id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.428 Rolnummer: A. 239989/IX-10329 Zaak: Arrest 257428 - Examens (onderwijs) - 25/09/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-09-26 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-10 12:33 Fiche Arrest nr 257.428 van 25 september 2023 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 257.428 van 25 september 2023 in de zaak A. 239.989/IX-10.329 In zake: Esben KOPPERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie, Thomas Fiers en Jade Leenaert kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 8 september 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepsinstantie van het toelatingsexamen arts van 25 augustus 2023, waarbij het beroep van Esben Koppert tegen de beslissing van de examencommissie, ingevolge waarvan hij niet gunstig gerangschikt werd voor het toelatingsexamen arts, ontvankelijk, doch ongegrond wordt bevonden. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-10.329-1/23 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 september 2023, om 10.30 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jade Leenaert, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De Vlaamse regering organiseert jaarlijks een toelatingsexamen voor de opleiding tot arts (artikel II.187, § 6, 1° en 3°, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 19 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 januari 2023 ‘over de organisatie van het toelatingsexamen arts, het toelatingsexamen tandarts en het toelatingsexamen dierenarts’ (“organisatiebesluit”)). Dat toelatingsexamen beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige opleiding met succes af te ronden. Een gunstige rangschikking op grond van dit examen geldt als een “bijkomende toela-tingsvoorwaarde” voor inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Geneeskunde (artikel II.187, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs). IX-10.329-2/23 Het examen bestaat uit twee onderdelen: vooreerst een onderdeel ‘wetenschappelijke kennis en inzicht in de vakken biologie, fysica, chemie en wiskunde’ (“KIW”) en voorts een onderdeel ‘generieke competenties die aansluiten bij themata uit de beroepspraktijk van artsen’ (“GC”) (artikel II.187, § 5, eerste lid, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 22, eerste lid, van het organisatiebesluit). Deze twee onderdelen van het examen hebben hetzelfde gewicht (artikel 27, eerste lid, van het organisatiebesluit). Het examen is vergelijkend van aard. De kandidaten die ten minste de helft van de bepaalde punten behalen op alle onderdelen van het examen zijn geslaagd. De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de behaalde numerieke score. De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met het vooropgestelde quotum, dat thans 1600 bedraagt (besluit van de Vlaamse regering van 16 juni 2023 ‘tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 10 februari 2023 tot vastlegging van het startquotum voor de opleiding geneeskunde en voor de opleiding tandheelkunde, wat betreft het verhogen van het startquotum voor de opleiding geneeskunde’). Is het aantal geslaagde kandidaten hoger dan het vooropgestelde quotum, dan wordt een cesuur getrokken. Dit gebeurt principieel tussen de kandidaten met een verschillend examenresultaat (artikel II.187, §§ 3 en 4, van de Codex Hoger Onderwijs). Alle vragen van het toelatingsexamen zijn meerkeuzevragen met vier antwoordmogelijkheden per vraag. Slechts één antwoordmogelijkheid per vraag is juist. Een juist antwoord levert positieve punten op, een fout antwoord levert negatieve punten op en geen antwoord levert nul punten op (artikel 27, vierde lid, 1° en 2°, van het organisatiebesluit). 3.
- Nadere voorschriften met betrekking tot het toelatingsexamen georganiseerd in 2023 zijn door de examencommissie vastgesteld in het ‘Wer- kingsreglement en examenreglement toelatingsexamens arts, tandarts en dierenarts 2023’ (“WER”). IX-10.329-3/23 Luidens artikel 52 van dat reglement bestaat het examenonder-deel GC uit twee toetsen: CLEAR en VAARDIG. CLEAR staat voor “Conflicthantering, Luistervaardigheid, Empathie, Aandacht, Reflectie en Respect”. Deze proef toetst “de (inter)persoonlijke vaardigheden die voor een arts […] van belang zijn”. Voor elke casusvraag duiden de deelnemers de reactie of houding aan die het meest gepast is om een bepaalde uitkomst te bereiken. In andere examenvragen geven de deelnemers aan welke uitspraak of boodschap het best beantwoordt aan de relationele stijl of gespreksstijl die in de opgave vermeld staat. Telkens is er slechts één juist antwoord, namelijk het antwoord “dat het meest voldoet aan de vraagstelling”. VAARDIG staat voor “Verbinden, AnAlyseren, ReDeneren, InteGreren”. De kandidaten krijgen “examenvragen over een korte wetenschappelijke tekst met bijhorende figuren over een gezondheidsthema”. Voor sommige examenvragen kunnen de deelnemers het antwoord direct uit de analyse van de tekst of figuren afleiden. Voor andere examenvragen moeten de deelnemers diepgaander redeneren, nieuwe verbanden leggen of verschillende delen integreren. 3.
- Verzoeker neemt op 4 juli 2023 deel aan het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts. Hij behaalt 88 op 120 punten voor het examenonderdeel KIW, 59 op 120 punten voor het examenonderdeel GC en 147 op 240 punten in het totaal. Aangezien verzoeker een onvoldoende behaalt voor het onderdeel GC, waardoor hij ingevolge artikel 28, eerste lid, van het organisatiebesluit niet slaagt, komt hij niet in aanmerking voor rangschikking. Verzoeker stelt een verzoek tot heroverweging in bij de interne beroepsinstantie. IX-10.329-4/23 3.
