← België

Arrest 257427 - Examens (onderwijs) - 25/09/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.427 Rolnummer: A. 239986/IX-10327 Zaak: Arrest 257427 - Examens (onderwijs) - 25/09/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-09-26 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-10 12:33 Fiche Arrest nr 257.427 van 25 september 2023 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 257.427 van 25 september 2023 in de zaak A. 239.986/IX-10.327 In zake: Margaux STEELAND bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie, Thomas Fiers en Jade Leenaert kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 8 september 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepsinstantie van het toelatingsexamen arts van 25 augustus 2023, waarbij het beroep van Margaux Steeland tegen de beslissing van de examencommissie, ingevolge waarvan zij niet gunstig werd gerangschikt voor het toelatingsexamen arts, wordt verworpen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-10.327-1/30 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 september 2023, om 10.30 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jade Leenaert, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. De Vlaamse regering organiseert jaarlijks een toelatingsexamen voor de opleiding tot arts (artikel II.187, § 6, 1° en 3°, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 19 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 januari 2023 ‘over de organisatie van het toelatingsexamen arts, het toelatingsexamen tandarts en het toelatingsexamen dierenarts’ (“organisatiebesluit”)). Dat toelatingsexamen beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige opleiding met succes af te ronden. Een gunstige rangschikking op grond van dit examen geldt als een “bijkomende toela-tingsvoorwaarde” voor inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Geneeskunde (artikel II.187, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs). IX-10.327-2/30 Het examen bestaat uit twee onderdelen: vooreerst een onderdeel ‘wetenschappelijke kennis en inzicht in de vakken biologie, fysica, chemie en wiskunde’ (“KIW”) en voorts een onderdeel ‘generieke competenties die aansluiten bij themata uit de beroepspraktijk van artsen’ (“GC”) (artikel II.187, § 5, eerste lid, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 22, eerste lid, van het organisatiebesluit). Deze twee onderdelen van het examen hebben hetzelfde gewicht (artikel 27, eerste lid, van het organisatiebesluit). Het examen is vergelijkend van aard. De kandidaten die ten minste de helft van de bepaalde punten behalen op alle onderdelen van het examen zijn geslaagd. De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de behaalde numerieke score. De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met het vooropgestelde quotum, dat thans 1600 bedraagt (besluit van de Vlaamse regering van 16 juni 2023 ‘tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 10 februari 2023 tot vastlegging van het startquotum voor de opleiding geneeskunde en voor de opleiding tandheelkunde, wat betreft het verhogen van het startquotum voor de opleiding geneeskunde’). Is het aantal geslaagde kandidaten hoger dan het vooropgestelde quotum, dan wordt een cesuur getrokken. Dit gebeurt principieel tussen de kandidaten met een verschillend examenresultaat (artikel II.187, §§ 3 en 4, van de Codex Hoger Onderwijs). Alle vragen van het toelatingsexamen zijn meerkeuzevragen met vier antwoordmogelijkheden per vraag. Slechts één antwoordmogelijkheid per vraag is juist. Een juist antwoord levert positieve punten op, een fout antwoord levert negatieve punten op en geen antwoord levert nul punten op (artikel 27, vierde lid, 1° en 2°, van het organisatiebesluit). 3.
  5. Nadere voorschriften met betrekking tot het toelatingsexamen georganiseerd in 2023 zijn door de examencommissie vastgesteld in het ‘Werkingsreglement en examenreglement toelatingsexamens arts, tandarts en dierenarts 2023’ (“WER”). IX-10.327-3/30 Luidens artikel 52 van dat reglement bestaat het examenonder-deel GC uit twee toetsen: CLEAR en VAARDIG. CLEAR staat voor “Conflicthantering, Luistervaardigheid, Empathie, Aandacht, Reflectie en Respect”. Deze proef toetst “de (inter)persoonlijke vaardigheden die voor een arts […] van belang zijn”. Voor elke casusvraag duiden de deelnemers de reactie of houding aan die het meest gepast is om een bepaalde uitkomst te bereiken. In andere examenvragen geven de deelnemers aan welke uitspraak of boodschap het best beantwoordt aan de relationele stijl of gespreksstijl die in de opgave vermeld staat. Telkens is er slechts één juist antwoord, namelijk het antwoord “dat het meest voldoet aan de vraagstelling”. VAARDIG staat voor “Verbinden, AnAlyseren, ReDeneren, InteGreren”. De kandidaten krijgen “examenvragen over een korte wetenschappelijke tekst met bijhorende figuren over een gezondheidsthema”. Voor sommige examenvragen kunnen de deelnemers het antwoord direct uit de analyse van de tekst of figuren afleiden. Voor andere examenvragen moeten de deelnemers diepgaander redeneren, nieuwe verbanden leggen of verschillende delen integreren. 3.
  6. Verzoekster neemt op 4 juli 2023 deel aan het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts. Zij behaalt 96 op 120 punten voor het examenonderdeel KIW, 58 op 120 punten voor het examenonderdeel GC en 154 op 240 punten in het totaal. Aangezien verzoekster een onvoldoende behaalt voor het onderdeel GC, waardoor zij ingevolge artikel 28, eerste lid, van het organisatiebesluit niet slaagt, komt zij niet in aanmerking voor rangschikking. Verzoekster stelt een verzoek tot heroverweging in bij de interne beroepsinstantie. IX-10.327-4/30 3.
  7. Op 25 augustus 2023 beslist de interne beroepsinstantie van het toelatingsexamen arts om het beroep van verzoekster ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren. Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  8. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  9. De verwerende partij betwist terecht niet het vervuld zijn van de schorsingsvoorwaarde betreffende de uiterst dringende noodzakelijkheid. VI. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  10. In een eerste middel voert verzoekster de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel. In het bezwaar bij de beroepsinstantie heeft verzoekster de validiteit van een aantal examenvragen van het gedeelte GC betwist. Het middel is IX-10.327-5/30 gericht tegen de bestreden beslissing, in de mate dat de beroepsinstantie die kritiek verwerpt. In wat als een eerste middelonderdeel begrepen kan worden, bespreekt verzoekster het antwoord van de beroepsinstantie op de kritiek die zij heeft bij vraag 8 van de CLEAR-toets: “In de bestreden beslissing wordt louter de vergelijking gemaakt met de vraag uit 2021 om via een bijzonder vergezocht redenering – met tal van veronderstellingen – voor te houden dat er een verschil zou zijn tussen het antwoord van 2021 en 2023 zonder echter concreet in te gaan op de overige uitvoerige hierboven aangehaalde grieven van verzoekers. Zo valt bijvoorbeeld geen antwoord te lezen op het feit dat het maken van mogelijks loze beloften ook niet respectvol is. Bovendien kan de gast dit ook interpreteren als een loze afwimpeling, wat al helemaal niet respectvol is. Hoe legt weegt men al die mogelijke onrespectvolle interpretaties ten aanzien van elkaar in de weegschaal? Waarom primeert de ene veronderstelling boven de andere? Het is duidelijk dat deze vraagstelling niet valide is en daarenboven geen eenduidig juist antwoord kan hebben. Er kan bovendien – in het door verzoekster gegeven antwoord – ook impliciet verondersteld worden dat de klanten bediend worden, als de Nepalese gast gevraagd wordt om op een rustiger tijdstip terug te komen. Er is dus geen wezenlijke motivering die kan verklaren waarom het antwoord van verzoekster niet juist zou zijn en de bestreden beslissing geeft ook geen dergelijke verklaring. Deze motivering kan dan ook geen stand houden.” In wat als een tweede middelonderdeel begrepen kan worden, gaat verzoekster in op wat de beroepsinstantie schrijft ter weerlegging van haar kritiek op vraag 13 van de CLEAR-toets: “De motieven in de bestreden beslissing om te menen dat enkel antwoord C correct kan zijn, kunnen niet weerhouden worden. Vooreerst duidt men als volgt de antwoorden:
  11. Riskeert je job: deze reactie houdt een beschuldiging en een verwijt in waardoor de collega-jobstudent eerder negatief zal reageren.
