id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.441 Rolnummer: A. 240026/IX-10333 Zaak: Arrest 257441 - Examens (onderwijs) - 26/09/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-09-27 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-06-10 12:40 Fiche Arrest nr 257.441 van 26 september 2023 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 257.441 van 26 september 2023 in de zaak A. 240.026/IX-10.333 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sophie De Maeijer en Kris Lens kantoor houdend te 2800 Mechelen Grote Nieuwedijkstraat 417 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 5 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2630 Aartselaar Groenenhoek 61 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 14 september 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van scholengroep 5 van het Gemeenschapsonderwijs van 29 augustus 2023 waarbij een oriënteringsattest B wordt toegekend aan XXXX. Tevens wordt gevorderd “[b]ij wijze van voorlopige maatregel, verzoeker, […] toe te laten tot de doorstroomfinaliteit ASO in het eerste jaar van de derde graad (5de middelbaar).” IX-10.333-1/19 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 september 2023, om 10.00 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Matias Osorio Olivera, die loco advocaten Sophie De Maeijer en Kris Lens verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jan Fransen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Tijdens het schooljaar 2022-2023 is verzoeker leerling in het tweede jaar van de tweede graad natuurwetenschappen (doorstroom ASO) aan het atheneum te Keerbergen, onderwijsinstelling die behoort tot scholengroep 5 van het Gemeenschapsonderwijs. Op het einde van het schooljaar tekent verzoeker jaartekorten op voor Frans (31%) en SDG financieel economische competenties (34%). De klassenraad kent aan verzoeker een oriënteringsattest B toe, met clausulering van de doorstroomfinaliteit ASO en gunstig advies overzitten. IX-10.333-2/19 Na overleg roept de directeur de klassenraad opnieuw samen. Het attest blijft ongewijzigd, waarna verzoeker een beroep instelt bij het schoolbestuur. Met de thans bestreden beslissing handhaaft de beroepscommissie op 29 augustus 2023 het toegekende attest. IV. Herinnering aan de voorwaarden voor het bevelen van een schorsing of een andere voorlopige maatregel 4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts bij uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing van de tenuitvoerlegging of tot het bevelen van een andere voorlopige maatregel worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing of tot het opleggen van een andere voorlopige maatregel. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid 5. Het vervuld zijn van de schorsingsvoorwaarde over de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt door de verwerende partij terecht niet in vraag gesteld. VI. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel IX-10.333-3/19 6. Het eerste middel is geput uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘houdende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (“formelemotiveringswet”) en van het zorgvuldigheids-, redelijkheids- en motiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoeker herinnert aan de artikelen 38 en 39 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het secundair onderwijs’ en concretiseert vervolgens: “Ten eerste wordt opgemerkt dat de bestreden beslissing geen blijk geeft van enig prospectief onderzoek, laat staan dat dit onderzoek wordt onderbouwd met sterk doorgedreven motieven – zoals verwacht mag worden bij de toekenning van een oriënteringsattest B. (RvS 10 september 2018, nr. 242.275, p. 9-10.) Integendeel, verweerster legt de focus quasi uitsluitend op de behaalde resultaten en de studiehouding van het voorbije schooljaar – hetgeen een hoofdzakelijk retrospectief onderzoek uitmaakt –, en beperkt het toekomstverkennend onderzoek tot een verwijzing naar de persoonlijke (medische) uitdagingen van verzoeker. Hierbij wordt nergens gemotiveerd waarom het jaartekort voor Frans en het jaartekort voor FEC het verzoeker thans ‘onmogelijk’ maken om te slagen in de doorstroom ASO. Temeer nu het vak FEC zelfs niet terugkeert in het volgende schooljaar. Er wordt evenmin gemotiveerd waarom de persoonlijke (medische) uitdagingen van verzoeker en diens studiehouding een slagen in de doorstroom ASO onmogelijk zouden maken. Nochtans lijkt dit hier des te wenselijker, nu het algemeen geweten is dat leerlingen met hoogbegaafdheid hier gaandeweg beter mee leren omgaan. Er mag dan ook niet zomaar van uit worden gegaan dat verzoeker zich in het volgende schooljaar in een identiek scenario zal bevinden, wat betreft diens (omgang met) persoonlijke (medische) uitdagingen en studiehouding. Bijgevolg is er sprake van ernstige motiverings- en zorgvuldig[s]heidsgebreken. Ten tweede lijkt verweerster zich aan te sluiten bij het standpunt van de delibererende klassenraad dat een zwaar tekort voor analytische meetkunde maakt dat een succesvolle aansluiting in een wiskundig georiënteerde opleiding van de derde graad onmogelijk zou zijn. Ook deze redenering is wel erg kort door de bocht. Niet alleen omdat het vak wiskunde ruimer is dan het onderdeel van de analytische meetkunde, maar bovendien ook omdat nergens wordt aangetoond waarom verzoeker dit niet met enige remediëring zou kunnen oplossen – in de rand wordt bovendien nog opgemerkt dat de klasmediaan voor dit examenonderdeel slechts 41% bedroeg (stuk 27). IX-10.333-4/19 Los daarvan moet er bijkomend op gewezen worden dat de doorstroomfinaliteit ASO in de 3de graad (veel) meer te bieden heeft dan louter wiskundig georiënteerde opleidingen. Niettegenstaande verzoeker een voorliefde heeft voor wiskundige opleidingen, werd er niet uitgesloten dat hij een andere studierichting volgt. Met de motivering die voorligt in de bestreden beslissing, en de nuance die gelegd wordt met betrekking tot wiskundig georiënteerde opleidingen, is een uitsluiting uit de gehele doorstroomfinaliteit ASO in elk geval een brug te ver, wat getuigt van een kennelijke onredelijkheid. Ten derde motiveert verweerster helemaal niet waarom de vastgestelde gebrek(
- en)in de basiskennis en vaardigheden nu wel of niet remedieerbaar worden geacht in het specifieke geval dat voorligt van verzoeker. In de bestreden beslissing wordt louter opgemerkt dat er in het voorbije schooljaar reeds remediëring zou aangeboden zijn (voor het vak Frans), maar dat verzoeker hier niet steeds op zou ingegaan zijn. Hiermee lijkt verweerster te impliceren dat zich in een volgend schooljaar hetzelfde zal voordoen, hetgeen uiteraard een gevaarlijke assumptie uitmaakt. Temeer nu verweerster op de hoogte was van de ongunstige (familiale) situatie die zich bij verzoeker in het voorbije schooljaar voordeed, maar hetgeen geen blijvende situatie uitmaakt. Integendeel, zowel in het beroepschrift alsook tijdens de hoorzitting heeft verzoeker er expliciet op gewezen dat de familiale situatie zich inmiddels gestabiliseerd heeft, dat er een familietherapie werd opgestart, dat de ouders van verzoeker zich opnieuw zullen inzetten voor verzoeker, dat er opnieuw bijlessen worden georganiseerd, enzovoort. Dit lijkt verweerster echter niet in het minste geïnteresseerd te hebben. In de bestreden beslissing merkt zij louter op dat het ‘zonder verhoogde zorg en zeer doorgedreven externe begeleiding’ niet zou lukken. Nog los van het feit dat verweerster hier zelf (!) te kennen geeft dat het dus wel degelijk mogelijk zou zijn dat verzoeker volgend schooljaar met vrucht beëindigt, mits bepaalde ondersteuning, negeert zij het feit dat de verhoogde zorg en de ‘doorgedreven’ externe begeleiding werden opgestart. Ten vierde motiveert de beroepscommissie op uitvoerige wijze waarom zij het wenselijk acht dat verzoeker opteert voor de doorstroom TSO, in plaats van ASO, en wijst zij hierbij op de inhoudelijke en praktische verschillen tussen beide doorstroomfinaliteiten. Evenwel vormt ook dit geen motivering voor het zogezegd onmogelijk slagen van verzoeker in de doorstroom ASO. In de rand wordt overigens opgemerkt dat de doorstroom TSO evenzeer sterk wiskundig georiënteerde opleidingen bevat, die verzoeker hier dan wel zou mogen aanvatten, terwijl verweerster met de klassenraad