id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.405 Rolnummer: A. 239985/IX-10326 Zaak: Arrest 257405 - Examens (onderwijs) - 21/09/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-09-25 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-10 12:25 Fiche Arrest nr 257.405 van 21 september 2023 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 257.405 van 21 september 2023 in de zaak A. 239.985/IX-10.326 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Myriam Van den Abeele kantoor houdend te 9000 Gent Nieuwebosstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW DIOCESAAN SCHOOLCOMITÉ SINT-NIKLAAS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pieter Van Assche en Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 7 september 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 25 augustus 2023 van de interne beroepscommissie van de vzw Diocesaan Schoolcomité Sint-Niklaas om aan XXXX een oriënteringsattest B uit te reiken. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. IX-10326-1/31 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 september 2023, om 11.00 uur. Staatsraad Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Myriam Van den Abeele, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoekster is tijdens het schooljaar 2022-2023 als regelmatig leerling ingeschreven in het tweede leerjaar van de eerste graad ASO, studierichting moderne talen en wetenschappen, aan het Sint-Jozef-Klein-Seminarie, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. 3.2. Verzoekster beëindigt het schooljaar met onder meer de volgende jaarresultaten: geschiedenis 50,5%, wiskunde 53%, natuurwetenschappen 53%, Frans 50,5%, aardrijkskunde 62,5% en Nederlands 61,5%. Zij behaalt een jaartotaal van 62,5%. 3.3. De delibererende klassenraad beslist om aan verzoekster een oriënteringsattest B toe te kennen, met clausulering van de studierichtingen economische wetenschappen ASO, Freinetpedagogie ASO, Grieks-Latijn ASO, Latijn ASO, moderne talen ASO, natuurwetenschappen ASO, Rudolf IX-10326-2/31 Steinerpedagogie ASO, sportwetenschappen ASO, topsport-economie ASO, topsport-natuurwetenschappen ASO en Yeshiva ASO, met als “Advies jaar overzitten: niet”. Het rapportcommentaar luidt: “XXXX, het tweede semester was niet beter dan het eerste semester! Je hebt weliswaar geen enkel totaaltekort maar je haalt wel op een heel aantal vakken slechts 50-53%. Daarin zitten onder andere Frans en Wiskunde. Die Wiskunde is natuurlijk al een heel jaar een blok aan je been, maar ook in de andere vakken vind je niet direct de juiste studiemethodiek om je punten te verbeteren! Uit veiligheidsoverwegingen geven we je een B-clausulering. Je kan dus enkel nog Humane Wetenschappen doen op ASO niveau omwille van die zwakke wiskunde en de overige zwakke punten. Indien je in de ASO blijft dan heb je een officiële waarschuwing voor Frans en Natuurwetenschappen en een vakantietaak voor Wiskunde, Geschiedenis en Frans.” 3.4. Het overleg met de directeur op 3 juli 2023 leidt niet tot een nieuwe samenkomst van de delibererende klassenraad. 3.5. Met een brief van 11 juli 2023 stelt verzoekster beroep in bij de beroepscommissie. Haar beroepschrift vult zij nadien ter zitting aan met een zittingsnota en bijkomende stukken. 3.6. Op 25 augustus 2023 beslist de beroepscommissie, verzoekster gehoord, na “hernieuwd en kritisch” onderzoek van het dossier en de stukken de beslissing van de delibererende klassenraad bij te treden, deze beslissing integraal te beamen en de overwegingen op grond waarvan de klassenraad zijn oordeelkundige beslissing genomen heeft (“Heel slechte cijfers voor wiskunde, geschiedenis, NW, Frans. Had voor Frans en NW een waarschuwing gekregen van de klassenraad van 1ste jaar wegens veel te weinig inzet. Tekorten voor NW voor het hele tweede semester. Heeft zich zelden ingezet voor Frans (...) voor wiskunde wel, maar dat lukte gewoon niet want inzichtelijk zeer zwak (leerplandoelstellingen wiskunde 1/2/4/6/7/12/15/16/20/25/28/28.1/29/39/40/40.1 worden niet gerealiseerd”) en die in beroep niet worden ontzenuwd, tot de hare te maken. IX-10326-3/31 Aanvullend laat de beroepscommissie nog gelden wat volgt: “De commissie heeft alle evaluatieresultaten over het schooljaar 2022-2023 en alle andere relevante gegevens van het leerlingendossier van verzoekster grondig onderzocht. De commissie heeft het volste vertrouwen in de expertise van de klassenraad, die haar weloverwogen en gemotiveerde beslissing heeft genomen op een professionele manier vanuit wat volgens haar visie het best het belang van de leerlinge (en haar ouders) zou dienen. De delibererende klassenraad is daarbij duidelijk niet over één nacht ijs […] gegaan. De commissie twijfelt geenszins aan de pedagogische bekwaamheid en kunde en aan de objectiviteit van de klassenraad in het algemeen en de onderscheiden vakleerkrachten in het bijzonder. De commissie stelt met name vast dat verzoekster op het einde van het eerste jaar weliswaar een oriënteringsattest A behaalde, maar omwille van het door haar behaalde matige resultaat toen reeds naast een verplichte vakantietaak voor wiskunde, Frans en natuurwetenschappen eveneens een officiële waarschuwing kreeg voor Frans en natuurwetenschappen omwille van een gebrek aan inzet voor deze vakken. Verzoekster kreeg ook op dat ogenblik al negatieve feedback over haar gebrekkige leerattitude: ‘(...) Daarnaast kwam op de klassenraad ter sprake dat jij je eigenlijk helemaal niet inzet, XXXX, dat jij onze raad niét opvolgt... Jij werkt nauwelijks tot niet voor school (...)’. De klassenraad adviseerde verzoekster om een overstap te maken naar 2A met een basisoptie die meer praktijkgericht is. Dit advies werd niet gevolgd en verzoekster bleef desondanks uit hetzelfde vaatje tappen. De herhaalde gepersonaliseerde rapportcommentaren tonen aan dat verzoekster nochtans zeer regelmatig werd verwittigd/aangemoedigd (zie o.a. evaluatieperiode 01/09/22-28/09/22: ‘(...) opletten voor hoofdvakken zoals Frans en wiskunde! Ga er niet te licht over en maak voldoende voorbereidingen (...)’, evaluatieperiode 29/09/22-26/10/22: ‘(...) De resultaten voor de hoofdvakken zitten echt niet goed! Maak eens wat schriftelijke voorbereidingen en laat ze controleren door de collega’s zodat we kunnen zien hoe we jouw studiemethode kunnen bijsturen (...)’, enz.). Dit heeft helaas niet tot enig resultaat geleid. Op het einde van het eerste semester van het tweede jaar behaalde verzoekster zeer slechte totaalscores voor wiskunde (52%) en Frans (50,5%) waarbij de tekorten op de proefwerken van beide vakken (46,5% resp. 42%) nog gedeeltelijk werden gemaskeerd door de (eveneens bescheiden) resultaten van het dagelijks werk (6o% resp. 56,5%). Er werd derhalve opnieuw aan de alarmbel getrokken: ‘(...) de proefwerken vielen wat tegen en je stond voor bepaalde vakken al niet erg sterk. Het is duidelijk dat je moeilijkheden hebt met grotere gehelen, misschien moet je je studiemethode eens ernstig onder de loep nemen (...)’ Het tweede semester was niettemin niet (veel) beter dan het eerste semester: verzoekster behaalde een totaal van 6o,5% (d.i. 4,5% lager dan het eerste semester) en scoorde opnieuw zeer slecht voor wiskunde (54%) en Frans (50,5%) waarbij de tekorten op de proefwerken van beide vakken (48,5% resp. 41,5%) nog gedeeltelijk werden gemaskeerd door de (eveneens IX-10326-4/31 bescheiden) resultaten van het dagelijks werk (62,5% resp. 56,5%); zij behaalde verder tekorten voor geschiedenis (42,5%) en natuurwetenschappen (47,5%) en scoorde eerder zwak op aardrijkskunde (58,5%) en Nederlands (56,5%). De resultaten gingen voor heel wat vakken in dalende lijn t.o.v. het eerste semester. Zoals gezegd behaalde verzoekster volgens het jaarrapport – ondanks de vele verontrustende signalen uitgezonden door de school – een totaal van 62,5% en scoorde zij ronduit slechte jaarresultaten voor geschiedenis (50,5%), wiskunde (53%), natuurwetenschappen (53%) en Frans (50,5%) en eerder zwakke jaarresultaten voor aardrijkskunde (62,5%) en Nederlands (61,5%). Verzoekster kreeg m.a.w. meermaals de kans om zich te herpakken (ut supra), maar de door haar (al dan niet) geleverde inspanningen hebben duidelijk onvoldoende gerendeerd. Verzoekster is voor Frans op geen enkel proefwerk geslaagd, noch op het einde van het eerste semester (42%), noch op het Paasexamen (44,5%), noch in juni (38%); voor wiskunde was er een (zeer bescheiden) opflakkering op het examen van juni (52,5%), maar zowel in het eerste semester (46,5%) als in het tweede semester (48,5%) bleef zij uiteindelijk steken op een tekort. De commissie dient zich – net als de klassenraad – de vraag te stellen of verzoekster in voldoende mate de doelstellingen heeft bereikt om te kunnen overgaan naar een volgend leerjaar en of de huidige onderwijsloopbaan nog wel is afgestemd op de specifieke mogelijkheden van verzoekster, waarbij het prospectief denken voorrang dient te hebben op het retrospectieve. Uit de voormelde resultaten volgt naar het oordeel van de commissie dat verzoekster door (
