id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.443 Rolnummer: A. 240023/IX-10332 Zaak: Arrest 257443 - Examens (onderwijs) - 26/09/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-09-28 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-10 12:40 Fiche Arrest nr 257.443 van 26 september 2023 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 257.443 van 26 september 2023 in de zaak A. 240.023/IX-10.332 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde Minnen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Ballaarstraat 69-71 bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW ONZE-LIEVE-VROUWINSTITUUT BOOM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2630 Aartselaar Groenenhoek 61 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 14 september 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Onze-Lieve-Vrouwinstituut Boom van 30 augustus 2023, waarbij aan XXXX een oriënteringsattest A met clausulering wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 september 2023, om 10.00 uur. IX-10.332-1/19 Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Inne Royackers, die loco advocaat Hilde Minnen verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jan Fransen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is in het schooljaar 2022-2023 leerling in het eerste leerjaar van de eerste graad (1A) met verkennende projecten STEM in het Onze-Lieve-Vrouwinstituut (middenschool) te Boom, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. 3.
- Op het einde van het schooljaar laat verzoeker de volgende resultaten optekenen: Jaaroverzicht Schooljaar VAKKEN Aantal PEV % DW % PW % Tot % uren Beeld 1 70 70 Engels 1 58 58 Frans 3 53 53 Godsdienst 2 45 45 Lichamelijke Opvoeding 2 71 71 IX-10.332-2/19 Mens en samenleving 2 62 62 Muziek 1 64 64 Nederlands 4 48 48 Techniek 2 57 57 Aardrijkskunde 2 49 55 52 Geschiedenis 1 52 51 52 Wiskunde 4 62 57 60 Natuurwetenschappen 2 63 63 63 TOTAAL 56 58 57 57 De klassenraad beslist om aan verzoeker een oriënteringsattest A met clausulering voor alle basisopties van het tweede leerjaar A toe te kennen. De motivering luidt als volgt: “Zwak eindresultaat op jaarbasis TOTAAL (57%) Tekorten op jaarbasis voor Godsdienst (45%) Nederlands (48%) Zwak eindresultaat op jaarbasis % Engels (58%) Frans (53%) Techniek (57%) Aardrijkskunde (52%) Geschiedenis (52%) proefwerken jaartotaal (57%) dagelijks werk jaartotaal (58%).” De klassenraad adviseert vervolgens “om 1A te hernemen”. Overleg met de directeur leidt tot een nieuwe samenkomst van de delibererende klassenraad. De klassenraad handhaaft zijn eerdere beslissing. Die nieuwe beslissing leest als volgt: “De ouders brachten de volgende elementen aan: • De omgeving thuis was niet zoals andere jaren omdat mama niet of minder beschikbaar was omwille van de zorg voor een zieke vader. • Er was een verhuis en verbouwingen thuis gedurende het ganse schooljaar. • Ouders geven aan dat 57 % voldoende is om verder te gaan. De directie heeft uitgelegd dat de totaalscore niet de enige norm is om te beoordelen of een leerling verder kan naar het volgende jaar van dezelfde finaliteit. • Progressie bij volgende vakken: Mens en samenleving, aardrijkskunde • Stabiel: natuurwetenschappen IX-10.332-3/19 • Er is vastgesteld dat er concentratieproblemen zijn en een vermoeden van DCD. Er was nog niet voldoende tijd om hiervoor ondersteuning te kunnen opstarten. Aangezien hij slechts 2 tekorten heeft en 57 % gemiddeld, is het misschien toch mogelijk om te starten in 2A en volgend jaar [verzoeker] sterker te begeleiden zowel thuis als eventueel via school, CLB. Feedback klassenraad: ‘We wisten niet wat we konden doen voor [verzoeker].’ De oudere broer heeft ook DCD, deze handvaten konden al uitgetest worden. Er kwam regelmatig feedback, feedforward, informatie op toetsen om te laten weten wat [verzoeker] concreet kon doen om zijn resultaten te verbeteren. Hier werd ook naar verwezen in rapportcommentaren. Leerkrachten stellen vast dat hier weinig tot niet werd op ingegaan. Remediëring Nederlands werd niet gemaakt. Toen de leerkracht op het rapport had geschreven dat [verzoeker] de remediëring niet gemaakt had, kreeg zij een mail waarin [verzoeker] aangaf dat hij niet wist wat hij moest doen om te remediëren. [Verzoeker] had deze info gekregen tijdens een 8ste lesuur waaraan hij had deelgenomen. Na dit 8ste uur is hij verder niet ingegaan op het aanbod van de leerkracht Nederlands. De leerkracht heeft ook tijdens de gewone lesuren tijd voorzien om te remediëren, maar [verzoeker] heeft dit niet gedaan. De basiskennis voor het Nederlands is te beperkt om de gemiste doelen in een vakantietaak in te halen. Bovendien werden er reeds extra inoefeningen aangeboden, maar [verzoeker] maakte deze oefeningen niet. Frans remediëringstaken werden niet gemaakt zoals gevraagd, zie remediëringsdossier. Hij behaalde zelfs een tekort op de taaktaak juni, 47 %. De leerlingen kunnen op maandag, dinsdag en donderdag gebruik maken van de huiswerkklas als thuis studeren moeilijk is. [Verzoeker] maakte hier geen gebruik van. Leerlingen krijgen het aanbod om tijdens de proefwerkenperiode op school te studeren, hier maakte [verzoeker] geen gebruik van. [Verzoeker] was regelmatig niet in orde met materiaal, zie gedragstickets. Hierdoor miste hij oefenkansen. Ouders werden hiervan op de hoogte gebracht via de gedragstickets en via rapportcommentaren. De klassenraad benadrukt dat de totaalscore van 57 % deels tot stand komt door vakken die niet of in mindere mate bepalend zijn voor de slaagkansen in 2A: beeld 70 %, LO 71 %, M&S 62 % en muziek 64 %. Voor de vakken waarbij verder gebouwd wordt op de basiskennis uit 1A zien we dat enkel voor wiskunde en natuurwetenschappen een redelijke basiskennis (60 %) werd opgebouwd. Voor wiskunde zien we helaas ook een dalende lijn van trimester 1 naar trimester
- Bij de andere vakken waarbij we verder bouwen op de leerstof uit 1A, zien we enkel voor aardrijkskunde een stijgende lijn. Voor de andere vakken staat er ofwel een zwak cijfer ( %) of een tekort. Klassenraad blijft bij het advies om het 1ste jaar A te hernemen omdat ze ervan overtuigd zijn dat [verzoeker] te veel basis gemist heeft. IX-10.332-4/19 De klassenraad gaf geen negatief advies om het jaar te hernemen omdat ze ervan overtuigd zijn dat [verzoeker], met een degelijks basis, mogelijks wel slaagkansen heeft in 2A.” Verzoeker stelt daarop bezwaar in bij het schoolbestuur. 3.
- Op 30 augustus 2023 bevestigt de beroepscommissie het A-attest met clausulering voor alle basisopties van het tweede leerjaar A. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “De beroepscommissie heeft kennis genomen van de uiteenzetting van de papa van [verzoeker]. De beroepscommissie stelt vast dat er in tegenstelling tot de uiteenzetting van de papa, vanuit de school een uitgebreid remediëringsaanbod werd voorgesteld. [Verzoeker] is hier echter niet op ingegaan wat wellicht heeft geleid tot de resultaten die in juni werden behaald. De beroepscommissie is van oordeel dat niet kan worden ingegaan op de vraag om een A-attest met verplichte remediëring te geven. Dit zou immers inhouden dat [verzoeker] naast de volledige leerstof van 2A voor minstens 5 vakken een uitgebreide remediëring zou dienen te volgen. Dat is volgens de commissie niet haalbaar.” IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
