← België

Arrest 257382 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 20/09/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.382 Rolnummer: Zaak: Arrest 257382 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 20/09/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-09-26 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-10 12:17 Fiche Arrest nr 257.382 van 20 september 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 257.382 van 20 september 2023 in de zaken A. 235.242/X-18.050 (I) 235.244/X-18.051 (II) 235.276/X-18.055 (III) 235.687/X-18.093 (IV) In zake: I + II + III de NV WERELDHAVE BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ive Van Giel kantoor houdend te 2000 Antwerpen Cockerillkaai 18 bij wie woonplaats wordt gekozen IV de NV ALBERT HEIJN BELGIË bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Vandamme kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Eyskens kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : I + II + III de NV ALBERT HEIJN BELGIË bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Vandamme kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- X-18.050-18.051-18.055-18.093-1/27 I. Voorwerp van de beroepen

  1. Het verzoekschrift in de zaak sub I, ingediend op 19 december 2021, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent van 21 oktober 2021 houdende “Plan voor de tijdelijke inrichting van de Overpoortbuurt – Goedkeuring” (hierna: het tijdelijke-inrichtingsbesluit). Het verzoekschrift in de zaak sub II, ingediend op 19 december 2021, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent van 21 oktober 2021 houdende “Terrasinplantingsplan (TIP) Overpoortbuurt – Goedkeuring” (hierna: het terraszonesbesluit). Het verzoekschrift in de zaak sub III, ingediend op 14 februari 2022, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent van 16 december 2021 houdende “Nieuw aanvullend reglement van de politie op het wegverkeer – gemeenteweg – Overpoortstraat – nieuwe verkeersmaatregelen – Goedkeuring” (hierna: het eenrichtingsbesluit). Het verzoekschrift in de zaak sub IV, ingediend op 15 februari 2022, strekt tot de nietigverklaring van het eenrichtingsbesluit. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 252.573 van 31 december 2021 zijn de vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen verworpen, zijn de zaken sub I, II en III samengevoegd voor wat betreft de vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, is de tussenkomst van de nv Albert Heijn Belgiê in de zaken sub I, II en III toegelaten en zijn de kosten voor de vordering tot schorsing en de tussenkomst in de zaak sub III begroot. X-18.050-18.051-18.055-18.093-2/27 De verzoekende partij heeft in de zaken sub I en II een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. In de zaken sub I, II en III heeft de verwerende partij een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft in die zaken een memorie van wederantwoord ingediend. In de zaak sub IV heeft de verzoekende partij een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld in de zaken sub I en II en een verslag in de zaken sub III en IV. In de vier zaken hebben de verzoekende partijen en de verwerende partij een laatste memorie ingediend en in de zaken sub I en II heeft de tussenkomende partij een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 mei
  3. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tjörven Masil, die loco advocaat Ive Van Giel verschijnt voor de nv Wereldhave Belgium, advocaat Thomas Eyskens, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Filip De Preter, die loco advocaat Stijn Vandamme verschijnt voor de nv Albert Heijn België, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. X-18.050-18.051-18.055-18.093-3/27 III. Feiten
  5. Te Gent loopt de Overpoortstraat vooreerst van het kruispunt met de Kunstlaan naar het kruispunt met de straat Stalhof (hierna: het noordelijke gedeelte van de Overpoortstraat). Vervolgens loopt de Overpoortstraat van het laatstgenoemde kruispunt naar het kruispunt met de ringweg R40 (hierna: het zuidelijke gedeelte van de Overpoortstraat). Vanop de R40 is het voor gemotoriseerd verkeer verboden om de Overpoortstraat in te slaan, maar tot vóór het eenrichtingsbesluit werd daarop een uitzondering gemaakt voor vergunninghouders. De nv Wereldhave Belgium (hierna: Wereldhave) is eigenaar van het winkelcomplex “Overpoort Shopping” op een terrein aan de oostzijde van het zuidelijke gedeelte van de Overpoortstraat. Op dit terrein bevindt zich, haaks op de straat, een inrijstrook met daarachter een loskade (hierna: de loskade). Tegenover de loskade bevinden zich aan de overzijde van de Overpoortstraat de panden op nummers 116 en 114, met daarvóór een bushalte die met wegmarkeringen op de rijbaan is aangeduid (hierna: de met wegmarkeringen aangeduide bushalte). De huurders van Wereldhave, zoals de nv Albert Heijn België (hierna: Albert Heijn), zijn vergunninghouder, zodat hun vrachtwagens die de winkels bevoorraden vanop de R40 de Overpoortstraat kunnen inslaan en enkel het zuidelijke gedeelte van deze straat dienen te gebruiken.
  6. Op 6 juli 2017 besluit het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent om een langetermijnvisie voor de Overpoortbuurt uit te werken.
  7. Op 19 oktober 2017 wordt een overheidsopdracht van diensten gegund aan een studiebureau met als doel de opmaak van een langetermijnvisie voor de Overpoortbuurt en daaraan gekoppeld een aanzet tot actieplan. X-18.050-18.051-18.055-18.093-4/27
  8. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent neemt met een besluit van 4 oktober 2018 (hierna: het collegebesluit van 4 oktober 2018) akte van het eindrapport ‘Visie en aanzet tot actieplan Overpoortbuurt’ (hierna: de visienota).
  9. Op 5 november 2020 keurt het college van burgemeester en schepenen de projectfiche na initiatiefase “POD Overpoortbuurt” goed. De omschrijving in de projectfiche maakt onder meer melding van: “Het uittesten van concepten voor de heraanleg via een tijdelijke inrichting van de Overpoortstraat”.
  10. Op 16 februari 2021 organiseert de verwerende partij een “digitale kick-off” over het actieplan Overpoortbuurt, waarvoor alle ondernemingen langs de Overpoortstraat en de buurtbewoners uitgenodigd zijn.
  11. Op 10 juni 2021 keurt het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent de projectfiche na onderzoek “POD Overpoortbuurt” goed.
  12. Op 12 oktober 2021 vindt een overleg plaats tussen, enerzijds, de verwerende partij en, anderzijds, Wereldhave en Albert Heijn. 11.