- i)een gebrek aan inzet, (
- ii)een gebrek aan kennis en inzichtelijke capaciteiten, en (iii) een verkeerde studiehouding en bijgevolg falende studiemethodiek niet in staat is om grotere leerstofgehelen te verwerken en echt te begrijpen wat zij studeert. Dat verzoekster als zodanig zonder enige twijfel een aangename leerlinge is en volgens een (beperkt) aantal commentaren van vakleerkrachten wel eens goed gewerkt heeft, wat echter telkens momentopnames betrof, doet hieraan geen afbreuk. De stukken die verzoekster op de zitting van 23/08/2023 heeft voorgelegd, kunnen de commissie evenmin overtuigen van het tegendeel. Uit de aangehaalde resultaten blijkt dat de huidige studiekeuze echt niet (meer) zinvol is voor verzoekster. Verzoekster heeft naar het oordeel van de commissie, rekening houdend met al haar prestaties, haar globaal dossier en haar globale vorming, niet de vereiste kwaliteiten op het vlak van kennisverwerving en vaardigheden om met redelijke kansen op succes te slagen in het volgend leerjaar. De commissie ziet niet hoe de op de zitting van 23/08/[2023] aangehaalde (privé-)omstandigheden, die overigens onbetwist(baar) niet op een nuttig tijdstip ter kennis werden gebracht van de school, ertoe zouden moeten leiden het behaalde resultaat als beter te evalueren dan wat er in werkelijkheid aan prestaties is geleverd, laat staan dat van de weeromstuit aan verzoekster ter genoegdoening dan maar een A-attest moet verleend worden. De beslissing van de klassenraad is naar het oordeel van de commissie zoals gezegd correct. Het beroep van verzoekster wordt derhalve als ongegrond afgewezen. De clausulering wordt weliswaar beperkt tot de volgende richtingen ten einde de door verzoekster aangehaalde inconsequenties in de attestering door de klassenraad weg te nemen (enkel domeinoverschrijdende doorstroomrichtingen met het sterkere wiskundig leerplan (basis+specifiek): IX-10326-5/31 Economische wetenschappen ASO – Grieks-Latijn ASO – Latijn ASO – Moderne Talen ASO – Natuurwetenschappen ASO – Sportwetenschappen ASO. De commissie verleent verder een ongunstig advies om over te zitten.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid 5. Verzoekster beroept zich terecht op de vaste rechtspraak van de Raad van State die stelt dat het dreigend verlies van een schooljaar een nadeel uitmaakt dat binnen een gewone schorsingsprocedure niet tijdig zal kunnen worden gekeerd. De verwerende partij betwist dit ook niet. VI. Ernst van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 6. Verzoekster voert in een eerste middel de schending aan van de formelemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel doordat de beroepscommissie ten onrechte tal van relevante argumenten in de bestreden beslissing onbeantwoord laat. IX-10326-6/31 Dienaangaande benadrukt zij vooreerst dat zij in haar beroepschrift als feitelijke argumenten heeft aangemerkt dat het afgelopen schooljaar duidelijk maakte dat zij nood heeft aan structuur en enige opvolging, aspecten die haar ouders haar door allerlei omstandigheden (zeer drukke professionele bezigheden, pesterijen ten aanzien van haar broer, de ernstige gezondheidssituatie van haar vader) het afgelopen schooljaar minder hebben kunnen bieden; dat het de intentie was om haar in te schrijven op een internaat; dat zij heeft aangegeven op diverse vlakken nog (groei-)marge te hebben; dat zij wees op het representatieve karakter van de punten, daarbij verwijzend naar het arrest Parrez van de Raad van State, rechtspraak die aangeeft dat een jaarcijfer voor een bepaald vak in beginsel moet geacht worden een geldige en betrouwbare weergave te zijn van het relatieve belang dat moet worden gehecht aan dagelijks werk en aan de verwerking van grotere gehelen tijdens de examenperiode en aan de verschillende onderdelen van de leerstof die voor het betrokken vak in de loop van het schooljaar aan bod is gekomen, waarbij zij aangekaart heeft voor al haar vakken slaagcijfers te hebben behaald, inclusief voor het vak wiskunde en dat zij kritiek heeft geuit op de bewoordingen van de motivering van haar attest waarin werd besloten om haar ‘om veiligheidsredenen’ een B-attest op te leggen, daarbij verwijzend naar rechtspraak van de Raad van State, meer specifiek naar het arrest Bürmann, om aan te geven dat veiligheidsredenen geen afdoende overtuigend motief betreffen om een B-attest te kunnen verantwoorden. Vervolgens verwijst verzoekster naar de door haar aangehaalde objectieve elementen uit haar leerlingendossier om aan te tonen dat zij wel degelijk een ruime slaagkans heeft in het volgende leerjaar in de door haar gewenste studierichtingen, met name
- i)dat zij op overtuigende wijze slaagde voor het dagelijks werk van het vak wiskunde, dit doorheen het volledige schooljaar; dat 60% voor dagelijks werk in het eerste semester en 62,5% in het tweede semester werd behaald; dat de resultaten in stijgende lijn gaan, ook op haar examen, wetende dat de school met een semestersysteem werkt en zodoende de leerstofpakketten in het tweede semester een stuk groter zijn dan deze in het eerste semester; dat er IX-10326-7/31 sprake is van een gunstige evolutie, ook wat het verwerken van grotere leerstofgehelen betreft en dat de intrinsieke motivatie aanwezig is om volgehouden inspanningen voor dit vak te blijven leveren, nu zij graag wiskunde doet;
- ii)dat de delibererende klassenraad het niet direct vinden van de juiste studiemethodiek aanhaalt bij het commentaar op het attest; dat verzoekster twee jaar secundair onderwijs volgt en het bijgevolg evident is dat haar studiemethode nog zal evolueren, waarbij haar huidige studiemethodiek er alvast toe leidt dat zij voor alle vakken slaagt, zodat er zeker sprake is van een juist vertrekpunt dat een evolutie in gunstige zin zal toelaten, temeer nu zij hierbij geen hulp gekregen of gevraagd heeft; dat het haar thuis ontbrak aan de ideale omkadering, hetgeen haar ouders thans goed beseffen, reden waarom zij voor verzoekster op zoek zijn naar een internaat; dat zij tevens op zoek zijn gegaan naar een bijlesleraar Frans, welke lessen zullen gegeven worden op zaterdag in combinatie met een internaatverblijf en bijkomend nog op zoek wordt gegaan naar iemand die hetzelfde zal doen voor wiskunde; dat er ook op het vlak van interne remediëring (voor wiskunde en Frans) op school nog tal van mogelijkheden zijn, welke haar nooit werden aangeraden, maar een betere omkadering mogelijk maken; dat er bijgevolg voldoende elementen aanwezig zijn die de voorspelling inhouden van een gunstige evolutie op het vlak van studiemethode; dat het besluit dat een leerling uit het tweede middelbaar niet tot een juiste studiemethode zal komen, in elk geval absoluut voorbarig is, nu algemeen geweten is en door alle leraren erkend zal worden, dat leerlingen soms sprongen kunnen maken in studie-evolutie, waarbij elke leerling daarbij een eigen tempo volgt en niets doet vermoeden dat verzoekster niet tot een dergelijke evolutie en sprong in staat zou zijn, wel integendeel; iii) dat verzoekster wat steken laat vallen bij de proefwerken, maar tevens liggen proefwerkresultaten voor die goed tot zeer goed zijn; dat het tweede semester meer uitdagend was gezien de grotere leerstofpakketten, maar via tal van proefwerkresultaten bewijst verzoekster ook de kunde tot de verwerking van grotere leerstofgehelen te beheersen en