van mening is dat een succesvolle aansluiting in een wiskundig georiënteerde opleiding van de derde graad onmogelijk zou zijn. Ten vijfde wuift verweerster in de bestreden beslissing de aangehaalde kritiek van verzoeker soms op ongefundeerde wijze weg. Een voorbeeld betreft de discussie aangaande het niet concretiseren van welke leerplandoelstellingen niet behaald werden. IX-10.333-5/19 Nochtans was de initiële beslissing van de delibererende klassenraad geënt op deze doelstellingen, en was de vraag om bijkomende uitleg hieromtrent vanwege verzoeker dan ook terecht. Temeer wanneer zij per e-mail van 8 juli 2023 van de directeur van het Atheneum te Keerbergen – tevens intern beroepscommissielid – te horen kregen dat de leerplandoelstellingen een soort van onbekende factor zijn, waaraan wel getoetst mag worden, maar waarvan niet mag worden verwacht dat zij bij naam worden genoemd (stuk 15) – wat in andere scholen overigens wel blijkt te lukken. In de bestreden beslissing wordt de kritiek van verzoeker beantwoordt met volgende opmerking: ‘Er is geen regelgeving die scholen oplegt om leerplandoelen en eindtermen te benoemen bij evaluatie en deliberatie. Er is geen regelgeving die aan scholen opleg om de eindtermen die niet behaald worden op die manier naar ouders toe te benoemen.’ Deze redenering gaat echter niet op. Het getuigt van kennelijke onredelijkheid dat verweerster enerzijds in haar evaluatiebeslissingen kan stellen dat bepaalde leerplandoelen niet gehaald werden, maar zich anderzijds verstopt achter het vermeende niet-bestaan van regelgeving die haar verplicht om kenbaar te maken over welke leerplandoelen het dan wel zou gaan. Minstens heeft zij die opening zelf gecreëerd door de leerplandoelen als toetsingscriterium te hanteren. In dat geval is het namelijk niet onredelijk dat een betrokkene vraagt welke leerplandoelen al dan niet gehaald zouden zijn. Dit zou bijkomend in strijd zijn met het patere legem quam ipse fecisti-beginsel (stuk 6). Ten zesde, en louter ten overvloede, diende verweerster in casu minstens stil te staan bij de mogelijkheid en effectiviteit van minder verregaande maatregelen, zoals vakantietaken, bijkomende proeven of remediëringsinitiatieven tijdens het volgende schooljaar. Zeker nu verzoeker hier expliciet om vroeg in diens beroepschrift, alsook tijdens de hoorzitting. (RvS 20 november 2014, nr. 229.253, p. 14; RvS 23 oktober 2014, nr. 228.906, p. 20.) Het gemis van enige overweging hieromtrent in de bestreden beslissing maakt aldus een verder motiveringsgebrek uit. Laat staan dat het gevoerde onderzoek als zorgvuldig kan worden omschreven. Het staat dan ook vast dat de (aangevochten) clausulering nergens in de bestreden beslissing wordt verantwoordt. Bijgevolg is de bestreden beslissing met miskenning van de artikelen 2 en 3 van de Formele Motiveringswet, alsook met miskenning van het zorgvuldigheids-, redelijkheids-, en motiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot stand gekomen.” Beoordeling IX-10.333-6/19 7. In de toelichting bij het middel verwijst verzoeker naast de acht aangehaalde argumenten ook voorafgaandelijk naar de artikelen 38 en 39 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het secundair onderwijs’. Het is een besluit dat op verzoeker niet meer van toepassing lijkt nu het in het tweede leerjaar van de tweede graad heeft opgehouden van toepassing te zijn op 31 augustus 2022 (artikel 82, tweede lid, 2°, van het voormelde besluit van 19 juli 2002, ingevoegd bij artikel 100 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2022 ‘over de organisatie van het secundair onderwijs, wat leerlingen betreft’). Het middel, dat uitgaat van het tegendeel, faalt prima facie in die mate naar recht. 