- Op 25 augustus 2023 beslist de interne beroepsinstantie van het toelatingsexamen arts om het beroep van verzoeker ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren. Dit is de bestreden beslissing. IV Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
- Terecht wordt het vervuld zijn van de uiterst dringende noodzakelijkheid niet betwist. VI. Ernst van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een enig middel de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht en van het redelijkheidsbeginsel. In wat begrepen mag worden als een eerste onderdeel van dit middel wijst verzoeker erop dat hij niet enkel deelnam aan het toelatingsexamen arts, maar ook aan het toelatingsexamen tandarts, en dat hij voor laatstgenoemd examen wél geslaagd is voor het examenonderdeel GC, met 99/120 voor CLEAR en VAARDIG samen en 13/15 voor CLEAR. Daaruit meent verzoeker te kunnen IX-10.329-5/23 afleiden, eensdeels, dat “het arbitraire en niet wetenschappelijke karakter” van de examens is aangetoond maar toch, anderdeels, dat hij over de “nodige communicatieve startcompetenties” beschikt. In wat mag worden opgevat als een tweede middelonderdeel betwist verzoeker de geldigheid van drie vragen van het examenonderdeel GC van het toelatingsexamen arts van 4 juli 2023, namelijk vragen 13 en 14 van de CLEAR-toets en vraag 12 van de VAARDIG-toets. Over vraag 13 van de CLEAR-toets argumenteert verzoeker: “De motieven in de bestreden beslissing om te menen dat enkel antwoord C correct kan zijn, kunnen niet weerhouden worden. Vooreerst duidt men als volgt de antwoorden:
- Riskeert je job: deze reactie houdt een beschuldiging en een verwijt in waardoor de collega-jobstudent eerder negatief zal reageren;
- Medeplichtig: idem
- Verwacht: je exploreert wat je voor de collega-jobstudent kan betekenen zodat je zelf ook ruimte krijgt om je eigen gevoelens te uiten. Beantwoordt zo het beste aan de vraagstelling.
- Stelen: idem als eerste twee antwoorden; je geeft bovendien ook een waardeoordeel zonder de context van de collega-jobstudent te kennen. Deze duiding poneert iets, maar is nergens op gebaseerd en allerminst overtuigend. Zo stelt men bij antwoord 1 dat meedelen dat de betrokkenen zijn job riskeert een beschuldiging en verwijt inhoudt, maar dit is evident niet het geval. Het is een loutere vaststelling van een mogelijke consequentie van het gedrag. Door dit mogelijke toekomstscenario voor te houden aan de betrokkene kan deze zelf aan het nadenken gaan over consequenties waarbij deze eerder mogelijk niet had stilgestaan om vervolgens het gedrag aan te passen. Ook de redenering bij antwoord 4 slaat nergens op. De eenvoudige vraag stellen of stelen de moeite waard is, is geen waardeoordeel want men stelt iets vast dat objectief is: etensresten meenemen die niet van jou zijn, is per definitie stelen en men vraagt de betrokken om daarover (neutraal) te reflecteren. Men stelt ook dat de vraagstelling anders zou zijn dan een eerdere editie: ◦ De vraagstelling in CLE13 beoogt het op gang brengen van een positieve reflectie over het gedrag dat verder niet gekwalificeerd wordt. ◦ In de vraag uit 2021 wordt het gedrag negatief geduid (grensoverschrijdend steelgedrag) en beoogt de vraagstelling een reflectie. Deze reflectie wordt verder niet geduid en kan dus positief, neutraal of negatief zijn. IX-10.329-6/23 Hierbij moet opgemerkt worden dat de kwalificatie van het gedrag irrelevant is: stelen kan nooit een positieve duiding krijgen. Bovendien kan niet worden ingezien waarom de vraagstelling van 2021 (ook) uitnodiging zou zijn tot een neutrale of negatieve reflectie (wat dat ook moge wezen…). Evident zoekt men in 2021 ook naar een antwoord dat een positieve reflectie en dito gedragsverandering bewerkstelligt. In de bestreden beslissing beweert de commissie dat door te antwoorden ‘wat verwacht je nu van mij?’ de antwoorder een positieve reflectie van de betrokkene uitlokt. Dit is manifest onredelijk. Door dit te antwoorden, kaatst de antwoorder de bal gewoon terug naar de collega-jobstudent die voor schut wordt gezet: hij zal moeten reageren en wordt in de hoek geduwd. Er is veel kans dat hij geïntimideerd de plaat zal poetsen en de opmerking als een verwijt opneemt. De collega-jobstudent wordt vanuit de hoogte aangesproken. Er is dus geen enkel oorzakelijk verband met het ontlokken van enige positieve reflectie. Het enige dat de antwoorder doet is tijd winnen voor zichzelf om geen standpunt in te nemen, maar er is geen enkele trigger die begrip toont, empathie opwekt of zich in de plaats stelt van de collega-jobstudent en die bij hem een positieve reactie of reflectie zal ontlokken. Prima facie is het manifest onredelijk dit hierin te lezen. Dit antwoordt houdt evengoed een verwijt als andere antwoorden in, want de onderliggende toon is duidelijk: ‘je gedrag is fout’ of ‘waar val je mij nu mee lastig’. Hier iets anders in lezen is manifest onredelijk. Daarenboven helpt dit antwoord helemaal niet om de collega-student bewust te laten worden van zijn gedrag. Het is alsof de antwoorder verveeld lastig wordt gevallen. Antwoord 3 kan dus geen goed antwoord zijn. De redenering en motivering die verweerster uitwerkt, is vergezocht en kan geen stand houden. Een manifest goed antwoord had kunnen zijn ‘Zullen we dit eens rustig bespreken bij een koffie na het werk?’ = men bouwt een vertrouwensband op, het gedrag moet besproken worden en men neemt zelf het initiatief, maar beschuldigt niet. De collega-jobstudent zal zich zeker niet aangevallen voelen maar zal ook beseffen dat er eens goed moet worden nagedacht over zijn gedrag. Dit geeft de beste garantie op een positieve zelfreflectie. Tenslotte bouwt men een moment en ruimte op om ook over de eigen gevoelens te reflecteren. Verweerster argumenteert dat de antwoorden 1, 2 en 4 waardeoordelen bevatten. Hier is echter niets mis mee als deze willen aanzetten tot positieve zelfreflectie. Verweerster is van mening dat antwoorden 1, 2 en 4 verwijtend zijn. Antwoord 2, zoals het is geformuleerd, is eveneens verwijtend. Echter, het geeft aan de college-student bovendien geen enkel handvat en reikt hem niets aan om te helpen. De andere antwoorden proberen minstens dit wel te doen. Deze vraag peilt naar het vermogen om te reflecteren op eigen gevoelens en een positieve reflectie van de betrokkene uit te lokken maar het weerhouden antwoord beantwoordt daar helemaal niet aan: IX-10.329-7/23
- je exploreert wat je voor de collega-jobstudent kan betekenen zodat je zelf ook ruimte krijgt om je eigen gevoelens te uiten. Beantwoordt zo het beste aan de vraagstelling. Op welke manier zorgt men hierbij voor een positieve zelfreflectie? Dit is volstrekt niet het geval. Dit antwoordt creëert geen ruimte voor reflectie of om überhaupt een gesprek aan te gaan. Eigenlijk is het een onbeleefd, gevoelloos en tactloos antwoord en hiermee blok je een gesprek af, je doet de gesprekpartner (lees ‘steler’) hiermee zelfs in z’n schulp kruipen. Je creëert in geen geval een vertrouwensrelatie maar eerder een vertrouwensbreuk. Stelen is stelen en elke gesprekpartner hier weet dit. In dit antwoord zien we nergens waar men ruimte creëert voor zowel de gevoelens van de steler als de andere.