- iv)dat ook de resultaten dagelijks werk overwegend overtuigend geslaagd zijn, wat wijst op een consequente inzet voor haar schoolwerk; dat ook de rapportcommentaren daarvan getuigen; dat doorzetting en inzet, samen met intrinsieke motivatie de belangrijkste voorspellers van toekomstig studiesucces IX-10326-8/31 vormen, ook vanuit dit opzicht lijken de kaarten voor verzoekster aldus zeer gunstig te liggen. Tot slot benadrukt verzoekster dat zij de beroepscommissie ten overvloede wenst e te overtuigen met daden, waarbij zij enerzijds aangaf tijdens de zomervakantie de nodige inspanningen te zullen doen en de bewijzen daarvan ter zitting van de beroepscommissie over te leggen, hetgeen navolgend gebeurde middels de ter zitting neergelegde zittingsnota met bijhorende stukken waarbij de gemaakte vakantietaken Frans, geschiedenis en wiskunde werden neergelegd en stukken werden voorgelegd waaruit blijkt dat zij gedurende de vakantieperiode 12.15 uur bijles Frans volgde, bijlessen die gedurende het huidige schooljaar verdergezet worden en anderzijds dat zij bereid is tot het leveren van bijkomende inspanningen, indien de commissie dit nodig zou achten. Volgens verzoekster werden deze onmiskenbaar pertinente argumenten in de bestreden beslissing ten onrechte door de beroepscommissie niet ontmoet. Verwijzend naar de rechtspraak van de Raad van State (onder andere RvS 4 oktober 2022, nr. 254.666, Sunar), waarin werd geoordeeld dat “In het geval een leerling gebruikmaakt van de beroepsmogelijkheid en aldus een samenkomst van de beroepscommissie uitlokt, krijgt de motiveringsplicht ten volle betekenis en moet de beroepscommissie kennisnemen van de grieven van de leerling, ze beoordelen en ze beantwoorden. Het bestaan en de zin van een beroepsprocedure vereisen dat de motivering er blijk van geeft dat de bezwaren van de leerling daadwerkelijk in overweging zijn genomen en in de nieuwe beoordeling zijn betrokken, dat de leerling begrijpt waarom die argumenten de beroepscommissie niet konden overtuigen en dat ten minste een uitdrukkelijke repliek volgt op de vragen die voor de leerling blijkens zijn beroepschrift van wezenlijk belang zijn en die, mochten ze terecht zijn gesteld, mogelijk tot een voor de leerling gunstiger resultaat leiden”, is verzoekster de mening toegedaan dat de motivering van de bestreden beslissing niet aantoont dat haar grieven zorgvuldig in IX-10326-9/31 ogenschouw zijn genomen en dat geen antwoord op de door haar hoger genoemde bezwaren wordt gegeven, zodat ze haar niet toelaat te begrijpen waarom de aangevoerde argumenten de beroepscommissie niet konden overtuigen. 7. In de nota benadrukt de verwerende partij dat verzoekster bezwaarlijk kan betwisten om welke redenen de bestreden beslissing is genomen, nu deze wel degelijk uitgaat van de juiste feitelijke en juridische elementen en (voldoende) omstandig is gemotiveerd in het licht van de historiek van het dossier en de als gevolg daarvan genomen beslissing van de delibererende klassenraad en de bestreden beslissing. De verwerende partij stelt vast dat verzoekster niet de schending aanvoert van de materiële motiveringsverplichting. Uit dezelfde historiek en de als gevolg daarvan genomen beslissingen blijkt volgens de verwerende partij dat zij met de grootste zorgvuldigheid heeft gehandeld in het belang van verzoekster, nu deze laatste op geen enkele wijze aantoont dat geen enkele andere beroepscommissie in navolging van de delibererende klassenraad tot dezelfde beoordeling zou kunnen komen, temeer nu noch verzoekster, noch de Raad van State zich in de plaats kan stellen van de verwerende partij. De beroepscommissie heeft in navolging van de delibererende klassenraad volgens de verwerende partij uitdrukkelijk haar verantwoordelijkheid opgenomen in het belang van verzoekster en uitgebreid gemotiveerd om welke redenen zij heeft gemeend het oriënteringsattest B en de bijhorende clausulering te moeten toekennen dan wel opleggen. Dienaangaande benadrukt de verwerende partij dat de beroepscommissie het gehele dossier van verzoekster opnieuw en kritisch heeft beoordeeld rekening houdende met de door verzoekster aangevoerde argumenten; dat de beroepscommissie wel degelijk met grote omzichtigheid, omstandig en IX-10326-10/31 precies heeft gemotiveerd waarom zij tot de bestreden beslissing is gekomen; dat het enkele gegeven dat de beroepscommissie tot een andere beoordeling komt dan verzoekster zelf, deze beoordeling niet onregelmatig, onzorgvuldig dan wel onredelijk maakt; dat de zwakke cijfers voor wiskunde, natuurwetenschappen en Frans niet uit de lucht komen vallen, maar reeds gedurende twee jaar een constante blijken te zijn; dat dit geleid heeft tot uitdrukkelijke en voortdurende waarschuwingen, remediëring en begeleiding, zonder uiteindelijk enig wezenlijk verschil te maken; dat verzoekster de uitdrukkelijke waarschuwingen en advisering na het eerste leerjaar van de eerste graad op eigen verantwoordelijkheid in de wind heeft geslagen; dat de verklaring voor deze zwakke resultaten, het gebrek aan beterschap én perspectief geenszins (louter) terug te brengen is tot een gebrek aan inzet of studiehouding, dan wel begeleiding (thuis of op school); dat verzoekster kennelijk veel moeite heeft met grote(
- re)hoeveelheden leerstof en niet het niveau/inzicht, voornamelijk voor wiskunde haalt; dat de zwakke jaarresultaten voor wiskunde en Frans immers de tekorten op de proefwerken maskeren, zowel in het eerste semester als in het tweede semester ondanks dat herhaaldelijk de alarmbel is geluid; dat er ook nog bijkomende tekorten dan wel zwakke scores zijn voor geschiedenis, natuurwetenschappen, aardrijkskunde en Nederlands in het tweede semester en dat de resultaten in het algemeen in dalende lijn blijven gaan. De verwerende partij wijst er vervolgens op dat de beroepscommissie op dat vlak niet enkel de beoordeling van de delibererende klassenraad is bijgetreden na een eigen nieuwe en kritische beoordeling, maar ook aanvullend overwegingen heeft laten kennen na haar vertrouwen in de expertise en professionaliteit van de delibererende klassenraad vanuit het belang van verzoekster te hebben benadrukt. De combinatie van een gebrek aan inzet/verkeerde studiehouding met een gebrek aan kennis en inzichtelijke capaciteiten heeft de beroepscommissie in eer en geweten in het belang van verzoekster doen besluiten dat zij niet in staat is om grotere leerstofgehelen te verwerken en echt te begrijpen wat zij studeert. In alle redelijkheid is volgens de verwerende partij besloten – wars van de argumenten die tijdens het beroep naar voor zijn gebracht – dat de huidige studiekeuze “echt niet (meer) zinvol” is voor IX-10326-11/31 verzoekster, waarbij de aangehaalde privéomstandigheden in alle redelijkheid niet van aard zijn om toe te laten daaraan voorbij te gaan. Evenmin kan de enkele bewering dat een voorgenomen inschrijving op een internaat meer structuur en opvolging zou geven, minstens impliciet volstaan om voorbij te gaan aan het gemotiveerd standpunt van de beroepscommissie. De algemene bewering dat er nog groeimarge is of het voorhouden dat een studiemethodiek nog kan/zal veranderen is evenmin van aard om de beoordeling van de beroepscommissie te weerleggen aangezien deze geenszins daartoe is beperkt. Volgens de verwerende partij is noch de delibererende klassenraad, noch de beroepscommissie voorbijgegaan aan de realiteit en representativiteit van de punten, nu integendeel de punten concreet beoordeeld zijn en zulks in het geheel van verzoeksters schooldossier, waarbij het niet louter gaat om het optellen van de opeenvolgende resultaten, maar ook om het interpreteren van de evolutie van verzoekster vanuit het volledige schooldossier. In tegenstelling