id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.466 Rolnummer: A. 231453/VII-40891 Zaak: Arrest 257466 - Milieuvergunningen - 28/09/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-10-05 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-06-10 12:52 Fiche Arrest nr 257.466 van 28 september 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 257.466 van 28 september 2023 in de zaak A. 231.453/VII-40.891 In zake : de BV ABR ENERGY bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Niels Vansimpsen kantoor houdend te 2470 Retie Bosstraat 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Deborah Smets kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 3 augustus 2020, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 13 juni 2020 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de Omgevingsinspectie Antwerpen van 3 februari 2020 houdende het opleggen van bestuurlijke maatregelen met betrekking tot de exploitatie van een vergistingsinstallatie, gelegen Ginnegemveld 2 te Ranst, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 248.152 van 18 augustus 2020 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. VII-40.891-1/19 De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 31 januari 2022 een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 juni 2023. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Niels Vansimpsen, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Deborah Smets, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten VII-40.891-2/19 3.1. De verzoekende partij is exploitant van een vergistingsinstallatie gelegen te Ranst. Op de inrichting zijn niet-vergunde materialen opgeslagen. In de loop van 2011 werd aan de vorige exploitant reeds het bevel gegeven om deze materialen af te voeren. 3.2. In een proces-verbaal van 25 oktober 2019 stelt de toezichthouder van de afdeling Handhaving vast dat op de inrichting nog steeds niet-vergunde materialen worden opgeslagen. 3.3. Op 3 februari 2020 beslissen de toezichthouders van de afdeling Handhaving om opnieuw, ditmaal onder verbeurte van dwangsommen, een aantal bestuurlijke maatregelen op te leggen die strekken tot het verwijderen van de niet-vergunde materialen. 3.4. Tegen voormelde beslissing stelt de verzoekende partij bestuurlijk beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. 3.5. Met het thans bestreden ministerieel besluit van 13 juni 2020 wordt het bestuurlijk beroep gedeeltelijk gegrond verklaard. Volgens dit besluit is de verzoekende partij ertoe gehouden om onder meer de volgende bestuurlijke maatregelen uit te voeren: “b. Het categorie I-materiaal en categorie II-materiaal (met uitzondering van mest en maag-darminhoud) dient voor 15 augustus 2020 te worden opgeslagen of verwerkt bij een daarvoor erkende en vergunde inrichting; c. De afvoer van het categorie I-materiaal en categorie II-materiaal (met uitzondering van mest en maag-darminhoud) dient te worden gestaafd door middel van de nodige afvoerattesten. Op de afvoerattesten voor gedroogd met categorie I-materiaal gecontamineerd product, dient het aantal zakken te worden vermeld; d. De bestemming van het categorie I-materiaal en categorie II-materiaal (met uitzondering van mest en maag-darminhoud) dient in overeenstemming te zijn met de bepalingen van de verordening (EG) 1069/2009 van 21 oktober 2009”. De niet-naleving van de bestuurlijke maatregelen leidt met ingang van 15 augustus 2020 tot het innen van een dwangsom van 3.500 euro per dag als er op de site nog categorie I-materiaal aanwezig is, en van 3.200 euro per VII-40.891-3/19 dag als er nog categorie II-materiaal (met uitzondering van mest en maag-darminhoud) aanwezig is. De bestreden beslissing steunt op de volgende motieven: “Beroepsindiener exploiteert te Ranst, Ginnegemveld 2, een inrichting voor het vergisten van mest en organisch-biologische afvalstoffen. Hiervoor beschikt zij over een milieuvergunning klasse 1 voor een termijn tot 26 juli 2027. Beroepsindiener is vergund voor de opslag van dierlijke bijproducten van categorie 3 en reeds gesteriliseerd materiaal van categorie 2, evenals voor de verwerking van deze materialen door pasteurisatie en vergisting in de co-vergistingsinstallatie. Daarnaast beschikt beroepsindiener over een erkenning dierlijke bijproducten geldig tot 20 april 2021 waarbij de opslag, hygiënisatie op basis van temperatuur