id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.429 Rolnummer: A. 240038/IX-10335 Zaak: Arrest 257429 - Examens (onderwijs) - 25/09/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-09-26 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-10 12:33 Fiche Arrest nr 257.429 van 25 september 2023 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 257.429 van 25 september 2023 in de zaak A. 240.038/IX-10.335 In zake: Merel LENAERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie, Thomas Fiers en Jade Leenaert kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 15 september 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepsinstantie van het toelatingsexamen arts van 25 augustus 2023, waarbij het beroep van Merel Lenaers tegen de beslissing van de examencommissie, ingevolge waarvan zij niet gunstig gerangschikt werd voor het toelatingsexamen arts, ontvankelijk, doch ongegrond wordt bevonden. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-10.335-1/16 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 september 2023, om 10.30 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jade Leenaert, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De Vlaamse regering organiseert jaarlijks een toelatingsexamen voor de opleiding tot arts (artikel II.187, § 6, 1° en 3°, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 19 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 januari 2023 ‘over de organisatie van het toelatingsexamen arts, het toelatingsexamen tandarts en het toelatingsexamen dierenarts’ (“organisatiebesluit”)). Dat toelatingsexamen beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige opleiding met succes af te ronden. Een gunstige rangschikking op grond van dit examen geldt als een “bijkomende toelatingsvoorwaarde” voor inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Geneeskunde (artikel II.187, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs). IX-10.335-2/16 Het examen bestaat uit twee onderdelen: vooreerst een onderdeel ‘wetenschappelijke kennis en inzicht in de vakken biologie, fysica, chemie en wiskunde’ (“KIW”) en voorts een onderdeel ‘generieke competenties die aansluiten bij themata uit de beroepspraktijk van artsen’ (“GC”) (artikel II.187, § 5, eerste lid, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 22, eerste lid, van het organisatiebesluit). Deze twee onderdelen van het examen hebben hetzelfde gewicht (artikel 27, eerste lid, van het organisatiebesluit). Het examen is vergelijkend van aard. De kandidaten die ten minste de helft van de bepaalde punten behalen op alle onderdelen van het examen zijn geslaagd. De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de behaalde numerieke score. De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met het vooropgestelde quotum, dat thans 1600 bedraagt (besluit van de Vlaamse regering van 16 juni 2023 ‘tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2023 tot vastlegging van het startquotum voor de opleiding geneeskunde en voor de opleiding tandheelkunde, wat betreft het verhogen van het startquotum voor de opleiding geneeskunde’). Is het aantal geslaagde kandidaten hoger dan het vooropgestelde quotum, dan wordt een cesuur getrokken. Dit gebeurt principieel tussen de kandidaten met een verschillend examenresultaat (artikel II.187, §§ 3 en 4, van de Codex Hoger Onderwijs). Alle vragen van het toelatingsexamen zijn meerkeuzevragen met vier antwoordmogelijkheden per vraag. Slechts één antwoordmogelijkheid per vraag is juist. Een juist antwoord levert positieve punten op, een fout antwoord levert negatieve punten op en geen antwoord levert nul punten op (artikel 27, vierde lid, 1° en 2°, van het organisatiebesluit). 3.
- Nadere voorschriften met betrekking tot het toelatingsexamen georganiseerd in 2023 zijn door de examencommissie vastgesteld in het ‘Wer- kingsreglement en examenreglement toelatingsexamens arts, tandarts en dierenarts 2023’ (“WER”). IX-10.335-3/16 Luidens artikel 52 WER bestaat het examenonderdeel GC uit twee toetsen: CLEAR en VAARDIG. CLEAR staat voor “Conflicthantering, Luistervaardigheid, Empathie, Aandacht, Reflectie en Respect”. Deze proef toetst “de (inter)persoonlijke vaardigheden die voor een arts […] van belang zijn”. Voor elke casusvraag duiden de deelnemers de reactie of houding aan die het meest gepast is om een bepaalde uitkomst te bereiken. In andere examenvragen geven de deelnemers aan welke uitspraak of boodschap het best beantwoordt aan de relationele stijl of gespreksstijl die in de opgave vermeld staat. Telkens is er slechts één juist antwoord, namelijk het antwoord “dat het meest voldoet aan de vraagstelling”. VAARDIG staat voor “Verbinden, AnAlyseren, ReDeneren, InteGreren”. De kandidaten krijgen “examenvragen over een korte wetenschappelijke tekst met bijhorende figuren over een gezondheidsthema”. Voor sommige examenvragen kunnen de deelnemers het antwoord direct uit de analyse van de tekst of figuren afleiden. Voor andere examenvragen moeten de deelnemers diepgaander redeneren, nieuwe verbanden leggen of verschillende delen integreren. 3.