  13. Op 21 oktober 2021 neemt het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent het terraszonesbesluit. Dit is het bestreden besluit in de zaak sub II. Op het bij het terraszonesbesluit horende plan wordt een terraszone ingetekend voor de panden Overpoortstraat nummers 116 en
  14. X-18.050-18.051-18.055-18.093-5/27 11.
  15. Eveneens op 21 oktober 2021 neemt het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent het tijdelijke-inrichtingsbesluit. Dit is het bestreden besluit in de zaak sub I. Uit het bij het tijdelijke-inrichtingsbesluit horende plan blijkt dat voornamelijk in het noordelijke deel van de Overpoortstraat – bij wijze van proefopstelling – banken zullen worden geplaatst binnen de afgebakende terraszones. Tevens zijn op dit plan meerdere publieke zones voor laden en lossen met de lange zijde langs de straat ingetekend. Tot slot kan uit dit plan worden opgemaakt dat de met wegmarkeringen aangeduide bushalte op nagenoeg dezelfde plaats behouden wordt. 12.
  16. Op 22 oktober 2021 stuurt de verwerende partij volgend e-mailbericht aan Wereldhave en Albert Heijn: “Bedankt voor uw aanwezigheid op het overleg rond de Overpoortstraat vorige week. De essentie van het overleg was dat de Overpoortstraat eenrichtingsstraat wordt en dat alle leververkeer in de toekomst zal moeten aanrijden via de Kunstlaan naar de Overpoortstraat. Dit betekent dat de […] loskade aan Wereldhave niet meer bereikbaar zal zijn vanuit de richting R
  17. De […] loskade moet aangereden worden vanuit de richting Kunstlaan. Ik wil nog eens de conclusies meegeven: AH zal nakijken hoe dit mogelijk is, nl. lossen met kleinere wagens, gezien opleggers het manoeuvre om de loskade te bereiken niet kunnen maken komende van de richting Kunstlaan. De stad Gent zal simulaties doorgeven van vrachtwagentypes die deze beweging wél kunnen maken. In bijlage vindt u een dergelijke simulatie met een vrachtwagen van 12m. Er zal een overleg komen over welke afspraken er gemaakt worden over lossen in de straat, waarbij alle stakeholders zullen worden betrokken. In afwachting van het instellen van definitief eenrichtingsverkeer, zal de stad binnenkort al eenrichtingsverkeer invoeren in het stuk Overpoortstraat tussen Voetweg en Stalhof, het deel tussen R40 en Stalhof blijft voorlopig nog even tweerichtingsverkeer. Dit is een overgangsmaatregel die Wereldhave/Albert Heijn de mogelijkheid biedt om in afwachting van een definitieve oplossing (lossen met kleinere vrachtwagens), toch nog even zonder overtreding de loskade te kunnen bereiken vanaf de R40”. X-18.050-18.051-18.055-18.093-6/27 12.
  18. Aan het e-mailbericht is in bijlage een simulatie toegevoegd van de draaicirkels van een vrachtwagen met een lengte van 12 meter. Daaruit blijkt dat dergelijke vrachtwagen gebruik kan maken van de loskade zonder enige terraszone te overschrijden. 13.
  19. Op 6 december 2021 organiseert de stad Gent een “infosessie” over het actieplan Overpoortbuurt, waarvoor alle ondernemingen langs de Overpoortstraat en de buurtbewoners uitgenodigd zijn. De stad deelt mee dat de Overpoortstraat over de hele lengte een “erf” wordt met eenrichtingsverkeer in de richting van de R
  20. 13.
  21. Eveneens op 6 december 2021 vraagt Albert Heijn aan de verwerende partij om voor “onze city trailer” (dit is een type vrachtwagens met oplegger dat voorzien is van meesturende achterassen) simulaties te maken voor het nemen van de bocht Kunstlaan/Overpoortstraat en voor het in- en uitrijden van de loskade.
  22. Op 10 december 2021 stuurt Wereldhave aan de verwerende partij een ingebrekestelling “om onmiddellijk een besluit te nemen tot opschorting en intrekking [van de] beoogde […] inrichting van de Overpoortstraat met eenrichtingsverkeer […], teneinde onevenredige hinder en schade in [haren] hoofde […] en in deze van haar huurders die gebruik maken van de […] loskade van het Winkelcomplex, zoals de supermarkt Albert Heijn, te vermijden”.
  23. Op 15 december 2021 antwoordt de verwerende partij als volgt op de ingebrekestelling: “[…] De Overpoortstraat is verkeerstechnisch een erfzone maar de huidige publieke ruimte ondersteunt dit principe onvoldoende qua inrichting. Het bestuur zal de publieke ruimte zo laten inrichten dat het duidelijker wordt dat voetgangers en fietsers er voorrang hebben. In functie van veiligheid wil de Stad dat het gemotoriseerd verkeer zich hieraan aanpast. De keuze voor éénrichtingsverkeer is vanuit deze visie gemotiveerd. X-18.050-18.051-18.055-18.093-7/27 In uw schrijven verwijst u naar de dagelijkse bediening door een 5-tal vrachtwagens van 14 meter, naar de vrees dat de veiligheid van zwakke weggebruiker niet gegarandeerd is ter hoogte van de […] loskade, en naar een gebrekkig alternatievenonderzoek. Het stadsbestuur is echter van oordeel dat er wel degelijk op zorgvuldige en voldoende gemotiveerde basis een correcte beslissing werd genomen en wenst derhalve in deze haar standpunt niet te wijzigen. Dit betekent dat de uitvoering van de geplande tijdelijke inrichting vanaf 10 januari 2022 zal aanvatten. Voor het laden en lossen betekent dit het volgende: ➔ Komende van de stadsring zal aangereden moeten worden langs de Kunstlaan. Het is mogelijk om de bocht richting Overpoortstraat te nemen voor vrachtwagens tot 10 meter evenals voor vrachtwagens met oplegger voorzien van meesturende achterassen (van het type Citytrailer). Uit een simulatie met het door AH bezorgde vrachtwagentype (CityTrailer), is alvast gebleken dat deze bocht en het vervolgens inrijden van de loskade Wereldhave komende van de kant Kunstlaan mogelijk is. Gewone vrachtwagens groter dan 10 meter kunnen deze bocht niet nemen. ➔ Interferentie met overstaande terrassen zal worden geëvalueerd en afgestemd op het in- en uitrijden van de […] loskade. ➔ De bushalte blijft ongewijzigd ten opzichte van de huidige situatie. Uw voorstel waarbij de Overpoortstraat tot en met de locatie van de […] loskade tweerichtingsverkeer blijft, werd niet weerhouden. Het voorzien van een uitzondering op het basisprincipe leidt verkeerstechnisch tot verwarrende en gevaarlijke situaties. […]”.