  12. Medeplichtig: idem
  13. Verwacht: je exploreert wat je voor de collega-jobstudent kan betekenen zodat je zelf ook ruimte krijgt om je eigen gevoelens te uiten. Beantwoordt zo het beste van de vraagstelling. IX-10.327-6/30
  14. Stelen: idem als eerste twee antwoorden; je geeft bovendien ook een waardeoordeel zonder de context van de collega-jobstudent te kennen. Deze duiding poneert iets, maar is nergens op gebaseerd en allerminst overtuigend. Zo stelt men bij antwoord 1 dat meedelen dat de betrokkenen zijn job riskeert een beschuldiging en verwijt inhoudt, maar dit is evident niet het geval. Het is een loutere vaststelling van een mogelijke consequentie van het gedrag. Door dit mogelijke toekomstscenario voor te houden aan de betrokkene kan deze zelf aan het nadenken gaan over consequenties waarbij deze eerder mogelijk niet had stilgestaan om vervolgens het gedrag aan te passen. Ook de redenering bij antwoord 4 slaat nergens op. De eenvoudige vraag stellen of stelen de moeite waard is, is geen waardeoordeel want men stelt iets vast dat objectief is: etensresten meenemen die niet van jou zijn, is per definitie stelen en men vraagt de betrokken om daarover (neutraal) te reflecteren. Men stelt ook dat de vraagstelling anders zou zijn dan een eerdere editie: o De vraagstelling in CLE13 beoogt het op gang brengen van een positieve reflectie over het geding dat verder niet gekwalificeerd wordt. o in de vraag uit 2021 wordt het geding negatief geduid (grensoverschrijdend steelgedrag) en beoogt de vraagstelling een reflectie. Deze reflectie wordt verder niet geduid en kan dus positief, neutraal of negatief zijn. Hierbij moet opgemerkt worden dat de kwalificatie van het gedrag irrelevant is: stelen kan nooit een positieve duiding krijgen. Bovendien kan niet worden ingezien waarom de vraagstelling van 2021 (ook) uitnodiging zou zijn tot een neutrale of negatieve reflectie (wat dat ook moge wezen...). Evident zoekt men in 2021 ook naar een antwoord dat een positieve reflectie en dito gedragsverandering tewerkstelligt. In de bestreden beslissing beweert de commissie dat door te antwoorden ‘wat verwacht je nu van mij?’ de antwoorder een positieve reflectie van de betrokkene uitlokt. Dit is manifest onredelijk. Door dit te antwoorden, kaatst de antwoorder de bal gewoon terug naar de collega-jobstudent die voor schut wordt gezet: hij zal moeten reageren en wordt in de hoek geduwd. Er is veel kans dat hij geïntimideerd de plaat zal poetsen en de opmerking als een verwijt opneemt. De collega-jobstudent wordt vanuit de hoogte aangesproken. Er is dus geen enkel oorzakelijk verband met het ontlokken van enige positieve reflectie. Het enige dat de antwoorder doet is tijd winnen voor zichzelf om geen standpunt in te nemen, maar er is geen enkele trigger die begrip toont, empathie opwekt of zich in de plaats stelt van de collega-jobstudent en die bij hem een positieve reactie of reflectie zal ontlokken. Prima facie is het manifest onredelijk dit hierin te lezen. Dit antwoordt houdt evengoed een verwijt als andere antwoorden in, want de onderliggende toon is duidelijk: ‘je gedrag is fout’ of ‘waar val je mij nu mee lastig’. Hier iets anders in lezen in manifest onredelijk. Daarenboven IX-10.327-7/30 helpt dit antwoord helemaal niet om de collega-student bewust te laten worden van zijn gedrag. Het is alsof de antwoorder verveeld lastig wordt gevallen. Antwoord 3 kan dus geen goed antwoord zijn. De redenering en motivering die verzoekster uitwerkt, is vergezocht en kan geen stand houden. Een manifest goed antwoord had kunnen zijn ‘Zullen we dit eens rustig bespreken bij een koffie na het werk?’ = men bouwt een vertrouwensband op, het gedrag moet besproken worden en men neemt zelf het initiatief, maar beschuldigt niet. De collega-jobstudent zal zich zeker niet aangevallen voelen maar zal ook beseffen dat er eens goed moet worden nagedacht over zijn gedrag. Dit geeft de beste garantie op een positieve zelfreflectie. Tenslotte bouwt men een moment en ruimte op om ook over de eigen gevoelens te reflecteren. Verweerster argumenteert dat de antwoorden 1, 2 en 4 waardeoordelen bevatten. Hier is echter niets mis mee als deze willen aanzetten tot positieve zelfreflectie. Verweerster is van mening dat antwoorden 1, 2 en 4 verwijtend zijn. Antwoord 2, zoals het is geformuleerd, is eveneens verwijtend. Echter, het geeft aan de collega-student bovendien geen enkel handvat en reikt hem niets aan om te helpen. De andere antwoorden proberen minstens dit wet te doen. We dienen dan ook te besluiten dat er nog steeds geen correctie motivering voorligt om het antwoord van verzoekster als fout aan te rekenen en de uitleg die wordt gegeven is kennelijk onredelijk.” Met betrekking tot vraag 14 van de CLEAR-toets overtuigt het antwoord van de beroepsinstantie evenmin, aldus verzoekster in wat als een derde middelonderdeel kan worden opgevat: “Antwoord 2 zou het juiste antwoord moeten zijn. In antwoord 2 is er echter geen enkel element terug te vinden dat begrip toont voor de boosheid van de vader. Bovendien is het een niet gefundeerde veronderstelling dat dit antwoord niet voor verdere escalatie zou zorgen. Door boosheid niet te laten escaleren toont men bovendien geen begrip voor de boosheid. Alle argumenten over de ploegopstelling, de strategie, de ganse ploeg, betreffen enkel het respect voor de gemaakte afspraken met de ploeg (en dus ook met de dochter), maar kunnen op geen enkele manier gerelateerd worden aan de boosheid van de vader, laat staan dat men daaruit een begrip tonen zou kunnen afleiden, hetgeen nochtans de uitdrukkelijke vraag is : hoe reageer je op de vader met begrip voor zijn boosheid. Nergens in dit antwoord 2 is er enige empathie, begrip, inleving, emotie, ... naar de emoties van de vader toe. Men poneert dus veronderstellingen die nergens op gebaseerd zijn. De trainer weet dat de teleurstelling van de dochter groot is. (zit in de vraag) Hij heeft een boze vader aan de lijn (zit in de vraag). Vervolgens vraagt men hoe men reageert met begrip voor de boosheid? Teleurstelling IX-10.327-8/30 en boosheid zijn emoties. Emoties (=gevoelens) beantwoordt men niet met verwijzing naar strategie, afspraken, regels (= ratio). Emoties beantwoordt men met inleving in de emotie. Een juist antwoord had kunnen zijn: ‘lk begrijp u/ lk begrijp uw gevoelens/ ik begrijp uw teleurstelling/ Ik snap u, maar de ploegopstelling is goed overwogen en besproken met de ganse ploeg, ik wil me daar nu ook aan houden.’ Door elke emotionele connectie totaal weg te laten, ontbreekt antwoord 2 manifest elke redelijke verwijzing naar enig begrip voor de boosheid van de vader. Immers, de trainer maakt er korte metten mee: zo is het geregeld en zo gaan we er ons aan houden. Van enig inlevingsvermogen is geen enkele sprake. Het strategisch plan wordt toegelicht. Niet meer dan dat. Hoe weet men overigens dat dit antwoord de boosheid van de vader niet zal laten escaleren? De bestreden beslissing overtuigt niet in haar antwoord op de grieven van verzoekster dat deze vraag eigenlijk geen juist antwoord kan kennen. In ieder geval is het manifest duidelijk dat in antwoord 2 geen begrip wordt getoond voor de boosheid van de vader. De beroepsinstantie weet overigens zelf goed het verschil tussen emotie en ratio. In haar eigen beslissing betreffende verzoekster op de laatste pagina 9 schrijft ze zelf ‘de Beroepsinstantie beseft dat de deelnemer bij het indienen van dit beroep op een ander resultaat gehoopt had’. Deze toevoeging toont empathie en begrip voor de teleurstelling van verzoekster. De beroepsinstantie zal dan ook zeker begrijpen dat precies het ontbreken van dit wezenlijk element, antwoord 2 ais een manifest onredelijk antwoord diskwalificeert. Verzoekster is dan ook op zoek gegaan naar een antwoord dat dit element wel bevatte en ook een redelijk antwoord inhield rond de solidariteit van de ploegopstelling. Ook wat betreft CLEAR-14 stellen we vast dat er geen correcte motivering voorligt op de grieven van verzoekster. Het is manifest onredelijk om voor te houden dat een antwoord begrip voor de boosheid van de vader zou veronderstellen terwijl dit duidelijk niet kan opgemaakt worden uit de bewoordingen van het antwoord en men dergelijke stelling alleen maar kan volhouden met een vergezochte dubbele veronderstelling: nl. dat een verwij zen naar de groepsafspraken de boosheid niet zou laten escaleren en dat het niet laten escaleren dan ook nog eens een opbrengen van begrip zou impliceren.” Ten slotte stelt verzoekster in een vierde middelonderdeel in vraag wat volgens de beroepsinstantie het juiste antwoord is op vraag 21 van de VAARDIG-toets: “De bestreden beslissing stelt; IX-10.327-9/30 ‘in de legende bij figuur IC staat immers vermeld dat Clo de eenheid is voor de thermische isolatiewaarde van kledij, uitgedrukt in W/m2’. Dit wordt echter niet in de legende vermeld: ‘Legende: De horizontale lijn in elk van de grafieken geeft weer bij welke waarde van de onderzochte factor de TNZ tussen 28,5°C en 32°C ligt. De grijze zones geven schematisch de veranderingen in de grenzen van de TNZ weer naargelang de factoren veranderen. Deze waarden geven slechts een trend weer (gebaseerd op beperkt onderzoek) en verschillen bovendien in de realiteit per individu. De legende verklaart dus drie afkortingen afzonderlijk: mm: millimeter, Clo: eenheid voor thermische isolatiewaarde kledij, W/m2: Watt per vierkante meter’ Daarenboven is de eenheid voor Clo niet W/m² maar m² K/W. Die W/m² stond bij de grafiek van het energieverbruik. Online lezen we het onderstaande hieromtent: clothing insulation may be expressed in clo units. The clo has the same dimensions as the R value (square metre kelvins per watt or m² K/W) used to describe insulation used in residential and com- mercial construction–thus, the higher the value, the better the in- sulation performance. 1 clo = 0.155 K m² W-1 = 0.88 K m² BTU.W-l ft-2F-1 hr -1 R. One clo is the amount of insulation that allows a person at rest to maintain thermal equilibrium in an environment at 21°C (70°F) in a normally ventilated room (0.1 m/s air movement). Het argument van verzoekers blijft dan ook overeind. Deze vraag is immer niet correct opgesteld: Zelfs als men er van uitgaat dat de Clo een absolute hoeveelheid aangeeft, dan nog wordt er een algemene uitspraak gedaan, namelijk dat de Clo een grotere impact heeft op de TNZ dan de dikte van de vetlaag. Dit kan men niet eenduidig bepalen aIs er geen sprake is van hoeveelheden. Is het de bedoeling dat 1 mm vetlaag wordt vergeleken met 1 clo? Dan is stelling C inderdaad correct. Als de grafiek van de vetlaag bijvoorbeeld in dm had gestaan i.p.v. in mm. moest men dan 1 dm vetlaag vergelijken met 1 clo? In dat geval zou stelling C niet correct zijn. De juistheid van stelling C mag niet afhankelijk zijn van de ijking/schaal van de assen en bijgevolg is oplossing C deze niet eenduidig wetenschappelijk correct. Men mag verwachten dat een toets die de vaardigheid meet in het lezen van wetenschappelijke teksten ook correct is opgesteld.” Beoordeling a. vooraf IX-10.327-10/30
  15. Er dient aan te worden herinnerd dat de Raad van State als wettigheidsrechter niet in de plaats mag treden van de beroepsinstantie. Zo mag hij onder meer niet, als ware hij zelf een examencommissie, oordelen dat bepaalde vragen al dan niet in het examen mogen worden opgenomen, noch mag hij de verbetering van het examen overdoen, laat staan op zicht van de behaalde resultaten zich een eigen oordeel vormen over het al dan niet slagen en de daaropvolgende – gunstige of ongunstige – rangschikking van een kandidaat. De Raad van State mag met andere woorden zijn eigen opvattingen daarover niet substitueren aan deze van de examencommissie of de beroepsinstantie. Hij mag enkel nagaan of de beroepsinstantie, binnen de grenzen van haar ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid, op al die vlakken regelmatig en binnen de grenzen van de redelijkheid heeft beslist. Dat heeft gevolgen voor de wijze waarop een verzoekende partij haar wettigheidskritiek moet verwoorden en onderbouwen. In de mate waarin verzoekster in de huidige zaak als toelichting bij het middel ook haar bezwaarschrift woordelijk herhaalt, lijkt zij de Raad uit te nodigen om zich daarover een eigen oordeel te vormen en – de beoordeling van de beroepsinstantie opzijschuivend – dat eigen oordeel in de plaats ervan te stellen. Dat is niet de opdracht van de administratieve rechter, die zich alzo in de plaats zou stellen van een orgaan van actief bestuur. Enkel in de mate waarin verzoekster kritiek levert op de motieven zelf van de bestreden beslissing, die een antwoord zijn op haar bezwaarschrift, mag de Raad ermee rekening houden.