- Dat de voorwaarde over de uiterst dringende noodzakelijkheid vervuld is, wordt door de verwerende partij terecht niet in vraag gesteld. IX-10.332-5/19 IX-10.332-6/19 VI. Ernst van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- In een enig middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel: “Doordat de beroepscommissie in een zeer summiere motivering, uitsluitend afgeleid uit het niet volgen van remediëring, het beroep van [verzoeker] afwijst en het A-attest met uitsluiting van alle basisopties voor 2A bevestigt; Doordat de beroepscommissie er vanuit gaat dat een A-attest met verplichte remediëring voor 5 vakken moet worden opgelegd, en hierover oordeelt dat dit niet haalbaar is; Doordat de bestreden beslissing voorts geen antwoord geeft op alle andere door [verzoeker] opgeworpen grieven; Terwijl de niet gevolgde remediëring diende bekeken te worden in het licht van de door [verzoeker] opgeworpen grieven (onder meer een vermoeden van leerstoornis, concentratieproblemen en een moeilijke thuissituatie vanaf het tweede semester) Terwijl een niet opgevolgde remediëring tegelijk blijk geeft van potentieel voor de toekomst; Terwijl [verzoeker] slechts twee jaartekorten heeft: voor godsdienst (45%) en voor Nederlands (48%); Terwijl [verzoeker] aan de interne beroepscommissie verschillende andere grieven [heeft] voorgelegd waarop [hij] een antwoord [mocht] verwachten; Terwijl een globale beoordeling in het licht van de beperkte tekorten en aangehaalde grieven, geen uitsluiting voor alle basisopties kan verantwoorden en de beoordeling door de beroepscommissie aldus een beoordeling op basis van attitudes en niet op basis van niet-behaalde leerplandoelstellingen betreft.” Verzoeker licht toe dat uit artikel 39 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’ (“het organisatiebesluit van 2002”) volgt dat een A-attest met clausulering de redenen moet bevatten waarom de leerling, die het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en die bekwaam wordt geacht zijn studies in een volgend leerjaar verder te zetten, toch de toegang tot welbepaalde richtingen moet worden IX-10.332-7/19 ontzegd. Hij verwijst in dat verband naar “rechtspraak van de Raad van State met betrekking tot het B-attest”. Vervolgens somt verzoeker de grieven op die hij aan de beroepscommissie had voorgelegd. Hij betoogt dat de motivering van de bestreden beslissing in het geheel niet toelaat te achterhalen of zijn grieven bij de beoordeling werden betrokken. Twaalf van de veertien opgesomde grieven worden niet besproken. Alleen op de grief van de gebrekkige remediëring en de vraag om een A-attest met verplichte remediëring wordt door de commissie ingegaan. Het antwoord op die twee grieven volstaat dan weer niet, zo stelt verzoeker. Het volgens verzoeker decisieve motief dat geen gebruik werd gemaakt van de aangeboden remediëring, is “eerder een beoordeling van attitudes dan van niet behaalde leerplandoelen of competenties”. Het motief kan op zichzelf niet het toegekende attest schragen. Bovendien is daarmee bewezen dat er voor verzoeker nog “groeimarge” is. Als de beroepscommissie alleen uitgaat van een gebrek aan remediëring, dan had zij ook moeten ingaan op de leerstoornis en concentratieproblemen van verzoeker. Hetzelfde geldt voor de “moeilijke gezinssituatie”. Die beide elementen kunnen volgens verzoeker een verklaring zijn voor de “slechte studiehouding”. Dat was het doorslaggevende motief en dus moest ook op de andere elementen een antwoord worden geboden. Zijn vraag om een A-attest met verplichte remediëring werd wel beantwoord. Evenwel is verzoeker van oordeel dat de beroepscommissie van een verkeerd uitgangspunt is vertrokken. Zij moest namelijk geen verplichte remediëring opleggen voor de vakken waarvoor verzoeker geslaagd was. Hij slaagde niet voor godsdienst en Nederlands, maar voor alle andere vakken kon hij “veelal overtuigende cijfers” voorleggen. Voor die vakken heeft hij dus de leerplandoelstellingen in voldoende mate bereikt en is remediëring niet noodzakelijk, laat staan verplicht. De beroepscommissie verduidelijkt niet waarom zij verplichte remediëring voor “minstens 5 vakken” nodig acht en ook niet waarom zij dit niet haalbaar acht. In die mate