  24. Op 16 december 2021 neemt het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent het eenrichtingsbesluit. Dit is het bestreden besluit in de zaken sub III en IV. IV. Samenvoeging
  25. De drie bestreden besluiten vertonen samenhang en in de vier verzoekschriften worden gelijklopende, zo niet identieke, middelen aangevoerd.
  26. In de zaak sub IV argumenteert Albert Heijn dat haar beroep afzonderlijk moet worden beoordeeld en ingewilligd, nu de door haar aangehaalde feiten als bewezen moeten worden geacht daar de verwerende partij heeft nagelaten een memorie van antwoord en een administratief dossier neer te leggen. Deze argumentatie overtuigt niet, al was het maar omdat de X-18.050-18.051-18.055-18.093-8/27 verwerende partij op 26 juli 2022 het administratief dossier heeft neergelegd en het verzoekschrift van Albert Heijn het feitenrelaas bevestigt zoals dit hiervoor (randnrs. 3-16) is weergegeven.
  27. Er is reden om de zaken sub I, II, III en IV samen te voegen en over die beroepen in één arrest uitspraak te doen. V. Tussenkomsten
  28. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de tussenkomst van Albert Heijn in de beroepen sub I, II en III. Zij verwijst naar twee arresten van de Raad van State waarin een verzoek tot tussenkomst werd afgewezen omdat het belang van de verzoekende partij in tussenkomst niet voldoende gelijklopend was met dat van de verzoekende partij. In de zaken sub I en II verwijst de verwerende partij ter verdere ondersteuning van haar exceptie naar een zaak waarin de Raad van State een verzoek tot tussenkomst heeft afgewezen nadat was vastgesteld dat het ingediend werd buiten de termijn van zestig dagen na de bekendmaking van het bestreden besluit.
  29. De door de verwerende partij aangevoerde exceptie kan niet overtuigen, al was het maar omdat zij niet uiteenzet waarin het belang van Albert Heijn zou verschillen van het belang van Wereldhave en zij niet aantoont dat te dezen de in artikel 52 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voorziene termijn om tussen te komen overschreden zou zijn. VI. Onderzoek van de middelen A. Het tweede middel Uiteenzetting van het middel 22.
  30. Het tweede middel is genomen uit de schending van het X-18.050-18.051-18.055-18.093-9/27 zorgvuldigheidsbeginsel in samenhang met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel en – wat de zaak sub III betreft – met de hoorplicht en de artikelen 7 en 8 van het verdrag van Aarhus ‘betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden’. 22.
  31. In de verzoekschriften wordt toegelicht dat er “beloftes en toezeggingen” van de verwerende partij waren die niet zijn nagekomen. Volgens Wereldhave en Albert Heijn vloeit uit het e-mailbericht van de verwerende partij van 22 oktober 2021 duidelijk voort dat zij de gerechtvaardigde verwachting mochten koesteren dat de verwerende partij met hen nader zou overleggen. Uit het verdere verloop is evenwel gebleken dat de verwerende partij deze gegeven garantie op bilateraal overleg heeft geschonden. Op 29 november 2021 e-mailde de verwerende partij immers dat de invoering van eenrichtingsverkeer in de volledige Overpoortstraat reeds is vastgelegd op 10 januari
  32. Op een vraag tijdens de infosessie van 6 december 2021 antwoordt de verwerende partij dat alle opties bekeken zijn, dat de enige mogelijkheid de invoering van het eenrichtingsverkeer is en dat deze beleidskeuze bilateraal werd afgestemd met de betrokkenen, wat manifest onjuist is. De onzorgvuldigheid in de communicatie van de verwerende partij is nogmaals bevestigd op de terechtzitting van 28 december 2021 over de vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid waar zij plots gewag heeft gemaakt van een volstrekt onrealistisch alternatief tracé om met een vrachtwagen het winkelcomplex “Overpoort Shopping” te bereiken. De verzoekschriften vervolgen dat eveneens op basis van de voor het winkelcomplex verleende stedenbouwkundige vergunning erop mocht worden vertrouwd dat in geval van wijzigingen in de verkeerssituatie voor de Overpoortstraat er enkel een impact zou zijn op de “tijdsvensters” van het laden en lossen. In die vergunning wordt immers overwogen dat wanneer de Overpoortstraat verkeersvrij zou worden gemaakt het “laden en lossen [zal] moeten gebeuren binnen de tijdsvensters die door het college van burgemeester en X-18.050-18.051-18.055-18.093-10/27 schepenen zullen worden bepaald”. Wereldhave en Albert Heijn benadrukken dat het bestreden besluit aan hen onevenredige nadelen berokkent. Albert Heijn beschikt immers over vrachtwagens met een lengte van 14,2 meter. De door de stad opgelegde situatie waarbij enkel vrachtwagens van 12 meter lang kunnen worden aangewend is niet haalbaar door de onevenredige nadelige impact daarvan (dubbele ritten, extra chauffeurs…). Bovendien blijkt uit de simulatie van de verwerende partij dat vrachtwagens met een lengte van twaalf meter een draaicirkel nodig hebben op de plaats waar de terraszone voor de huisnummers 116 en 114 voorzien is. Er zullen dus horecaterassen komen op de strook waar de vrachtwagens moeten kunnen draaien. Voorts stellen de verzoekschriften dat de motivering van de brief van 15 december 2021 de onzorgvuldigheid van de verwerende partij bevestigt. Er wordt immers niet gesteund op draagkrachtige studies of gegevens. Volgens Wereldhave en Albert Heijn is er onvoldoende rekening gehouden met hun belangen. Nochtans impliceert de hoorplicht dat het bestuur de betrokkene hoort vooraleer een beslissing te nemen waaruit ernstige belangenschade volgt en vloeit uit de artikelen 7 en 8 van het verdrag van Aarhus voort dat in inspraak van het publiek moet worden voorzien met betrekking tot de voorbereiding van plannen en programma’s die betrekking hebben op het milieu.