- Stelen: idem als eerste twee antwoorden; je geeft bovendien ook een waardeoordeel zonder de context van de collega-jobstudent te kennen. Men kent de context wel, want men stelt: ‘Hij is een werkstudent en doet deze job dus niet om vakanties te betalen, maar uit pure noodzaak’ Op welke manier is dit een waardeoordeel? Dit is helemaal niet het geval. Men benoemt het gedrag van de persoon, m.n. ‘stelen’ in dit geval, omdat men iets meeneemt wat niet van hem is wat per definitie stelen is. De bestreden beslissing geeft ook geen antwoord of verklaring op het feit dat deze vraag een afwijkend antwoordpatroon kent. Ook hier schiet de beslissing tekort. Er kan niet anders dan worden gesteld dat er geen enkel antwoord ‘passend’ is omdat geen van de antwoorden alle componenten in de vraagstelling beantwoordt of er zelfs geen rekening mee houdt. Het is ook niet zo dat men door eliminatie het vermeende juiste antwoord had moeten kiezen, want dit vermeend juiste antwoord betreft eigenlijk het ‘meest tactloze’ antwoord van allemaal. We dienen dan ook te besluiten dat er nog steeds geen correctie motivering voorligt om het antwoord van verzoekster als fout aan te rekenen en de uitleg die wordt gegeven is kennelijk onredelijk.” Ook inzake vraag 14 van de CLEAR-toets overtuigt het antwoord van de beroepsinstantie verzoeker niet: “In antwoord 2 is er echter geen enkel element terug te vinden dat begrip toont voor de boosheid van de vader. Bovendien is het een niet gefundeerde veronderstelling dat dit antwoord niet voor verdere escalatie zou zorgen. Door boosheid niet te laten escaleren toont men bovendien geen begrip voor de boosheid. Alle argumenten over de ploegopstelling, de strategie, de ganse ploeg, betreffen enkel het respect voor de gemaakte afspraken met de ploeg (en dus ook met de dochter), maar kunnen op geen enkele manier gerelateerd worden aan de boosheid van de vader, laat staan dat men daaruit een begrip tonen zou kunnen afleiden, hetgeen nochtans de uitdrukkelijke vraag is: hoe reageer je op de vader met begrip voor zijn boosheid. IX-10.329-8/23 Nergens in dit antwoord 2 is er enige empathie, begrip, inleving, emotie, ...naar de emoties van de vader toe. Men poneert dus veronderstellingen die nergens op gebaseerd zijn. De trainer weet dat de teleurstelling van de dochter groot is. (zit in de vraag) Hij heeft een boze vader aan de lijn (zit in de vraag). Vervolgens vraagt men hoe men reageert met begrip voor de boosheid? Teleurstelling en boosheid zijn emoties. Emoties (=gevoelens) beantwoordt men niet met verwijzing naar strategie, afspraken, regels (= ratio). Emoties beantwoordt men met inleving in de emotie. Een juist antwoord had kunnen zijn: ‘lk begrijp u/ ik begrijp uw gevoelens/ ik begrijp uw teleurstelling/ Ik snap u, maar de ploegopstelling is goed overwogen en besproken met de ganse ploeg, ik wil me daar nu ook aan houden.’ Door elke emotionele connectie totaal weg te laten, ontbreekt antwoord 2 manifest elke redelijke verwijzing naar enig begrip voor de boosheid van de vader. Immers, de trainer maakt er korte metten mee: zo is het geregeld en zo gaan we er ons aan houden. Van enig inlevingsvermogen is geen enkele sprake. Het strategisch plan wordt toegelicht. Niet meer dan dat. Hoe weet men overigens dat dit antwoord de boosheid van de vader niet zal laten escaleren? De bestreden beslissing overtuigt niet in haar antwoord op de grieven van verzoeker dat deze vraag eigenlijk geen juist antwoord kan kennen. In ieder geval is het manifest duidelijk dat in antwoord 2 geen begrip wordt getoond voor de boosheid van de vader. De beroepsinstantie weet overigens zelf goed het verschil tussen emotie en ratio. In haar eigen beslissing betreffende verzoeker op de laatste pagina 9 schrijft ze zelf ‘de Beroepsinstantie beseft dat de deelnemer bij het indienen van dit beroep op een ander resultaat gehoopt had’. Deze toevoeging toont empathie en begrip voor de teleurstelling van verzoeker. De beroepsinstantie zal dan ook zeker begrijpen dat precies het ontbreken van dit wezenlijk element, antwoord 2 als een manifest onredelijk antwoord diskwalificeert. Verzoeker is dan ook op zoek gegaan naar een antwoord dat dit element wel bevatte en ook een redelijk antwoord inhield rond de solidariteit van de ploegopstelling. Ook wat betreft CLEAR-14 stellen we vast dat er geen correcte motivering voorligt op de grieven van verzoeker. Het is manifest onredelijk om voor te houden dat een antwoord begrip voor de boosheid van de vader zou veronderstellen terwijl dit duidelijk niet kan opgemaakt worden uit de bewoordingen van het antwoord en men dergelijke stelling alleen maar kan volhouden met een vergezochte dubbele veronderstelling: nl. dat een verwijzen naar de groepsafspraken de boosheid niet zou laten escaleren en dat het niet laten escaleren dan ook nog eens een opbrengen van begrip zou impliceren.” IX-10.329-9/23 Het antwoord dat verzoeker kreeg over vraag 12 van de VAARDIG-toets is volgens hem niet afdoende en redelijk: “Het is onduidelijk wat men hiermee bedoelt. Het afwijkende streepjespatroon is zowel aanwezig bij de standaardweergave als bij de ingezoomde weergave. De ingezoomde weergave is een functionaliteit die trouwens dient om in het examenplatform net de figuur in meer detail te kunnen bekijken. Dit betreft dan ook een irrelevant argument en doet uiteraard op geen enkele wijze afbreuk aan het oorspronkelijke verweer:
(1)Het afwijkende streepjespatroon is zowel aanwezig bij de standaardweergave als bij de ingezoomde weergave
(2)De ingezoomde weergave dient net ter verduidelijking om de figuur meer in detail te kunnen bekijken en kan dus ook zeker in de argumentatie gebruikt worden. De afbeelding uit het argument is exact de afbeelding die in het examenplatform werd getoond. Verder stelt de beslissing: Daarnaast kan men, in het geval men werkelijk twijfelt aan de overeenstemming tussen het streepjespatroon voor zweetproductie in figuur en legende, door uitsluiting afleiden dat de door de deelnemer aangeduide overeenstemming de enige mogelijke optie is. Ook dit is een kennelijk onredelijk argument. Het doel van een legende is net om eenduidig de verschillende curves uit elkaar te kunnen onderscheiden, wat duidelijk niet het geval is. In geen geval kan het van een student verwacht worden om op basis van eliminatie de curves uit elkaar te moeten onderscheiden. De bestreden beslissing stelt tot slot: Bovendien hebben deelnemers tijdens het examen ook steeds de mogelijkheid om onduidelijkheden te melden via de opmerkingsbriefjes, en bij gegronde twijfel, hier ook verduidelijking bij te krijgen. De deelnemer heeft op het moment zelf echter niets gemeld over een onduidelijkheid in de figuur. De validiteit van een gestelde vraag hangt echter niet af van het feit of een student hier op het examen zelf een klacht over indient of niet. De correcte procedure is gebruikt om achteraf, via de voorgestelde weg van de examencommissie, de vraag in twijfel te trekken en daar komt geen deugdelijk antwoord op.” Beoordeling a. vooraf IX-10.329-10/23
- Er dient aan te worden herinnerd dat de Raad van State als wettigheidsrechter niet in de plaats mag treden van de beroepsinstantie. Zo mag hij onder meer niet, als ware hij zelf een examencommissie, oordelen dat bepaalde vragen al dan niet in het examen mogen worden opgenomen, noch mag hij de verbetering van het examen overdoen, laat staan op zicht van de behaalde resultaten zich een eigen oordeel vormen over het al dan niet slagen en de daaropvolgende – gunstige of ongunstige – rangschikking van een kandidaat. De Raad van State mag met andere woorden zijn eigen opvattingen daarover niet substitueren aan deze van de examencommissie of de beroepsinstantie. Hij mag enkel nagaan of de beroepsinstantie, binnen de grenzen van haar ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid, op al die vlakken regelmatig en binnen de grenzen van de redelijkheid heeft beslist. Dat heeft gevolgen voor de wijze waarop een verzoekende partij haar wettigheidskritiek moet verwoorden en onderbouwen. In de mate waarin verzoeker in de huidige zaak als toelichting bij het middel ook zijn bezwaarschrift woordelijk herhaalt, lijkt hij de Raad uit te nodigen om zich daarover een eigen oordeel te vormen en – de beoordeling van de beroepsinstantie opzijschuivend – dat eigen oordeel in de plaats ervan te stellen. Dat is niet de opdracht van de administratieve rechter, die zich alzo in de plaats zou stellen van een orgaan van actief bestuur. Enkel in de mate waarin verzoeker kritiek levert op de motieven zelf van de bestreden beslissing, mag de Raad ermee rekening houden.
- Voorts lijkt vooralsnog te moeten worden uitgegaan van het vermoeden van deskundigheid van de examencommissie. Dit impliceert op het eerste gezicht, onder meer, dat tot bewijs van het tegendeel moet worden aangenomen dat de examenvragen door de examencommissie op een zorgvuldige wijze zijn opgesteld, niet alleen doordat ze betrekking hebben op de te kennen leerstof en ze relevant zijn voor de doelstelling van het toelatingsexamen, maar ook doordat de vragen zelf ondubbelzinnig zijn en, zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse regering van 27 januari 2023 en in het werkings- en examenreglement, slechts één correct antwoord kunnen krijgen. IX-10.329-11/23 In dat verband mag niet onvermeld blijven, dat de examencommissie de examenvragen na de examensessie nog aan een itemresponsanalyse onderwerpt. Wat ingevolge de frequentie van de antwoorden en ingevolge feedback van de deelnemers geïdentificeerd kan worden als “mogelijke probleemvragen”, wordt bijkomend inhoudelijk geanalyseerd. De examencommissie stelt het verslag van haar bevindingen openbaar ter beschikking op haar website.