tot de delibererende klassenraad heeft de beroepscommissie het niet meer over het uit veiligheidsredenen toekennen van het oriënteringsattest B, maar wel over de vaststelling dat de huidige studiekeuze “echt niet (meer) zinvol” is voor de leerling. De eigen zienswijze over het dagelijks werk van verzoekster laat volgens de verwerende partij niet toe om voorbij te gaan aan de vaststelling dat zij niet in staat is om grotere leerstofgehelen te verwerken en echt te begrijpen wat zij studeert, waarbij de stelling dat verzoekster wel de kunde bewijst tot verwerking van grotere leerstofgehelen en (echt) te begrijpen wat zij studeert niet wordt aangetoond, in elk geval niet voor wat betreft de vakken die relevant zijn in het kader van de toekenning van het oriënteringsattest B en de opgelegde clausulering. Eens de beroepscommissie zich niet heeft weten te laten overtuigen en heeft gemotiveerd om welke redenen dit het geval is, hoeft zij volgens de verwerende partij niet bijkomend te motiveren waarom bijkomende inspanningen tijdens de zomervakantie geen soelaas bieden. IX-10326-12/31 B. Derde middel Standpunt van de partijen 8. Verzoekster voert in een derde middel de schending aan van artikel 39 juncto artikel 38, 1°, van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’ (hierna: het organisatiebesluit 2002), gelezen in samenhang met de schending van het materiëlemotiveringsbeginsel, de formelemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel en van het schoolreglement van de verwerende partij. Vooreerst benadrukt verzoekster dat slaagcijfers boven 50% voor alle vakken, zonder enige uitzondering werden behaald, waarbij voor drie vakken 80%, voor twee vakken tussen 70 en 80%, voor vier vakken tussen 60 en 70% en voor vier vakken een resultaat tussen 50 en 60% werd behaald en dat de jaarresultaten per vak een jaartotaal van 62,5% geven. Niettegenstaande de beroepscommissie deze resultaten zwak noemt en van oordeel is dat ze wijzen op een dalende evolutie, op een gebrek aan inzet en inzicht, op een verkeerde studiehouding en een falende studiemethodiek en op het feit dat verzoekster niet in staat zou zijn om echt te begrijpen wat ze studeert, noch om grotere leerstofgehelen te verwerken, kan er volgens haar niet worden voorbijgegaan aan het feit dat zij voor alle vakken een voldoende jaarresultaat behaalt. Terwijl de motivering in de eerste plaats besloten ligt in de punten en aangenomen moet worden dat in beginsel een jaarcijfer een geldige en betrouwbare weergave is van het relatieve belang dat moet worden gehecht aan dagelijks werk en aan de verwerking van grotere leerstofgehelen tijdens de examenperiode en aan de verschillende onderdelen van de leerstof die voor het desbetreffende vak in de loop van het jaar aan bod is gekomen, stelt verzoekster vast dat de beroepscommissie in casu daarbij niet de (objectieve) redenen expliciteert waarom deze resultaten niet representatief zouden zijn en bijgevolg nalaat te verduidelijken waarom zij meent goede redenen te hebben om van het IX-10326-13/31 normale verwachtingspatroon dat in zo’n geval een A-attest wordt toegekend, te moeten afwijken. Evenmin heeft de beroepscommissie stilgestaan bij de mogelijkheid en effectiviteit van minder verregaande maatregelen, zoals remediëringsinitiatieven tijdens het volgende schooljaar, een bijkomende vakantietaak of studiecoaching op het vlak van studiemethode zoals in het schoolreglement van de verwerende partij is voorgeschreven. Temeer nu verzoekster in haar beroepschrift aangaf dat er zich op dit vlak nog tal van mogelijkheden situeren en dat zij, naast de drie vakantietaken die zij reeds maakte en de bijlessen die zij tijdens de zomervakantie volgde, bereid was om nog bijkomende inspanningen te leveren. In zoverre door de beroepscommissie wordt gewezen op de vakantietaken, de officiële waarschuwing, de negatieve feedback en het advies van de delibererende klassenraad van het eerste leerjaar van de eerste graad, benadrukt verzoekster dat conform de rechtspraak van de Raad van State en volgend uit de bepalingen van het organisatiebesluit 2002 de rechtsgevolgen van deze officiële waarschuwingen, de feedback en het advies van de klassenraad beperkt zijn en dat deze waarschuwingen en adviezen niet kunnen dienen om de basis te vormen voor de beslissing van de delibererende klassenraad of de beroepscommissie van het daaropvolgende schooljaar. Een A-attest met waarschuwing is en blijft een A-attest, op grond waarvan de leerling zonder voorbehoud naar het volgende leerjaar mag overgaan. Daarnaast wijst verzoekster erop dat niettegenstaande omzendbrief SO 64 expliciet vermeldt dat de delibererende klassenraad bevoegd is om aanvullende adviezen te verstrekken, waaronder bijvoorbeeld een waarschuwing, deze aanvullende adviezen, op de adviezen met betrekking tot het overzitten na, niet bindend zijn. Bijgevolg volstaat dit motief op zich niet om de bestreden beslissing te schragen. Wat betreft de door de beroepscommissie aangehaalde vakspecifieke argumenten, benadrukt verzoekster vooreerst ten aanzien van de in het tweede semester behaalde tekorten voor het vak natuurwetenschappen, dat zij geen wetenschappelijke studierichting doch wel de studierichting economische IX-10326-14/31 wetenschappen of moderne talen beoogt. Naast het gegeven dat zij een jaarslaagcijfer voor het vak natuurwetenschappen behaalde, is deze overweging van de beroepscommissie dan ook niet relevant en is dat motief, in lijn met de rechtspraak van het arrest D’Helft, “te schraal om concreet inzicht te verschaffen in de clausulering” voor de studierichtingen economische wetenschappen en moderne talen, gelet op het feit dat verzoekster voor dit vak een jaarslaagcijfer voorlegt. Daarnaast wordt volgens verzoekster de motivering van de beroepscommissie waarin wordt overwogen dat zij zich zelden ingezet zou hebben voor het vak Frans en dat zij voor geen enkel proefwerk slaagde, resoluut tegengesproken door de objectieve gegevens van haar dossier, uit de aldaar geformuleerde commentaren kan bezwaarlijk besloten worden dat verzoekster zich zelden zou ingezet hebben voor Frans, wel integendeel, temeer nu ter zitting bewijzen werden neergelegd van 12.15 uur bijlessen Frans die zij vrijwillig volgde tijdens de zomervakantie en van de door haar gemaakte vakantietaak Frans. Eveneens zijn de motieven van de beroepscommissie waarin wordt aangegeven dat verzoekster voor het vak wiskunde dan wel inzet betoonde maar niet over inzicht beschikt en zij een hele reeks leerplandoelstellingen niet behaalde, daarbij wijzend op de examentekorten in het eerste en het tweede semester, in lijn met de overwegingen uit het arrest D’Helft, te schraal om concreet inzicht te verschaffen in de clausulering (voor de studierichtingen economische wetenschappen en moderne talen), gelet op het feit dat verzoekster voor dit vak een jaarslaagcijfer voorlegt. Dat verzoekster niet over (afdoende) inzicht in dit vak beschikt, wordt resoluut tegengesproken door haar jaarslaagcijfer. Verzoekster wijst tot slot op de representativiteit van dit cijfer op het vlak van het relatieve belang dat moet worden gehecht aan dagelijks werk en aan de verwerking van grotere gehelen tijdens de examenperiodes, temeer nu zij in haar beroepschrift aangaf externe bijlessen voor het vak wiskunde te volgen tijdens het huidige schooljaar en zij het afgelopen schooljaar geen remediëring kreeg, noch werd aangeraden – wat door de beroepscommissie niet wordt tegengesproken – zodat er IX-10326-15/31 zowel op intern als op extern vlak nog ondersteunende mogelijkheden voor dit vak zijn, die het afgelopen schooljaar niet werden benut. Naar analogie met de overwegingen van het arrest D’Helft, waarin de Raad van State oordeelde “Het laat ook niet begrijpen waarom de delibererende klassenraad met stelligheid uitsluit dat verzoeker een attest met een formele waarschuwing kan worden gegeven in de zin van het eigen schoolreglement of even zelfverzekerd aanneemt dat bijkomende begeleiding en de door verzoeker gesuggereerde