  16. Voorts lijkt vooralsnog te moeten worden uitgegaan van het vermoeden van deskundigheid van de examencommissie. Dit impliceert op het eerste gezicht, onder meer, dat tot bewijs van het tegendeel moet worden aangenomen dat de examenvragen door de examencommissie op een zorgvuldige wijze zijn opgesteld, niet alleen doordat ze betrekking hebben op de te kennen leerstof en ze relevant zijn voor de doelstelling van het toelatingsexamen, maar ook doordat de vragen zelf ondubbelzinnig zijn en, zoals bepaald in het besluit van de IX-10.327-11/30 Vlaamse regering van 27 januari 2023 en in het werkings- en examenreglement, slechts één correct antwoord kunnen krijgen. In dat verband mag niet onvermeld blijven, dat de examencommissie de examenvragen na de examensessie nog aan een itemresponsanalyse onderwerpt. Wat ingevolge de frequentie van de antwoorden en ingevolge feedback van de deelnemers geïdentificeerd kan worden als “mogelijke probleemvragen”, wordt bijkomend inhoudelijk geanalyseerd. De examencommissie stelt het verslag van haar bevindingen openbaar ter beschikking op haar website.
  17. Wil een verzoekende partij het voormelde vermoeden van deskundigheid weerleggen, dan moet zij heel precieze en concrete gegevens en argumenten aanbrengen die van aard zijn de deugdelijkheid van de vragen – en dus ook van de toegekende punten – te ontkrachten. Zoals de beroepsinstantie het ook schrijft in de bestreden beslissing: “De interne beroepsinstantie wijst vooreerst op het gegeven dat de examencommissie een ruime autonomie heeft bij het opstellen van het examen, gelet op haar specifieke deskundigheld ter zake. Het is aan de deelnemer om het tegenbewijs te leveren ten aanzien van dit vermoeden van deskundigheid. Als een deelnemer de validiteit van bepaalde vragen betwist, dient dit te gebeuren aan de hand van concreet onderbouwde argumenten en elementen.” Hierbij wordt bedacht dat de Raad van State – en, in beginsel, ook de verzoekende partij – niet beschikt over de deskundigheid en expertise die aanwezig zijn bij de examencommissie. Bovendien verdraagt de snelheid waarmee een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid behandeld moet worden niet de vertraging die met de eventuele aanstelling van een expert gepaard gaat. Overigens zou ook het standpunt van zo een expert, desgevallend in een procedure ten gronde, moeten worden afgewogen tegen het deskundige standpunt van de examencommissie en zou alleen een aangetoonde kennelijke beoordelingsfout van die commissie de Raad van State ertoe kunnen brengen, zo lijkt, de niet-validiteit IX-10.327-12/30 van de betrokken vraag als zodanig of van het als juist in aanmerking genomen antwoord vast te stellen.
  18. De beroepsinstantie herinnert in de bestreden beslissing aan artikel 52 WER waarin aangegeven wordt wat in CLEAR bedoeld wordt met een juist antwoord: “Voor elke casus duiden de deelnemers de reactie of houding aan die het meest gepast is om een bepaalde uitkomst te bereiken. In andere vragen geven de deelnemers aan welke uitspraak of boodschap het best beantwoordt aan de relationele stijl of gespreksstijl die in de opgave vermeld staat. Telkens is er slechts één juist antwoord, met name het antwoord dat het meest voldoet aan de vraagstelling.” De beroepsinstantie stelt vervolgens dat “[v]oor elke vraag […] dus specifiek wordt aangegeven binnen welke contouren het antwoord moet passen, bv ‘meest constructief’, ‘meest oplossingsgericht’, ‘best passen binnen…’, ‘het meest kans op…’ enz. Voor elke vraag is er slechts één antwoordmogelijkheid die het best aansluit bij deze contouren. Dit sluit niet uit dat andere antwoordmogelijkheden enigszins of deels kunnen aansluiten bij de contouren van de vraag, maar zij doen dit niet ‘het best’ of ‘het meest’ en zijn daarom fout. Ook is het zo dat sommige van de foute antwoordmogelijkheden – in een weliswaar andere context dan de vraag – toch plausibel kunnen zijn, maar dat verleent hen nog niet de status van juist antwoord in de context van de vraagstelling”. De beroepsinstantie voegt daaraan toe dat het “de examencommissie [er] niet om te doen [is] om vast te stellen hoe de deelnemer in zijn of haar dagelijkse leven zelf op een bepaalde situatie reageert”: “Wel peilt de CLEAR-toets naar het intrinsiek basaal vermogen van de deelnemer om specifieke situaties te kunnen analyseren en te oordelen in welke mate de gepresenteerde antwoordmogelijkheden aansluiten bij de onderliggende principes van heldere, empathische en oplossingsgerichte communicatie. Deze principes zijn vervat in het acroniem van CLEAR. Zij staan op de website van het toelatingsexamen vermeld zodat deelnemers zich hiermee vooraf kunnen vertrouwd maken. Of een antwoord juist of fout is, heeft dus een objectieve grondslag, met name of het al dan niet het meest conform is aan de CLEAR-principes. De onderliggende basis voor IX-10.327-13/30 deze principes zijn wetenschappelijke kaders die onder meer in klassieke handboeken over communicatie aan bod komen. De experten die de CLEAR-toets opstellen, zijn vanuit hun professionele activiteiten vertrouwd met deze wetenschappelijke kaders. Dit alles maakt dat de CLEAR-toets wetenschappelijk onderbouwd en objectiveerbaar is.” Daarnaast benadrukt de beroepsinstantie in de bestreden beslissing dat de meeste vragen in CLEAR “een specifiek format” hebben: “In de stam van de vraag wordt eerst een welbepaalde situatie geschetst, bv. een voorval in familie- of vriendenkring. Dan volgt de specifieke vraagstelling die peilt naar de meest geschikte uitspraak of reactie om een bepaalde uitkomst binnen de eerder geschetste context te bereiken. Tot slot worden vier antwoordmogelijkheden opgelijst. Het juiste antwoord wordt gedefinieerd als de uitspraak of reactie die het best beantwoordt aan de specifieke vraagstelling binnen de context (stam) van de vraag. Hieruit volgt dat twee CLEAR-vragen slechts als identiek beschouwd kunnen worden indien de drie bouwstenen van de vraag, met name stam, vraagstelling en antwoordmogelijkheden (nagenoeg) dezelfde zijn. […] Om de validiteit van een CLEAR-vraag in het toelatingsexamen van 2023 op basis van een vraag uit vorige jaargangen te kunnen betwisten moet men dus expliciet aantonen dat de drie wezenlijke elementen van de vraag (stam, vraagstelling en antwoordmogelijkheden) identiek zijn. Zoniet gaat de vergelijking tussen beide vragen niet op en vervalt het argument.” De beroepsinstantie wijst er voorts nog op dat “[e]en mogelijke keerzijde van de publieke beschikbaarheid [van de vragen van de voorbije toelatingsexamens] is dat deelnemers aan ‘scenarioherkenning’ doen, d.w.z. dat zij scenario’s en bijhorend juist antwoord van vorige jaargangen uit het hoofd leren en dit als het ware blind toepassen op het examen op basis van een vermeende identiteit tussen de vragen, zonder specifiek na te gaan of stam, vraagstelling en antwoordmogelijkheden effectief identiek zijn”.
  19. Met betrekking tot de CLEAR-toets mag nogmaals worden onderstreept dat gepeild wordt naar het meest plausibele antwoord of het antwoord dat het gewenste resultaat het best benadert. Dat sluit dus niet uit, eensdeels, dat naast de vier antwoordmogelijkheden nog andere reacties denkbaar zijn die nog beter inspelen op de gegeven casus of, anderdeels, dat meer dan één geboden antwoord een eindweegs de richting uitgaat van de gewenste uitkomst. De IX-10.327-14/30 kandidaat moet nu eenmaal kiezen tussen de vier voorgestelde mogelijkheden – geen andere – en daartussen het “beste” antwoord kiezen: dat is, in de definities van het examen, het enige “juiste” antwoord.
