← België

Arrest 257442 - Tucht (openbaar ambt) - 26/09/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.442 Rolnummer: A. 232649/X-17871 Zaak: Arrest 257442 - Tucht (openbaar ambt) - 26/09/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-09-28 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-10 12:40 Fiche Arrest nr 257.442 van 26 september 2023 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 257.442 van 26 september 2023 in de zaak A. 232.649/X-17.871 In zake : Machteld ANDRIES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : 1. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering en de beroepscommissie voor tuchtzaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de GEMEENTE GRIMBERGEN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 5 januari 2021, strekt tot de nietigverklaring van “[d]e beslissing van de Beroepscommissie voor Tuchtzaken van 14 november 2020 waarbij het beroep ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en de tuchtbeslissing (ambtshalve ontslag) van de tuchtoverheid, zijnde het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Grimbergen van 29 juni 2020 wordt bevestigd”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. X-17.871-1/13 Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld. Verzoekster heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 september 2023. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bryan Geerts, die loco advocaat Pascal Lahousse verschijnt voor verzoekster, en advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. In een verslag van 26 maart 2020 signaleert de financieel directeur van de gemeente Grimbergen, mede namens de financieel adviseur L. D., pesterijen van verzoekster, die S. D. ertoe hebben aangezet zijn tewerkstelling te beëindigen en die eerder J. S. ertoe brachten “de vlucht vooruit” te nemen, naar een andere dienst. Op 30 maart 2020 beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen een tuchtonderzoekster aan te stellen. Zij bevraagt verschillende personeelsleden per e-mail, aan de hand van een vragenlijst. In haar 76 pagina’s tellende tuchtverslag van 18 mei 2020 komt zij tot de conclusie dat verzoekster zich schuldig heeft gemaakt aan “een verregaand gebrek aan X-17.871-2/13 respect voor haar leidinggevenden, voor de collega’s en sommige andere leidinggevenden. Daardoor kunnen deze niet op een positieve manier met haar samen werken, zodat zelfs enkelen de dienst verlaten of een volgende carrièrestap niet aandurven.” De enige gepaste tuchtsanctie is volgens het tuchtverslag het ontslag van ambtswege. Na verzoekster op 15 juni 2020 te hebben gehoord, beslist het college van burgemeester en schepenen op 29 juni 2020, “de argumenten van het tuchtverslag tot de zijne makend en rekening houdend met de [35 bladzijden lange] weerlegging van de middelen van verweer van het personeelslid”, om verzoekster de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege op te leggen. Verzoeksters vernietigingsberoep ertegen bij de beroepscommissie voor tuchtzaken (hierna: de beroepscommissie) wordt bij beslissing van 14 november 2020 verworpen. IV. Precisering van het voorwerp 4. Rekening houdend met de aangevoerde middelen, is er reden om, naast de beslissing van 14 november 2020 van de beroepscommissie, ook de tuchtstraf van 29 juni 2020 tot het voorwerp van het voorliggende beroep te rekenen. V. Onderzoek van de middelen A. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 5. In het verzoekschrift voert verzoekster in een tweede middel de schending aan “van de beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen en meer in het bijzonder […] van het zorgvuldigheidsbeginsel, de feitenvinding, schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen”. X-17.871-3/13 Betwist wordt dat het tuchtonderzoek grondig is gevoerd. De bijgebrachte getuigenverklaringen zijn antwoorden op suggestieve vragen die per mailing werden opgevraagd. Ze zijn “geen objectief relaas van feiten” maar meer een “tevredenheidsenquête”, gestuurd “aan een selectieve groep van ‘getuigen’ waarvan men op voorhand met een aan [zekerheid] grenzende waarschijnlijkheid wist dat deze zich negatief zouden uitlaten ten aanzien van verzoekster”. Het is niet te achterhalen “op welke wijze de tuchtonderzoeker de mogelijke ‘getuigen’ heeft aangezocht en/of er al dan niet […] voorafgaandelijk een bespreking is geweest waarna de mailing werd verstuurd”. Het verhoor door middel van per e-mail ingevulde antwoorden biedt geen enkele rechtszekerheid “dat de betrokken persoon weldegelijk die welbepaalde antwoorden heeft gegeven”. Om die problematiek te ondervangen is in het Gerechtelijk Wetboek onder meer het voorschrift van artikel 961/2 opgenomen. 6. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoekster aanvullend dat in het tuchtrecht de rechten van verdediging en het vermoeden van onschuld nageleefd moeten worden en dat een zorgvuldige tuchtoverheid alleen die feiten voor bewezen kan houden die krachtens de algemene beginselen inzake de bewijsvoering bewezen zijn. Beoordeling 7. Nadat het college van burgemeester en schepenen op 30 maart 2020 kennis nam van een verslag van de financieel directeur en de financieel adviseur waaruit zou blijken dat verzoekster een houding aanneemt “waardoor collega’s het niet meer zien zitten om met haar samen te werken”, stelde het een tuchtonderzoekster aan met het oog op het verrichten van het tuchtonderzoek. In het kader van de feitengaring ging deze tuchtonderzoekster over tot een bevraging van personeelsleden. Die bevraging gebeurde om reden van de beperkende maatregelen wegens de COVID-19-pandemie per e-mail aan de hand van een vragenlijst. X-17.871-4/13 Meer bepaald werden, blijkens de bestreden tuchtstraf, de leidinggevenden aangeschreven (“waarvan mag verwacht worden dat zij weten wat er zich binnen hun dienst heeft voorgedaan”), de medewerkers van de financiële dienst (zijnde “de directe collega’s van mevrouw Machteld Andries”) en de medewerkers van de personeelsdienst (“waarvan mag worden aangenomen dat zij vaak met mevrouw Machteld Andries samenwerken”). De ingevulde vragenlijsten zijn op 6 mei 2020 aan verzoekster bezorgd, om haar toe te laten, nog vóór de beëindiging van het tuchtonderzoek en de hoorzitting bij de tuchtoverheid, op de inhoud ervan te reageren. Verzoekster deed dat ook effectief, op 10 en 11 mei 2020. 8. Zoals verzoekster zelf doet gelden, voorziet artikel 4, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 juli 2018 ‘tot vaststelling van de tuchtprocedure voor het statutaire personeel van het lokaal bestuur en tot vaststelling van de werking, de samenstelling en de vergoeding van de leden van de Beroepscommissie voor Tuchtzaken’ (hierna: het tuchtprocedurebesluit) erin dat het tuchtonderzoek het verhoor kan omvatten van, naast het tuchtrechtelijk vervolgd personeelslid, “elke andere persoon”. Overeenkomstig artikel 6 van het tuchtprocedurebesluit moeten de verslagen van de verhoren in het tuchtdossier worden opgenomen. Dat de ingevulde vragenlijsten niet zouden voldoen aan (

  1. al)het vereiste in artikel 961/2 van het Gerechtelijk Wetboek, in verband met de overlegging van schriftelijke verklaringen aan de rechter, is niet relevant voor hun bewijskracht. Het artikel is te dezen niet van toepassing. 9. Om te betwisten dat de tuchtoverheid op grond van de getuigenverklaringen rechtmatig – binnen de grenzen van het recht, inbegrepen de redelijkheid – tot haar voorstelling van de feiten ten laste van verzoekster is gekomen, wordt in het middel in de eerste plaats aangevoerd dat de verklaringen geen objectief relaas van feiten zouden betreffen, maar alleen antwoorden zijn op suggestieve vragen. X-17.871-5/13 De grief wordt niet concreet toegelicht en gestaafd. Bovendien is de grief door verzoekster eerder al bij zowel de tuchtoverheid als de beroepscommissie aangebracht, en door hen gemotiveerd afgewezen. Volgens de tuchtoverheid is een suggestieve vraag “een vraag die het antwoord suggereert door de formulering van de vraag” en is niet in te zien welke antwoorden gesuggereerd worden bij de vragen, waarna zij op een paar vragen ingaat en aangeeft dat er meerdere antwoorden op mogelijk zijn. Bovendien, aldus nog de tuchtoverheid, “valt niet in te zien dat de vragenlijst suggestief is als de meerderheid van de bevraagden voor mevrouw Machteld Andries positieve antwoorden geven”. De beroepscommissie, van haar kant, werpt verzoekster tegen dat zij niet in concreto aangeeft waarom bepaalde vragen suggestief zouden zijn: de vragen, die peilen naar de waarachtigheid van de feiten en het schuldinzicht, zijn noodzakelijk voor het verkrijgen van de juiste inzichten. In plaats van die weerlegging bij haar middel te betrekken en voor de Raad van State te beargumenteren waarom ze ondeugdelijk is, besteedt verzoekster er in het middel geen enkele aandacht aan. Dat doet zij zelfs ook in de laatste memorie niet, nadat zij in het auditoraatsverslag nochtans kon lezen dat de grief niet tot nietigverklaring kan leiden onder meer omdat zij nergens preciseert waarom de tuchtoverheid het verkeerd zag en waarin het suggestieve karakter van de vragen precies gelegen is. In de gegeven omstandigheden kan de grief niet overtuigen. 