en verwerking met de intentie om biogas te produceren wordt toegelaten. De erkenning vermeldt dat deze activiteiten enkel mogen worden uitgevoerd bij materiaal van categorie 3 en voor materiaal van categorie 2 en voor wat betreft mest en inhoud van het maag-darmkanaal. De voorgeschiedenis van de bestreden beslissing kan als volgt worden samengevat. In 2011 werd door de vorige exploitant glycerine aangevoerd, een materiaal van categorie 1, zonder dat de exploitant vergund was voor het aanvaarden en verwerken van categorie 1-materiaal. In mei en juni 2011 werden aan de toenmalige exploitant bestuurlijke maatregelen opgelegd om het categorie 1-materiaal te verwijderen. Op 23 december 2014 diende beroepsindiener een melding in van overname van de milieuvergunning en sindsdien kan zij worden beschouwd als de exploitant. In juli 2016 brak in de inrichting een brand uit waardoor sinds die datum geen vergisting van materialen meer plaatsvindt in de inrichting. In de loop van 2016 voerde beroepsindiener een hoeveelheid categorie l-materiaal af van 51 ton. In augustus 2017 stelden toezichthouders van de omgevingsinspectie vast dat er in totaal nog 650 ton categorie l-materiaal in de inrichting aanwezig was. Inspecties die werden uitgevoerd in juli 2018, januari 2019 en oktober 2019 bevestigden dat er nog 400 à 450 zakken gedroogd digestaat aanwezig waren gecontamineerd met categorie 1-materiaal. Een aantal van de zakken waren gescheurd of gevallen waardoor het gecontamineerde digestaat in het milieu terecht kwam. Tussen februari en mei 2018 werd door beroepsindiener in totaal 2087 ton categorie 3-materiaal aangevoerd (deze hoeveelheid opgenomen in het proces-verbaal bleek later niet correct, zie verder). Tijdens een inspectie in januari 2019 verklaarde de zaakvoerder van beroepsindiener dat het categorie 3-materiaal werd gestockeerd in een van de vergistingsinstallaties, maar dit zonder het materiaal effectief te vergisten. Gelet op de termijn die verstreken was tussen de aanvoer van het categorie 3-materiaal en het moment van inspectie, werd geoordeeld dat het materiaal door verderf inmiddels als niet-gesteriliseerd categorie 2-materiaal diende te worden beschouwd. Beroepsindiener beschikt wel over een vergunning voor de opslag en vergisting van categorie 3-materiaal en reeds gesteriliseerd categorie 2-materiaal maar niet voor de verwerking van categorie l-materiaal of niet-gesteriliseerd categorie 2-materiaal. Op 18 januari 2019 werd beroepsindiener aangemaand om het aanwezige categorie 2-materiaal voor VII-40.891-4/19 1 september 2019 te laten verwerken door een hiervoor erkende en vergunde inrichting. In een proces-verbaal afgesloten op 25 oktober 2019 noteerde verwerende partij de vaststellingen gedaan tijdens een controle op 3 oktober 2019. Het met categorie l-materiaal gecontamineerd digestaat was nog aanwezig in de inrichting, verwerende partij telde in totaal 400 à 450 zakken. Beroepsindiener beschikte nog niet over een vergunning voor deze opslag. Artikel 5.2.1, § 6, eerste lid van het DABM stelt dat voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste of de tweede klasse of voor de verandering ervan een omgevingsvergunning vereist is als vermeld in artikel 6 van het Omgevingsvergunningendecreet. Artikel 6 van het Omgevingsvergunningendecreet stelt dat niemand een vergunningsplichtige activiteit of project mag uitvoeren zonder de nodige voorafgaande vergunningen. Artikel 5.2.1.2, § 5 van VLAREM II stelt specifiek voor die inrichtingen die afvalstoffen verwerken, dat enkel die afvalstoffen op de inrichting mogen worden opgeslagen en verwerkt die uitdrukkelijk zijn vermeld in de omgevingsvergunning. Artikel 5.2.1.2, §1 van VLAREM II stelt dat de exploitant van de inrichting te allen tijde uitzicht dient uit te voeren op de aangevoerde afvalstromen. Beroepsindiener is niet vergund voor de opslag en verwerking van categorie l-materiaal. Artikel 24 van de Europese verordening 1069/2009 van 21 oktober 2009 inzake dierlijke bijproducten stelt dat de inrichting waarin dierlijke bijproducten worden opgeslagen of verwerkt, dient te beschikken over een erkenning waarin tevens het type activiteit en de categorie inzake dierlijke bijproduct waarvoor de exploitatie is erkend, worden vermeld. Beroepsindiener is niet erkend voor de opslag of verwerking van categorie l-materiaal. Een aantal