8.1. Volgens verzoeker geeft de beroepscommissie geen blijk van het noodzakelijk toekomstverkennend onderzoek naar zijn slaagkansen in een volgend jaar. 8.2. Verzoeker lijkt de beslissing anders te lezen dan de Raad van State. Zo motiveert de beroepscommissie de clausulering van doorstroom ASO specifiek en uitvoerig als volgt: “Verzoekers voeren aan dat het vak Frans, ongeacht het aantal lesuren, niet zozeer een (traditioneel) ‘richtingsvak’ uitmaakt in de studierichting Natuurwetenschappen. Zij gaan daarbij voorbij aan het onderscheid tussen basisvorming en specifieke vorming. In de 2de graad doorstroomfinaliteit in het secundair onderwijs behoort Frans tot de verplichte basisvorming van elke leerling, ongeacht het gekozen structuuronderdeel. Er werd door de overheid bewust gekozen om de vorming in de 2de graad doorstroomfinaliteit, en in het bijzonder ASO, zo breed mogelijk te houden om de leerlingen een zo breed mogelijke studiekeuze in de derde graad toe te laten. Een of meer tekorten op een vak of vakken uit in de basisvorming kunnen dan ook indicatief zijn voor clausuleringen. […] Naast de tekorten voor Frans en SDG, heeft XXXX heel wat hiaten in zijn kennis en vaardigheden voor vele vakken behorend tot de basisvorming. Voor 6 van de 9 examenvakken behaalde XXXX minstens één tekort verspreid over het schooljaar. De vele onvoldoendes op de examens zowel met kerst als in juni, tonen aan dat de leerstof niet grondig genoeg verwerkt werd en beheerst wordt. Het zware tekort voor analytische meetkunde maakt al minstens een succesvolle aansluiting in een wiskundige IX-10.333-7/19 georiënteerde opleiding van de derde graad, met 7 uur wiskunde, onmogelijk. Doorheen het schooljaar blijkt dat XXXX een leerling is die verhoogde zorg nodig heeft, zowel in de schoolcontext als naast de school. De leerling heeft moeilijkheden met concentratie, met studie-organisatie en leerhouding, executieve functies en dergelijke meer. Zonder verhoogde zorg en zeer doorgedreven externe begeleiding lukt het niet. Al deze factoren samen, maken dat de commissie ervan overtuigd is dat een 3de graad doorstroom ASO geen kans op slagen heeft. De leden van de commissie zien, net als de leden van de klassenraad, wel kans op slagen in een derde graad doorstroom TSO. Het pakket basisvorming voor de studierichtingen in de doorstroomfinaliteit is dezelfde. In de minimumdoelen van het specifiek gedeelte zien we echter een verschil tussen de doorstroomrichtingen binnen het ASO en TSO. In het studiedomein STEM - waar XXXX in geïnteresseerd is - dienen er binnen de domeinoverstijgende onderwijsvorm ASO 5 extra minimumdoelen voor moderne vreemde talen (Frans en Engels) bereikt te worden. Voor geschiedenis (waarvoor XXXX ook op examen 2 een tekort behaalde en in het 1ste leerjaar van de 2de graad een jaartekort) dienen er binnen het ASO eveneens 5 extra minimumdoelen bereikt te worden. Ook voor biologie dienen er binnen het ASO 8 extra minimumdoelen bereikt te worden binnen het specifiek gedeelte. Voor aardrijkskunde zijn er dit 4. Binnen de doorstroom TSO studierichtingen zijn boven vernoemde specifieke minimumdoelen niet te bereiken, wat een welkome beperking van het curriculum is voor XXXX. Binnen de opleidingen in de finaliteit doorstroom TSO is er ook geen sprake meer van ‘2 polen’. De opleidingen zijn één-polig en bieden leerlingen een theoretisch-abstracte opleiding in een specifiek studiegebied of domein. De omkadering van deze opleidingen maken het mogelijk en noodzakelijk om klasgroepen kleiner te houden. Dit biedt de mogelijkheid tot een meer persoonlijk gerichtere begeleiding. De commissie is er dan ook van overtuigd dat XXXX in een doorstroomfinaliteit TSO zijn droom om wetenschappen te studeren kan waarmaken en daar ook de ondersteuning en begeleiding zal krijgen die hij nodig heeft om zich academisch te ontwikkelen.” Verzoeker mag het oneens zijn met deze analyse van zijn resultaten en slaagkansen, maar stellen dat er géén motivering is, mist feitelijke grondslag. Daarbij mag nog worden opgemerkt dat een prospectief onderzoek niet verhindert zo lijkt, dat de verwerende partij de door verzoeker IX-10.333-8/19 behaalde resultaten en aangenomen studiehouding betrekt in haar beoordeling over verzoekers toekomstmogelijkheden. Het is immers de essentie van een B-attest, zo lijkt, dat de daartoe beslissende instantie die zich waagt aan een vooruitblik, steunt op de beschikbare objectieve gegevens over de betrokken leerling, in het bijzonder diens resultaten van het voorbije schooljaar, om de redelijke slaagkansen – of beter: het gebrek daaraan – van die leerling in een volgend leerjaar te kunnen inschatten. 