  20. Op de terechtzitting merkt de raadsman van verzoekster op dat in het intern beroep ernstige bezwaren zijn geformuleerd, ondersteund door wetenschappelijke geschriften, over de methodologie om de generieke competenties te testen aan de hand van de CLEAR-vragen. Volgens verzoekster is het onmogelijk om de vaardigheden te toetsen aan de hand van de vijftien CLEAR-vragen. Voor zover verzoekster met dit pleidooi ter terechtzitting ook aan de Raad van State vraagt om zich over de methodologie van de CLEAR-vragen als geheel uit te spreken, is deze vraag onontvankelijk. Ongeacht wat verzoekster immers heeft aangevoerd in haar intern beroep, voert zij prima facie hierover thans geen afzonderlijk middel aan in het inleidend verzoekschrift. Alleszins volstaat het niet daartoe in het verzoekschrift de volgende vrijblijvende en louter opiniërende alinea’s te schrijven: “Vooreerst stelt de bestreden beslissing dat ‘CLEAR’ de algemene basiscompetenties test met betrekking tot empathische communicatie bij toekomstige studenten geneeskunde. Als we echter de antwoorden, tesamen in vraagstelling vergelijken met voorgaande jaren, zijn de nuanceverschillen miniem. De vraag stelt zich dus of de CLEAR toetst, gezien de heel kleine nuanceverschillend die moeten gezien worden door de studenten

(2023), eerder geavanceerde competenties test in plaats van basisvaardigheden. Verder stelt de bestreden beslissing dat vraag of een antwoord juist of fout is, ‘een objectieve grondslag’ zou hebben omdat deze ‘het meest conform is aan de CLEAR principes’, maar men toont niet aan […] dat deze CLEAR principes op hun beurt onbetwistbaar objectief zijn....” b. eerste middelonderdeel
  1. Vraag 8 van de CLEAR-toets luidt: IX-10.327-15/30 “Je werkt als jobstudent in een café waar veel vaste klanten komen. Eén van de klanten is een Nepalese jongeman. Hij spreekt gebroken Engels en volgt Nederlandse les. Hij werkt in het onderhoud dus heeft niet veel kansen om zijn Nederlands te oefenen. Elke keer als hij komt, bestelt hij in het Nederlands en probeert een praatje met je te slaan, dat is het hoogtepunt van zijn dag. Dat hoogtepunt valt ook meteen samen met het drukste moment in het café. De andere klanten worden ongeduldig als je te lang met de jongeman praat. Welke reactie van jou is het meest effectief en respectvol naar iedereen?
  2. Je gaat rustig verder met je taken en het bedienen van andere klanten terwijl de jongeman tegen je praat.
  3. Je concentreert je helemaal op het praatje en laat de anderen wachten.
  4. Je zegt dat je zo meteen graag tijd maakt voor een praatje en bedient de andere klanten.
  5. Je zegt dat hij op een rustig moment moet terugkomen.” Verzoekster vult op haar examen reactie 4 in als het juiste antwoord.
  6. De beroepsinstantie wijst erop dat antwoord C (versta: 3) het goede antwoord is omdat het beter aan de vraagstelling “meest effectief en respectvol naar iedereen” beantwoordt dan het door verzoekster gegeven antwoord D (versta: 4) “omdat antwoord C ook expliciet de andere klanten vernoemt en dus hun perspectief meeneemt. Dat is niet zo in antwoord D dat alleen verwijst naar de jongeman die tegen jou wil praten. […] [B]innen de antwoordmogelijkheden van CLEAR 8 uit 2023 beantwoordt antwoord D minder goed aan de vraagstelling. Immers D maakt geen gewag van de andere klanten terwijl dit wel zo is voor C. D is daarom fout in CLEAR 8 van 2023”. Die motivering lijkt op het eerste gezicht aanvaardbaar. Verzoekster toont het tegendeel in de huidige stand van de procedure niet aan. Verzoekster refereert aan “maken van mogelijks loze beloften”. Zij lijkt in antwoord 3 alzo iets te lezen wat er niet staat. Voorts stelt verzoekster bij antwoord 4 dat “impliciet” kan worden verondersteld “dat de klanten bediend worden”. Ook dan verschilt dit antwoord 4 van antwoord 3 waar het niet gaat om een impliciete veronderstelling, maar een expliciet onderdeel van het antwoord IX-10.327-16/30 (“en bedient de andere klanten”), zodat zelfs in dat geval antwoord 3 beter lijkt dan antwoord
  7. De kritiek van verzoekster kan in de huidige stand van de rechtspleging de Raad niet ervan overtuigen, aan te nemen dat de vraagstelling CLEAR 8 niet valide is, noch dat antwoord 3 niet het juiste antwoord is.
  8. Een vergelijking met een vroeger gestelde examenvraag is dan niet meer relevant, zo lijkt. In de eerste plaats doet verzoekster in de aangehaalde toelichting bij het middel niet de minste poging om “expliciet [aan te tonen] dat de drie wezenlijke elementen (stam, vraagstelling en antwoordmogelijkheden) identiek zijn” met de vroegere vraag waarmee zij een vergelijking maakt. En zelfs als zij die drievoudige identiteit zou kunnen aantonen, ontkracht dit niet de vaststelling dat alleszins de huidige vraag correct gesteld en verbeterd lijkt te zijn.
  9. Het eerste middelonderdeel is niet ernstig. c. tweede middelonderdeel 18.
  10. Vraag 13 van de CLEAR-toets luidt: “Je hebt een studentenjob in een grote brasserie. Je werkt daar in een team met heel veel andere jobstudenten en de sfeer onderling is goed. Jullie moeten hard werken en de bazen gaan niet altijd even respectvol om met jobstudenten maar omdat het goed betaalt, hou je vol. Op een dag neemt een collega-jobstudent je in vertrouwen: hij vertelt je dat hij regelmatig overschotten uit de koelkast mee naar huis neemt. Hij is een werkstudent en doet deze job dus niet om vakanties te betalen maar uit pure noodzaak. Hij wilde je dit vertellen omdat hij het aan iemand kwijt moest. Met welke reactie lok je positieve reflectie uit over dit gedrag?
  11. ‘Je riskeert je job door te stelen.’
  12. ‘Je maakt me medeplichtig aan diefstal.’
  13. ‘Wat verwacht je nu van mij?’
  14. ‘Denk je dat stelen de moeite waard is?’” IX-10.327-17/30 Verzoekster vult op haar examen reactie 4 in als het juiste antwoord. 18.
  15. De beroepsinstantie oordeelt dat deze vraag eenduidig en inhoudelijk correct is opgesteld en slechts één juist antwoord heeft, namelijk reactie
  16. Volgens de beroepsinstantie peilt de vraag “naar het vermogen om te reflecteren op eigen gevoelens en een positieve reflectie van de betrokkene uit te lokken”. Zij licht de vier antwoordopties op deze vraag nader toe als volgt: “
  17. Riskeert je job: deze reactie houdt een beschuldiging en een verwijt in waardoor de collega-jobstudent negatief zal reageren.
  18. Medeplichtig: idem
  19. Verwacht: je exploreert wat je voor de collega-jobstudent kan betekenen zodat je zelf ook ruimte krijgt om je eigen gevoelens te uiten. Beantwoordt zo het beste aan de vraagstelling.