- Verzoekster neemt op 4 juli 2023 deel aan het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts. Zij behaalt 66 op 120 punten voor het examenonderdeel KIW, 54 op 120 punten voor het examenonderdeel GC en 120 op 240 punten in het totaal. Aangezien verzoekster een onvoldoende behaalt voor het onderdeel GC, waardoor zij ingevolge artikel 28, eerste lid, van het organisatiebesluit niet slaagt, komt zij niet in aanmerking voor rangschikking. Verzoekster dient een verzoek tot heroverweging in bij de interne beroepsinstantie. IX-10.335-4/16 3.
- Op 25 augustus 2023 beslist de interne beroepsinstantie van het toelatingsexamen arts om het beroep van verzoekster ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren. Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
- Terecht wordt het vervuld zijn van de uiterst dringende noodzakelijkheid niet betwist. VI. Ernst van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in een enig middel de schending aan van de formelemotiveringsplicht, van de materiëlemotiveringsplicht en van het redelijkheidsbeginsel. In het bezwaar bij de beroepsinstantie heeft verzoekster de validiteit van een aantal examenvragen van het gedeelte GC betwist. Het middel is gericht tegen de bestreden beslissing, in de mate dat de beroepsinstantie die kritiek verwerpt. IX-10.335-5/16 In wat als een eerste middelonderdeel begrepen kan worden, argumenteert verzoekster dat “geen correcte motivering voorligt” waarom het antwoord dat zij heeft gegeven op vraag 13 van de CLEAR-toets door de beroepsinstantie – volgens verzoekster ten onrechte – als foutief is aangemerkt. Met betrekking tot vraag 14 van de CLEAR-toets overtuigt het antwoord van de beroepsinstantie evenmin, aldus verzoekster in wat als een tweede middelonderdeel kan worden opgevat: “Antwoord 2 zou het juiste antwoord moeten zijn. In antwoord 2 is er echter geen enkel element terug te vinden dat begrip toont voor de boosheid van de vader. Bovendien is het een niet gefundeerde veronderstelling dat dit antwoord niet voor verdere escalatie zou zorgen. Door boosheid niet te laten escaleren toont men bovendien geen begrip voor de boosheid. Alle argumenten over de ploegopstelling, de strategie, de ganse ploeg, betreffen enkel het respect voor de gemaakte afspraken met de ploeg (en dus ook met de dochter), maar kunnen op geen enkele manier gerelateerd worden aan de boosheid van de vader, laat staan dat men daaruit een begrip tonen zou kunnen afleiden, hetgeen nochtans de uitdrukkelijke vraag is: hoe reageer je op de vader met begrip voor zijn boosheid. Nergens in dit antwoord 2 is er enige empathie, begrip, inleving, emotie, …naar de emoties van de vader toe. Men poneert dus veronderstellingen die nergens op gebaseerd zijn. De trainer weet dat de teleurstelling van de dochter groot is. (zit in de vraag) Hij heeft een boze vader aan de lijn (zit in de vraag). Vervolgens vraagt men hoe men reageert met begrip voor de boosheid? Teleurstelling en boosheid zijn emoties. Emoties (=gevoelens) beantwoordt men niet met verwijzing naar strategie, afspraken, regels (= ratio). Emoties beantwoordt men met inleving in de emotie. Een juist antwoord had kunnen zijn: ‘Ik begrijp u/ Ik begrijp uw gevoelens/ ik begrijp uw teleurstelling/ Ik snap u, maar de ploegopstelling is goed overwogen en besproken met de ganse ploeg, ik wil me daar nu ook aan houden.’ Door elke emotionele connectie totaal weg te laten, ontbreekt antwoord 2 manifest elke redelijke verwijzing naar enig begrip voor de boosheid van de vader. Immers, de trainer maakt er korte metten mee: zo is het geregeld en zo gaan we er ons aan houden. Van enig inlevingsvermogen is geen enkele sprake. Het strategisch plan wordt toegelicht. Niet meer dan dat. Hoe weet men overigens dat dit antwoord de boosheid van de vader niet zal laten escaleren? De bestreden beslissing overtuigt niet in haar antwoord op de grieven van verzoekster dat deze vraag eigenlijk geen juist antwoord kan kennen. In IX-10.335-6/16 ieder geval is het manifest duidelijk dat in antwoord 2 geen begrip wordt getoond voor de boosheid van de vader. Verzoekster is dan ook op zoek gegaan naar een