9. In de aangehaalde motivering verwijst de beroepscommissie niet enkel naar de tekorten voor Frans en SDG, maar somt zij de tekorten op die verzoeker voor andere vakken doorheen het schooljaar behaalde, dit zowel voor dagelijks werk, examens als voor permanente evaluatie en waaruit blijkt dat verzoeker heel wat hiaten vertoont voor vele vakken behorend tot de basisvorming. Dat verzoeker voor zes van de negen examenvakken minstens een tekort verspreid over het schooljaar behaalde, toont volgens haar aan dat de leerstof niet grondig genoeg verwerkt werd en beheerst wordt. De clausulering van een sterk wiskundig georiënteerde opleiding van de derde graad met zeven uur wiskunde vindt zijn grondslag in het zware tekort voor analytische meetkunde. Daarnaast overweegt de beroepscommissie dat verzoeker een leerling is die verhoogde zorg nodig heeft, zowel in schoolcontext als naast de school aangezien hij moeilijkheden heeft met concentratie, studie-organisatie en leerhouding, executieve functies en dergelijke meer. Volgens de beroepscommissie lukt het zonder verhoogde zorg en zeer doorgedreven externe begeleiding niet. Deze factoren samen laten de beroepscommissie besluiten dat een derde graad doorstroom ASO geen kans op slagen heeft. In de huidige stand van de rechtspleging lijkt deze gevolgtrekking aannemelijk, minstens toont verzoeker het tegendeel niet aan. 10. Ook met zijn opmerking over de “wiskundig georiënteerde opleidingen” lijkt verzoeker de beslissing verkeerd in te schatten. De IX-10.333-9/19 beroepscommissie merkt op – niet méér of minder – dat het tekort voor het onderdeel analytische wiskunde een aansluiting in de derde graad in de “zware” wiskundige richtingen met zeven uur onmogelijk maakt. Het lijkt slechts een aanvullend motief voor een deel van de geclausuleerde richtingen, waarmee de beroepscommissie extra aandacht geeft aan het gegeven dat verzoeker precies beweert vooral in de wiskunderichtingen belang te stellen en dat hij de studierichting wiskunde-wetenschappen wil volgen met het oog op latere studies burgerlijk ingenieur. Verzoeker weerlegt overigens niet overtuigend dit motief door zeer vrijblijvend en hypothetisch te stellen dat hij het zware tekort voor dit onderdeel (20%) met enige remediëring kan oplossen. Verzoeker heeft voorts geen belang, zo lijkt, te argumenteren dat TSO ook sterk wiskundige richtingen bevat die niet worden uitgesloten: het zou immers betekenen dat de opgelegde clausulering nog ruimer moet zijn. Overigens heeft de beroepscommissie in verband met die richtingen erop gewezen dat het curriculum op andere punten lichter wordt en dat er meer ruimte is voor persoonlijk gerichte begeleiding, hetgeen verklaart, zo lijkt, waarom deze richtingen niet geclausuleerd worden. 11.1. De Raad volgt verzoeker in de huidige stand van de procedure evenmin, als hij stelt dat de beroepscommissie de remediëring verkeerd inschat. De beroepscommissie schrijft immers: “Voor de bemerking van verzoekers dat er in het algemeen te weinig remediëring werd aangeboden, worden slechts 2 voorbeelden van het vak fysica aangehaald. Verzoekers gaan stilzwijgend voorbij aan het remediëringsproject dat XXXX opgelegd werd na het tussentijdsrapport 2 voor het vak Engels maar door XXXX niet gemaakt werd. Ook de remediëringstaken voor de vakken Frans en Fysica werden niet volbracht. Het LVS in smartschool is zeer gestructureerd opgebouwd, met vermelding van het vak, de opdracht, de reden en de opvolging nadien. In datzelfde leerlingvolgsysteem lezen we eveneens dat XXXX begeleiding kreeg door de leerlingbegeleider inzake zijn studieplanning en de maatregelen inzake zorg voor de examens. Uit het leerlingvolgsysteem blijkt dat diverse vakleerkrachten aan XXXX remediëringen aanboden, maar dat hij er niet altijd in slaagde om deze ook te maken.” IX-10.333-10/19 Verzoeker weerspreekt deze vaststellingen niet, maar bepaalt zich ertoe opnieuw zeer hypothetisch en vrijblijvend te stellen dat hij volgend jaar meer zijn best zal doen, minstens dat de beroepscommissie geen rekening houdt met de mogelijkheid dat hij volgend jaar meer zijn best zal doen. De beroepscommissie oordeelt evenwel niet onwettig als zij haar prospectief onderzoek steunt op de werkelijk behaalde studieresultaten en kijkt naar de bewezen studiehouding van verzoeker. 