  33. Bij de memories van wederantwoord wordt een nota gevoegd van een testrit met een 14,2 meter lange vrachtwagen van Albert Heijn (hierna: de testritnota). Volgens Wereldhave en Albert Heijn blijkt daaruit dat een dergelijke vrachtwagen onmogelijk de bocht van het kruispunt van de Kunstlaan en de Overpoortstraat kan nemen zonder het voetpad te overschrijden. Bovendien toont de testritnota aan dat dergelijke vrachtwagen enorm veel moeilijkheden ondervindt om achteruit te kunnen inrijden naar de loskade.
  34. In haar laatste memories benadrukt Albert Heijn dat de verwerende partij ten onechte is uitgegaan van kortere vrachtwagens “in plaats van X-18.050-18.051-18.055-18.093-11/27 de werkelijke lengte van 14,3 m”. Beoordeling 25.
  35. Het uitgangspunt van het middel is dat Wereldhave en Albert Heijn door de bestreden besluiten verschalkt zijn daar de verwerende partij er zich in haar e-mailbericht van 22 oktober 2021 toe geëngageerd zou hebben om met hen nader te overleggen over de invoering van het eenrichtingsverkeer in het geheel van de Overpoortstraat. 25.
  36. Dit uitgangspunt berust op een misvatting. Waar er in het e-mailbericht van de verwerende partij van 22 oktober 2021 overwogen wordt dat er “een overleg [zal] komen over welke afspraken er gemaakt worden over lossen in de straat” heeft dit immers louter betrekking op de nadere modaliteiten voor het laden en lossen “in de straat”, dit zijn met name de publieke zones voor laden en lossen die ingetekend staan op het plan dat hoort bij het tijdelijke-inrichtingsbesluit. Deze in het middel ingeroepen overweging heeft geen betrekking op nader overleg over de invoering van het eenrichtingsverkeer in het geheel van de Overpoortstraat. Voorts overtuigen Wereldhave en Albert Heijn er niet van dat op grond van de vermelding in de stedenbouwkundige vergunning van de mogelijkheid om “tijdvensters” in te voeren, er op vertrouwd kon worden dat het tweerichtingsverkeer in de Overpoortstraat behouden zou worden. 26.
  37. De stukken van het administratief dossier spreken de stelling van Wereldhave en Albert Heijn tegen volgens dewelke de verwerende partij niet met kennis van zaken zou hebben beslist of onvoldoende aandacht zou hebben gehad voor het gebruik van de loskade. Revelerend in dit verband zijn het stuk 17, dit is de in randnummer 12.2 bedoelde bijlage, en het stuk 29, dit zijn de door Albert Heijn gevraagde simulaties (randnr. 13.2). X-18.050-18.051-18.055-18.093-12/27 Beide stukken zijn door de technische dienst van de verwerende partij opgemaakt en bevatten simulaties van de draaicirkels die de vrachtwagens van Albert Heijn zullen moeten maken na de invoering van het eenrichtingsverkeer. Uit deze simulaties blijkt dat de draaicirkels bij het in- en uitrijden van de loskade van het winkelcomplex geen enkele terraszone overschrijden. 26.
  38. Dat de door de verwerende partij opgemaakte simulaties betrekking hebben op vrachtwagens die minder lang zijn dan de tot dan toe door Albert Heijn gebruikte vrachtwagens van 14,2 meter is logisch, nu de verwerende partij er steeds van uit is gegaan dat – zoals zij op het overleg van 12 oktober 2021 (randnrs. 10 en 12.1) heeft aangegeven – de leveringen aan Albert Heijn voortaan zullen moeten gebeuren met kleinere vrachtwagens. Ten onrechte negeren Wereldhave en Albert Heijn deze logica door de testritnota en hun argumentatie voor de Raad van State te blijven steunen op het gebruik van vrachtwagens die (minstens) 14,2 meter lang zijn. De testritnota en de voornoemde argumentatie missen dan ook overtuigingskracht.
  39. Voorts blijkt niet dat de brief van 15 december 2021 zou getuigen van onzorgvuldigheid, al was het maar omdat het middel er aan voorbijgaat dat de keuze voor het eenrichtingsverkeer steunt op de visienota. Hetzelfde geldt voor hetgeen de verwerende partij verklaard heeft op de terechtzitting van 28 december
  40. Krachtens de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur mag tegen niemand een maatregel worden genomen die van aard is zijn belangen ernstig aan te tasten, zonder dat hem vooraf de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt daarover op een nuttige wijze ter kennis te brengen van het bestuur. Uit niets blijkt dat de bestreden besluiten een tegen Wereldhave en Albert Heijn gerichte maatregel zouden zijn. Zij maken dan ook niet X-18.050-18.051-18.055-18.093-13/27 aannemelijk dat zij zich dienaangaande kunnen beroepen op het beginsel van de hoorplicht. Ook de aangevoerde schending van het verdrag van Aarhus kan niet overtuigen, al was het maar omdat ze berust op het in randnummer 25.1 bedoelde uitgangspunt dat hiervoor onjuist is bevonden.
  41. De conclusie is dat geen enkel element waarop Wereldhave en Albert Heijn zich beroepen aantoont dat de bestreden besluiten genomen zouden zijn met schending van de aangevoerde rechtsregels.
  42. Het middel wordt verworpen. B. Het derde middel in de zaken sub I en II Uiteenzetting van het middel 31.
  43. Het derde middel in de zaken sub I en II is afgeleid uit de schending van artikel 41, § 1, van de Grondwet, in samenhang met de artikelen 2, § 2, 40, § 1, 41, tweede lid, 9°, en 56, § 3, 1°, van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’ (hierna: decreet lokaal bestuur), en de artikelen 2, 12°, 4 en 8 van het decreet van 3 mei 2019 ‘houdende de gemeentewegen’ (hierna: het gemeentewegendecreet), evenals het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. 31.