antwoord dat dit element wel bevatte en ook een redelijk antwoord inhield rond de solidariteit van de ploegopstelling. Ook wat betreft CLEAR-14 stellen we vast dat er geen correcte motivering voorligt op de grieven van verzoekster. Het is manifest onredelijk om voor te houden dat een antwoord begrip voor de boosheid van de vader zou veronderstellen terwijl dit duidelijk niet kan opgemaakt worden uit de bewoordingen van het antwoord en men dergelijke stelling alleen maar kan volhouden met een vergezochte dubbele veronderstelling: nl. dat een verwijzen naar de groepsafspraken de boosheid niet zou laten escaleren en dat het niet laten escaleren dan ook nog eens een opbrengen van begrip zou impliceren.” In wat als een derde middelonderdeel is te begrijpen, stelt verzoekster dat de beroepsinstantie nalaat te antwoorden op “de beschouwing dat ze wél glansrijk slaagde voor hetzelfde onderdeel van het Toelatingsexamen tandarts (GC 81/120) dat ze daags nadien aflegde”, “[het] kan niet dat men bij gelijkaardige testen de ene maal wel en de andere maal niet als een empathisch persoon wordt beoordeeld”. Verzoekster merkt “overigens” op dat het verslag van de examencommissie naar aanleiding van het examen aangeeft dat er een afwijkend antwoordpatroon is voor CLEAR 13 en 14 en de meeste deelnemers ook het antwoord van verzoekster hebben aangeduid: “Dit dient de commissie tot nadenken te stemmen. CLEAR test bij uitstek sociale vaardigheden. Sociale normen en conventies worden bepaald door wat de groep of meerderheid in consensus als zinvol of aanvaardbaar interpreteert. Het zijn geen rigide wetenschappelijke of objectiveerbare concepten, maar levende en aan verandering onderhevige dynamieken die ontstaan uit consensus. Wat op het ene moment door de groep als juist wordt beschouwd, is dat misschien op een ander moment niet meer. Als de meerderheid van de mensen een bepaald gedrag als empathisch catalogeert, dan is het gedrag van de student die in overeenstemming daarmee antwoordt of handelt, gedrag dat beantwoordt aan wat de CLEAR test tracht te testen, nl. of deze arts in opleiding in concrete situaties kan inschatten wat de meest verantwoorde manier is om op een bepaalde situatie te reageren op een manier die ook als dusdanig door de betrokkene (die deel uitmaakt van een groep en context) zal worden ervaren. Niemand heeft iets aan gedrag dat academisch als empathisch wordt beschouwd, maar door geen enkele betrokkene als dusdanig zal worden ervaren.” IX-10.335-7/16 Beoordeling a. vooraf
- Er dient aan te worden herinnerd dat de Raad van State als wettigheidsrechter niet in de plaats mag treden van de beroepsinstantie. Zo mag hij onder meer niet, als ware hij zelf een examencommissie, oordelen dat bepaalde vragen al dan niet in het examen mogen worden opgenomen, noch mag hij de verbetering van het examen overdoen, laat staan op zicht van de behaalde resultaten zich een eigen oordeel vormen over het al dan niet slagen en de daaropvolgende – gunstige of ongunstige – rangschikking van een kandidaat. De Raad van State mag met andere woorden zijn eigen opvattingen daarover niet substitueren aan deze van de examencommissie of de beroepsinstantie. Hij mag enkel nagaan of de beroepsinstantie, binnen de grenzen van haar ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid, op al die vlakken regelmatig en binnen de grenzen van de redelijkheid heeft beslist. Dat heeft gevolgen voor de wijze waarop een verzoekende partij haar wettigheidskritiek moet verwoorden en onderbouwen. In de mate waarin verzoekster in de huidige zaak als toelichting bij het middel ook haar bezwaarschrift woordelijk herhaalt, lijkt zij de Raad uit te nodigen om zich daarover een eigen oordeel te vormen en – de beoordeling van de beroepsinstantie opzijschuivend – dat eigen oordeel in de plaats ervan te stellen. Dat is niet de opdracht van de administratieve rechter, die zich alzo in de plaats zou stellen van een orgaan van actief bestuur. Enkel in de mate waarin verzoekster kritiek levert op de motieven zelf van de bestreden beslissing, die een antwoord zijn op haar bezwaarschrift, mag de Raad ermee rekening houden.