zakken met gedroogd met categorie 1-materiaal gecontamineerd product waren gescheurd of gevallen waardoor het materiaal op de bodem terecht kwam. Verbalisant voegde foto’s van deze vaststellingen toe aan het proces-verbaal. Door deze niet-deugdelijke opslag ontstond een risico dat het materiaal zich naar de omgeving toe kon verspreiden. Artikel 5.2.1.6, §1 van VLAREM II stelt dat de exploitant dient te waken over de goede werking en de zindelijkheid van de inrichting, waarbij de ganse inrichting, regelmatig, indien nodig dagelijks, grondig moet worden gereinigd. Artikel 5.2.1.7, §1 van VLAREM II stelt dat de afvalstoffen op de inrichtingen die afvalstoffen verwerken enkel mogen worden opgeslagen in de daartoe bestemde opslagplaatsen. Aangezien beroepsindiener niet vergund was voor de aanvaarding van categorie l-materiaal, is geen daarvoor bestemde opslagplaats aanwezig op het bedrijf. Reeds aan de vorige exploitant was in de bestuurlijke maatregel van 2011 opgelegd het materiaal af te voeren naar een inrichting die wel is vergund voor de opslag van dit categorie l-materiaal. Het materiaal was echter nog steeds op de site aanwezig. Artikel 16.4.5, eerste lid, van het DABM bepaalt dat bestuurlijke maatregelen kunnen worden opgelegd na de vaststelling van een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf. Artikel 16.1.2, 2° van het DABM definieert een milieumisdrijf als een gedraging in strijd met een milieuvoorschrift dat wordt gehandhaafd met toepassing van titel XVI van het DABM, waarop een straf is gesteld overeenkomstig de bepalingen van diezelfde titel. VII-40.891-5/19 De vaststellingen van verwerende partij over het met categorie l-materiaal gecontamineerde digestaat in het proces-verbaal van 25 oktober 2019 houden een schending van de hierboven genoemde artikelen in. Deze regelgeving wordt gehandhaafd overeenkomstig titel XVI van het DABM en de feiten vormen aldus een milieumisdrijf in de zin van het DABM. Het milieumisdrijf staat afdoende vast in hoofde van beroepsindiener en verwerende partij kon derhalve rechtmatig overgaan tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel aan beroepsindiener houdende de deugdelijk opslag en vervolgens afvoer van het betrokken materiaal, met onderliggende dwangsom. Beroepsindiener heeft ook geen bezwaar tegen de opgelegde bestuurlijke maatregel inzake de afvoer van het product gecontamineerd met categorie l-materiaal op zich. Beroepsindiener wijst er wel op dat de datum van aanvang van het innen van een eventuele dwangsom, zijnde 1 augustus 2020, niet overeenstemt met de datum waarop de materialen moeten worden afgevoerd, zijnde 15 augustus 2020. Verwerende partij bevestigt in het administratief dossier dat dit inderdaad een materiële vergissing is. In overleg met de beroepsindiener was de datum vastgelegd op 15 augustus aangezien tot en met 15 augustus nog materialen mogen worden uitgereden conform de bepalingen van het Mestdecreet. Er zijn dan ook redenen om het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en deze materiële vergissing recht te zetten. Beroepsindiener betwist wel dat het materiaal opgeslagen in de vergisters moet gecatalogeerd worden als een niet-gesteriliseerd dierlijk bijproduct van categorie 2 terwijl zij niet is vergund of erkend voor de verwerking van niet-gesteriliseerd categorie 2-materiaal. Het in de vergisters opgeslagen materiaal is volgens beroepsindiener namelijk geen dierlijk bijproduct maar wel biologisch slib afkomstig van een waterzuivering van een Nederlands varkensslachthuis (Euralcode 020204). Het zeefresidu van het slachthuis wordt weliswaar afgevoerd en verwijderd als categorie 1- of 2-materiaal, maar in dit geval is het volgens beroepsindiener geen zeefresidu maar wel flotatieslib van de afvalwaterzuivering, wat zonder beperking inzake de regelgeving op dierlijke bijproducten kan worden behandeld. Beroepsindiener legt het processchema voor van het slachthuis waar al het opgeslagen materiaal van afkomstig is, net als een factuur van een trommelzeef met maaswijdte van vijf millimeter van hetzelfde slachthuis, een verklaring van Ecoson, een verwerker, dat de zeef aanwezig is waardoor het flotatieslib niet onder de verordening dierlijke bijproducten valt en nog een bevestiging van de aanwezigheid van de zeef door het slachthuis zelf, evenals een aantal foto’s van de zeef. Bijlage IV, hoofdstuk 