id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.483 Rolnummer: A. 240056/IX-10336 Zaak: Arrest 257483 - Examens (onderwijs) - 29/09/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-10-02 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-06-18 20:10 Fiche Arrest nr 257.483 van 29 september 2023 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 257.483 van 29 september 2023 in de zaak A. 240.056/IX-10.336 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW KATHOLIEK ONDERWIJS BRUSSEL ANNUNTIATEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47/001 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 18 september 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 1 september 2023 van de beroepscommissie van de VZW Katholiek Onderwijs Brussel Annuntiaten waarbij aan XXXX een oriënteringsattest B wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. XIV-10.336-1/20 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 september 2023, om 11.00 uur. Staatsraad Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Kristien Vanderheiden, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is tijdens het schooljaar 2022-2023 als regelmatig leerling ingeschreven in het tweede leerjaar van de tweede graad, technisch secundair onderwijs, studierichting Bedrijfswetenschappen, aan het Mater-Dei-Instituut, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. 3.
- Op 20 juni 2023, tijdens het examen fysica, treft de toezichthoudende leerkracht een USB-stick aan in de laptop van verzoeker, met daarop drie mappen: ‘economie’, ‘aardrijkskunde’ en ‘fysica’, dewelke vermoedelijk door verzoeker tijdens de respectievelijke examens zijn geopend waardoor er een vermoeden van fraude in zijn hoofde wordt vastgesteld en hij hierdoor een 0 quotering krijgt voor de examens van de vakken aardrijkskunde, economie en fysica. XIV-10.336-2/20 3.
- Over het schooljaar heen beschouwd behaalt verzoeker vijf jaartekorten. Op 30 juni 2023 kent de delibererende klassenraad aan verzoeker een oriënteringsattest B toe, met clausulering van de doorstroomfinaliteit bedrijfswetenschappen TSO, op grond van de volgende motivering: “Advies: Gezien je zwakke resultaten raden we je aan een studierichting te kiezen in de aansluit bij je interesses en capaciteiten. Motivering: De leerling verliest veel punten door het niet nakomen van afspraken (niet maken of het niet afgeven van taken, niet ingaan op aanbod inhaalso’s, enz.). De klassenraad heeft aanwijzingen dat de capaciteiten van de leerling meer tot hun andere studierichting. De klassenraad heeft aanwíjzingen dat de leerling problemen heeft met het verwerkte leerstofgehelen. Ondanks herhaalde opmerkingen, aansporingen of nota's op rapporten en in de verbetering in de studiehouding vastgesteld. De klassenraad heeft duidelijke indicaties van een onvoldoende studie-inzet doorheen hele jaar. Er werden in de loop van het jaar voldoende leertips en remediërende maatregelen meegegeven. De geboden kansen tot remediëring zijn onvoldoende benut door de leerring. Ouders en leerlingen werden tijdig verwittigd dat de tussentíjdse resultaten en de vastgestelde studie-inzet dreigden tot een onvoldoende studieresultaat te leiden” 3.
- Het overleg met de directrice leidt tot een nieuwe samenkomst van de delibererende klassenraad, waarbij kennis wordt genomen van verzoekers argumenten. De klassenraad bevestigt de eerste deliberatiebeslissing en gaat niet in op verzoekers verzoek om bijkomende proeven toe te staan. 3.
- Met een brief van 5 juli 2023 stelt verzoeker bezwaar in bij de beroepscommissie. 3.
- Op 22 augustus 2023 beslist de beroepscommissie, verzoeker gehoord, dat er uitgestelde proeven door verzoeker mogen worden afgelegd voor XIV-10.336-3/20 de vakken chemie, fysica, aardrijkskunde en economie en dat de beroepscommissie daarna opnieuw zal samenkomen om het attest te beoordelen. Verzoeker behaalt slaagcijfers voor elke bijkomende proef, behoudens voor chemie. 3.
- Op 1 september 2023 beslist de beroepscommissie verzoeker een B-attest toe te kennen met clausulering voor de doorstroom finaliteit en met een gunstig advies voor overzitten, op grond van de volgende motivering: “De beroepscommissie overloopt de resultaten van de bijkomende proeven en het globaal jaarbeeld. Er is nog steeds een zwaar tekort voor chemie. Bovendien zijn de resultaten voor meerdere andere vakken (waaronder het richting vak economie) te laag om de doorstroom finaliteit goed voorbereid aan te vatten. Het studeren van grotere gehelen vormt duidelijk een probleem.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de verwerende partij
- In de nota betwist de verwerende partij het hoogdringend karakter van de voorliggende vordering en verwijt verzoeker niet met de nodige XIV-10.336-4/20 diligentie zijn vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te hebben ingesteld, nu de beroepscommissie reeds op 1 september 2023 een beslissing had genomen en verzoeker pas op 18 september 2023 , met name 17 dagen later zijn vordering heeft ingesteld. Dienaangaande betoogt de verwerende partij dat verzoeker onmiddellijk telefonisch werd ingelicht over de toekenning van een B-attest; dat dienaangaande op 2 september 2023 de aangetekende zending werd verzonden; dat verzoeker deze maar meent te moeten afhalen op het postkantoor op 8 september 2023, wat een persoonlijke keuze is geweest; dat, verwijzend naar ’s Raads arrest nr. 254.698 van 7 oktober 2022, een verzoeker die weet dat er een voor hem nadelige beslissing genomen werd, zelf ook enige medewerking dient te verlenen in de ontvangst van deze beslissing en dat zelfs in het geval dat verzoeker, slechts op 8 september 2023 heeft kennisgenomen van de beslissing van de beroepscommissie van 1 september 2023, verzoeker er niet om heen kan dat hij van deze beslissing reeds sinds 1 september 2023 – telefonisch – op de hoogte was gebracht door de verwerende partij. Beoordeling