vakantietaak zijn slaagkansen niet voldoende kunnen verhogen”, is dit motief niet in staat te doen begrijpen waarom de beroepscommissie klaarblijkelijk een attest met waarschuwing of advies uitsluit, noch waarom deze tot het zekere oordeel is gekomen dat interne remediëring en externe bijlessen niet zouden volstaan om tot toekomstig studiesucces in de geclausuleerde richtingen te leiden. In zoverre de beroepscommissie besluit tot een gebrek aan inzet, aan kennis en inzichtelijke vaardigheden, een verkeerde studiehouding en falende studiemethodiek en aangeeft dat verzoekster niet in staat is om grotere leerstofgehelen te verwerken en echt te begrijpen wat ze studeert, noch zou beschikken over de vereiste kwaliteiten op vlak van kennisverwerving en vaardigheden om met redelijke kans op succes te slagen in het volgende leerjaar, op grond van regelmatige verwittigingen en aanmoedigingen die niet hebben gebaat en de in dalende lijn gaande scores, is verzoekster de mening toegedaan dat deze overwegingen evenmin voldoende concreet, omstandig en precies zijn, noch met grote omzichtigheid vastgesteld zijn, om het verleende B-attest met verregaande clausulering (verzoekster kan enkel nog de domeinoverschrijdende doorstroomrichtingen humane wetenschappen, Steinerpedagogie en Yeshiva aanvangen) te schragen. Bovendien hebben deze aanmoedigingen en verwittigingen volgens verzoekster wel gebaat nu zij enkel slaagcijfers weet voor te leggen. Daarnaast benadrukt zij dat in het beroepschrift verschillende verklaringen werden gegeven waarom de cijfers in het tweede semester soms in dalende lijn gaan. Met de voor verzoekster zeer pijnlijke, algemene bemerkingen van een gebrek aan inzet, aan kennis en inzichtelijke vaardigheden, van een verkeerde studiehouding en falende studiemethodiek, het niet in staat zijn om IX-10326-16/31 grotere leerstofgehelen te verwerken en echt te begrijpen wat ze studeert, het niet beschikken over de vereiste kwaliteiten op het vlak van kennisverwerving en vaardigheden om met redelijke kans op succes te slagen in het volgende leerjaar, spreekt de beroepscommissie volgens verzoekster vooral haar eigen dossier tegen, nu een leerling die voor alle vakken slaagcijfers behaalt, net wel bewijst over al deze competenties op het niveau van een tweede leerjaar A-stroom te beschikken. Dit klemt volgens verzoekster des te meer nu niet kan worden begrepen waarom haar dan toegestaan wordt, als zij al deze eigenschappen niet zou bezitten, quod certe non, wel in bepaalde richtingen van de domeinoverschrijdende doorstroom te starten. Waar de beroepscommissie tot slot aangeeft dat de door verzoekster aangehaalde (privé)omstandigheden niet van aard zijn om de resultaten te verbeteren, benadrukt zij dat deze (privé)omstandigheden ook niet in dat opzicht werden opgeworpen. De resultaten van het afgelopen schooljaar moeten volgens verzoekster niet ‘verbeterd’ worden nu ze al voldoende zijn en aantonen dat zij in voldoende mate de leerplandoelstellingen van al haar vakken beheerst. Het is volgens verzoekster de beroepscommissie zelf die in haar beslissing aangeeft dat zij het prospectieve denken over het dossier van verzoekster voorrang dient te geven op het retrospectieve, maar zulks nalaat. De omstandigheden (waaronder het geleverde vakantiewerk, de reeds gevolgde en de nog te volgen bijlessen, het vooropgestelde en intussen feitelijke internaatverblijf, het beter zijn van de gezondheidstoestand van haar vader, de interne mogelijkheden op het vlak van remediëring op school) zijn dan niet van aard om de voorliggende resultaten van het afgelopen schooljaar te verbeteren, ze vormen volgens verzoekster evenwel stuk voor stuk relevante elementen teneinde dit prospectieve oordeel te kunnen vormen, die ten onrechte door de beroepscommissie naast zich werden neergelegd, door ze eenvoudig “als niet van aard om resultaten te verbeteren” af te doen. Meer zelfs, door ze aldus af te doen, treedt de beroepscommissie betreurenswaardig opnieuw het eigen schoolreglement van de verwerende partij met de voeten, zodat ook op dit punt het onzorgvuldige werk en het nattevingerwerk van de beroepscommissie vaststaat. IX-10326-17/31 9. In de nota stelt de verwerende partij vooreest vast dat op basis van de inleiding van het derde middel verzoekster duidelijk maakt dat zij wel degelijk heel goed weet om welke redenen de beroepscommissie tot de bestreden beslissing is gekomen; dat uit die motivering volgt dat de privéomstandigheden die worden aangevoerd niet afdoende soelaas kunnen bieden om tegen de beoordeling in te gaan en dat er geen sprake kan zijn van enige schending van de formelemotiveringsplicht. Zij is tevens de mening toegedaan dat de uitgebreidheid van verzoeksters kritiek in het verzoekschrift niet toelaat om deze als ernstig te kwalificeren in het kader van een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Daarnaast herhaalt de verwerende partij dat de delibererende klassenraad en vervolgens de beroepscommissie op geen enkele wijze is voorbijgegaan aan de realiteit en representativiteit van de punten; dat de punten concreet zijn beoordeeld en zulks in het geheel van verzoeksters schooldossier; dat de delibererende klassenraad en de beroepscommissie in het belang van verzoekster hun verantwoordelijkheid in alle zorgvuldigheid en redelijkheid hebben opgenomen; dat op grond van de enkele verwijzing naar de rechtspraak van de Raad van State inzake de representativiteit van de punten op geen enkele wijze aannemelijk kan worden gemaakt dat de uitgebreide verantwoording van de bestreden beslissing onwettig zou moeten worden bevonden; dat verzoekster ter weerlegging van die motivering niet deugdelijk of relevant kan verwijzen naar slaagcijfers die niet in relatie staan tot de redenen die aanleiding hebben gegeven tot het toekennen van het oriënteringsattest B en de daaruit volgende clausulering; dat de initiatieven van de verwerende partij kennelijk niet hebben geleid tot enig inzicht, laat staan tot enige verbetering terwijl gedurende twee leerjaren uitdrukkelijk is gewaarschuwd en remediëring is aangeboden; dat elk advies of elke waarschuwing is genegeerd of in de wind geslagen met als ontegensprekelijk gevolg dat de resultaten nog zijn verslechterd; dat eerder is aangegeven dat het ook IX-10326-18/31 niet enkel gaat om inzet, motivatie of studiemethodiek, maar ook om het onvermogen tot verwerking van grotere leerstofgehelen en (echt) te begrijpen wat zij studeert; dat het niet is omdat in het schoolreglement wordt vermeld dat vaak ook in de tweede en de derde graad nog wordt vastgesteld dat leerlingen zich nog niet de juiste studiemethodiek hebben aangemeten dat daaruit de onmogelijkheid kan worden afgeleid om vast te stellen dat een leerling in de eerste graad over onvoldoende capaciteiten beschikt om in bepaalde studierichtingen aan de slag te gaan in de tweede graad; dat indien basiskennis ontbreekt, een verworven correcte studiemethode niet opbrengt; dat uit het voorgaande evenzeer blijkt dat het geenszins onredelijk is om aan te nemen dat bij gebrek aan enige vooruitgang gedurende twee leerjaren, integendeel een duidelijke achteruitgang, enkele (bijkomende) vakantietaken tijdens de zomervakantie geen afdoende soelaas kunnen bieden; dat de voorgehouden bereidheid eveneens in een schril contrast staat met het vastgestelde gebrek aan bereidheid om aan de slag te gaan met de raad, het advies, de remediëring en de uitdrukkelijke waarschuwingen; dat de bewering dat er slechts laattijdig kennis is genomen van de aangeboden remediëring, maar vooral dat er geen gebruik van is gemaakt, niet kan leiden tot de onwettigheid van de bestreden beslissing; dat enig gebrek aan begeleiding en remediëring in hoofde van de school ten aanzien van verzoekster op geen enkele wijze wordt aangetoond; dat remediëring via verschillende smartschoolberichten ongeveer drie keer per schooljaar aan de ouders is gecommuniceerd, inclusief een schema met welke remediëring op welke dag wordt gegeven; dat op de informatieavond begin september van elk