1, afdeling 2, punt 4 van de Europese verordening nr.142/2011 van 25 februari 2011 tot uitvoering van de verordening dierlijke bijproducten zegt inderdaad dat afvalwater dat het voorbehandelingsproces in slachthuizen heeft doorlopen en afvalwater van andere bedrijfsruimten waar dierlijke bijproducten worden gehanteerd of verwerkt, overeenkomstig de wetgeving van de Unie en zonder beperkingen overeenkomstig verordening 142/2011 worden behandeld. Volgens punt 2, tweede lid van dezelfde afdeling moet de apparatuur voor het voorbehandelingsproces bestaan uit sifons of zeven met een poriegrootte of maaswijdte van maximaal VII-40.891-6/19 zes millimeter in de eindfase van het proces of uit soortgelijke systemen die vaste deeltjes van zes millimeter of meer in het afvalwater tegenhouden. De vraag rijst dan ook of de verwerende partij terecht kon oordelen dat het aangevoerde en aanvaarde materiaal, opgeslagen in de vergister, minstens voor een deel bestond uit dierlijke bijproducten. Het volstaat namelijk dat het materiaal opgeslagen in de vergister minstens voor een deel bestond uit dierlijke bijproducten aangezien er dan sprake is van contaminatie van al het aanwezige materiaal. Het staat niet ter discussie dat het slachthuis waar het materiaal van afkomstig is beschikt over een zeef die voldoet aan de hierboven vernoemde voorwaarden van bijlage IV, hoofdstuk 1, afdeling 2 van verordening 142/2011. Dit neemt evenwel niet weg dat er minstens onduidelijkheid blijft over de vraag of het overgebrachte materiaal ook effectief allemaal flotatieslib was afkomstig van met de zeef behandeld afvalwater. Het aangevoerde materiaal was vergezeld van handelsdocumenten inzake dierlijke bijproducten en op de CMR-documenten stond vermeld dat het vervoerde materiaal een categorie 3-materiaal betrof. Op de handelsdocumenten van de aangevoerde stromen staan de vermeldingen ‘varken - onverwerkte dierlijke bijproducten - cat 3’ en ‘afval van de bereiding en verwerking van vlees, vis en ander voedsel van dierlijke oorsprong’. Artikel 21, punten 2 en 3 van de verordening 1069/2009 inzake dierlijke bijproducten en artikel 17 van de uitvoeringsverordening 142/2011 zeggen dat exploitanten ervoor moeten zorgen dat dierlijke bijproducten en afgeleide producten tijdens het vervoer vergezeld gaan van een handelsdocument en dat deze handelsdocumenten op zijn minst informatie bevatten over de oorsprong, de bestemming en de hoeveelheid van deze producten, alsook een beschrijving van de dierlijke bijproducten of afgeleide producten, waaronder de categorie. Het handelsdocument is met andere woorden het verplichte document dat transporten van dierlijke bijproducten moet begeleiden waarop verplichte informatie over de hoeveelheid en de aard van het dierlijk bijproduct terug te vinden is. Verwerende partij kon geen beroep doen op analyse van het materiaal om te bepalen of dit door een dergelijke zeef was behandeld, gezien zowel in flotatieslib als in categorie 3-materiaal vergelijkbare dierlijke eiwitten aanwezig kunnen zijn. Verwerende partij heeft dan ook niet onterecht gehandeld door zich in het proces-verbaal en in de bestreden beslissing te baseren op de handelsdocumenten die het materiaal vergezelden tijdens het transport. De betrokken documenten werden opgemaakt met medewerking van drie operatoren die al geruime tijd werkzaam zijn binnen het toepassingsgebied van de verordeningen 1069/2009 en 142/2011, waarvan dan ook redelijkerwijze mag worden verwacht dat ze voldoende op de hoogte zijn van de regelgeving die bepaalt welke transportdocumenten men dient op te stellen en hoe deze dienen te worden opgesteld. Op de handelsdocumenten van de aangevoerde stromen staan de vermeldingen ‘varken - onverwerkte dierlijke bijproducten - categorie 3’ en ‘afval van de bereiding en verwerking van vlees, vis en ander voedsel van dierlijke oorsprong’. Het feit dat eveneens een afvalcode werd toegevoegd aan de bijhorende vervoersdocumenten, betekent niet automatisch dat het vervoerde materiaal geen dierlijk bijproduct betreft. VII-40.891-7/19 Echter vermelden de vrachtbrieven van minstens twee aangevoerde stromen geen bioslib maar enkel ‘slachtafval cat 3’ (foto 15 09 41) enerzijds en ‘onverwerkte dierlijke bijproducten (varken) - cat 3’ (foto 14 43 30) anderzijds. Als toezichthoudende overheid, die in dit kader mede toeziet op de naleving