is de beslissing ook onredelijk. IX-10.332-8/19 Verzoeker wijst er voorts op dat de “verregaande uitsluiting voor alle basisopties van 2A” steunt op twee jaartekorten – één tekort voor een “bijkomstig vak” en één “beperkt tekort” voor een bepalend vak. Voor alle andere vakken liggen slaagcijfers voor. Verzoeker stelt de representativiteit van de twee jaartekorten ook in twijfel te hebben getrokken. Voor godsdienst zou hij gewezen hebben op het feit “dat het resultaat maar tot stand gekomen is op basis van enkele toetsen (waarvan [verzoeker] dan nog op minstens één toets een nul kreeg door deze te laat in te dienen […])”. Wat Nederlands betreft had hij een “vermoeden van een mogelijke leerstoornis (dyslexie)” doen gelden. Verzoeker zou geen antwoord gekregen hebben op de vraag welke leerplandoelstellingen voor Nederlands niet behaald zijn en waarom het cijfer voor Nederlands zo zwaar doorweegt dat alle basisopties van 2A moesten worden uitgesloten. De beroepscommissie heeft volgens verzoeker evenmin een prospectief onderzoek naar zijn slaagkansen gevoerd. Er wordt niet gemotiveerd waarom die slaagkansen zo “miniem of nihil” worden ingeschat dat hem zelfs niet de mogelijkheid mag worden geboden het volgende schooljaar in 2A aan te vatten. De twee jaartekorten volstaan in dat opzicht niet. Verzoeker is immers geslaagd verklaard. Een lineaire clausulering vereist een nog grotere zorgvuldigheid op het vlak van motivering. Een A-attest met clausulering moet zeer uitzonderlijk blijven. De beroepscommissie geeft niet aan waarom de situatie van verzoeker zo uitzonderlijk is. Verzoeker betoogt voorts dat de beroepscommissie zich blindstaart op het niet-ingaan op het remediëringsaanbod. Zij heeft zijn grieven ook niet in ogenschouw genomen. Daardoor is er volgens hem sprake van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Getuige daarvan ook het gebruik van niet-ingevulde rechte haakjes “[…]”. IX-10.332-9/19 Verzoeker noemt de bestreden beslissing tot slot ook onredelijk en disproportioneel. Er is volgens hem maar sprake van twee lichte tekorten. Die cijfers acht verzoeker bovendien niet representatief. Er is immers het vermoeden van een leerstoornis en concentratieproblemen. Voor het overige liggen allemaal slaagcijfers voor. Verzoeker wijst ook nog op de moeilijke gezinssituatie. De leerstoornis zal worden onderzocht – en mogelijk tot sticordi-maatregelen leiden. De moeder van verzoeker zal vanaf het begin van het schooljaar opnieuw klaarstaan om begeleiding te bieden. Dat de klassenraad heeft geadviseerd om het jaar over te zitten, toont volgens verzoeker aan dat hij wel een toekomst ziet voor verzoeker in 2A. Beoordeling 7.
- Hoewel hij zijn enig middel niet ontleent aan de schending ervan, verwijst verzoeker in zijn verzoekschrift toch naar artikel 39 van het organisatiebesluit van
- 7.
- In dat verband dient het volgende te worden opgemerkt. Met artikel 100 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2022 ‘over de organisatie van het secundair onderwijs, wat leerlingen betreft’ (“het organisatiebesluit van 2022”) – een besluit dat weliswaar voortbouwt op, maar op termijn volledig in de plaats komt van onder meer het organisatiebesluit van 2002 – werd aan artikel 82 van het organisatiebesluit van 2002 een tweede lid toegevoegd, dat luidt: “Dit besluit houdt op uitwerking te hebben ingevolge de modernisering van het secundair onderwijs op de volgende data: 1° 14 juni 2022: in het eerste en tweede leerjaar van de eerste graad en het eerste leerjaar van de tweede graad; […]” IX-10.332-10/19 7.
- Verzoeker was het voorbije schooljaar leerling van het eerste leerjaar van de eerste graad. Bijgevolg moet op het eerste gezicht worden vastgesteld dat artikel 39 van het organisatiebesluit van 2002, in zijn geval, op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing niet meer van kracht was. 7.