schooljaar dit evenzeer telkens aan bod komt; dat het effect van vakantietaken, officiële waarschuwingen, de negatieve feedback en het advies van de delibererende klassenraad van het eerst leerjaar van de eerste graad dan volgens verzoekster juridisch beperkt mag zijn, in de feiten blijkt dat het effect helaas nog veel minder groot is geweest; dat de delibererende klassenraad en in navolging daarvan de beroepscommissie wel degelijk, net in het kader van de op haar rustende zorgvuldigheidsplicht, rekening mag houden met al deze gegevens bij de uitoefening van haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid om een oriënteringsattest B uit te reiken en een clausulering op te leggen; dat het feit dat adviezen niet bindend zijn, geenszins wil zeggen dat er geen rekening mee IX-10326-19/31 mag worden gehouden in het kader van een globale beoordeling; dat niet tezelfdertijd kan worden voorgehouden dat de aanmoedigingen, verwittigingen, waarschuwingen en adviezen wel afdoende gebaat zouden hebben omwille van het loutere feit dat er geen jaartekorten zouden zijn; dat het voorhouden dat verzoekster niet beoogt in een wetenschappelijke studierichting verder te gaan, geen relevante of pertinente kritiek is om de onwettigheid van de bestreden beslissing aannemelijk te maken; dat de door verzoekster gewenste richting moderne talen in de tweede graad hetzelfde leerplan wiskunde heeft als de wetenschappelijke richtingen; dat hetzelfde geldt voor de kritiek op de beoordeling voor het vak Frans waarbij semantische discussies worden gevoerd die in elk geval niet de deugdelijkheid van de beoordeling in de bestreden beslissing tegenspreken; dat het geheel van het schooldossier voor zich spreekt in tegenstelling tot een selectieve lezing ervan; dat het niet valt in te zien in welke mate de motieven inzake het vak wiskunde te schraal zouden zijn om de bestreden beslissing te verantwoorden; dat de juistheid van de gegevens voor de beoordeling en de deugdelijkheid van de beoordeling niet ernstig kunnen worden betwist of tegengesproken en dat de leerplandoelstellingen in tegenstelling tot wat verzoekster beweert in het verzoekschrift, niet zijn gehaald. Tot slot benadrukt de verwerende partij dat in de mate dat verzoekster aangeeft dat er vele verklaringen worden aangereikt voor het feit dat de punten in dalende lijn gaan en er zeker tekorten worden genoteerd in het tweede lange semester, enkel wordt bevestigd dat verzoekster onvoldoende capaciteiten heeft tot verwerking van grotere leerstofgehelen en (echt) te begrijpen wat zij studeert en dat de beroepscommissie zichzelf niet tegenspreekt met haar verantwoording op grond van het enkele feit dat er geen jaartekorten worden genoteerd, nu haar beoordeling vertrekt vanuit die vaststelling en om deze reden de bestreden beslissing net uitgebreid is gemotiveerd, zodat het weinig ernstig is om louter omwille van de eigen zienswijze de werkwijze van de delibererende klassenraad en in navolging daarvan deze van de beroepscommissie af te doen als nattevingerwerk, nu de beroepscommissie meer dan aannemelijk heeft gemaakt waarom de huidige studiekeuze “echt niet (meer) zinvol” is voor verzoekster en IX-10326-20/31 aldus waarom privéomstandigheden en voornemens onvoldoende worden geacht om zulks met enige overtuigingskracht tegen te spreken. Bijgevolg slaagt verzoekster volgens de verwerende partij op geen enkele wijze erin om te weerleggen dat de bestreden beslissing uitgaat van de juiste feitelijke en juridische gegevens, dat deze correct zijn beoordeeld door onderwijsactoren met een niet betwiste expertise en professionaliteit in het belang van de leerling en deze in alle redelijkheid tot hun beslissing zijn gekomen. C. Beoordeling van het eerste en het derde middel 10. Luidens artikel 82, tweede lid, 1°, van het organisatiebesluit 2002, ingevoegd bij artikel 100 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2022 ‘over de organisatie van het secundair onderwijs, wat leerlingen betreft’ (“het organisatiebesluit van 2022”), houdt het organisatiebesluit 2002 op uitwerking te hebben op 14 juni 2022 “in het eerste en tweede leerjaar van de eerste graad”. Aldus moet prima facie worden vastgesteld dat de door verzoekster in het derde middel geschonden geachte artikelen 38 en 39 van het organisatiebesluit 2002 in haar geval niet langer van kracht waren. Voor zover het derde middel de schending aanvoert van bepalingen die op verzoekster geen uitwerking hebben, mist het ernst. In het organisatiebesluit van 2022 lijken woordelijk identieke bepalingen als die waarvan verzoekster de schending aanvoert, niet te zijn opgenomen. In de huidige stand van de rechtspleging, waar de Raad van State wordt gevraagd “bij uiterst dringende noodzakelijkheid” op te treden en waar de rechten van verdediging van de verwerende partij zeer beperkt zijn, valt het de Raad niet toe om eigener beweging na te gaan of er enigszins gelijkaardige bepalingen voorkomen in het nieuwe organisatiebesluit en om vervolgens zelf – na een vergelijking tussen beide – het middel te herschrijven in de plaats van verzoekster door haar grieven, ontleend aan de schending van het organisatiebesluit 2002 in te passen in de bepalingen van het organisatiebesluit van 2022. IX-10326-21/31 Hoe dan ook voert verzoekster in het eerste en het derde middel wezenlijk aan dat de bestreden beslissing niet is gesteund op deugdelijke motieven, minstens dat niet afdoende werd geantwoord op de door haar tijdens de beroepsprocedure, gericht tegen de toekenning van het oriënteringsattest B met clausulering, aangevoerde argumenten. Die wettigheidskritiek wijst ook op de door verzoekster in het eerste en het derde middel aangevoerde schending van de formele- en materiëlemotiveringsplicht. Het eerste en het derde middel worden uit dat oogpunt onderzocht. 11. Aan verzoekster is een oriënteringsattest B toegekend. Verzoekster heeft derhalve, naar luid van artikel 70, eerste lid, 2°, van het organisatiebesluit van 2022, het tweede leerjaar van de eerste graad “met vrucht en met clausulering” beëindigd. Clausulering betekent, aldus artikel 61, eerste lid, van het organisatiebesluit van 2022, dat “aan de overstap naar een hoger leerjaar beperkingen worden opgelegd”. In het tweede leerjaar van de eerste graad zijn de mogelijke clausuleringen “de uitsluiting van een of meer finaliteiten, onderwijsvormen of afzonderlijke structuuronderdelen” (artikel 61, tweede lid, 2°, van het organisatiebesluit van 2022). 12. De jaarresultaten die verzoekster liet optekenen waren voor de beroepscommissie reden om te besluiten dat zij het leerjaar “met vrucht en met clausulering” heeft beëindigd en om haar een daarmee overeenstemmend B-attest toe te kennen. Het doet aannemen, zo lijkt, dat bij de toekenning van een B-attest, de redenen kenbaar moeten worden gemaakt waarom de leerling die het leerjaar met vrucht heeft beëindigd, toch de toegang tot welbepaalde finaliteiten, onderwijsvormen of afzonderlijke structuuronderdelen moet worden ontzegd. IX-10326-22/31 Het toekennen van een B-attest vereist een zogenaamd prospectief onderzoek, dit wil zeggen: een vooruitziend en de toekomst verkennend onderzoek. De leerling is immers geslaagd, want heeft “rekening houdend met het pedagogisch project van de school […] in voldoende mate de doelstellingen, vastgelegd door of krachtens decreet- of regelgeving en opgenomen in het curriculumdossier en in de leerplannen, […] bereikt of nagestreefd” (artikel 60, eerste lid, van het organisatiebesluit van 2022). Toch oordeelt de beroepscommissie dat de betrokken leerling in het volgende schooljaar bepaalde studierichtingen niet aankan. Met dit oordeel substitueert de beroepscommissie zich als het ware aan de delibererende klassenraad van het volgende schooljaar, tot wiens autonomie het immers behoort om over het al dan niet slagen voor dat schooljaar te oordelen. De clausulering beperkt ook de principiële vrijheid van studiekeuze van de leerling of van zijn ouders. Een klassenraad of beroepscommissie kan op basis van zwakke