- Voorts lijkt vooralsnog te moeten worden uitgegaan van het vermoeden van deskundigheid van de examencommissie. Dit impliceert op het eerste gezicht, onder meer, dat tot bewijs van het tegendeel moet worden aangenomen dat de examenvragen door de examencommissie op een zorgvuldige IX-10.335-8/16 wijze zijn opgesteld, niet alleen doordat ze betrekking hebben op de te kennen leerstof en ze relevant zijn voor de doelstelling van het toelatingsexamen, maar ook doordat de vragen zelf ondubbelzinnig zijn en, zoals bepaald in het organisatiebesluit en in het WER, slechts één correct antwoord kunnen krijgen. In dat verband mag niet onvermeld blijven, dat de examencommissie de examenvragen na de examensessie nog aan een itemresponsanalyse onderwerpt. Wat ingevolge de frequentie van de antwoorden en ingevolge feedback van de deelnemers geïdentificeerd kan worden als “mogelijke probleemvragen”, wordt bijkomend inhoudelijk geanalyseerd. De examencommissie stelt het verslag van haar bevindingen openbaar ter beschikking op haar website.
- Wil een verzoekende partij het voormelde vermoeden van deskundigheid weerleggen, dan moet zij heel precieze en concrete gegevens en argumenten aanbrengen die van aard zijn de deugdelijkheid van de vragen – en dus ook van de toegekende punten – te ontkrachten. Zoals de beroepsinstantie het ook schrijft in de bestreden beslissing: “De interne beroepsinstantie wijst vooreerst op het gegeven dat de examencommissie een ruime autonomie heeft bij het opstellen van het examen, gelet op haar specifieke deskundigheid ter zake. Het is aan de deelnemer om het tegenbewijs te leveren ten aanzien van dit vermoeden van deskundigheid. Als een deelnemer de validiteit van bepaalde vragen betwist, dient dit te gebeuren aan de hand van concreet onderbouwde argumenten en elementen.” Hierbij wordt bedacht dat de Raad van State – en, in beginsel, ook de verzoekende partij – niet beschikt over de deskundigheid en expertise die aanwezig zijn bij de examencommissie. Bovendien verdraagt de snelheid waarmee een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid behandeld moet worden niet de vertraging die met de eventuele aanstelling van een expert gepaard gaat. Overigens zou ook het standpunt van zo een expert, desgevallend in een procedure ten gronde, moeten worden afgewogen tegen het deskundige standpunt van de examencommissie en zou alleen een aangetoonde kennelijke beoordelingsfout van IX-10.335-9/16 die commissie de Raad van State ertoe kunnen brengen, zo lijkt, de niet-validiteit van de betrokken vraag als zodanig of van het als juist in aanmerking genomen antwoord vast te stellen.