  20. Stelen: idem als eerste twee antwoorden; je geeft bovendien ook een waardeoordeel zonder de context van de collega-jobstudent te kennen.” De vraagstelling, aldus nog de beroepsinstantie, “beoogt het op gang brengen van een positieve reflectie over het gedrag dat verder niet gekwalificeerd wordt”. De reacties 1, 2 en 4 “verwijzen […] naar stelen of diefstal wat sociaal niet aanvaardbaar is”, “[h]et houdt een beschuldiging in die niet bevorderlijk is voor een positieve reflectie”. Alleen reactie 3 “biedt ruimte voor een positieve reflectie door het gedrag niet in een negatieve context te plaatsen”. Hierdoor is reactie 3 “het juiste antwoord”. Het antwoord is “niet beschuldigend of veroordelend” en maakt bijgevolg “het meeste kans op een positieve reflectie conform de specifieke vraagstelling”. Anders dan verzoekster betoogt, is die zienswijze van de beroepsinstantie op het eerste gezicht niet “manifest onredelijk” te noemen. Verzoekster toont alvast het tegendeel niet aan. De door verzoekster in het kader van de voorliggende vordering aangebrachte argumentatie is naar het oordeel van de Raad niet van aard om de deugdelijkheid van vraag 13 van de CLEAR-toets te ontkrachten. IX-10.327-18/30 18.
  21. De vergelijking die verzoekster nog maakt met een vroeger gestelde examenvraag is dan niet meer relevant, zo lijkt. In de eerste plaats doet verzoekster in de aangehaalde toelichting bij het middel niet de minste poging om “expliciet [aan te tonen] dat de drie wezenlijke elementen (stam, vraagstelling en antwoordmogelijkheden) identiek zijn” met de vroegere vraag waarmee zij een vergelijking maakt. En zelfs als zij die drievoudige identiteit zou kunnen aantonen, ontkracht dit niet de vaststelling dat alleszins de huidige vraag correct gesteld en verbeterd lijkt te zijn.
  22. Op de terechtzitting ontwikkelt de raadsman van verzoekster een redenering over de validiteit van de vraagstelling vanuit de vaststelling dat vraag 13 van de CLEAR-toets een meerderheid van de kandidaten tot antwoord 4 heeft gebracht. Volgens verzoekster is wat de meerderheid van de groep kiest als meest wenselijke reactie in dat geval het sociaal acceptabele antwoord, en dus juist. Dit mondelinge betoog vindt geen weerslag in het inleidend verzoekschrift, zodat het onontvankelijk is.
  23. Het tweede middelonderdeel is niet ernstig. d. derde middelonderdeel 21.
  24. Vraag 14 van de CLEAR-toets luidt: “Je bent trainer van een junior (13-14-jarigen) voetbalploeg en je ploeg staat redelijk goed gerangschikt. Voor de ploegopstelling probeer je in de eerste plaats voor het spelplezier en een harmonieuze opstelling te gaan. Maar voor de laatste wedstrijd van het seizoen wil je toch vooral inzetten op winnen: deze wedstrijd bepaalt jullie klassement voor het volgende seizoen. Dit betekent dat je een aantal spelers moet teleurstellen. Je spreekt met de ganse ploeg en legt eerlijk je kaarten op tafel. Je spelers vatten het sportief op: ze willen gaan voor de winst. Maar ’s avonds hangt er een erg boze vader aan de lijn: waarom zijn dochter niet werd opgesteld, wil hij weten. IX-10.327-19/30 Hoe reageer je op deze vader met begrip voor zijn boosheid en voor de afspraken die je met de ploeg maakte?
  25. ‘Ik had het ook liever anders gezien maar winnen is voor deze wedstrijd belangrijker dan ooit.’
  26. ‘De ploegopstelling is goed overwogen en besproken met de ganse ploeg, ik wil me daar nu ook aan houden.’
  27. ‘Ik begrijp uw boosheid, ik denk erover na en ik leg een alternatieve opstelling aan de ploeg voor.’
  28. ‘Ik begrijp uw boosheid maar uw dochter was ook akkoord met ploegopstelling.’” Verzoekster heeft op haar examen reactie 4 als juist antwoord ingevuld. 21.
  29. De beroepsinstantie oordeelt dat deze vraag eenduidig en inhoudelijk correct is opgesteld en slechts één juist antwoord heeft, namelijk reactie
  30. Volgens de beroepsinstantie peilt de vraag “naar het vermogen om begripvol mee te leven met de groep en de betrokken persoon”. Zij licht de vier antwoordopties op deze vraag nader toe als volgt: “
  31. ‘… liever anders gezien …’: met deze uitspraak neem je afstand van de groepsafspraken en laat je de groep in de steek. Dit getuigt niet van begrip voor de afspraken die je met de ploeg maakte.
  32. ‘… goed overwogen en besproken met de ganse ploeg, ik wil me daar nu ook aan houden.’ Met deze uitspraak verdedig je het standpunt dat werd ingenomen door de ganse groep zonder de boosheid van de vader te laten escaleren. Je toont begrip voor de boosheid van de vader door de strategie toe te lichten (‘ploegopstelling is goed overwogen’ = actief luisteren = ingaan op de gevoelens van de toehoorder). Door in het antwoord te verwijzen naar ‘de ganse ploeg’ onderstreep je op een neutrale manier, zonder te verwijzen naar de betrokken persoon (dochter), het belang van de in groep gemaakte afspraken. Het is begripvol voor zowel de ploeg als de vader.
  33. ‘… ik denk erover na en ik leg een alternatieve opstelling ...’: met deze uitspraak neem je afstand van de afspraken die je met de ploeg maakte. Door te verwijzen naar een alternatieve ploegopstelling ga je in op de boosheid van de vader, maar dit gaat ten koste van de ploeg(afspraken).
  34. ‘… maar uw dochter was ook akkoord met ploegopstelling.’ Door expliciet de dochter in het verhaal te betrekken, doe je tekort aan zowel de vader als de ploeg. Door naar het akkoord van de dochter te verwijzen, speel je de dochter uit tegen haar vader die zo in een geïsoleerde positie komt te staan. Je minimaliseert dus zijn boosheid wat niet begripvol is. Ook ben je als trainer niet meer solidair met de ganse ploeg door expliciet één speelster, in casu de dochter, naar voor te schuiven. Als trainer IX-10.327-20/30 vertegenwoordig je de ganse groep, niet één enkele speelster, als het gaat om gezamenlijk gemaakte afspraken. Je doet dus tekort aan beide partijen.” IX-10.327-21/30 De beroepsinstantie erkent voorts “dat de boosheid van de vader niet expliciet aan bod komt in het juiste antwoord” en vult aan: “Maar communicatie kan ook impliciet verlopen. Door niet expliciet in te gaan op de boosheid van de vader vermijd je verdere escalatie of oplopende discussies. Antwoord
(2)houdt dus wel degelijk rekening met zowel de vader als de ploeg. Dit is niet zo voor antwoord
(4)dat manifest geen rekening houdt met de groepsafspraken. Bijgevolg beantwoordt antwoord
(2)wel degelijk het best aan de vraagstelling.” 21.