  44. In het middel wordt toegelicht dat voor de wijziging van de breedte van een gemeenteweg in de zin van artikel 8 van het gemeentewegendecreet alleen de gemeenteraad bevoegd is, waarbij hij een rooilijnplan dient vast te stellen en de in artikel 4 van hetzelfde decreet vastgestelde principes dient na te leven. Met het tijdelijke-inrichtingsbesluit en het terraszonesbesluit wordt de breedte van de Overpoortstraat gewijzigd. Aldus overstijgen deze besluiten het louter beheer van de gemeenteweg. Het college van burgemeester en schepenen was onbevoegd om het tijdelijke-inrichtingsbesluit en X-18.050-18.051-18.055-18.093-14/27 het terraszonesbesluit te nemen.
  45. In de memories van wederantwoord wordt vermeld dat de bevoegde schepen verklaard heeft dat door het tijdelijke-inrichtingsbesluit de rijweg versmald wordt. Ontegensprekelijk gaan de bestreden besluiten veel verder dan loutere daden van beheer van de gemeenteweg. Beoordeling
  46. In het middel wordt aangevoerd dat het terraszonesbesluit en het tijdelijke-inrichtingsbesluit wijzigingen van een gemeenteweg in de zin van het gemeentewegendecreet zijn.
  47. Artikel 2, 12°, van het gemeentewegendecreet definieert de wijziging van een gemeenteweg als “de aanpassing van de breedte van de bedding van een gemeenteweg […]”.
  48. Door het terraszonesbesluit worden langs de horecazaken in de Overpoortstraat zones voor horecazones ingetekend. Het tijdelijke-inrichtingsbesluit voorziet erin dat er binnen deze zones banken zullen worden geplaatst. Beide besluiten laten de rooilijnen van de Overpoortstraat ongemoeid. Het enkele gegeven dat in de feiten de door voertuigen te gebruiken ruimte versmald wordt heeft juridisch, anders dan in het middel wordt aangenomen, niet tot gevolg dat de breedte van de bedding van de Overpoortstraat aangepast wordt. Vastgesteld moet worden dat de kwestieuze terraszones en de daarin geplaatste banken tot de vooraf bestaande bedding blijven behoren. Uit deze vaststelling volgt dat het terraszonesbesluit en het tijdelijke-inrichtingsbesluit geen wijzigingen van een gemeenteweg in de zin van het gemeentewegendecreet zijn.
  49. Het middel wordt verworpen. X-18.050-18.051-18.055-18.093-15/27 C. Het eerste middel Uiteenzetting van het middel 37.
  50. Het eerste middel is genomen uit de schending van de materiëlemotiveringsplicht in samenhang met het zorgvuldigheidsbeginsel en – wat de zaken sub III en IV betreft – met de omzendbrief MOB/2009/01 van 3 april 2009 ‘gemeentelijke aanvullende reglementen op de politie over het wegverkeer’ en van artikel 4 van het gemeentewegendecreet. 37.
  51. Wereldhave en Albert Heijn betogen dat de materiële motieven voor het bestreden besluit niet terug te vinden zijn in het administratief dossier. In de visienota worden enkele mobiliteitsopties onderzocht op hun positieve en negatieve punten. Op het einde van de visienota wordt vermeld dat scenario 2 (tweerichtingsverkeer) en 3 (éénrichtingsverkeer) de meeste voordelen zouden hebben en als voorkeuropties worden beschouwd. Bij het nemen van de bestreden beslissing heeft de verwerende partij onvoldoende gemotiveerd waarom zij scenario 3 van de visienota heeft gekozen en niet scenario 2 van deze nota. Het middel benadrukt dat er twee voorkeurscenario’s (meervoud) zijn, meer bepaald scenario 3 én scenario 2, zonder dat er in de visienota een voorkeur wordt uitgesproken. Het gebrek aan verantwoording van de keuze voor scenario 3 klemt des te meer nu de visienota “laden en lossen” bestempelt als een pluspunt voor dit scenario terwijl blijkt dat er op geen enkele manier rekening is gehouden met de nadelige impact voor de loskade. “Post factum”, zo stelt het middel, heeft de verwerende partij “de dag voor [het eenrichtingsbesluit]” een antwoord gegeven dat feitelijk onjuist is. Anders dan het antwoord van 15 december 2021 laat uitschijnen, is er immers onvoldoende samenspraak geweest met Wereldhave en Albert Heijn en is de bestreden beslissing nefast voor de veiligheid van de voetgangers en fietsers. Bovendien kunnen er vragen worden gesteld bij het statuut van de visienota, nu deze louter het voorwerp heeft uitgemaakt van een collegebesluit tot “kennisname”. De visienota is nooit formeel ter inspraak voorgelegd aan het publiek, noch heeft de gemeenteraad de bevindingen ervan beoordeeld en afgewogen. X-18.050-18.051-18.055-18.093-16/27 Het middel vervolgt dat het eenrichtingsbesluit er voor zorgt dat de vrachtwagens die Albert Heijn en andere huurders bedienen een grotere lus moeten maken in de binnenstad (Kunstlaan) en – anders dan in de huidige situatie – gebruik moeten maken van het noordelijk deel van de Overpoortstraat. Vele studenten en andere bewoners verzamelen zich in de buurt van het kruispunt Kunstlaan-Overpoortstraat, zodat omrijden via dit kruispunt toenemende veiligheidsrisico’s veroorzaakt. Het wordt voor de betrokken vrachtwagens bijkomend bijzonder gevaarlijk wat betreft mogelijke schade aan de naburige gebouwen op dit kruispunt. Door het langere aanvoertraject neemt ook de uitstoot van fossiele brandstof en dus de milieu-impact aanzienlijk toe. Wereldhave wijst erop dat zij steeds aan de verwerende partij heeft gemeld dat haar huurders beschikken over vrachtwagens van veertien meter. Aangezien de stad een limiet oplegt inzake de grootte van de vrachtwagens die mogen gebruik maken van de toekomstige eenrichtingsstraat (aanvankelijk twaalf meter en volgens het antwoord van de stad van 15 december 2021 zelfs slechts tien meter), zullen de toeleveranciers van huurders zoals Albert Heijn dubbele ritten moeten maken. De tegenstrijdigheid in de communicatie van de verwerende partij over de lengte van de vrachtwagens is nog maar eens een illustratie van de onzorgvuldigheid die zij aan de dag heeft gelegd