- In het organisatiebesluit van 2022 lijkt een woordelijk identieke bepaling als die van artikel 39 van het organisatiebesluit van 2002, niet te zijn opgenomen. In de huidige stand van de rechtspleging, waar de Raad van State wordt gevraagd “bij uiterst dringende noodzakelijkheid” op te treden en waarbij de rechten van verdediging van de verwerende partij zeer beperkt zijn, valt het de Raad niet toe om eigener beweging na te gaan of er enigszins gelijkaardige bepalingen voorkomen in het nieuwe organisatiebesluit en om vervolgens – na een vergelijking tussen beide – zelf en dus in de plaats van verzoeker na te gaan welke invloed dat heeft op het aangevoerde middel.
- Hoe dan ook voert verzoeker wezenlijk aan dat niet, minstens niet afdoende werd geantwoord op zijn verschillende grieven en dat geen prospectief onderzoek werd gevoerd met het oog op de clausulering van de basisopties in het tweede leerjaar A waaruit zou blijken dat zijn slaagkansen zodanig laag moeten worden ingeschat dat hem de toegang tot alle basisopties in dat tweede leerjaar moest worden ontzegd. Die wettigheidskritiek ziet op de ook door verzoeker in het middel aangevoerde (formele)motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Het middel wordt onder die invalshoek onderzocht.
- Verzoeker lijkt er in zijn middel van uit te gaan dat de beslissing van de beroepscommissie slechts twee motieven bevat, namelijk het motief dat hij niet is ingegaan op de door de school aangeboden remediëringsmogelijkheden en het motief dat een A-attest met verplichte remediëring niet aan de orde is omdat dan voor vijf vakken remediëring moet worden gevolgd, wat de commissie niet haalbaar acht. IX-10.332-11/19 Daarbij verliest verzoeker echter uit het oog, zo lijkt, dat de beroepscommissie uitdrukkelijk heeft aangegeven de “beslissing van de klassenraad” te bevestigen. Met de “beslissing van de klassenraad” lijkt te worden bedoeld de beslissing van de door de directeur opnieuw samengeroepen klassenraad. “Bevestigen” betekent op het eerste gezicht dat de beroepscommissie die beslissing onveranderd heeft gehandhaafd. Onveranderd, zowel wat de attestering, als wat de inhoudelijke overwegingen betreft. Bijgevolg dient prima facie te worden vastgesteld dat de beroepscommissie zich die beslissing van de klassenraad, inbegrepen de motivering ervan, eigen heeft gemaakt.
- Bovendien dient op het eerste gezicht te worden vastgesteld dat wat verzoeker aan de beroepscommissie heeft voorgelegd, ook de klassenraad al voor de voeten werd geworpen: zijn cijfers laten volgens hem wél een overgang naar het tweede leerjaar A toe, de ziekte van zijn grootvader had een weerslag op zijn begeleiding thuis en er bestaat een “vermoeden” van leerstoornis en concentratieproblemen. Het is een leerling niet verboden om de beroepscommissie uit te nodigen om zich opnieuw over dezelfde argumenten te buigen en zich daarover een eigen oordeel te vormen. Dat behoort nu eenmaal tot de zogenaamde devolutieve werking van het beroep en de volle hervormingsbevoegdheid die aan de beroepscommissie is opgedragen. In die omstandigheid echter, namelijk wanneer een leerling zich ertoe beperkt zijn argumenten louter te hernemen zonder grieven te formuleren tegen de tweede klassenraadbeslissing, lijkt het verre van onlogisch dat de IX-10.332-12/19 beroepscommissie zich in hoofdzaak aansluit bij die beslissing van de klassenraad. Als een beroepscommissie vaststelt dat de leerling een argument wezenlijk herhaalt zonder op de repliek van de klassenraad in te gaan en als zij vervolgens meent dat die grief een afdoende antwoord kreeg in de motivering van de klassenraad waarbij zij zich aansluit, dan hoeft zij dat antwoord op het eerste gezicht niet nogmaals over te nemen of te parafraseren in haar beslissing. Verzoeker zwijgt bij de ontwikkeling van het middel in alle talen over die klassenraadbeslissing. Hij geeft de Raad van State niet de minste indicatie in welke mate zijn grieven in die beslissing onbesproken zijn gebleven. Hij lijkt bij het opstellen van zijn verzoekschrift derhalve van een verkeerd uitgangspunt te zijn vertrokken.