11.2. Dat de familiale omstandigheden een grote impact hadden op verzoeker en een weerslag hadden op zijn studies, is de beroepscommissie evenmin ontgaan, aangezien zij schrijft: “In het bezwaarschrift en tijdens de hoorzitting wordt meermaals aangehaald dat het gezin van XXXX een moeilijk jaar kende door het overlijden van een tante in maart 2022 en de palliatieve verzorging thuis van zijn opa voorafgaand aan diens overlijden in februari 2023. Dergelijke omstandigheden kunnen invloed hebben op de studiehouding en studieresultaten van de betrokken leerling. De leden van de beroepscommissie hebben begrip voor de moeilijkheden die deze omstandigheden te weeg brachten. Ook het schoolteam heeft begrip getoond voor deze omstandigheden. Uit het LVS blijkt dat meermaals aanpassingen werden gedaan, uitstel werd verleend en begeleiding werd aangeboden. Omwille van deze redenen werd ook de klassenraad opnieuw samengeroepen. De klassenraad bevestigde op de hoogte te zijn en in haar eerdere deliberatie deze omstandigheden meegenomen te hebben in de beslissing.” De beroepscommissie bevestigt voorts het gunstig advies tot overzitten, “gezien er aangenomen wordt dat de familiale omstandigheden een impact hebben gehad”, hierbij wel aan toevoegend dat “overzitten alleen zinvol is, mits een andere studiehouding”. 11.3. In dit verband mag ook nog worden herinnerd aan wat vaste rechtspraak mag heten, namelijk dat klachten over onvoldoende begeleiding de behaalde resultaten nu eenmaal niet beter maken. IX-10.333-11/19 Hetzelfde geldt prima facie voor resultaten die zijn beïnvloed door objectieve, maar externe factoren zoals de familiale tegenslag die verzoeker heeft moeten beleven. Verzoeker grijpt dit overigens niet aan om bijkomende proeven te vragen en stelt de representativiteit van de behaalde cijfers dus niet in vraag. 11.4. Ten slotte wijst de beroepscommissie ook erop dat de studieresultaten niet enkel zijn beïnvloed door de familiale omstandigheden. Verzoekers hoogbegaafdheid vereist verhoogde zorg en doorgedreven begeleiding. Op deze wijze heeft de beroepscommissie impliciet te kennen gegeven dat een doorstroom ASO geen kans op slagen heeft ongeacht bijkomende remediëring. 12. Wat de beroepscommissie schrijft over doorstroom TSO lijkt geen motief te zijn om de opgelegde clausulering te verantwoorden, maar veeleer een aansporing voor verzoeker om met enthousiasme te kiezen voor een opleiding in de doorstroom TSO. Kritiek op die passus in de bestreden beslissing kan, zo lijkt, de wettigheid van de clausulering doorstroom ASO niet aantasten. In de mate in die passus niettemin ook over ASO wordt geschreven door te wijzen op het verschil in aantal te bereiken minimumdoelen in de beide niveaus, de mindere studiedruk en de kleinere klasgroepen lijkt dit de clausulering alleszins niet tegen te spreken. 13.1. In een vijfde punt stelt verzoeker dat de beroepscommissie de aangehaalde kritiek soms op ongefundeerde wijze wegwuift. Het enige voorbeeld dat hij hiervan geeft, is de discussie aangaande het niet concretiseren van de leerplandoelstellingen die niet werden behaald. Verzoeker beriep zich in zijn beroepschrift op een gebrek aan transparantie betreffende de wijze waarop zijn resultaten gedurende het schooljaar zijn tot stand gekomen, waarbij er zelden tot nooit uitgeklaard wordt welke leerplandoelstellingen al dan niet bereikt werden. De beroepscommissie antwoordt IX-10.333-12/19 dat “verzoekers daarbij een verwachting [stellen] waaraan een lerarenteam niet kan en moet tegemoet komen”, dat “verwacht kan worden dat er feedback gegeven wordt bij een evaluatie in een voor leerling en ouders begrijpelijke taal” en dat “er geen regelgeving [is] die scholen oplegt om de eindtermen die niet behaald werden op die manier naar ouders toe te benoemen”. 