bij het nemen van de bestreden beslissing. Wereldhave en Albert Heijn stellen dat er op geen enkel moment rekening is gehouden met hun belangen. Uit de simulatie van de verwerende partij blijkt dat vrachtwagens met een lengte van twaalf meter een draaicirkel nodig hebben op de plaats waar deze terraszone voorzien is. Wereldhave en Albert Heijn benadrukken dat de vlotte toegang van vrachtwagens tot de loskade even belangrijk is als de vlotte toegang van de klanten tot het winkelcomplex. Zoals de testritnota aantoont kan de loskade onmogelijk op een veilige manier bediend worden door vrachtwagens met een lengte van 14,2 meter. Het staat vast dat deze vrachtwagens enorm veel moeilijkheden zullen ondervinden om aan de loskade achteruit in te rijden. Gelet op het vele fietsverkeer – dat door het afdalen van een lichte helling een redelijke snelheid heeft – zijn de door de vrachtwagens uit te voeren manoeuvres zeer problematisch voor de verkeersveiligheid. X-18.050-18.051-18.055-18.093-17/27 Wereldhave en Albert Heijn vervolgen dat de bestreden besluiten de betrokken gemeenteweg wijzigen op een manier die niet voldoet aan de vereisten die artikel 4 van het gemeentewegendecreet stelt. Volgens Wereldhave en Albert Heijn is tot slot bij het nemen van het eenrichtingsbesluit op geen enkele manier rekening gehouden met de aandachtspunten die zijn vooropgesteld in de omzendbrief van 3 april
  52. Meer bepaald had de verwerende partij minstens advies bij het Vlaamse Gewest moeten inwinnen, nu het eenrichtingsbesluit een impact heeft op de R40, die een gewestweg is, zeker gelet op het feit dat verkeersborden aan deze weg gewijzigd worden.
  53. Als repliek op de memorie van antwoord benadrukken Wereldhave en Albert Heijn dat de testritnota aantoont dat de bestreden besluiten de veiligheid van de zwakke weggebruiker niet verbeteren. De verwerende partij heeft doelbewust rekening gehouden met kortere vrachtwagens dan de vrachtwagens met een lengte van 14,2 meter die Albert Heijn gebruikt.
  54. In haar laatste memories stelt Albert Heijn dat het kennelijk onzorgvuldig is dat de verwerende partij met één pennentrek beslist dat er met kortere vrachtwagens moet worden geleverd, zonder dat zij op enig moment van het beslissingsproces rekening heeft gehouden met de enorme kost die dit voor Albert Heijn meebrengt. Beoordeling
  55. Vooreerst moet worden vastgesteld dat in de visienota het scenario 3 (eenrichtingsverkeer) de beste puntenscore heeft gekregen en dus wel degelijk beter scoorde dan enig ander scenario, óók dan het scenario 2 (tweerichtingsverkeer). Terecht merkt de verwerende partij op dat er voor haar geen verscherpte motiveringsplicht gold nu zij niet heeft afgeweken van de visienota, maar het best scorende scenario heeft gevolgd. X-18.050-18.051-18.055-18.093-18/27 In het middel wordt voorts niet aannemelijk gemaakt dat de visienota aan een afzonderlijke goedkeuringsprocedure met openbaar onderzoek had moeten worden onderworpen.
  56. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de goede score voor “laden en lossen” van scenario 3 betrekking heeft op de publieke zones voor laden en lossen op de Overpoortstraat zelf. Doordat er in scenario 3 enkel ruimte voor één rijbaan voor gemotoriseerd verkeer moet worden voorzien, blijft er voldoende plaats over om langs de horeca- en handelszaken in de Overpoortstraat stroken voor laden en lossen af te bakenen. Het middel toont niet aan dat het onterecht zou zijn dat het voorzien van deze publieke zones positief werd geëvalueerd. 42.
  57. Voorts dient het gestelde in randnummer 26.1 hier als herhaald te worden beschouwd. Zoals hiervoor is gebleken, heeft de verwerende partij de gevolgen van de bestreden besluiten voor het winkelcomplex “Overpoort Shopping” wel degelijk in ogenschouw genomen. Er dient te worden vastgesteld dat noch Wereldhave noch Albert Heijn het door de verwerende partij ingeroepen feit betwisten dat de Albert Heijn-winkel aan de Kouter in Gent bevoorraad wordt door vrachtwagens met een lengte van 9,85 meter. In dat licht blijkt niet dat het onzorgvuldig zou zijn dat de verwerende partij verwacht dat Albert Heijn voor de bevoorrading van de winkel aan de Overpoortstraat gebruik maakt van vrachtwagens met een lengte van minder dan 14,2 meter. 42.
  58. Het komt er op neer dat de verwerende partij geoordeeld heeft dat de nadelen van scenario 3 van de visienota, zoals het feit dat de vrachtwagens naar de loskade van het winkelcomplex zullen moeten omrijden langs het kruispunt met de Kunstlaan, niet opwegen tegen het voordeel dat eenrichtingsverkeer in het geheel van de Overpoortstraat meebrengt voor de verkeersveiligheid van de zwakke weggebruiker. X-18.050-18.051-18.055-18.093-19/27 Wat het door Wereldhave en Albert Heijn voorgestelde alternatief betreft om enkel tussen de loskade en de R40 tweerichtingsverkeer toe te laten, heeft de verwerende partij geoordeeld dat dit “verkeerstechnisch tot verwarrende en gevaarlijke situaties [zou leiden]”. Onmiskenbaar blijft er door het eenrichtingsbesluit in de Overpoortstraat meer ruimte over voor fietsers en voetgangers nu er enkel ruimte moet worden voorzien voor één rijbaan voor gemotoriseerd verkeer en niet voor twee. De door Wereldhave en Albert Heijn aangevoerde argumentatie overtuigt niet omdat ze – zoals vermeld (randnr. 26.2) ten onrechte – uitgaat van het gebruik van vrachtwagens die (minstens) 14,2 meter lang zijn. Bovendien moet worden opgemerkt dat ook wanneer de vrachtwagens – zoals ze vóór het eenrichtingsbesluit mochten – inslaan via de R40, zij achteruit dienen in te rijden om hun goederen aan de loskade te kunnen leveren, waarbij zij geconfronteerd worden met fietsverkeer dat door het afdalen van een lichte helling een redelijke snelheid heeft. 42.