- Zulks volstaat op het eerste gezicht reeds om het middel in die mate als niet-ernstig te beschouwen. Immers, het valt andermaal de Raad niet toe om, in de plaats van verzoeker, na te gaan in welke mate het middel nog te betrekken is op de door de beroepscommissie bijgevallen klassenraadbeslissing en of er aldaar wel of niet werd geantwoord op de grieven van verzoeker, dan wel of dit antwoord afdoende is. Het zijn vragen die verzoeker zichzelf alvast niet heeft gesteld; de Raad moet het ook niet in zijn plaats doen. 12.
- Uit wat voorafgaat lijkt ook te volgen dat verzoeker niet van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel kan overtuigen. Verzoeker verwijt de beroepscommissie immers zich te hebben “blindgestaard” op het niet-ingaan op het remediëringsaanbod en zijn grieven niet te hebben beantwoord. Zoals gezien, is die kritiek op het eerste gezicht niet terecht. Ook in die mate kan het middel niet ernstig worden bevonden. IX-10.332-13/19 12.
- Het gebruik van rechte haakjes met gedachtepuntjes in de bestreden beslissing lijkt niet anders te moeten doen besluiten. Bij het sluitende haakje is een voetnoot opgenomen die aangeeft wat de beroepscommissie te doen staat – “[b]evestiging of vervanging van de genomen evaluatiebeslissing. Indien het beroep onontvankelijk is, wijst de beroepscommissie het als onontvankelijk af. Ze neemt hierbij de reden(en) van de onontvankelijkheid van het beroep op. Ze verwijst hierbij naar de ontvankelijkheidsvoorwaarde(n) die het schoolreglement aan een beroep stelt, haar uitnodigingsbrief […] en het debat hierover op de zitting”. Vervolgens heeft de beroepscommissie de beslissing van de klassenraad bevestigd. Door daarin een onzorgvuldigheid te zien, lijkt verzoeker spijkers bij laag water te zoeken. Dergelijke kritiek mist vanzelfsprekend iedere ernst.
- Eveneens in het licht van wat voorafgaat, lijkt de enkele overweging van de beroepscommissie dat “vanuit de school een uitgebreid remediëringsaanbod werd voorgesteld” en dat verzoeker “hier echter niet op ingegaan [is] wat wellicht heeft geleid tot de resultaten die in juni werden behaald”, bezwaarlijk als een determinerend motief te kunnen worden beschouwd. Kritiek op een dergelijk overtollig motief is onontvankelijk. In die mate is het middel dus evenmin ernstig.
- Lezing van de klassenraadbeslissing die door de commissie is bijgevallen leert voorts, zo lijkt, dat wel degelijk een prospectief onderzoek is gevoerd naar de slaagkansen van verzoeker in een tweede leerjaar A. Er wordt in dat verband benadrukt “dat de totaalscore van 57 % deels tot stand komt door vakken die niet of in mindere mate bepalend zijn voor de slaagkansen in 2A: beeld IX-10.332-14/19 70 %, LO 71 %, M&S 62 % en muziek 64 %”, dat “[v]oor de vakken waarbij verder gebouwd wordt op de basiskennis uit 1A […] enkel voor wiskunde en natuurwetenschappen een redelijke basiskennis (60 %) werd opgebouwd”, dat voor wiskunde “een dalende lijn van trimester 1 naar trimester 3” op te tekenen valt, dat voor de andere vakken waarbij wordt voortgebouwd op de leerstof uit 1A alleen voor aardrijkskunde een “stijgende lijn” te zien is en dat voor alle andere vakken “ofwel een zwak cijfer ( De beroepscommissie, door zich aan te sluiten bij de klassenraadbeslissing, beperkt zich in haar onderzoek op het eerste gezicht dus geenszins tot de twee jaartekorten. Zij betrekt wel degelijk ook de andere vakken. Verzoeker van zijn kant, verduidelijkt prima facie dan weer niet waarom dat oordeel niet deugdelijk of niet redelijk zou zijn. In die mate faalt het middel.