  1. Zoals verzoekster opmerkt, behelst reactie 4 een uitdrukkelijke verwijzing, met begrip, naar de boosheid van de vader. Is dit in reactie 2 minder uitgesproken het geval – het begrip verloopt indirect door de vader niet tegen te spreken maar de strategie toe te lichten – dan toont deze reactie anderzijds duidelijk méér begrip voor de afspraken met de ploeg dan de reactie “uw dochter was ook akkoord”, waarin de ploegafspraken “manifest” niet betrokken worden. Verzoekster weerlegt voorshands niet de aangehaalde motivering waarom reactie 4 “tekort [doet] aan beide partijen” door de dochter “in het verhaal te betrekken”. Het komt de Raad voor dat de beroepsinstantie in die omstandigheden reactie 2 terecht als de meest passende van de vier opgegeven mogelijkheden beschouwt. Die zienswijze van de beroepsinstantie is op het eerste gezicht niet onredelijk te noemen. Verzoekster toont vooralsnog het tegendeel niet aan. 21.
  2. Het derde middelonderdeel is niet ernstig. e. vierde middelonderdeel 22.
  3. Ook de VAARDIG-toets volgt “een specifiek format”, zo stelt de beroepsinstantie: IX-10.327-22/30 “VAARDIG toetst het analytisch, synthetisch en integratief redeneervermogen van de deelnemers aan de hand van vragen over een korte wetenschappelijke tekst met bijhorende figuren (zie ook Art. 52 van het Werkings- en Examenreglement). Voor sommige vragen kunnen de deelnemers het antwoord direct uit de analyse van de tekst of figuren afleiden. Voor andere vragen moeten de deelnemers diepgaander redeneren, nieuwe verbanden leggen of verschillende delen integreren. Hieruit volgt dat de vraag moet opgelost worden op basis van de gegevens die in de tekst en de figuren ter be5chikking worden gesteld. Het is niet aan de deelnemers om bijkomende veronderstellingen te maken, of om externe elementen die niet in de tekst vermeld staan, erbij te halen. Deze proef is juist bedoeld om het logisch denkvermogen op basis van de voorziene tekst te testen.” Over de specifieke kritiek van verzoekster op vraag 21 in de VAARDIG-toets is in de bestreden beslissing het volgende te lezen: “De deelnemer argumenteert dat informatie ontbreekt om antwoordoptie B uit te sluiten, dat het niet duidelijk is of de isolatiewaarde van kledij absoluut dan wet relatief is en dat de juiste antwoordoptie C op het zicht juist is, maar relatief zou zijn. De deelnemer geeft zelf aan dat het logisch is om te veronderstellen dat de situatie van een naakt persoon overeenstemt met een thermische isolatiewaarde van kledij die gelijk is aan 0: zonder kleren is de thermische isolatiewaarde van kledij {uitgedrukt in Clo) immers afwezig. Dit is de redenering die de deelnemers dienden te maken (een deel van de opdracht bestaat uit het afleiden van informatie die niet letterlijk in de tekst vermeld is). Daarnaast zijn beide schalen die betrekking hebben op antwoordoptie C (dikte onderhuidse vetlaag en thermische isolatiewaarde kledij) wel degelijk absoluut en niet relatief zoals de deelnemer aangeeft. In de legende bij figuur IC staat immers vermeld dat Clo de eenheid is voor de thermische isolatiewaarde van kledij, uitgedrukt in W/m²: Watt per vierkante meter. Dit geeft aan dat de waardes absoluut zijn. In figuur 1C worden 4 factoren en hun impact op de TNZ weergegeven. In vraag 21 wordt gepeild naar het inzicht van de deelnemers in de figuur. Antwoordoptie C betreft een algemene stelling waarbij men de impact van kledij en onderhuids vet met elkaar dient te vergelijken. Op de figuur kan men zien dat de gemiddelde temperatuur van de TNZ meer verschuift bij een toenemende Clo dan bij toenemende vetdikte. Een grotere verschuiving impliceert dat er een grotere impact is, waaruit men kan afleiden dat antwoordoptie C correct is. De vraagstelling op zich (evalueer verschillende stellingen), alsook de geest van de andere antwoordopties geeft aan dat de vraag naar algemene tendenzen peilt en geeft geenszins aanleiding om in te zoomen op bepaalde onderdelen van de figuur (en op andere niet). De beroepsinstantie besluit dat deze vraag eenduidig en inhoudelijk correct is opgesteld en slechts één juist antwoord heeft.” IX-10.327-23/30 22.
  4. In de interne beroepsprocedure erkent verzoekster in haar bezwaarschrift dat het door haar gegeven antwoord 2 “duidelijk fout” is, maar zij argumenteert dat deze vraag niet geldig is omdat dit veronderstelt dat de kandidaat weet dat een naakt persoon een Clo heeft van 0 en dit nergens staat vermeld. Hierop kon verzoekster een antwoord lezen van de beroepsinstantie: “ […] een deel van de opdracht bestaat uit het afleiden van informatie die niet letterlijk in de tekst vermeld is.” Hierop gaat verzoekster in het inleidend verzoekschrift niet meer in. Dat betekent dat zij dit aspect van haar kritiek niet meer handhaaft. 22.
  5. Wel herhaalt verzoekster dat de beroepsinstantie de legende bij de opgave verkeerd leest. Hoewel de beroepsinstantie zich in haar repliek inderdaad lijkt te hebben vergist daar waar zij aangeeft dat “Clo de eenheid is voor thermische isolatiewaarde van kledij, uitgedrukt in W/m²: Watt per vierkante meter”, terwijl zij op het eerste gezicht diende te schrijven dat de legende leert dat “Clo de eenheid is voor thermische isolatiewaarde van kledij”, verduidelijkt verzoekster niet waarom de vraag niet beantwoord kan worden aan de hand van de gegeven legende en de grafieken of, met andere woorden, zonder precisering van de eenheid voor ‘Clo’. De achteraf in de bestreden beslissing opgenomen vergissing kan de wettigheid van de examenuitslag prima facie niet vitiëren. 22.
  6. Ook blijft verzoekster erbij dat de juistheid van antwoord 3 afhankelijk is van de gebruikte “ijking/schaal van de assen”. In de huidige stand van de procedure stelt de Raad hieromtrent het volgende vast: IX-10.327-24/30 - Wanneer verzoekster onduidelijkheden zou hebben opgemerkt met betrekking tot de figuur die in deze vraag wordt gebruikt of vragen zou hebben gehad bij deze figuur of bij de legende ervan, had zij van deze onduidelijkheden en vragen melding kunnen maken via een opmerkingenbriefje, zoals bedoeld in artikel 47 WER. Verzoekster heeft echter geen dergelijk opmerkingenbriefje ingediend. - Meer nog, omtrent vraag 21 van de VAARDIG-toets werd door geen enkele deelnemer tijdens het examen een opmerkingenbriefje aan de examencommissie bezorgd en ook werden er na het examen hierover geen vragen of opmerkingen aan de examencommissie opgestuurd. In voorkomend geval zou hiervan immers melding zijn gemaakt in het verslag van de beraadslagingsvergadering van 12 juli 2023 over de itemresponsanalyse. - Vraag 21 van de VAARDIG-toets, na onderwerping aan de itemresponsanalyse, werd niet als een “mogelijke probleemvraag” geïdentificeerd. - Verzoekster geeft een eigen uitleg aan de vraagstelling en de antwoordmogelijkheden in functie van de bijbehorende figuur, die niet behoort tot de expertise van de administratieve rechter. Zij formuleert die stelling als haar persoonlijk standpunt, niet onderbouwd met bijvoorbeeld verklaringen van experts in het domein waarop de vraag betrekking heeft. - Verzoekster gaat niet in op het antwoord van de beroepsinstantie, dat zij de vraag moet beantwoorden aan de hand van de gegeven opgave, zonder veronderstellingen die uitgaan van andere grafieken. In die omstandigheden lijkt het de Raad van State dat de beroepscommissie – louter gegeven de aan de kandidaten voorgelegde figuur, aan de hand waarvan zij het juiste antwoord op de gestelde vraag dienden aan te wijzen – in de bestreden beslissing vermocht te oordelen dat “men [op de figuur kan] zien dat de gemiddelde temperatuur van de TNZ meer verschuift bij een toenemende Clo dan bij toenemende vetdikte” en dat “[e]en grotere verschuiving impliceert dat er een grotere impact is, waaruit men kan afleiden dat antwoordoptie C correct is”. 22.