  59. Het komt de Raad van State, die een wettigheidsrechter is, niet toe om in de plaats van de bestuurlijke overheid een eigen beoordeling te maken van wat de meest verkeersveilige weginrichting is. Uit wat in het middel wordt aangevoerd, blijkt niet dat de in het vorige randnummer bedoelde beoordelingen van de verwerende partij de grenzen van de wettelijkheid te buiten gaan.
  60. De verwerende partij geeft voorts een pertinente verklaring voor het feit dat zij in haar communicatie met Wereldhave en Albert Heijn verschillende vrachtwagenlengtes heeft vermeld: dit is het gevolg van het bestaan van een onderscheid tussen verschillende types van vrachtwagens naargelang ze al dan niet uitgerust zijn met meesturende achterassen. In tegenstelling tot wat Wereldhave en Albert Heijn beweren, kan uit de laatstgenoemde communicatie dan ook geen tegenstrijdigheid worden afgeleid. X-18.050-18.051-18.055-18.093-20/27
  61. Anders dan Wereldhave en Albert Heijn aannemen, is geen enkel van de bestreden besluiten een wijziging van een gemeenteweg in de zin van het gemeentewegendecreet. Artikel 2, 12°, van dit decreet definieert de wijziging van een gemeenteweg immers als “de aanpassing van de breedte van de bedding van een gemeenteweg […]” en geen van deze besluiten houdt een dergelijke aanpassing in.
  62. Niet ten onrechte wijst de verwerende partij er op dat het verkeersregime van de Overpoortstraat, bekeken vanuit de R40, niet ingrijpend wordt gewijzigd. Nu reeds is het voor gemotoriseerd verkeer verboden om vanop de R40 de Overpoortstraat in te slaan, met een uitzondering voor vergunning- houders. Het eenrichtingsbesluit zorgt ervoor dat deze uitzondering vervalt. Wereldhave en Albert Heijn overtuigen er niet van dat over het ontwerp van het eenrichtingsbesluit het advies van de wegbeheerder van de R40 had moeten worden ingewonnen.
  63. De conclusie is dat het middel niet aannemelijk maakt dat de bestreden besluiten niet zouden steunen op adequate motieven of de aangevoerde rechtsregels anderszins zouden schenden.
  64. Het middel wordt verworpen. D. Het derde middel in de zaken sub III en IV Uiteenzetting van het middel 48.
  65. Het derde middel in de zaken sub III en IV is afgeleid uit de schending van artikel 159 van de Grondwet, artikelen 40 en artikel 41 van het decreet lokaal bestuur en van artikel 1 van het besluit van de gemeenteraad van de stad Gent van 14 december 2015 ‘Gemeentelijke aanvullende reglementen op het wegverkeer – delegatie van de vaststellingsbevoegdheid’ (hierna: het gemeenteraadsbesluit van 14 december 2015), evenals van het X-18.050-18.051-18.055-18.093-21/27 zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 48.
  66. Het middel voert de onwettigheid aan van artikel 1 van het gemeenteraadsbesluit van 14 december 2015 dat de vaststellingsbevoegdheid voor gemeentelijke aanvullende reglementen op het wegverkeer toevertrouwt aan het college van burgemeester en schepenen. Volgens Wereldhave en Albert Heijn blijkt immers uit het decreet lokaal bestuur dat de gemeenteraad deze aangelegenheid niet mag delegeren aan het college.
  67. In haar memorie van wederantwoord benadrukt Wereldhave dat artikel 1 van het gemeenteraadsbesluit van 14 december 2015 minstens impliciet opgeheven is door artikel 41, tweede lid, 2°, van het decreet lokaal bestuur. Beoordeling
  68. Ten onrechte gaat het middel voorbij aan artikel 5, § 1, tweede lid, van het decreet van 16 mei 2008 ‘betreffende de aanvullende reglementen op het wegverkeer en de plaatsing en bekostiging van de verkeerstekens’. Deze decretale bepaling stelt dat, in afwijking van de organieke regels voor de gemeente, de vaststellingsbevoegdheid voor gemeentelijke aanvullende reglementen op het wegverkeer door de gemeenteraad kan worden toevertrouwd aan het college van burgemeester en schepenen. Daar onder de laatstgenoemde organieke regels ook artikel 41, tweede lid, 2°, van het decreet lokaal bestuur begrepen is, mist het middel juridische grondslag.
  69. Het middel wordt verworpen. E. Het vierde middel in de zaak sub II Uiteenzetting van het middel 52.
  70. Het vierde middel in de zaak sub II is afgeleid uit de schending X-18.050-18.051-18.055-18.093-22/27 van artikel 159 Grondwet, de artikelen 40 en 41 van het decreet lokaal bestuur, artikel 4, § 7, van het reglement van de stad Gent ‘op de inname van het openbaar domein door terrassen’ (hierna: het terrasreglement) en van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 52.