- De beroepsinstantie wijst erop “dat de CLEAR-toets een specifiek format volgt”: “Het gaat over het goed kunnen inschatten (in de antwoordmogelijkheden) van situaties in het licht van bepaalde vooropgestelde waarden of doelen die in de stam van de vraag aan bod komen. Zo wordt voor elke vraag specifiek aangegeven binnen welke contouren het antwoord moet passen, bv ‘meest constructief’, ‘meest oplossingsgericht’, ‘best passen binnen…’, ‘het meest kans op…’ enz. Voor elke vraag is er slechts één antwoordmogelijkheid die het best aansluit bij deze contouren. Dit sluit niet uit dat andere antwoordmogelijkheden enigszins of deels kunnen aansluiten bij de contouren van de vraag, maar zij doen dit niet ‘het best’ of ‘het meest’ en zijn daarom fout. Ook is het zo dat sommige van de foute antwoordmogelijkheden – in een weliswaar andere context dan de vraag – toch plausibel kunnen zijn, maar dat verleent hen nog niet de status van ‘het juiste antwoord’ in de context van de vraagstelling.” De beroepsinstantie voegt daar aan toe dat het “de examencommissie [er] niet om te doen [is] om vast te stellen hoe de deelnemer in zijn of haar dagelijkse leven zelf op een bepaalde situatie reageert”: “Wel peilt de CLEAR-toets naar het intrinsiek basaal vermogen van de deelnemer om specifieke situaties te kunnen analyseren en te oordelen in welke mate de gepresenteerde antwoordmogelijkheden aansluiten bij de onderliggende principes van heldere, empathische en oplossingsgerichte communicatie. Deze principes zijn vervat in het acroniem van CLEAR. Zij staan op de website van het toelatingsexamen vermeld en worden ook in de informatiebrochure beschreven zodat deelnemers zich hiermee vooraf kunnen vertrouwd maken. Of een antwoord juist of fout is, heeft dus een objectieve grondslag, met name of het al dan niet het meest conform is aan de CLEAR-principes. De onderliggende basis voor deze principes zijn wetenschappelijke kaders die onder meer in klassieke handboeken over communicatie aan bod komen. De experten die de CLEAR-toets opstellen, zijn vanuit hun professionele activiteiten vertrouwd met deze wetenschappelijke kaders. Dit alles maakt dat de CLEAR-toets wetenschappelijk onderbouwd en objectiveerbaar is.” IX-10.335-10/16
- Met betrekking tot de CLEAR-toets mag nogmaals worden onderstreept dat gepeild wordt naar het meest plausibele antwoord of het antwoord dat het gewenste resultaat het best benadert. Dat sluit dus niet uit, eensdeels, dat naast de vier antwoordmogelijkheden nog andere reacties denkbaar zijn die nog beter inspelen op de gegeven casus of, anderdeels, dat meer dan één geboden antwoord een eindweegs de richting uitgaat van de gewenste uitkomst. De kandidaat moet nu eenmaal kiezen tussen de vier voorgestelde mogelijkheden – geen andere – en daartussen het “beste” antwoord kiezen: dat is, in de definities van het examen, het enige “juiste” antwoord.
