verzoeker aan de hand van de veruitwendigde motieven kan begrijpen waarom die argumenten de beroepscommissie niet konden overtuigen, temeer nu in ieder geval een uitdrukkelijke repliek geformuleerd is op de vragen die voor de verzoeker blijkens zijn beroepschrift van wezenlijk belang waren en die, mochten ze terecht zijn gesteld, mogelijk tot een voor hem gunstiger resultaat had kunnen leiden. Tot slot benadrukt de verwerende partij voor wat de vijfde door verzoeker aangevoerde grief betreft, waarin hij aan de bestreden beslissing verwijt geen oog te hebben gehad voor de mogelijkheid om alternatieve maatregelen te nemen, dat uit de veruitwendigde motieven blijkt dat de beroepscommissie de schoolresultaten dermate ontoereikend vindt dat dergelijke maatregelen niet aan de orde zijn, wat tevens blijkt uit de samenlezing van de globale motivering van de bestreden beslissing, zodat ook dit onderdeel van het middel niet als ernstig beschouw kan worden. IX-10.325-16/22 Beoordeling
- In zoverre verzoeker in het enig middel de schending aanvoert van de formele- en materiëlemotiveringsplicht en van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet, dient vooreerst te worden benadrukt dat noch het algemeen rechtsbeginsel dat een overheidsbeslissing gegrond moet zijn op deugdelijke motieven, dit wil zeggen op motieven die in feite juist en in rechte aanvaardbaar zijn, noch de formelemotiveringswet, aan het bestuur – in dit geval de beroepscommissie – de verplichting opleggen om alle grieven of middelen die door de betrokkene worden aangevoerd één voor één van antwoord te dienen. Het volstaat dat in de beslissing van de beroepscommissie de motieven worden opgenomen die de beslissing kunnen dragen. Waar de regelgeving, zoals in casu, in een administratieve beroepsprocedure heeft voorzien, moet diegene die het beroep heeft ingesteld, er wel op kunnen rekenen dat zijn beroepschrift door de beroepsinstantie zorgvuldig wordt onderzocht en dat deze instantie, indien zij tot hetzelfde oordeel komt als de beslissing waartegen het beroep werd ingesteld, goede redenen heeft voor de verwerping van de aangevoerde beroepsargumenten. Wanneer het gaat om een welomschreven, gewichtige grief van diegene die het beroep heeft ingesteld, dan zullen die redenen uitdrukkelijk in de beslissing van de beroepsinstantie moeten worden weergegeven. Van een zorgvuldig handelende beroepsinstantie mag immers worden verwacht dat zij in haar beslissing formeel aandacht besteedt aan de wezenlijke grieven van diegene die het beroep heeft ingesteld en dat zij hem aldus de antwoorden geeft die laten begrijpen waarom zijn beroep wordt verworpen.
- In casu heeft verzoeker gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de artikelen 123/15 en 123/17 van de Codex Secundair Onderwijs hem bieden om een beroep in te stellen tegen een ongunstige evaluatiebeslissing van de over hem delibererende klassenraad. Hieruit volgt dat, wanneer verzoeker aldus een IX-10.325-17/22 samenkomst van de beroepscommissie uitlokt, deze commissie dient kennis te nemen van zijn aangevoerde grieven, ze dient te beoordelen en te beantwoorden.
- Ter adstructie van de aangevoerde schending betoogt verzoeker dat de beroepscommissie zich niet mocht beperken tot het opsommen van de jaartekorten, doch had moeten onderzoeken hoe die jaartekorten konden worden begrepen, temeer nu hij grieven heeft aangevoerd die een ander licht werpen op zijn cijfers en aan de representativiteit van zijn resultaten kan worden getwijfeld omwille van zijn concentratiestoornis, waarover de beroepscommissie zich volgens hem op dat vlak in stilzwijgen heeft gehuld. Wat dat laatste betreft neemt verzoeker aanstoot aan het feit dat, niettegenstaande de beroepscommissie wel aangeeft rekening te hebben gehouden met zijn aandachtsstoornis, op generlei wijze blijkt wat daarvan de impact was bij het nemen van de bestreden beslissing, nu de commissie zich volgens verzoeker beperkt, tot de vaststelling dat de tekorten niet zijn weggewerkt en dat de basiskennis en vaardigheden onvoldoende zijn om een volgend leerjaar aan te vatten.
- Uit de gegevens van het dossier blijkt dat verzoeker in het voorbije schooljaar drie jaartekorten heeft behaald, waarvan één voor het richtingspecifieke vak wiskunde en dat die onvoldoendes de beroepscommissie hebben doen besluiten dat verzoeker onmogelijk kan overgaan naar het volgende leerjaar, “dat de basiskennis en vaardigheden onvoldoende zijn om verder te gaan naar een zesde jaar”, zodat op het eerste gezicht het alleen deze jaartekorten zijn die de beslissing van de beroepscommissie dragen. Niettegenstaande de commissie stelt dat “[d]e beslissing is gebaseerd op een globale beoordeling”, lijkt deze passus op het eerste gezicht niets meer dan een holle frase, nu zij, zo lijkt, geen enkel inzicht verschaft op welke manier de andere resultaten van verzoeker, die verder nergens ter sprake komen, bij de totstandkoming van de beslissing van betekenis zijn geweest. Daarnaast doet de vermelding dat de beroepscommissie zich “[aansluit] bij de motivering van de klassenraad” vooralsnog niet anders besluiten, IX-10.325-18/22 nu eveneens in de beslissing van de klassenraad van einde juni alleen sprake is van de jaartekorten van verzoeker. Derhalve moet worden geoordeeld, zo lijkt, dat mocht blijken dat die jaartekorten niet op deugdelijke wijze werden vastgesteld, zij de bestreden beslissing derhalve niet kunnen schragen.