- Wil een verzoekende partij het voormelde vermoeden van deskundigheid weerleggen, dan moet zij heel precieze en concrete gegevens en argumenten aanbrengen die van aard zijn de deugdelijkheid van de vragen – en dus ook van de toegekende punten – te ontkrachten. Zoals de beroepsinstantie het ook schrijft in de bestreden beslissing: “De interne beroepsinstantie wijst vooreerst op het gegeven dat de examencommissie een ruime autonomie heeft bij het opstellen van het examen, gelet op haar specifieke deskundigheid ter zake. Het is aan de deelnemer om het tegenbewijs te leveren ten aanzien van dit vermoeden van deskundigheid. Als een deelnemer de validiteit van bepaalde vragen betwist, dient dit te gebeuren aan de hand van concreet onderbouwde argumenten en elementen.” Hierbij wordt bedacht dat de Raad van State – en, in beginsel, ook de verzoekende partij – niet beschikt over de deskundigheid en expertise die aanwezig zijn bij de examencommissie. Bovendien verdraagt de snelheid waarmee een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid behandeld moet worden niet de vertraging die met de eventuele aanstelling van een expert gepaard gaat. Overigens zou ook het standpunt van zo een expert, desgevallend in een procedure ten gronde, moeten worden afgewogen tegen het deskundige standpunt van de examencommissie en zou alleen een aangetoonde kennelijke beoordelingsfout van die commissie de Raad van State ertoe kunnen brengen, zo lijkt, de niet-validiteit van de betrokken vraag als zodanig of van het als juist in aanmerking genomen antwoord vast te stellen. b. eerste middelonderdeel IX-10.329-12/23
- Met betrekking tot de vergelijking die verzoeker maakt tussen het examenonderdeel GC van het toelatingsexamen arts en het examenonderdeel GC van het toelatingsexamen tandarts, dient erop te worden gewezen dat beide examenonderdelen niet volledig identiek zijn, zoals verzoeker wil laten uitschijnen. Luidens artikel II.187, § 1, tweede lid, iuncto § 5, eerste lid, 2°, van de Codex Hoger Onderwijs beoogt het toelatingsexamen arts het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige opleiding met succes af te ronden. Het examenonderdeel GC sluit aan “bij themata uit de beroepspraktijk van artsen”. Luidens artikel II.187, § 2, tweede lid, iuncto § 5, eerste lid, 2°, van de Codex Hoger Onderwijs beoogt het toelatingsexamen tandarts “het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een tandheelkundige opleiding met succes af te ronden” en het examenonderdeel GC sluit aan “bij themata uit de beroepspraktijk van tandartsen”. Wat daar voorts ook van zij, feit is dat de toelatingsexamens arts en tandarts afzonderlijk worden georganiseerd en beoordeeld en dat de vragen verschillen. De regelgeving verleent een deelnemer aan de examens arts en tandarts geen vrijstelling voor enig onderdeel van de beide examens, indien hij slaagt voor datzelfde onderdeel van het andere examen. Twee aparte toelatingsexamens genereren dus twee aparte beslissingen van de examencommissie. Er wordt geen ruimte gelaten aan de examencommissie om, in het kader van haar deliberatiebevoegdheid, ook rekening te houden met onderdelen van andere afgelegde toelatingsexamens. De slaagcijfers die verzoeker heeft behaald bij zijn deelname aan het toelatingsexamen tandarts verlenen hem dan ook geen enkele aanspraak met betrekking tot zijn deelname aan het toelatingsexamen arts. IX-10.329-13/23 Verzoeker formuleert enkel kritiek op twee vragen van het onderdeel CLEAR van het thans besproken toelatingsexamen arts. Over de dertien andere vragen van dat gedeelte behoudt hij het stilzwijgen. Hij brengt dus geenszins het vermoeden aan het wankelen, dat die dertien vragen geacht moeten worden wetenschappelijk verantwoord te zijn in het licht van de te toetsen competenties. Overigens zal hierna blijken dat ook de kritiek op de twee vragen 13 en 14 in de huidige stand van de procedure niet wordt bijgevallen.