studieresultaten een onderbouwd advies geven om een bepaalde studiekeuze te ontraden, of zelfs een formele waarschuwing, maar de uiteindelijke verantwoordelijkheid laten bij de leerling die, het weze herhaald, het leerjaar met vrucht heeft beëindigd. De beroepscommissie die een clausulering toevoegt aan het oriënteringsattest, verkiest echter in de plaats van die leerling de schoolloopbaan gedeeltelijk te bepalen. Een inschatting van de toekomstige studies van een leerling is geen nattevingerwerk. Een beroepscommissie moet haar ‘prospectieve’ beslissing om een B-attest uit te reiken des te meer steunen op de concrete en objectieve gegevens van het individuele dossier van de betrokken leerling. Een beroepscommissie die haar noodzakelijk ook deels subjectieve vooruitblik over het gebrek aan redelijke slaagkansen van een leerling in een volgend jaar niet kan relateren aan de beschikbare objectieve gegevens van het dossier – in het bijzonder de bagage waarover de leerling thans beschikt – zou de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid overschrijden. IX-10326-23/31 13. Wat de door verzoekster in het eerste en het derde middel aangevoerde schending van de formele- en materiëlemotiveringsplicht betreft, dient vooreerst te worden benadrukt dat noch het algemeen rechtsbeginsel dat een overheidsbeslissing gegrond moet zijn op deugdelijke motieven, dit wil zeggen op motieven die in feite juist zijn en in rechte aanvaardbaar zijn, noch de formelemotiveringsplicht, aan het bestuur – in dit geval de beroepscommissie – de verplichting oplegt om alle grieven of middelen die door de betrokkene worden aangevoerd één voor één van antwoord te dienen. Het volstaat dat in de beslissing van de beroepscommissie de motieven worden opgenomen die de beslissing kunnen dragen. Waar de regelgeving, zoals in casu, in een administratieve beroepsprocedure heeft voorzien, moet diegene die het beroep heeft ingesteld, er wel op kunnen rekenen dat zijn beroepschrift door de beroepsinstantie zorgvuldig wordt onderzocht en dat deze instantie, indien zij tot hetzelfde oordeel komt als de beslissing waartegen het beroep werd ingesteld, goede redenen heeft voor de verwerping van de aangevoerde beroepsargumenten. In casu heeft verzoekster gebruikgemaakt van de mogelijkheid die de artikelen 123/15 en 123/17 van de Codex Secundair Onderwijs haar bieden om een beroep in te stellen tegen een ongunstige evaluatiebeslissing van de over haar delibererende klassenraad. Hieruit volgt dat, wanneer verzoekster aldus een samenkomst van de beroepscommissie uitlokt, deze commissie dient kennis te nemen van haar aangevoerde grieven, ze dient te beoordelen en te beantwoorden. Bij dit alles mag evenwel niet uit het oog worden verloren dat de beroepscommissie beschikt over een autonome, eigen beslissingsbevoegdheid. De beroepscommissie, zoals die in de artikelen 123/15 en volgende van de Codex Secundair Onderwijs door de decreetgever is geconcipieerd, “heeft volheid van bevoegdheid, i.c. het evaluatieresultaat wordt bevestigd of door een ander vervangen op grond van inhoudelijke of procedurele aspecten” (Parl.St. Vl.Parl. IX-10326-24/31 2013-14, nr. 2421/1, 27). Zoals in elke administratieve beroepsprocedure waarbij aan het beroepsorgaan de volle hervormingsbevoegdheid wordt opgedragen om in laatste aanleg te beslissen, betekent deze zogenaamde devolutieve werking dat de beroepen beslissing uit het rechtsverkeer verdwijnt en dat een nieuwe beslissing in de plaats daarvan komt, op grond van een autonome, eigen beoordeling van de zaak door het beroepsorgaan. De beroepscommissie heeft aldus beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de delibererende klassenraad. Zij plaatst haar eigen beoordeling van de voorliggende gegevens in de plaats van de beslissing van de klassenraad en dit op grond van eigen, autonome motieven. In dat verband moet worden benadrukt, zoals terecht wordt opgemerkt door de verwerende partij, dat het niet aan de Raad van State toevalt om zijn oordeel over het slagen van de leerling in de plaats te stellen van de evaluatiebeslissing van de beroepscommissie. Het ligt ook niet op zijn weg om in de plaats van de beroepscommissie aan verzoekster opheldering te geven over de ingeroepen bezwaren. 14. In casu geeft de beroepscommissie aan verzoekster een B-attest met clausulering voor de domeinoverschrijdende doorstroomrichtingen met het sterkere wiskundig leerplan waardoor bijgevolg de door verzoekster beoogde studierichting economische wetenschappen wordt uitgesloten. De beroepscommissie stelt in haar beslissing dat “verzoekster volgens het jaarrapport – ondanks de vele verontrustende signalen uitgezonden door de school – een totaal van 62,5% [behaalde] en […] ronduit slechte jaarresultaten [scoorde] voor geschiedenis (50,5%), wiskunde (53 %), natuurwetenschappen (53%) en Frans (50,5%) en eerder zwakke jaarresultaten voor aardrijkskunde (62,5%) en Nederlands (61,5%)”. Zij vervolgt dat “[v]erzoekster […] meermaals de kans [kreeg] om zich te herpakken […], maar de door haar (al dan niet) geleverde inspanningen hebben duidelijk onvoldoende gerendeerd”. Zo stelt zij dat “[v]erzoekster […] voor Frans op geen enkel proefwerk [is] geslaagd, noch op het IX-10326-25/31 einde van het eerste semester (42%), noch op het Paasexamen (44,5%), noch in juni (38%)” en dat er “voor wiskunde […] een (zeer bescheiden) opflakkering [was] op het examen van juni (52,5%), maar zowel in het eerste semester (46,5%) als in het tweede semester (48,5%) bleef zij uiteindelijk steken op een tekort”. De clausulering lijkt op determinerende wijze te zijn gesteund op de resultaten voor het vak wiskunde waarvoor verzoekster blijkens de bestreden beslissing zich wel heeft ingezet “maar dat lukte gewoon niet want inzichtelijk zeer zwak”. Een aantal leerplandoelstellingen wiskunde die niet worden gerealiseerd, worden opgesomd. Tevens wordt zwaar getild aan de resultaten voor het vak Frans. 15. Vastgesteld wordt dat het jaarrapport slaagcijfers omvat voor alle vakken, ook voor wiskunde en Frans behaalt verzoekster een jaartotaal van respectievelijk 53 en 50,5%. Daarnaast behaalt verzoekster een totaalresultaat van 62,5%. Ter adstructie van de in het eerste en het derde middel aangevoerde schending van de formele- en materiëlemotiveringsplicht betoogt verzoekster vooreerst dat zij in haar beroepschrift heeft benadrukt dat zij voor alle vakken een voldoende jaarresultaat heeft behaald en heeft gewezen op het representatieve karakter van de punten en de rechtspraak van de Raad van State die aangeeft dat een jaarcijfer voor een bepaald vak in beginsel moet worden geacht een geldige en betrouwbare weergave te zijn van het relatieve belang dat moet worden gehecht aan dagelijks werk en aan de verwerking van grotere gehelen tijdens de examenperiode en aan de verschillende onderdelen van de leerstof die voor het betrokken vak in de loop van het schooljaar aan bod is gekomen, waarbij zij heeft aangekaart dat zij slaagcijfers heeft behaald voor alle vakken, inclusief voor het vak wiskunde, terwijl de beroepscommissie in casu niet de (objectieve) reden heeft geëxpliciteerd waarom deze resultaten niet representatief zijn en niet precies heeft uiteengezet aan de hand van eindtermen en leerplannen gerelateerd aan de concreet behaalde (deel)resultaten waarom de voldoende resultaten toch IX-10326-26/31 haar kansen determineren voor het verwerven van de volgend jaar in een te clausuleren richting vereiste kennis en kunde voor die vakken. Daarnaast wijst zij op tal van door haar in het beroepschrift aangehaalde elementen uit haar leerlingendossier om aan te tonen dat zij wel degelijk een ruime slaagkans heeft in het volgende leerjaar in de door haar gewenste studierichtingen. 