- Op de terechtzitting merkt de raadsman van verzoekster op dat in het intern beroep ernstige bezwaren zijn geformuleerd, ondersteund door wetenschappelijke geschriften, over de methodologie om de generieke competenties te testen aan de hand van de CLEAR-vragen. Volgens verzoekster is het onmogelijk om de vaardigheden te toetsen aan de hand van de vijftien CLEAR-vragen. Voor zover verzoekster met dit pleidooi ter terechtzitting ook aan de Raad van State vraagt om zich over de methodologie van de CLEAR-vragen als geheel uit te spreken, is deze vraag onontvankelijk. Ongeacht wat verzoekster immers heeft aangevoerd in haar intern beroep, voert zij prima facie hierover thans geen afzonderlijk middel aan in het inleidend verzoekschrift. Alleszins volstaat het niet daartoe in het verzoekschrift de volgende vrijblijvende en louter opiniërende alinea’s te schrijven: “Vooreerst stelt de bestreden beslissing dat ‘CLEAR’ de algemene basiscompetenties test met betrekking tot empathische communicatie bij toekomstige studenten geneeskunde. Als we echter de antwoorden, stam en vraagstelling vergelijken met voorgaande jaren, zijn de nuanceverschillen miniem. De vraag stelt zich dus of de CLEAR toetst, gezien de heel kleine nuanceverschillen die moeten gezien worden door de studenten
(2023), eerder geavanceerde competenties test in plaats van basisvaardigheden. Verder stelt de bestreden beslissing dat vraag of een antwoord juist of fout is, ‘een objectieve grondslag’ zou hebben omdat deze ‘het meest conform is IX-10.335-11/16 aan de CLEAR principes’, maar men toont niet aan […] dat deze CLEAR principes op hun beurt onbetwistbaar objectief zijn.... Dit blijkt apodictisch uit het feit dat verzoekster voor deze generieke competenties wel slaagt op het examen Tandarts, maar niet bij Arts. Nochtans is verzoekster dezelfde persoon en zou de test die beweert competenties te meten op een objectieve wijze dan ook steeds tot dezelfde resultaten dienen te komen.” b. derde middelonderdeel
- Op het eerste gezicht lijkt de examencommissie – of de beroepsinstantie – geen ruimte gelaten te worden om in het kader van haar deliberatiebevoegdheid rekening te houden met resultaten die de kandidaat behaalt op (onderdelen van) andere afgelegde toelatingsexamens. Verzoekster lijkt dan ook geen belang te hebben bij haar grief dat de beroepsinstantie niet heeft geantwoord op de daarop betrekking hebbende “beschouwing”, aangezien dat antwoord hoe dan ook niet ertoe had kunnen leiden dat zij voor het toelatingsexamen arts gunstig gerangschikt wordt. Wat voorts de vragen 13 en 14 van de CLEAR-toets betreft, gaat verzoekster eraan voorbij dat het “afwijkend antwoordpatroon” de examencommissie inderdaad “tot nadenken [deed] stemmen”. De vragen zijn immers aan de itemresponsanalyse onderworpen en als “mogelijke probleemvragen” geïdentificeerd en de examencommissie heeft vervolgens onderzocht of en gemotiveerd waarom deze vragen niettemin valide zijn. Hieraan gaat verzoekster in het derde middelonderdeel voorbij. Of beide vragen terecht behouden zijn, is dan weer voorwerp van het eerste en het tweede middelonderdeel. Het derde middelonderdeel lijkt niet ontvankelijk en is dus niet ernstig. c. tweede middelonderdeel IX-10.335-12/16 14.
- Vraag 14 van de CLEAR-toets luidt: “Je bent trainer van een junior (13-14-jarigen) voetbalploeg en je ploeg staat redelijk goed gerangschikt. Voor de ploegopstelling probeer je in de eerste plaats voor het spelplezier en een harmonieuze opstelling te gaan. Maar voor de laatste wedstrijd van het seizoen wil je toch vooral inzetten op winnen: deze wedstrijd bepaalt jullie klassement voor het volgende seizoen. Dit betekent dat je een aantal spelers moet teleurstellen. Je spreekt met de ganse ploeg en legt eerlijk je kaarten op tafel. Je spelers vatten het sportief op: ze willen gaan voor de winst. Maar ’s avonds hangt er een erg boze vader aan de lijn: waarom zijn dochter niet werd opgesteld, wil hij weten. Hoe reageer je op deze vader met begrip voor zijn boosheid en voor de afspraken die je met de ploeg maakte?
- ‘Ik had het ook liever anders gezien maar winnen is voor deze wedstrijd belangrijker dan ooit.’
- ‘De ploegopstelling is goed overwogen en besproken met de ganse ploeg, ik wil me daar nu ook aan houden.’
- ‘Ik begrijp uw boosheid, ik denk erover na en ik leg een alternatieve opstelling aan de ploeg voor.’
- ‘Ik begrijp uw boosheid maar uw dochter was ook akkoord met ploegopstelling.’” Verzoekster heeft op haar examen reactie 4 als juist antwoord ingevuld. 14.