10. Wie door de tuchtonderzoekster bevraagd werd, en waarom, staat in de tuchtstraf te lezen (zie sub randnummer 7). Dat daarbij ook de financieel directeur en de financieel adviseur zijn, wier verslag de tuchtprocedure heeft uitgelokt, mag niet meer dan logisch heten. Dat de ondervraagden een uitgekozen groep vormen van getuigen die verzoekster slecht gezind zijn, wordt door verzoekster zelf X-17.871-6/13 tegengesproken in het verweerschrift dat zij bij de hoorzitting van 15 juni 2020 aanvoerde. Daarin moet zij vaststellen dat er van de 34 personen die door de tuchtonderzoekster bevraagd werden, “19 positief oordelen”. Overigens klaagt zij in haar beroepschrift bij de beroepscommissie dan weer juist een gebrek aan selectiviteit aan: “Was het ook noodzakelijk om zo veel verschillende mensen te betrekken bij deze bevraging[?] Er had bijna evengoed een affiche in de gangen gehangen kunnen worden met de vraag[:] Wat vind jij van Machteld?” 11. Van een “bespreking” door de tuchtonderzoekster met de getuigen, voorafgaand aan de toezending van de vragen, is er geen spoor. 12. Blijft de grief in verband met de onzekerheid over de identiteit van wie de vragenlijsten beantwoordde. Verzoekster onderwierp de grief eerder ook aan de tuchtoverheid en de beroepscommissie. De tuchtoverheid wijst er in de bestreden tuchtstraf op dat de vragenlijsten per e-mail aan de bevraagden zijn bezorgd en dat de bevraagden de vragenlijst eveneens per e-mail hebben terugbezorgd. De beroepscommissie antwoordde dat verzoekster niet aan de tuchtoverheid heeft gevraagd om haar in de mogelijkheid te stellen de getuigenissen te verifiëren en dat het “niet ten laste van de tuchtoverheid” kan worden gelegd dat zij naliet te gepasten tijde de voorhanden zijnde rechtsmiddelen aan te wenden. Verzoekster brengt daar in het middel niets tegen in. 13. De slotsom uit het voorgaande is dat het middel niet doet aannemen dat de bestreden beslissing niet deugdelijk gemotiveerd is doordat de tuchtoverheid zich voor de vaststelling van de feiten heeft gebaseerd op de besproken getuigenverklaringen. X-17.871-7/13 Het middel wordt in zijn geheel verworpen. B. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 14. Verzoekster leidt in het verzoekschrift een eerste middel af uit de schending “van de beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen en meer in het bijzonder […] van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel, schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen”. Betoogd wordt dat “er geen redelijkheid bestaat tussen de zeer zware sanctie en de feiten” en dat het ondenkbaar is dat enige overheid dezelfde sanctie zou opleggen voor dezelfde feiten. Het is foutief om te stellen dat zij geen onberispelijke loopbaan heeft. Zij heeft een blanco tuchtrechtelijk verleden, haar evaluatieverslagen waren steeds gunstig, er waren geen klachten, noch ingebrekestellingen tijdens haar 25-jarige loopbaan. Voorts verwijst verzoekster naar de zeer positieve getuigenverklaringen die zij aanvoerde en meent zij dat de focus ten onrechte exclusief is gelegd op de getuigenissen die de tuchtonderzoekster bijbracht en die geen bewijskrachtige elementen bevatten. 15. In de memorie van wederantwoord voegt verzoekster nog toe dat er geen zwaarwichtige (tucht)feiten bewezen zijn, dat het veelbetekenend is dat de feiten nooit tot een ingebrekestelling of remediëringstraject aanleiding hebben gegeven, en dat de verwerende partij minstens had moeten overwegen waarom niet een lichtere straf – bijvoorbeeld een overplaatsing naar een andere dienst – gepast was. Beoordeling 16. De opgelegde tuchtstraf is zwaar. Dat volstaat evenwel niet om het middel gegrond te bevinden. X-17.871-8/13 Bij de keuze van de op te leggen tuchtstraf beschikt de gemeente over een discretionaire bevoegdheid. Dat houdt in dat zij de tuchtstraf vrij, naar eigen inzicht, mag bepalen, met dien verstande dat zij binnen de grenzen van, onder meer, het evenredigheidsbeginsel moet blijven. Binnen die grenzen zijn evenwel meerdere beslissingen denkbaar die, hoewel uiteenlopend, nochtans elk als wettig, evenredig, te beschouwen kunnen zijn. Dat de gemeente beslist kon hebben volstaan met een minder zware straf dan het ontslag van ambtswege om