- In tegenstelling tot wat de verwerende partij voorhoudt, betwist verzoeker wel degelijk deze jaartekorten, nu hij meent dat de cijfers voor die vakken niet representatief zijn en daarvoor verwijst naar een aandachtsstoornis waaronder hij te lijden zou hebben en waarvoor pas in de loop van het schooljaar medicatie werd opgestart. Tevens doelt hij erop dat zijn aandoening in de periode vóór de opstart van de medicatie zijn cijfers in negatieve zin hebben beïnvloed en dat hij betreffend bezwaar bij de beroepscommissie heeft aangevoerd en uitgebreid heeft toegelicht.
- Prima facie kan daarvan bezwaarlijk worden betwist dat dit een ernstige grief is die, mocht hij gegrond zijn, voor verzoeker een gunstiger resultaat zou kunnen opleveren. In die omstandigheden vermocht verzoeker erop te rekenen dat de beroepscommissie zijn grief daadwerkelijk in overweging zou nemen en in de nieuwe beoordeling betrekken – er zelfs formeel op antwoorden, zodanig dat hij zou kunnen begrijpen waarom dat argument de beroepscommissie niet kon overtuigen.
- In de bestreden beslissing wordt in verband met die aangevoerde grief geargumenteerd dat de beroepscommissie “akte [neemt] van het bijgebrachte argument m.b.t. de ‘aandachtsstoornis’ en […] hiermee rekening [houdt]”. Daaraan wordt echter toegevoegd dat de commissie “[d]esondanks” moet besluiten dat “de tekorten niet zijn weggewerkt en dat de basiskennis en vaardigheden onvoldoende zijn om verder te gaan naar een zesde jaar”. IX-10.325-19/22 Voornoemde passages uit de bestreden beslissing lijken, samengelezen, alleen te kunnen betekenen dat de beroepscommissie ofwel de problematiek van de aandachtsstoornis van verzoeker niet heeft aanvaard, ofwel de invloed ervan op de resultaten niet heeft aangenomen, nu zij alleen in die omstandigheden kon oordelen “dat de tekorten niet zijn weggewerkt en dat de basiskennis en vaardigheden onvoldoende zijn om verder te gaan naar een zesde jaar”, en met andere woorden, kon besluiten dat de cijfers wel degelijk representatief waren. Het motief voor het verwerpen van verzoekers argument kan bijgevolg onmogelijk besloten liggen in de passus “dat de tekorten niet zijn weggewerkt en dat de basiskennis en vaardigheden onvoldoende zijn om verder te gaan naar een zesde jaar”, dat slechts een conclusie lijkt te kunnen zijn nadat eerst het bezwaar van verzoeker over de impact van zijn aandachtsstoornis op de resultaten, op zijn merites werd beoordeeld. Een dergelijke beoordeling valt niet terug te vinden in de bestreden beslissing, nu de beroepscommissie op dat vlak prima facie geen enkel inzicht in haar beweegredenen biedt. De enkele vermelding dat met de aandachtsstoornis “rekening wordt gehouden”, is op het eerste gezicht ook niet meer dan een loutere stijlformule, bruikbaar als een passe-partout voor alle beslissingen, zonder dat de beroepscommissie daarmee van een concreet en individueel onderzoek doet blijken. Daarbij dient te worden benadrukt dat met motieven die niet in de bestreden beslissing voorkomen en die de verwerende partij thans voor het eerst in haar nota voor de Raad van State aanvoert – bijvoorbeeld, dat de diagnose pas twee maanden na het einde van het schooljaar voor het eerst aan de school ter kennis werd gebracht en dat die diagnose geen afbreuk doet aan de effectief behaalde schoolresultaten en het feit dat de leerplandoelen onvoldoende werden bereikt – op het eerste gezicht geen rekening kan worden gehouden, al was het IX-10.325-20/22 maar omdat daarvan niet blijkt dat ze bij de totstandkoming van de bestreden beslissing daadwerkelijk een rol, laat staan een decisieve rol hebben gespeeld.
- Bijgevolg dient, in de huidige stand van de rechtspleging, te worden besloten dat de beroepscommissie, na bezwaar daaromtrent van verzoeker, niet deugdelijk tot het besluit is gekomen dat de cijfers van verzoeker representatief zijn. Het ontbreekt derhalve de bestreden beslissing aan een schragend motief, nu het op het eerste gezicht het alleen de niet deugdelijk bevonden jaartekorten zijn die de beslissing van de beroepscommissie lijken te dragen. Het enige middel is in de aangegeven mate ernstig. VII. Conclusie
- Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de “beslissing van de beroepscommissie van het Virga Jessecollege Hasselt […] d.d. 22 augustus 2023 […] waarbij deze heeft beslist om de beslissing van de delibererende klassenraad (en bijgevolg het studiebewijs ‘oriënteringsattest C’) te handhaven”.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twintig september tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: IX-10.325-21/22 Chantal Bamps, wnd. kamervoorzitter, staatsraad bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Chantal Bamps IX-10.325-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.378 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.720 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div