16. Uit de bestreden beslissing valt niet af te leiden dat de beroepscommissie op grond van haar autonome bevoegdheid zélf de correctheid en het representatieve karakter van de voormelde jaartotalen in vraag stelt. Deze, evenmin door verzoekster in vraag gestelde jaarcijfers mogen dan ook worden geacht een representatief beeld te geven van de kennis, de vaardigheden en, voor zover opgenomen in het leerplan, attitudes van de leerling. Nog daargelaten of de beroepscommissie de voormelde resultaten terecht als “slecht” en “zwak” mag beschouwen, zijn het wél slaagcijfers. Daaruit volgt, in principe en op het eerste gezicht, dat de leerling die een voldoende jaarresultaat behaalt, voor die vakken de leerplandoelstellingen op voldoende wijze heeft bereikt. Om die reden overigens, wordt hij ook geslaagd verklaard. Zo de beroepscommissie ervan overtuigd is dat die voldoende resultaten toch de kansen van verzoekster in het volgende leerjaar in de geclausuleerde studierichtingen of de geclausuleerde onderwijsvorm determineren, dan dient bij de toekenning van een B-attest, uit de, op grond van het voor de toekenning van een B-attest vereiste ‘prospectief’ onderzoek, gemaakte beoordeling van de commissie, te kunnen worden afgeleid waarom de commissie het onmogelijk acht dat verzoekster zal slagen in het eerste leerjaar van tweede graad in de te clausuleren studierichtingen, meer bepaald in de door haar beoogde studierichting economische wetenschappen. In casu verzuimt de beroepscommissie, om, zoals wordt aangevoerd door verzoekster, onder meer aan de hand van de leer- plandoelstellingen en de eindtermen uiteen te zetten, in welke mate de leerstof in het eerste leerjaar van de tweede graad afhankelijk is van de noodzakelijk IX-10326-27/31 verworven kennis en kunde in het tweede leerjaar van de eerste graad, noch geeft zij aan waaruit blijkt dat verzoekster spijts haar jaartotaal net die noodzakelijke basis niet bezit. Evenmin slaagt de beroepscommissie prima facie in dat ‘prospectief’ onderzoek door vaagweg gewag te maken van een “zeer zwak inzicht” voor wiskunde in hoofde van verzoekster, waarbij zij een aantal leerplandoelstellingen opsomt die niet zouden zijn gerealiseerd, zonder op enig moment de kennis en kunde van verzoekster – en vooral het vermeende gebrek daaraan – te relateren aan het volgende leerjaar in de volgende graad en zonder dit terug te koppelen naar de in het afgelopen schooljaar concreet geleverde prestaties. Hoe het resultaat voor het vak Frans de slaagkansen van verzoekster in de door haar beoogde studierichting hypothekeert, wordt evenmin toegelicht. Daartegenover staat wel dat verzoekster voor de vakken wiskunde en Frans, naast alle overige vakken een voldoende jaarresultaat heeft behaald en voor alle vakken dus in voldoende mate de leerplandoelstellingen heeft bereikt én dat de beroepscommissie, met de toekenning van een B-attest, zelf erkent dat verzoekster de leerplandoelen in voldoende mate heeft bereikt. Niettegenstaande in die omstandigheden van die commissie lijkt te mogen worden verwacht dat zij met de toekenning van een B-attest, haar vooruitblik over het gebrek aan redelijke slaagkansen van verzoekster in een volgend leerjaar relateert aan de beschikbare objectieve gegevens van het dossier, dient te worden vastgesteld dat prima facie uit de bestreden beslissing niet kan worden afgeleid waarom zij van oordeel is dat verzoekster, gelet op haar voldoende jaarresultaat, in het komende leerjaar geen kans op slagen heeft, temeer nu verzoekster ook voor de vakken wiskunde en Frans geslaagd is verklaard. Waar de beroepscommissie voor beide semesters verwijst naar de zeer slechte totaalscores voor wiskunde en Frans, waarbij zij stelt dat de tekorten op de proefwerken nog gedeeltelijk worden gemaskeerd door de resultaten van het dagelijks werk en voor het vermeende niet slagen van verzoekster in een volgend leerjaar bijgevolg steunt op een verschil tussen dagelijks werk en examens, waaruit zou blijken dat verzoekster moeilijkheden IX-10326-28/31 heeft met het verwerken van grotere leerstofgehelen op de examens, dient te worden vastgesteld dat deze argumentering op het eerste gezicht indruist tegen het vermoeden van deskundigheid van de leerkracht en de representativiteit van de door die leerkracht vastgestelde jaarcijfers, die de verwerende partij als instrument hanteert om een uitspraak te doen over het leerproces van de leerling. Aangenomen wordt immers, dat zo een jaarcijfer in beginsel een geldige en betrouwbare weergave is van het relatieve belang dat moet worden gehecht aan de verwerking van grotere gehelen tijdens de examenperiode en aan ‘dagelijks werk’ en aan de verschillende onderdelen van de leerstof die voor het desbetreffende vak in de loop van het jaar aan bod is gekomen en dat het om die reden ook een oriënterende functie heeft en betekenisvol is om later studiesucces te voorspellen. 17. De Raad is zich er wel van bewust dat verzoekster tijdens het voorbije schooljaar en ook al voordien effectief zeer zwakke resultaten voor verschillende vakken heeft behaald. Hij begrijpt dat dit de klassenraad en vervolgens de beroepscommissie ertoe heeft gebracht een B-attest te verlenen. De beroepscommissie houdt er allicht rekening mee, dat het behapstukken van grotere leerstofgehelen, het zwakke punt van verzoekster, in het volgende leerjaar nog meer aan belang wint. Maar de Raad kan er, gelet op wat hiervóór is uiteengezet, niet omheen dat, niettegenstaande het leerparcours van verzoekster wijst op een reëel risico dat zij in het volgende leerjaar tekortschiet, zij voor alle vakken een voldoende jaarresultaat heeft behaald. De omstandigheid dat verzoekster een gebrek aan inzet, een verkeerde studiehouding en studiemethodiek zou hebben, doet geen afbreuk aan voorgaande vaststelling. Evenmin overtuigt het argument dat de school verzoekster voldoende heeft gewaarschuwd, nu de finaliteit van een dergelijke waarschuwing dient te worden ingeschat door de leerling en haar ouders, waarvoor zij alleen de verantwoordelijkheid dragen, tenzij de beroepscommissie meer overtuigende motieven heeft die vooralsnog niet zijn geëxpliciteerd of onderbouwd in de beslissing. IX-10326-29/31 18. Tot slot stelt verzoekster dat tal van relevante argumenten in de bestreden beslissing onbeantwoord zijn gebleven. Zo heeft zij in haar beroepschrift verwezen naar het geleverde vakantiewerk, de reeds gevolgde bijlessen Frans en de nog te volgen bijlessen wiskunde, het vooropgestelde en intussen feitelijke internaatverblijf, het beter zijn van de gezondheidstoestand van haar vader en de interne mogelijkheden tot remediëring op school. De beroepscommissie overweegt hieromtrent dat zij niet inziet “hoe de […] aangehaalde (privé-)omstandigheden, die overigens onbetwist(baar) niet op een nuttig tijdstip ter kennis werden gebracht van de school, ertoe zouden moeten leiden het behaalde resultaat als beter te evalueren dan wat er in werkelijkheid aan prestaties is geleverd, laat staan dat van de weeromstuit aan verzoekster ter genoegdoening dan maar een A-attest moet verleend worden”. Verzoekster stelt op het eerste gezicht terecht dat deze elementen niet in dat opzicht werden opgeworpen maar relevante elementen zijn teneinde het prospectieve oordeel te kunnen vormen, welke niet op afdoende wijze zijn ontmoet in de bestreden beslissing. 19. Bijgevolg dient, in de huidige stand van de rechtspleging, te worden besloten dat, uit de bestreden beslissing vooralsnog geen omstandige, precieze en met grote omzichtigheid tot stand gekomen motivering, die van een beroepscommissie mag worden verwacht wanneer zij een B-attest toekent, blijkt. Het eerste en het derde middel zijn in de aangegeven mate ernstig. VII. Conclusie 20. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. IX-10326-30/31 BESLISSING 1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 25 augustus 2023 van de interne beroepscommissie van de vzw Diocesaan Schoolcomité Sint-Niklaas om aan XXXX een oriënteringsattest B uit te reiken. 2. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op eenentwintig september tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Chantal Bamps IX-10326-31/31 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.405 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.717 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div