verzoekster te bestraffen, betekent dan ook niet dat zij, door dat niét te doen, als het ware van de weeromstuit onwettig heeft gehandeld. Precies om reden van de beoordelingsvrijheid die aan de tuchtoverheid toekomt, is de vraag die het middel doet rijzen niet of de Raad van State in het geval van verzoekster al dan niet zelf ook het ontslag van ambtswege zou hebben opgelegd. Toetssteen daarentegen is of de verwerende partij al dan niet een straf heeft opgelegd waarvan het ondenkbaar is dat zij door enige andere overheid, in redelijkheid oordelend, zou worden opgelegd. Als wettigheidsrechter moet de Raad van State bij de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel niet de afweging overdoen die het college van burgemeester en schepenen bij het opleggen van de tuchtstraf maakte, maar is zijn bevoegdheid ertoe beperkt om na te gaan of, rekening houdend met de verantwoording voor de tuchtstraf en gelet op de in het middel aangevoerde argumenten, de opgelegde tuchtstraf binnen de perken blijft van wat redelijkerwijze als een evenredige bestraffing kan worden beschouwd, en of de beroepscommissie terecht van oordeel is geweest dat daar effectief aan voldaan is. 17. In de 41 bladzijden lange tuchtstraf wordt onder meer gemotiveerd dat de tuchtonderzoekster terecht heeft voorgesteld verzoekster van ambtswege te ontslaan. De gemeente verklaart expliciet de argumenten van het tuchtverslag tot de hare te maken, luidend: X-17.871-9/13 “Mevrouw Machteld Andries neemt een houding aan die ervoor zorgt dat collega’s het niet meer zien zitten om met haar samen te werken en de dienst verlaten of toch minstens de nodige afstand bewaren om niet het slachtoffer van haar gedrag te worden. Ze mist de empathie die ze nodig heeft om haar gedrag aan te passen aan de gevoelens en noden van anderen. Mevrouw Machteld Andries laat niet blijken dat zij over zelfkennis en een schuldinzicht beschikt. Derhalve kan de tuchtoverheid er niet op vertrouwen dat mevrouw Machteld Andries haar houding zal wijzigen en – als zij dat al doet – dit resulteert in een blijvende positieve houding. Een blaam, een inhouding van salaris en een tuchtschorsing kunnen dus niet garanderen dat haar collega’s beschermd zijn tegen haar negatieve algemene houding. De diensthoofden van andere diensten staan niet te springen om mevrouw Machteld Andries op te nemen in hun dienst […], zodat een mutatie geen haalbaar alternatief is. Ook de personeelsleden van de dienst financiën geven (op één uitzondering
  2. na)aan dat zij de terugkeer van mevrouw Machteld Andries niet zien zitten […]. De enige gepaste tuchtsanctie is daarom het ontslag van ambtswege, aangezien enkel op deze manier de personeelsleden van het bestuur kunnen beschermd worden tegen de negatieve algemene houding van mevrouw Machteld Andries.” Voorts wordt in de tuchtbeslissing onder meer overwogen: “Eén fout, m.n. het buitenwerken van [J. S.], kan misschien op zich gezien de omstandigheden geen doorslaggevend element zijn om (eindelijk) tuchtrechtelijk op te treden tegen haar gebrek aan tact en diplomatie en alle andere gedragingen die getuigen van disrespect voor anderen, maar een tweede gelijkaardig voorval wijst erop dat het bestuur er niet op kan vertrouwen dat mevrouw Machteld Andries geen volgende slachtoffer(
  3. s)maakt, omdat sommige collega’s haar houding niet kunnen waarderen en er ziek van worden. Aldus is het vertrouwen tussen mevrouw Machteld Andries en het bestuur fundamenteel geschonden.” Wat de eventuele mogelijkheid van de overplaatsing van verzoekster naar een andere dienst betreft, argumenteert de gemeente onder meer dat de tuchtoverheid geen enkele aanwijzing heeft dat verzoekster haar houding zal veranderen, dat het dan ook in het algemeen belang is dat zij niet naar een andere dienst wordt overgeplaatst, dat herhaalde opmerkingen in de evaluatieverslagen opgesteld door L. D. eerste kansen waren die evenwel niet het gewenste effect hebben gehad, dat verzoekster tussen 1 juli 2019, datum waarop J. S. de financiële dienst verliet, en 25 januari 2020, datum waarop S. D. om zijn ontslag vroeg, haar X-17.871-10/13 vijfde kans kreeg, en dat niets in haar gedrag erop wijst dat het bestuur erop kan vertrouwen dat zij bij een terugkeer naar de financiële dienst of een andere dienst een andere houding zal aannemen. 