13.2. Dat een leraar bij elke toets of examen, afgenomen in de loop van het schooljaar, niet aangeeft welke leerplandoelstelling eventueel niet werd behaald, kan op het eerste gezicht niet onredelijk worden genoemd. Welke regelgeving verzoeker hierdoor dan wel geschonden acht, wordt niet uiteengezet. De motivering van het al dan niet slagen van een leerling ligt in de eerste plaats besloten in de behaalde punten. Die punten worden geacht een representatief beeld te geven van de kennis, de vaardigheden en, voor zover opgenomen in het leerplan, de attitudes van de leerling. Uitgaande van het vermoeden van deskundigheid dat tot weerlegging kleeft aan de hoedanigheid van de leerkracht, worden de toegekende cijfers geacht representatief te zijn om vast te stellen of de leerling al dan niet geslaagd is en om oordeelkundig te kunnen inschatten wat diens slaagkansen zijn in een volgend leerjaar. Een verwijzing naar een bij veronderstelling ordentelijk vastgelegd jaartekort volstaat dan ook in de regel als formele motivering voor die vaststelling. De klassenraad of de beroepscommissie is niet verplicht daarbovenop een opsomming te geven van alle niet behaalde eindtermen of leerplandoelstellingen. Dit zou enkel aan de orde kunnen komen indien de leerling het voormelde vermoeden van het ordentelijk verloop van de quotering aan het wankelen brengt. Vooralsnog onderneemt verzoeker daartoe geen poging. 14. Verzoeker beweert in zijn beroepschrift verzocht te hebben om “minder verregaande maatregelen, zoals vakantietaken, bijkomende proeven of remediëringsinitiatieven”. IX-10.333-13/19 De Raad heeft die vraag niet teruggevonden in het tien bladzijden tellende beroepschrift, noch in het verslag van de hoorzitting. Hij kan het de beroepscommissie dan evenmin kwalijk nemen dat zij zulks nergens gelezen of gehoord heeft. Op wat niet wordt gevraagd, moet prima facie ook geen antwoord komen. 15. Verzoeker heeft zes argumenten opgesomd, welke geen van alle de ernst van het eerste middel aantonen. IX-10.333-14/19 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 16. Verzoeker put een tweede middel uit de schending van het fair play-, onpartijdigheids- en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Volgens verzoeker getuigt de bestreden beslissing van een “zekere vooringenomenheid vanwege verweerster ten aanzien van verzoeker”. Minstens is er volgens hem sprake van een schijn van partijdigheid: “De hoorzitting van 22 augustus 2023 bij de beroepscommissie startte een 20-tal minuten later dan voorzien, maar verliep an sich zonder enige incidenten – met uitzondering van het feit dat de interne leden van de beroepscommissie zich van meet af aan uiterst defensief opstelden. Er werd verder op geen enkel moment tijdens de hoorzitting opgemerkt dat de ‘voorziene tijd’ reeds zou overschreden zijn. Na de hoorzitting werd verzoeker naar buiten begeleid met de aanwezige notulist, en werd hem de vraag voorgelegd of hij nog bepaalde wijzigingen of aanvullingen wenste aan te brengen aan het verslag van de hoorzitting. Aangezien er verschillende lacunes werden opgemerkt in het verslag, alsmede de toevoeging van verkeerde verwoordingen of eigen interpretaties van hetgeen besproken werd, ging verzoeker in op het aanbod van de beroepscommissie en de notulist om nog bepaalde aanvullingen en wijzigingen aan te brengen. Zonder ingelicht te zijn geweest over het vermeend bestaan van een ‘tijdslimiet’ ter nazicht van het verslag, kwam één van de (interne) beroepscommissieleden een 30-tal minuten later naar buiten gestormd met de eis dat het nazicht nu en dan gedaan was. Nadat de raadsman van verzoeker opmerkte dat de beroepscommissie zelf voorzag in de mogelijkheid tot nazicht, en dat hij bovendien bijna klaar was met de aanvullingen, sneerde het beroepscommissielid terug dat hij maar ‘naar de rechtbank moet gaan’. Het beroepscommissielid in kwestie eiste vervolgens de onmiddellijke ondertekening en afgifte van het verslag, en weigerde vervolgens om dit zelf te ondertekenen. Het is pas nadat de raadsman van verzoeker duidelijk maakte dat dit echt niet door de beugel kon, dat zij ondertekende met de toevoeging ‘niet gelezen’ en hierbij benadrukte dat zij het verslag geen seconde meer zou nazien (stuk 25). Los van een uiterst onprofessionele en denigrerende houding ten aanzien van