van de verordeningen tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten, kon verwerende partij terecht uitgaan van de meest risicovolle beschrijving op de documenten om alzo de veiligheid van het milieu en de voedselketen te bewaken, zodat minstens een deel van het aangevoerde materiaal terecht als dierlijk bijproduct werd gekwalificeerd. Als het getransporteerde materiaal geen dierlijk bijproduct was, diende men dit materiaal als een afvalstof te catalogeren, wat bij grensoverschrijdend transport van niet-gevaarlijke afvalstoffen tussen lidstaten van de Europese Unie dient vergezeld te zijn van een kennisgevingsdocument en niet van een handelsdocument. Voor het transport van het materiaal van Nederland naar België zijn geen kennisgevingsdocumenten aanwezig in het dossier. Beroepsindiener werpt op dat geen enkel handelsdocument beschikt over een uniek referentienummer. Artikel 12, §3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 juni 2013 betreffende dierlijke bijproducten en afgeleide producten schrijft voor dat elk handelsdocument moet worden geïdentificeerd aan de hand van een uniek nummer. Het niet vermelden van het uniek nummer op het handelsdocument is dus weliswaar in strijd met deze bepaling maar deze administratieve tekortkoming doet niets af aan de vermeldingen op de handelsdocumenten dat het vervoerde materiaal een dierlijk bijproduct betreft. Dus zelfs aangenomen dat alle leveringen bioslib waren en dus niet onder de regelgeving inzake dierlijk bijproducten vielen en dat er slechts twee leveringen van dierlijke bijproducten werden aanvaard en opgeslagen in de vergister (‘slachtafval cat 3’ enerzijds en ‘onverwerkte dierlijke bijproducten (varken) - cat 3’ anderzijds), mocht verwerende er terecht van uitgaan dat heel de inhoud van de vergister te kwalificeren is als dierlijk bijproduct. Een mengsel van dierlijke bijproducten met bioslib moet namelijk ook in haar geheel als dierlijk bijproduct worden beschouwd. Van zodra een materiaal een dierlijk bijproduct omvat, valt dit materiaal onder het toepassingsgebied van de verordeningen 1069/2009 en 142/2011 en wordt dit materiaal conform artikel 8, 9 en 10 van verordening 1069/2009 ingedeeld in de categorie van het desbetreffende dierlijke bijproduct. Artikel 5.2.1.2, §5, derde en vierde lid van VLAREM II schrijft voor dat de exploitant verantwoordelijk is voor de aangevoerde materialen en dat de aanvaarding van de afvalstoffen gebeurt op basis van de door de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit toegelaten afvalstoffen en steunt op de technische verwerkbaarheid van de afvalstoffen in de inrichting en, indien nodig en relevant, op regelmatige afvalstoffenanalyses en/of -testen, en dat de exploitant de aangevoerde afvalstoffen op hun herkomst, oorsprong, aard en hoeveelheid moet controleren waarbij elke vracht minstens visueel dient te worden geïnspecteerd. Mits beroepsindiener vermoedens had dat het aangevoerde materiaal een dierlijk bijproduct betrof had hij op basis van de informatie VII-40.891-8/19 deze stromen moeten weigeren tot de correcte documentatie kon worden voorgelegd. Er zijn dan ook voldoende elementen die maken dat verwerende partij terecht kon besluiten om het in de vergister aanwezige materiaal te catalogeren als dierlijk bijproduct. De vergistingsinstallatie was sinds de brand in 2016 en ook nog op het moment van de vaststellingen niet operationeel. Verwerende partij besluit hierdoor dat het materiaal in de vergister, aangeleverd als een dierlijk bijproduct van categorie 3, door verderf een reëel microbieel risico is gaan inhouden voor het leefmilieu en de voedselveiligheid, en daardoor dient te worden aanzien als niet-gesteriliseerd categorie 2-materiaal. Bedorven dierlijke bijproducten van categorie 2 zijn inderdaad niet opgenomen onder artikel 10 van de verordening 1069/2009 dat de dierlijke bijproducten van categorie 3 omschrijft. Zowel onder artikel 8 als artikel 10 van de verordening 1069/2009 zijn limitatieve lijsten met materialen opgenomen die als categorie 1- of categorie 3-materiaal moeten worden behandeld. Het betreffende dierlijke bijproduct kan na vele maanden van opslag, door bederf, niet meer beschouwd worden als een categorie 3-materiaal dat nog aan dezelfde voorwaarden voldoet als vers materiaal. Artikel 9,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.