18. Op haar beurt begrijpt de beroepscommissie in haar beslissing van 14 november 2020 dat “de rode draad in de vaststellingen” is “dat Machteld Andries geregeld een minachtende en controlerende houding aanneemt en de privacy van leidinggevenden en collega’s schendt […], de directe communicatiestijl eerder respectloos is waarbij zij heel beperkt openstaat voor overleg, zij moeite heeft met kritiek en daardoor ook zelfreflectie moeilijk is en haar houding geregeld manipulatief en zelfs discriminerend is”. De beroepscommissie besluit hieruit dat zij “de visie van de tuchtoverheid over de schending van het vertrouwen [kan] onderschrijven”: “Een goede samenwerking in het belang van de openbare dienst in onderling respect, is duidelijk niet mogelijk en – zelfs rekening houdend met de verzachtende omstandigheden – wordt dit terecht als onomkeerbaar aangemerkt. Dit blijkt duidelijk uit de bekommernis van de tuchtoverheid dat zij er geen vertrouwen in heeft dat Machteld Andries geen volgende slachtoffers maakt omdat sommige collega’s haar houding niet kunnen waarderen en er ziek van worden.” Nog volgens de beroepscommissie was, gelet op het verbreken van de noodzakelijke vertrouwensband, “voor de tuchtoverheid geen andere dan de opgelegde straf mogelijk”. 19. Wat specifiek de evaluaties aangaat, wordt in de tuchtbeslissing overwogen dat in alle evaluatieverslagen opgesteld door L. D. als werkpunt is aangegeven dat het voor verzoekster een werkpunt blijft om de nodige tact en diplomatie aan de dag te leggen. Weliswaar zegt verzoekster een opleiding ‘verbindend communiceren’ te hebben willen volgen, maar zij bewijst niet dat zij ervoor ingeschreven was. Voor de gemeente heet het dan ook duidelijk te zijn “dat mevrouw Machteld Andries het niet nodig acht om haar directe communicatiestijl aan te passen”. Ondanks het besef dat zij heeft van haar directe communicatiestijl, “heeft ze duidelijk geen behoefte om die stijl aan te passen”. X-17.871-11/13 Volgens de beslissing van de beroepscommissie heeft de tuchtonderzoekster niet nagelaten de positieve elementen ten gunste van verzoekster te belichten, zoals “de positieve elementen van de evaluaties waaruit blijkt dat Machteld Andries haar werkzaamheden grondig en correct uitvoert”. Niettemin: “komt de tuchtoverheid – op basis van feitelijke gegevens – terecht tot de bevinding dat Machteld Andries geen onberispelijke loopbaan heeft, de evaluatieverslagen negatieve punten vermelden met betrekking tot haar houding en communicatiestijl en Machteld Andries de kans niet benutte om dienaangaande verbetering na te streven door het volgen van een communicatieopleiding.” 20. In zoverre verzoekster meent dat de getuigenverklaringen die de tuchtonderzoekster bijbrengt, ondeugdelijk zijn, wijst de beoordeling – hiervóór – van het tweede middel uit dat dit niet aannemelijk wordt gemaakt. 21. De omstandigheid dat het college van burgemeester en schepenen de verklaringen die verzoekster aanvoert niet vindt opwegen tegen de voormelde getuigenverklaringen verantwoordt de gemeente als volgt: “Het feit dat [verzoekster] haar werk actief en correct uitvoert, weegt niet op tegen het feit dat zij collega’s ertoe aanzet hun dienst te verlaten én tegen het feit dat zij zich niet loyaal opstelt ten aanzien van haar meerderen en de beslissingen van het bestuur, zich niet op een constructieve wijze inzet en de menselijke waardigheid van haar meerderen en van sommige collega’s niet respecteert. De verweten feiten wijzen op een houding die in het belang van de dienst niet kan getolereerd worden.” De beroepscommissie valt dat als volgt bij: “Het gaat niet op – zoals Machteld Andries probeert voor te stellen – dat de positieve getuigenverklaringen moeten afgewogen worden tegen de negatieve verklaringen. Gewis zijn er meerdere positieve verklaringen maar is de rode draad zoals hiervoor beschreven, prominent.” 22. Gelet op al de voorgaande motiveringen én gelet op het feit dat verzoekster er in het middel niets, alleszins niets wezenlijks, tegen inbrengt, kan de Raad van State er niet toe komen om de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege X-17.871-12/13 zonder elk redelijk verband van evenredigheid te achten met de in aanmerking genomen disciplinaire tekortkomingen. Het middel wordt verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, op een bijdrage van 20 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan het Vlaamse Gewest. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig september tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.871-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.442 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.