- Voor zover verzoeker meent dat hem voor de vakken waarvoor hij geslaagd is geen verplichte remediëring kan of moest worden opgelegd, laat hij prima facie na te verduidelijken welke rechtsregel of welk beginsel zulks zou verbieden of in welke mate de beroepscommissie daarmee haar ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid te buiten zou zijn gegaan. Het enkele feit dat verzoeker geacht moet worden voor de vakken waarvoor hij een slaagcijfer kan voorleggen de leerplandoelstellingen in voldoende mate te hebben bereikt, lijkt bijgevolg niet bij voorbaat uit te sluiten dat voor die vakken verplichte remediëring in een volgend leerjaar wordt opgelegd. Een leerling lijkt daar des te meer bij gebaat wanneer die slaagcijfers de ondergrens van 50% benaderen. Zoals verzoeker zelf aangaf in zijn bezwaarschrift voor de beroepscommissie, scoorde hij “voor veel andere vakken net boven de 50 %”. Het IX-10.332-15/19 hoeft dan niet te verbazen, zo lijkt, dat de beroepscommissie de door verzoeker voorgestelde remediëring noodzakelijk acht voor “minstens 5 vakken”. Dat zij dat niet haalbaar acht, lijkt verzoeker dan weer aan zichzelf te wijten te hebben, nu hij de eerder aangeboden remediëringskansen niet gegrepen heeft. In die mate is het middel evenmin ernstig.
- Wat de representativiteit van het cijfer voor godsdienst betreft, lijkt verzoeker voor de beroepscommissie alleen te hebben aangevoerd dat de “leerkracht was weggevallen voor een lange periode”. Dat, zoals hij thans voor de Raad van State argumenteert, slechts enkele toetsen werden afgenomen, waarvan één een nul-score opleverde wegens te laat indienen, heeft hij prima facie voor de beroepscommissie niet doen gelden. Dat hij op die nieuwe grief dan geen antwoord heeft gekregen, kan hij, zo lijkt, de beroepscommissie bezwaarlijk verwijten. In die mate is het middel evenmin ernstig.
- Een leerling mag erop vertrouwen dat de beroepscommissie een antwoord biedt op die argumenten die hem op het vlak van de resultaten een dadelijk voordeel opleveren. Argumenten die niet van aard zijn om voor de leerling een gunstiger resultaat op te leveren, lijken niet afzonderlijk te moeten worden beantwoord. Hoe een “vermoeden van een mogelijke leerstoornis”, zonder enig stuk gestaafd, verzoeker een onmiddellijk voordeel kan opleveren, is niet evident zichtbaar. Hij mag zich dan ook, zo lijkt, over het ontbreken van een één-op-één-antwoord niet beklagen. IX-10.332-16/19 In die mate is het middel evenmin ernstig.
- Dat Nederlands “zo zwaar doorweegt dat [verzoeker] wordt uitgesloten voor alle basisopties van 2A”, lijkt te berusten op de eerder aangehaalde misvatting van verzoeker. Ook alle andere resultaten – waarvan, zoals gezien, “veel andere […] net boven de 50 %” – werden op het eerste gezicht wel degelijk in de beslissing betrokken. Ook in die mate is het middel niet ernstig. 19.
- Aan de schending van het redelijkheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel geeft verzoeker op het eerste gezicht geen andere invulling dan wat hiervóór al werd weersproken. In die mate kan verzoeker ook van de schending van die beginselen niet overtuigen, zodat het middel ook in die mate niet ernstig is. 19.
- Bijkomend laat verzoeker nog gelden dat de klassenraad heeft geadviseerd om het jaar over te zitten, wat volgens hem aantoont dat de klassenraad wel een toekomst ziet voor verzoeker in 2A. Dat laatste heeft de klassenraad ook uitdrukkelijk als volgt toegelicht: “De klassenraad gaf geen negatief advies om het jaar te hernemen omdat [hij] ervan overtuigd [is] dat [verzoeker], met een degelijke basis, mogelijks wel slaagkansen heeft in 2A.” Verzoeker toont op het eerste gezicht de onredelijkheid van die overwegingen niet aan. Ook in die mate kan het middel niet tot de schorsing leiden. IX-10.332-17/19
- Het middel is in zijn geheel niet ernstig, zodat de vordering moet worden afgewezen. IX-10.332-18/19 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig september tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.332-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.443 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.