  71. Toegelicht wordt dat het terrasreglement onwettig is daar het de bevoegdheid om terrasinplantingsplannen goed te keuren toekent aan het college van burgmeester en schepenen. Terrasinplantingsplannen zijn immers reglementair en het decreet lokaal bestuur staat niet toe dat de gemeenteraad zijn reglementaire bevoegdheid aan het college delegeert. Beoordeling
  72. Het door de gemeenteraad van de stad Gent vastgestelde terrasreglement bevat een gedetailleerde regeling voor de inplanting van horecaterrassen op het openbaar domein. Artikel 4, § 7, van dit reglement bepaalt uitdrukkelijk dat de door het college van burgemeester en schepenen goed te keuren terrasinplantingsplannen “een uitvoering van onderhavig reglement [zijn]” en dienen te voldoen “aan alle voorschriften die [in het door de gemeenteraad vastgestelde reglement] zijn opgenomen”. De goedkeuring van de terrasinplantingsplannen is een door de gemeenteraad aan het college van burgmeester en schepenen uitdrukkelijk toegekende uitvoeringsbevoegdheid. Anders dan Wereldhave voorhoudt, strookt de toekenning van dergelijke uitvoeringsbevoegdheid aan het college met artikel 41 van het decreet lokaal bestuur, dat tijdens de parlementaire voorbereiding als volgt is toegelicht: “de Vlaamse Regering [kiest] nadrukkelijk voor ruime mogelijkheden tot delegatie […] van de verkozen raad naar het uitvoerend college […]. Dit wordt geconcretiseerd door aan de gemeenteraad de mogelijkheid te geven om in ruime mate bevoegdheden te delegeren naar het college van burgemeester en schepenen. Vanzelfsprekend moet de gemeenteraad de controle behouden op de algemene beleidsaansturing.” (Parl. St. Vl. Parl. 2004-05, nr. 347/1, p. 7 en 9). X-18.050-18.051-18.055-18.093-23/27
  73. Het middel wordt verworpen. F. Het vijfde middel in de zaken sub III en IV Uiteenzetting van het middel 55.
  74. Het vijfde middel in de zaken sub III en IV is afgeleid uit de schending van artikel 159 van de Grondwet, de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel in samenhang met artikel 4 van het gemeente- wegendecreet, de artikelen 7 en 8 van het verdrag van Aarhus en de hoorplicht. 55.
  75. In het middel wordt aangevoerd dat indien de Raad van State zou aannemen dat de visienota de grondslag uitmaakt van het eenrichtingsbesluit, deze visienota met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing dient gelaten te worden. 55.
  76. Voor het overige herhalen Wereldhave en Albert Heijn de argumenten die zij hebben aangevoerd ter ondersteuning van het eerste en het tweede middel.
  77. In haar memorie van wederantwoord wijst Wereldhave er op dat in het collegebesluit van 4 oktober 2018 een actieplan en een bijhorende projectstructuur worden aangekondigd. Dit bevestigt dat de visienota niet als grondslag van het eenrichtingsbesluit mocht worden aangewend.
  78. In hun laatste memories beperken Wereldhave en Albert Heijn zich tot een verwijzing naar hun vorige procedurestukken. Beoordeling
  79. Wat de in randnummer 55.3 bedoelde argumenten betreft, wordt verwezen naar de verwerping van het eerste en het tweede middel hiervoor. X-18.050-18.051-18.055-18.093-24/27
  80. Uit het enkele feit dat het collegebesluit van 4 oktober 2018 stelt dat een actieplan en een bijhorende projectstructuur zullen uitgewerkt worden, volgt geen onwettigheid.
  81. Tot slot moet – zoals ook is gebeurd in het auditoraatsverslag en in de laatste memories niet is tegengesproken –worden vastgesteld dat de visienota louter een voorbereidend document is en geen reglementair besluit dat met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing zou kunnen worden gelaten.
  82. Het middel wordt verworpen. G. Het vierde middel in de zaken sub III en IV 62.
  83. Het vierde middel in de zaken sub III en IV wordt genomen uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 62.
  84. Wereldhave en Albert Heijn stellen dat het eenrichtingsbesluit zijn bestaansreden verliest indien het tijdelijke-inrichtingsbesluit en het terraszonesbesluit door de Raad van State “wegens onwettigheid worden vernietigd op grond van de ingestelde verzoekschriften”.
  85. In haar memorie van wederantwoord benadrukt Wereldhave dat de drie bestreden besluiten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
  86. In haar laatste memories stelt Albert Heijn dat in het eerste en het tweede middel is toegelicht dat het tijdelijke-inrichtingsbesluit en het terraszonesbesluit onzorgvuldig zijn en het resultaat zijn van een onjuiste beoordeling, zodat onmogelijk nog correcte andere beslissingen konden worden genomen. X-18.050-18.051-18.055-18.093-25/27 Beoordeling
  87. Gelet op wat in de randnummers 25.1 tot 30, 33 tot 36, 40 tot 47, 50, 51, 53, 54 en 58 tot 61 is gesteld, doet de hypothese waarop het middel steunt zich niet voor.
  88. Het middel wordt verworpen. VII. Rechtsplegingsvergoeding in de zaak sub IV
  89. De rechtsplegingsvergoeding is een tegemoetkoming in de kosten en de honoraria van de advocaat die moet worden toegekend aan de in het gelijk gestelde partij, in casu de verwerende partij. Anders dan Albert Heijn meent, volstaat het enkele feit dat de verwerende partij in de zaak sub IV geen memorie van antwoord heeft ingediend niet om het te dezen anders te zien. BESLISSING
  90. De zaken A. 235.242/X-18.050, A. 235.244/X-18.051, A. 235.276/X-18.055 en A. 235.687/X-18.093 worden samengevoegd.
  91. De Raad van State verwerpt het beroep in de zaken A. 235.242/X-18.050, A. 235.244/X-18.051, A. 235.276/X-18.055 en A. 235.687/X-18.
  92. De nv Wereldhave Belgium wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in de zaken A. 235.242/X-18.050 en A. 235.244/X-18.051 en van het beroep tot nietigverklaring in de zaken A. 235.242/X-18.050, A. 235.244/X-18.051 en A. 235.276/X-18.055, begroot op een rolrecht van 1.000 euro, een bijdrage van 110 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 2.618 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. X-18.050-18.051-18.055-18.093-26/27 De nv Albert Heijn België wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 235.687/X-18.093, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij, en in de kosten van haar tussenkomsten in de zaken A. 235.242/X-18.050 en A. 235.244/X-18.051, begroot op 300 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twintig september tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-18.050-18.051-18.055-18.093-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.382 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.