- Op de terechtzitting merkt de raadsman van verzoeker op dat in het intern beroep ernstige bezwaren zijn geformuleerd, ondersteund door wetenschappelijke geschriften, over de methodologie om de generieke competenties te testen aan de hand van de CLEAR-vragen. Volgens verzoeker is het onmogelijk om de vaardigheden te toetsen aan de hand van de vijftien CLEAR-vragen. Voor zover verzoeker met dit pleidooi ter terechtzitting ook aan de Raad van State vraagt om zich over de methodologie van de CLEAR-vragen als geheel uit te spreken, is deze vraag onontvankelijk. Ongeacht wat verzoeker immers heeft aangevoerd in zijn intern beroep, voert hij prima facie hierover thans geen afzonderlijk middel aan in het inleidend verzoekschrift. Alleszins volstaat het niet daartoe in de toelichting als eerste middelonderdeel de volgende vrijblijvende en louter opiniërende alinea’s te schrijven: “Vooreerst stelt de bestreden beslissing dat ‘CLEAR’ de algemene basiscompetenties test met betrekking tot empathische communicatie bij toekomstige studenten geneeskunde. Als we echter de antwoorden, stam en vraagstelling vergelijken met voorgaande jaren, zijn de nuanceverschillen miniem. De vraag stelt zich dus of de CLEAR toetst, gezien de heel kleine nuanceverschillen die moeten gezien worden door de studenten
(2023), eerder geavanceerde competenties test in plaats van basisvaardigheden. Verder stelt de bestreden beslissing dat vraag of een antwoord juist of fout is, ‘een objectieve grondslag’ zou hebben omdat deze ‘het meest conform is aan de CLEAR principes’, maar men toont niet aan deze dat deze CLEAR principes op hun beurt onbetwistbaar objectief zijn…” IX-10.329-14/23
- Wat verzoeker beweert in het eerste middelonderdeel is niet onderbouwd en dus niet ernstig. c. tweede middelonderdeel
- De beroepsinstantie herinnert in de bestreden beslissing aan artikel 52 WER waarin aangegeven wordt wat in CLEAR bedoeld wordt met een juist antwoord: “Voor elke casus duiden de deelnemers de reactie of houding aan die het meest gepast is om een bepaalde uitkomst te bereiken. In andere vragen geven de deelnemers aan welke uitspraak of boodschap het best beantwoordt aan de relationele stijl of gespreksstijl die in de opgave vermeld staat. Telkens is er slechts één juist antwoord, met name het antwoord dat het meest voldoet aan de vraagstelling.” De beroepsinstantie stelt vervolgens dat “[v]oor elke vraag […] dus specifiek wordt aangegeven binnen welke contouren het antwoord moet passen, bv ‘meest constructief’, ‘meest oplossingsgericht’, ‘best passen binnen…’, ‘het meest kans op…’ enz. Voor elke vraag is er slechts één antwoordmogelijkheid die het best aansluit bij deze contouren. Dit sluit niet uit dat andere antwoordmogelijkheden enigszins of deels kunnen aansluiten bij de contouren van de vraag, maar zij doen dit niet ‘het best’ of ‘het meest’ en zijn daarom fout. Ook is het zo dat sommige van de foute antwoordmogelijkheden – in een weliswaar andere context dan de vraag – toch plausibel kunnen zijn, maar dat verleent hen nog niet de status van juist antwoord in de context van de vraagstelling”. De beroepsinstantie voegt daaraan toe dat het “de examencommissie [er] niet om te doen [is] om vast te stellen hoe de deelnemer in zijn of haar dagelijkse leven zelf op een bepaalde situatie reageert”: “Wel peilt de CLEAR-toets naar het intrinsiek basaal vermogen van de deelnemer om specifieke situaties te kunnen analyseren en te oordelen in welke mate de gepresenteerde antwoordmogelijkheden aansluiten bij de onderliggende principes van heldere, empathische en oplossingsgerichte communicatie. Deze principes zijn vervat in het acroniem van CLEAR. Zij staan op de website van het toelatingsexamen vermeld zodat deelnemers IX-10.329-15/23 zich hiermee vooraf kunnen vertrouwd maken. Of een antwoord juist of fout is, heeft dus een objectieve grondslag, met name of het al dan niet het meest conform is aan de CLEAR-principes. De onderliggende basis voor deze principes zijn wetenschappelijke kaders die onder meer in klassieke handboeken over communicatie aan bod komen. De experten die de CLEAR-toets opstellen, zijn vanuit hun professionele activiteiten vertrouwd met deze wetenschappelijke kaders. Dit alles maakt dat de CLEAR-toets wetenschappelijk onderbouwd en objectiveerbaar is.” Daarnaast benadrukt de beroepsinstantie in de bestreden beslissing dat de meeste vragen in CLEAR “een specifiek format” hebben: “In de stam van de vraag wordt eerst een welbepaalde situatie geschetst, bv. een voorval in familie- of vriendenkring. Dan volgt de specifieke vraagstelling die peilt naar de meest geschikte uitspraak of reactie om een bepaalde uitkomst binnen de eerder geschetste context te bereiken. Tot slot worden vier antwoordmogelijkheden opgelijst. Het juiste antwoord wordt gedefinieerd als de uitspraak of reactie die het best beantwoordt aan de specifieke vraagstelling binnen de context (stam) van de vraag. Hieruit volgt dat twee CLEAR-vragen slechts als identiek beschouwd kunnen worden indien de drie bouwstenen van de vraag, met name stam, vraagstelling en antwoordmogelijkheden (nagenoeg) dezelfde zijn. […] Om de validiteit van een CLEAR-vraag in het toelatingsexamen van 2023 op basis van een vraag uit vorige jaargangen te kunnen betwisten moet men dus expliciet aantonen dat de drie wezenlijke elementen van de vraag (stam, vraagstelling en antwoordmogelijkheden) identiek zijn. Zoniet gaat de vergelijking tussen beide vragen niet op en vervalt het argument.” De beroepsinstantie wijst er voorts nog op dat “[e]en mogelijke keerzijde van de publieke beschikbaarheid [van de vragen van de voorbije toelatingsexamens] is dat deelnemers aan ‘scenarioherkenning’ doen, d.w.z. dat zij scenario’s en bijhorend juist antwoord van vorige jaargangen uit het hoofd leren en dit als het ware blind toepassen op het examen op basis van een vermeende identiteit tussen de vragen, zonder specifiek na te gaan of stam, vraagstelling en antwoordmogelijkheden effectief identiek zijn”.
- Met betrekking tot de CLEAR-toets mag nogmaals worden onderstreept dat gepeild wordt naar het meest plausibele antwoord of het antwoord dat het gewenste resultaat het best benadert. Dat sluit dus niet uit, eensdeels, dat naast de vier antwoordmogelijkheden nog andere reacties denkbaar zijn die nog beter inspelen op de gegeven casus of, anderdeels, dat meer dan één geboden IX-10.329-16/23 antwoord een eindweegs de richting uitgaat van de gewenste uitkomst. De kandidaat moet nu eenmaal kiezen tussen de vier voorgestelde mogelijkheden – geen andere – en daartussen het “beste” antwoord kiezen: dat is, in de definities van het examen, het enige “juiste” antwoord. 15.