verzoeker en diens raadsman, waarbij geschreeuw en dreigementen niet geschuwd werden vanwege het betrokken beroepscommissielid, kon IX-10.333-15/19 verzoeker zich niet langer van de indruk ontdoen dat er een zekere vooringenomenheid heerste bij de samengestelde beroepscommissie. In de bestreden beslissing start de beoordeling van de beroepscommissie als volgt […]: ‘Verzoekers, vragen bij monde van hun raadsman, een A-attest voor hun zoon […]. Deze vraag staven zij met van een uitvoerig bezwaarschrift en een lijvig stukkendossier. Tijdens de hoorzitting worden nog stukken toegevoegd en toegelicht. De zaak wordt tijdens de hoorzitting uitvoerig besproken. Verzoekers hebben de voorziene tijd van 1 uur volledig benut en met ruim een kwartier overschreden. Verzoekers krijgen na afsluiting van het gesprek de mogelijkheid om het verslag te lezen en te ondertekenen voor kennisname in bijzijn van de notulist. Zij hebben echter in het verslag notulen geschrapt, veranderd en stellingen toegevoegd, waardoor het verslag van de hoorzitting in zijn oorspronkelijke vorm nog enkel leesbaar is in de gewijzigde versie.’ Uit het bovenstaande blijkt dat de beroepscommissie het zelfs niet kon laten om tevens in haar (bestreden) beslissing nog een laatste keer uit te halen naar verzoeker. In de rand wordt overigens opgemerkt dat een beroepschrift van 9 pagina’s en een (uiteindelijke) stukkenbundel van 23 overtuigingsstukken bezwaarlijk als ‘uitvoerig’ of ‘lijvig’ kunnen worden omschreven. Evenmin ziet verzoeker het nut in van een (dergelijke) vermelding in de bestreden beslissing van de beroepscommissie, hetgeen opnieuw het bewijs levert van de aangevoerde vooringenomenheid / partijdigheid bij verweerster. De vooringenomenheid / partijdigheid van verweerster, die merkbaar was aan de houding van de beroepscommissie, zowel tijdens (en na de hoorzitting), reflecteert zich dus eenduidig in de bestreden beslissing, zoals in bovenstaand citaat kan worden waargenomen. Minstens is hier sprake van een schijn van partijdigheid. Het incident met het verslag van de hoorzitting getuigt bovendien ook van een miskenning van het fair play-beginsel. Verzoeker en diens raadsman werden immers opzettelijk onder druk gezet door een lid van de beroepscommissie om meteen tot ondertekening en afgifte van het verslag te gaan. Dit terwijl verweerster de optie tot nazicht zelf aanreikte. Minstens druist dit manifest in tegen de zorgvuldigheidsplicht die rust op verweerster. De bestreden beslissing is dan ook tot stand gekomen met miskenning van fair play-, onpartijdigheids- en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.” Beoordeling IX-10.333-16/19 17. Aangenomen dat verzoeker correct beschrijft wat is gebeurd bij het opstellen, nalezen en verbeteren van het verslag, lijkt dit op enige spanning te wijzen die het betrokken lid van de beroepscommissie beter had vermeden. Verzoeker beweert echter niet dat het verslag van de hoorzitting uiteindelijk niet in overeenstemming is met hetgeen is besproken. Voorts heeft hij alle stukken naar wens mogen neerleggen en ruim een uur zijn argumenten mogen toelichten. Verzoeker toont niet aan dat hij in de uitoefening van zijn rechten is belemmerd. Het lijkt niet onzorgvuldig van de beroepscommissie om de raadsman van verzoeker na een controle van dertig minuten, te vragen om de drie handgeschreven bladzijden notulen te ondertekenen. Het feit dat een lid van de beroepscommissie ergernis toont over het uitlopen van het verhoor, bewijst op het eerste gezicht nog niet dat de beroepscommissie vooringenomen heeft geoordeeld over het dossier. 18. Het tweede middel is niet ernstig. C. Conclusie 19. Bij gebrek aan een ernstig middel moeten de vorderingen worden verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vorderingen. 2. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.333-17/19 IX-10.333-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig september tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-10.333-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.441 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.866 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div