- De beroepsinstantie oordeelt dat deze vraag eenduidig en inhoudelijk correct is opgesteld en slechts één juist antwoord heeft, namelijk reactie
- Volgens de beroepsinstantie peilt de vraag “naar het vermogen om begripvol mee te leven met de groep en de betrokken persoon”. Zij licht de vier antwoordopties van deze vraag nader toe als volgt: “
- ‘…liever anders gezien…’: met deze uitspraak neem je afstand van de groepsafspraken en laat je de groep in de steek. Dit getuigt niet van begrip voor de afspraken die je met de ploeg maakte.
- ‘…goed overwogen en besproken met de ganse ploeg, ik wil me daar nu ook aan houden.’ Met deze uitspraak verdedig je het standpunt dat werd ingenomen door de ganse groep zonder de boosheid van de vader te laten escaleren. Je toont begrip voor de boosheid van de vader door de strategie toe te lichten (‘ploegopstelling is goed overwogen’ = actief luisteren = ingaan op de gevoelens van de toehoorder). Door in het antwoord te verwijzen naar ‘de ganse ploeg’ onderstreep je op een neutrale manier, zonder te verwijzen naar de betrokken persoon (dochter), het belang van de IX-10.335-13/16 in groep gemaakte afspraken. Het is begripvol voor zowel de ploeg als de vader.
- ‘…ik denk erover na en ik leg een alternatieve opstelling...’: met deze uitspraak neem je afstand van de afspraken die je met de ploeg maakte. Door te verwijzen naar een alternatieve ploegopstelling ga je in op de boosheid van de vader, maar dit gaat ten koste van de ploeg(afspraken).
- ‘…maar uw dochter was ook akkoord met ploegopstelling.’ Door expliciet de dochter in het verhaal te betrekken, doe je tekort aan zowel de vader als de ploeg. Door naar het akkoord van de dochter te verwijzen, speel je de dochter uit tegen haar vader die zo in een geïsoleerde positie komt te staan. Je minimaliseert dus zijn boosheid wat niet begripvol is. Ook ben je als trainer niet meer solidair met de ganse ploeg door expliciet één speelster, in casu de dochter, naar voor te schuiven. Als trainer vertegenwoordig je de ganse groep, niet één enkele speelster, als het gaat om gezamenlijk gemaakte afspraken. Je doet dus tekort aan beide partijen.” 14.
- Zoals verzoekster opmerkt, behelst reactie 4 een uitdrukkelijke verwijzing, met begrip, naar de boosheid van de vader. Is dit in reactie 2 minder uitgesproken het geval – het begrip verloopt indirect door de vader niet tegen te spreken maar de strategie toe te lichten – dan toont deze reactie anderzijds duidelijk méér begrip voor de afspraken met de ploeg dan de reactie “uw dochter was ook akkoord”, waarin de ploegafspraken geenszins betrokken worden. Verzoekster weerlegt voorshands niet de aangehaalde motivering waarom reactie 4 “tekort [doet] aan beide partijen” door de dochter “in het verhaal te betrekken”. Het komt de Raad voor dat de beroepsinstantie in die omstandigheden reactie 2 terecht als de meest passende van de vier opgegeven mogelijkheden beschouwt. Die zienswijze van de beroepsinstantie is op het eerste gezicht niet onredelijk te noemen. Verzoekster toont vooralsnog het tegendeel niet aan. 14.
- Het tweede middelonderdeel is niet ernstig. d. eerste middelonderdeel IX-10.335-14/16
- Nu het tweede middelonderdeel is verworpen als niet ernstig, heeft verzoekster geen belang bij het eerste middelonderdeel. Immers, zelfs indien haar kritiek over vraag 13 van de CLEAR-toets gegrond is – in de huidige stand van de procedure: ernstig is – biedt dat haar enkel perspectief op vier extra punten. Zij zou dan 58 punten hebben op 120 en dus nog steeds niet geslaagd zijn voor het gedeelte GC, terwijl het geslaagd zijn voor dit gedeelte een voorwaarde is om gunstig gerangschikt te worden. Het eerste middelonderdeel lijkt onontvankelijk en is dus niet ernstig. e. besluit
- Het enige middel is in genen dele ernstig, zodat de vordering niet kan worden ingewilligd. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijfentwintig september tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. IX-10.335-15/16 De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.335-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.429 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div