  7. Het vierde middelonderdeel is niet ernstig. IX-10.327-25/30 f. besluit
  8. Het eerste middel is in genen dele ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  9. Het tweede middel is geput uit de schending “van artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het gelijkheidsbeginsel, en het materiëlemotiverings- en evenredigheidsbeginsel, alsook het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. Het middel ziet op de “technische storingen” die verzoekster stelt ondervonden te hebben tijdens het afleggen van haar examen. De examencommissie minimaliseert deze storingen, en stelt dat het examen ook afgelegd kon worden zonder de niet-functionerende zoekfunctie. Zij kan echter niet ontkennen dat verzoekster niet in dezelfde omstandigheden het examen heeft kunnen afleggen als de andere deelnemers. Verzoekster merkt op dat alle studenten zich voorbereiden op het afleggen van het examen met de zoekfunctie. De studenten die erop rekenen deze knop te kunnen gebruiken, worden verrast doordat deze toch niet werkt ondanks de uitdrukkelijk voorafgaande melding dat deze ter beschikking zou zijn. Het levert ook evident tijdsverlies op, maar bovendien creëert het onnodige druk en extra afleiding die andere studenten niet kennen. Dit is een logistiek probleem, waarvoor de verwerende partij de verantwoordelijkheid draagt en dat zij had kunnen vermijden. Beoordeling IX-10.327-26/30
  10. De beroepsinstantie weerspreekt de bewering van verzoekster dat een verouderde browser en infrastructuur zouden gebruikt zijn op de examenlocatie. Zij verwijst daarvoor naar “de logs” (zie in dat verband ook stuk 10 van het administratief dossier) waaruit vastgesteld kan worden “dat er op de dag van het examen een computer met windows 10 met browser chrome 111.0.5563.65” door verzoekster werd gebruikt en dat “de browserversie chrome 111 werd gelanceerd in maart 2023” zodat deze dus “zeker geen verouderde browser [is]”. Verzoekster gaat hierop niet in.
  11. De beroepsinstantie merkt voorts op dat zij zich bij de ICT-verantwoordelijke van de examenlocatie waar verzoekster het examen heeft afgelegd heeft geïnformeerd. De ICT-verantwoordelijke verklaarde dat hij meerdere keren een vraag heeft ontvangen over de zoekfunctie en dat hij ze “meteen opgelost” heeft bij iedereen die de vraag heeft gesteld. Blijkbaar was de zoekfunctie dus wél beschikbaar en heeft verzoekster nagelaten haar probleem te signaleren in de loop van het examen. Hoe dan ook wijst de beroepsinstantie erop dat het examen, en dus ook de VAARDIG-toets, “opgelost kan worden zonder de zoekfunctie”. Daarbij wijst zij erop dat de VAARDIG-toets slechts uit drie relatief korte teksten bestaat: “Aangezien VAARDIG uit drie relatief korte teksten (ongeveer 1 A4 per tekst) bestaat, neemt het scrollen van de reeds gelezen teksten ook niet zoveel tijd. De beschikbaarheid van de zoekfunctie is bijgevolg een beperkt hulpmiddel en in geen geval essentieel om de VAARDIG toets te beantwoorden.” Ook hierop komt vanwege verzoekster geen weerlegging.
  12. Zoals de beroepsinstantie opmerkt, zal een examen “nooit in een volstrekt steriele omgeving plaatsvinden”. Door het grote aantal inschrijvingen IX-10.327-27/30 moet het examen ook op verschillende locaties plaatsvinden, zodat ook om die reden een volledig identieke examenomgeving onmogelijk is. Tot zekere mate mag van een kandidaat arts ook worden verwacht dat hij of zij kan omgaan met onverwachte lotswisselingen. Verzoekster toont in de huidige stand van de procedure niet aan dat zij in vergelijking met andere studenten in een ontoelaatbare ongelijke situatie is geplaatst en haar examen niet in vergelijkbare omstandigheden heeft kunnen afleggen of dat zij “ernstige technische of andere problemen [ondervond] die niet tijdens het toelatingsexamen konden worden geremedieerd of gecompenseerd en die redelijkerwijze impact hebben gehad op het examenresultaat van de betrokken [deelnemer]” (artikel 18 WER).
  13. De vergelijking die de beroepsinstantie maakt tussen de digitale examens en de vroegere examens op papier lijken in het licht van de zo-even besproken motieven overtollig. De kritiek van verzoekster daarop lijkt dus niet ontvankelijk.
  14. Het tweede middel is niet ernstig. D. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  15. In het derde middel voert verzoekster de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel: “Het probleem met de zoekfunctie is voor 100% de verantwoordelijkheid van de examencommissie. De bevoegde opzichter bevestigt ook dat er tal van klachten daaromtrent zelfs op het examen zelf zijn geformuleerd zodat dit geen fabel is. Het gebruiken van verschillende systemen alsook de daaruitvloeiende problemen is perfect voorzienbaar en controleerbaar. De examencommissie dient dan ook haar verantwoordelijkheid op te nemen. Het is schrijnend om te moeten vaststellen dat voor het toelatingsexamen 2023 niet enkel kennis belangrijk was, maar dat een portie geluk duidelijk IX-10.327-28/30 het verschil kon maken. Dit is ontoelaatbaar voor een toelatingsexamen op dit niveau. Tot slot mag het duidelijk zijn dat zo een belangrijk examen veronderstelt dat dit met de meeste zorg wordt voorbereid en omkaderd wordt door de overheid die dit organiseert en dat gepast – zelfs proactief - wordt opgetreden ten aanzien van omstandigheden die het vlekkeloze verloop – zouden kunnen – verstoren. Nochtans was er eens te meer ook dit jaar – net zoals alle voorgaande jaren – op geen enkele manier sprake van een vlekkeloze organisatie. Men is niet enkel verantwoordelijk voor een behoorlijke informatie omtrent het examen, maar ook voor de goede praktische organisatie ervan.[…] Hierin werd echter schromelijk tekort geschoten.” Beoordeling
  16. Voor zover het middel ten onrechte uitgaat van de ernst van het tweede middel, kan het niet slagen. Zo er klachten waren over de zoekfunctie, heeft de verwerende partij ervoor gezorgd dat een ICT-verantwoordelijke ter plaatse was die, desgevraagd, deze problemen heeft opgelost.
  17. Volgens verzoekster is “schromelijk” tekortgeschoten in de goede praktische organisatie van het examen. In de toelichting bij het middel schiet zij zelf dan weer schromelijk tekort om dit verwijt te concretiseren en het te onderbouwen.
  18. Het middel mist alle ernst. E. Conclusie
  19. Geen ernstig middel, dus geen schorsing. BESLISSING
  20. De Raad van State verwerpt de vordering.
  21. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van IX-10.327-29/30 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijfentwintig september tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-10.327-30/30 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.427 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.