- Vraag 13 van de CLEAR-toets luidt: “Je hebt een studentenjob in een grote brasserie. Je werkt daar in een team met heel veel andere jobstudenten en de sfeer onderling is goed. Jullie moeten hard werken en de bazen gaan niet altijd even respectvol om met jobstudenten maar omdat het goed betaalt, hou je vol. Op een dag neemt een collega-jobstudent je in vertrouwen: hij vertelt je dat hij regelmatig overschotten uit de koelkast mee naar huis neemt. Hij is een werkstudent en doet deze job dus niet om vakanties te betalen maar uit pure noodzaak. Hij wilde je dit vertellen omdat hij het aan iemand kwijt moest. Met welke reactie lok je positieve reflectie uit over dit gedrag?
- ‘Je riskeert je job door te stelen.’
- ‘Je maakt me medeplichtig aan diefstal.’
- ‘Wat verwacht je nu van mij?’
- ‘Denk je dat stelen de moeite waard is?’” Verzoeker vult op zijn examen reactie 4 in als het juiste antwoord. 15.
- De beroepsinstantie oordeelt dat deze vraag eenduidig en inhoudelijk correct is opgesteld en slechts één juist antwoord heeft, namelijk reactie
- Volgens de beroepsinstantie peilt de vraag “naar het vermogen om te reflecteren op eigen gevoelens en een positieve reflectie van de betrokkene uit te lokken”. Zij licht de vier antwoordopties op deze vraag nader toe als volgt: “
- Riskeert je job: deze reactie houdt een beschuldiging en een verwijt in waardoor de collega-jobstudent eerder negatief zal reageren.
- Medeplichtig: idem
- Verwacht: je exploreert wat je voor de collega-jobstudent kan betekenen zodat je zelf ook ruimte krijgt om je eigen gevoelens te uiten. Beantwoordt zo het beste aan de vraagstelling.
- Stelen: idem als eerste twee antwoorden; je geeft bovendien ook een waardeoordeel zonder de context van de collega-jobstudent te kennen.” IX-10.329-17/23 De vraagstelling, aldus nog de beroepsinstantie, “beoogt het op gang brengen van een positieve reflectie over het gedrag dat verder niet gekwalificeerd wordt”. De reacties 1, 2 en 4 “verwijzen […] naar stelen of diefstal wat sociaal niet aanvaardbaar is”, “[h]et houdt een beschuldiging in die niet bevorderlijk is voor een positieve reflectie”. Alleen reactie 3 “biedt ruimte voor een positieve reflectie door het gedrag niet in een negatieve context te plaatsen”. Hierdoor is reactie 3 “het juiste antwoord”. Het antwoord is “niet beschuldigend of veroordelend” en maakt bijgevolg “het meeste kans op een positieve reflectie conform de specifieke vraagstelling”. Anders dan verzoeker betoogt, is die zienswijze van de beroepsinstantie op het eerste gezicht niet “manifest onredelijk” te noemen. Verzoeker toont alvast het tegendeel niet aan. De door verzoeker in het kader van de voorliggende vordering aangebrachte argumentatie is naar het oordeel van de Raad niet van aard om de deugdelijkheid van vraag 13 van de CLEAR-toets te ontkrachten. 15.
- De vergelijking die verzoeker nog maakt met een vroeger gestelde examenvraag is dan niet meer relevant, zo lijkt. In de eerste plaats doet verzoeker in de aangehaalde toelichting bij het middel niet de minste poging om “expliciet [aan te tonen] dat de drie wezenlijke elementen (stam, vraagstelling en antwoordmogelijkheden) identiek zijn” met de vroegere vraag waarmee hij een vergelijking maakt. En zelfs als hij die drievoudige identiteit zou kunnen aantonen, ontkracht dit niet de vaststelling dat alleszins de huidige vraag correct gesteld en verbeterd lijkt te zijn. 16.
- Vraag 14 van de CLEAR-toets luidt: “Je bent trainer van een junior (13-14-jarigen) voetbalploeg en je ploeg staat redelijk goed gerangschikt. Voor de ploegopstelling probeer je in de eerste plaats voor het spelplezier en een harmonieuze opstelling te gaan. Maar voor de laatste wedstrijd van het seizoen wil je toch vooral inzetten op winnen: deze wedstrijd bepaalt jullie klassement voor het volgende seizoen. Dit betekent dat je een aantal spelers moet teleurstellen. Je spreekt met de ganse ploeg en legt eerlijk je kaarten op tafel. Je spelers vatten het sportief op: ze willen gaan voor de winst. Maar ’s avonds hangt er een erg IX-10.329-18/23 boze vader aan de lijn: waarom zijn dochter niet werd opgesteld, wil hij weten. Hoe reageer je op deze vader met begrip voor zijn boosheid en voor de afspraken die je met de ploeg maakte?
- ‘Ik had het ook liever anders gezien maar winnen is voor deze wedstrijd belangrijker dan ooit.’
- ‘De ploegopstelling is goed overwogen en besproken met de ganse ploeg, ik wil me daar nu ook aan houden.’
- ‘Ik begrijp uw boosheid, ik denk erover na en ik leg een alternatieve opstelling aan de ploeg voor.’
- ‘Ik begrijp uw boosheid maar uw dochter was ook akkoord met ploegopstelling.’” Verzoeker heeft op zijn examen reactie 4 als juist antwoord ingevuld. 16.
- De beroepsinstantie oordeelt dat deze vraag eenduidig en inhoudelijk correct is opgesteld en slechts één juist antwoord heeft, namelijk reactie
- Volgens de beroepsinstantie peilt de vraag “naar het vermogen om begripvol mee te leven met de groep en de betrokken persoon”. Zij licht de vier antwoordopties op deze vraag nader toe als volgt: “
- ‘… liever anders gezien …’: met deze uitspraak neem je afstand van de groepsafspraken en laat je de groep in de steek. Dit getuigt niet van begrip voor de afspraken die je met de ploeg maakte.
- ‘… goed overwogen en besproken met de ganse ploeg, ik wil me daar nu ook aan houden.’ Met deze uitspraak verdedig je het standpunt dat werd ingenomen door de ganse groep zonder de boosheid van de vader te laten escaleren. Je toont begrip voor de boosheid van de vader door de strategie toe te lichten (‘ploegopstelling is goed overwogen’ = actief luisteren = ingaan op de gevoelens van de toehoorder). Door in het antwoord te verwijzen naar ‘de ganse ploeg’ onderstreep je op een neutrale manier, zonder te verwijzen naar de betrokken persoon (dochter), het belang van de in groep gemaakte afspraken. Het is begripvol voor zowel de ploeg als de vader.
- ‘… ik denk erover na en ik leg een alternatieve opstelling ...’: met deze uitspraak neem je afstand van de afspraken die je met de ploeg maakte. Door te verwijzen naar een alternatieve ploegopstelling ga je in op de boosheid van de vader, maar dit gaat ten koste van de ploeg(afspraken).
- ‘… maar uw dochter was ook akkoord met ploegopstelling.’ Door expliciet de dochter in het verhaal te betrekken, doe je tekort aan zowel de vader als de ploeg. Door naar het akkoord van de dochter te verwijzen, speel je de dochter uit tegen haar vader die zo in een geïsoleerde positie komt te staan. Je minimaliseert dus zijn boosheid wat niet begripvol is. Ook IX-10.329-19/23 ben je als trainer niet meer solidair met de ganse ploeg door expliciet één speelster, in casu de dochter, naar voor te schuiven. Als trainer vertegenwoordig je de ganse groep, niet één enkele speelster, als het gaat om gezamenlijk gemaakte afspraken. Je doet dus tekort aan beide partijen.” 16.
- Zoals verzoeker opmerkt, behelst reactie 4 een uitdrukkelijke verwijzing, met begrip, naar de boosheid van de vader. Is dit in reactie 2 minder uitgesproken het geval – het begrip verloopt indirect door de vader niet tegen te spreken maar de strategie toe te lichten – dan toont deze reactie anderzijds duidelijk méér begrip voor de afspraken met de ploeg dan de reactie “uw dochter was ook akkoord”, waarin de ploegafspraken geenszins bij betrokken worden. Verzoeker weerlegt voorshands niet de aangehaalde motivering waarom reactie 4 “tekort [doet] aan beide partijen” door de dochter “in het verhaal te betrekken”. Het komt de Raad voor dat de beroepsinstantie in die omstandigheden reactie 2 terecht als de meest passende van de vier opgegeven mogelijkheden beschouwt. Die zienswijze van de beroepsinstantie is op het eerste gezicht niet onredelijk te noemen. Verzoeker toont vooralsnog het tegendeel niet aan. 17.
- Volgens verzoeker vertoont vraag 12 van de VAARDIG-toets een onduidelijkheid in de figuur die men diende te gebruiken voor het evalueren van de antwoordopties: het streepjespatroon dat de zweetproductie weergeeft op de figuur stemt volgens hem niet voldoende overeen met het streepjespatroon in de legende. 17.
- De beroepsinstantie reageert hier in de bestreden beslissing als volgt op: “De deelnemer argumenteert dat deze vraag onduidelijk is omdat er een onduidelijkheid zou zijn in de figuur die men dient te gebruiken voor het evalueren van de antwoordopties. Het streepjespatroon dat de zweetproductie weergeeft op de figuur zou niet (voldoende) IX-10.329-20/23 overeenstemmen met het streepjespatroon in de legende, wanneer men inzoomt op beide streepjespatronen. De figuren zijn echter zo gemaakt dat men ze kan aflezen bij normale weergave. In de figuur worden 5 curves in een verschillend streepjespatroon weergegeven en in de legende worden 5 overeenkomstige streepjespatronen weergegeven. Deze streepjespatronen verschillen voldoende van elkaar om de overeenkomsten tussen figuur en legende onmiddellijk en zonder twijfel waar te nemen. Daarnaast kan men, in het geval men werkelijk twijfelt aan de overeenstemming tussen het streepjespatroon voor zweetproductie in figuur en legende, door uitsluiting afleiden dat de door de deelnemer aangeduide overeenstemming de enige mogelijke optie is. Bovendien hebben deelnemers tijdens het examen ook steeds de mogelijkheid om onduidelijkheden te melden via opmerkingenbriefjes, en bij gegronde twijfel, hier ook verduidelijking bij te krijgen. De deelnemer heeft op het moment zelf echter niets gemeld over een onduidelijkheid in de figuur. De beroepsinstantie besluit dat deze vraag eenduidig en inhoudelijk correct is opgesteld en slechts één juist antwoord heeft.” 17.
- Verzoeker brengt zelf een beeld van de betrokken figuur bij in zijn verzoekschrift. Dit komt overeen met wat de deelnemers tijdens hun examen op 4 juli 2023 te zien kregen, zo bevestigt de verwerende partij: Uit dit beeld lijkt dat wat de beroepsinstantie hierover in de bestreden beslissing heeft gesteld – dat de figuur afgelezen kan worden “bij normale weergave” en dat de vijf streepjespatronen in deze figuur “voldoende van elkaar verschillen om de overeenkomsten tussen figuur en legende onmiddellijk en zonder twijfel waar te nemen” – inderdaad correct te zijn. Naar het voorlopig IX-10.329-21/23 oordeel van de Raad komen de kort bij elkaar geplaatste puntjes van de stippellijn ‘zweetproductie’ in de legende op voldoende te onderscheiden wijze overeen met het streepjespatroon in de figuur.
- Het tweede middelonderdeel is niet ernstig. IX-10.329-22/23 d. besluit
- Het enige middel is in genen dele ernstig, zodat de vordering niet kan worden ingewilligd. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijfentwintig september tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-10.329-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.428 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div