- De bestreden beslissing is bij aangetekend schrijven van respectievelijk 2 september 2023 en 7 september 2023 aan verzoeker ter kennis gebracht, omdat, zo blijkt uit het administratief dossier, de verwerende partij aannam dat er iets mis gelopen was met de eerste zending. Beide zendingen werden afgehaald op 8 september
- In tegenstelling tot wat de verwerende partij opwerpt in haar nota met opmerkingen, wordt de diligentie die van een verzoeker wordt verwacht bij het benaarstigen van een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet tegengesproken door de vaststelling dat het huidige verzoekschrift op 18 september 2023 elektronisch bij de Raad van State is ingediend – dat is tien dagen na de ontvangst van de bestreden beslissing. Het door de verwerende partij XIV-10.336-5/20 aangevoerde betoog leidt niet tot een andere conclusie, temeer nu zij zelf aangeeft in een aan verzoeker gerichte e-mail van 7 september 2023 te moeten aannemen dat er iets is misgelopen met de eerste zending van 2 september
- Bijgevolg volstaat de vaststelling dat verzoeker zich terecht beroept op de vaste rechtspraak van de Raad van State die stelt dat het dreigend verlies van een schooljaar een nadeel uitmaakt dat binnen een gewone schorsingsprocedure niet tijdig zal kunnen worden gekeerd en dat de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is aangetoond. VI. Ernst van de middelen Enige middel Standpunt van de partijen
- Verzoeker voert in een eerste (lees: enig) middel de schending aan van de artikelen 60 en 61 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2022 ‘over de organisatie van het secundair onderwijs, wat de leerlingen betreft’ (hierna: organisatiebesluit 2022), van de motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat verzoeker mocht verwachten dat er een correct en afdoende antwoord volgt op zijn ernstige grieven zoals deze werden geformuleerd in het kader van het intern beroep en hij mocht verwachten dat een beslissing wordt gebaseerd op correcte en redelijke overwegingen, terwijl de bestreden beslissing zijn aangevoerde grieven negeert en bijgevolg niet afdoende beantwoordt, waardoor de bestreden beslissing kennelijk onredelijk is. Ter adstructie van het aangevoerde middel betoogt verzoeker in essentie dat de definitie van een B-attest en het feit dat men de studiekeuze niet vroegtijdig sterk mag verengen, lijken te impliceren dat de motivering van een dergelijk attest de redenen moet kenbaar maken waarom de leerling die het leerjaar XIV-10.336-6/20 met vrucht heeft beëindigd en die bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in een volgend leerjaar, in de ogen van de beroepscommissie toch de toegang tot welbepaalde studierichtingen moet worden ontzegd, waardoor het aanvechten van het B-attest in de administratieve beroepsprocedure met andere woorden de beroepscommissie ertoe verplicht om in de veruitwendigde motieven de clausulering in het B-attest zorgvuldig te verantwoorden. Hij benadrukt vervolgens dat het toekennen van een B-attest van de beroepscommissie een “prospectief’, m.a.w. een vooruitziend en een toekomst verkennend onderzoek vereist, wat in casu niet heeft plaatsgevonden, nu flagrante elementen en grieven werden genegeerd en de studiekeuze vroegtijdig werd verengd zonder ernstige motivering. Dienaangaande wijst verzoeker erop dat hij in het kader van de beroepsprocedure heeft aangegeven dat er informatie ontbrak in het dossier (hetgeen geleid heeft tot de uitgestelde proeven) en dat het B-attest als dusdanig niet verantwoord was, nu het onduidelijk was welke de zeer overtuigende motieven waren die aantoonden dat zijn kansen om te slagen in het volgende leerjaar Bedrijfswetenschappen onbestaand zou zijn. Verzoeker benadrukt dat hij ter ondersteuning van zijn argumentatie in zijn beroepschrift heeft aangegeven dat de examens voor de vakken fysica en chemie sterk werden beïnvloed door de sancties die hem zijn opgelegd door de directrice, nu het voor een student essentieel is om zich te kunnen concentreren en zich volledig te kunnen richten op de examens en het rechtvaardig en in het belang van de student is om de examens in de best mogelijke omstandigheden af te leggen, zonder afleiding of extra stressfactoren en dat beide vakken zich volgend schooljaar niet meer in het lespakket bevinden; dat hij na de uitgestelde proeven niet meer werd gehoord, noch hem werd gevraagd daaromtrent schriftelijk standpunt in te nemen; dat in de bestreden beslissing – na de uitgestelde proeven- louter wordt verwezen naar zijn ene overblijvende tekort, naar vermeende lage resultaten en het vermeend niet kunnen studeren van grotere XIV-10.336-7/20 gehelen en het maar zeer de vraag is waarop de beroepscommissie zich steunt om te menen dat de niet behaalde leerdoelstellingen voor chemie van groot belang is, nu dit vak geen deel meer uitmaakt van zijn lessentabel in het volgende jaar, zodat enige prospectieve relevantie lijkt te ontbreken en de clausulering niet kan verklaren; dat in zoverre in de bestreden beslissing wordt verwezen naar “resultaten voor meerdere vakken” die te laag zouden liggen, begrijpt verzoeker de relevantie van deze bewering niet aangezien er voor alle overige vakken slaagcijfers voorliggen en deze bijgevolg niet aan de basis kunnen liggen van de beslissing, evenmin leert de bestreden beslissing hoe dit verband houdt met het volgende jaar, waarom deze te laag zouden zijn en hoe dit de clausulering verantwoordt. Verzoeker beklemtoont dat zeer overtuigende motieven vereist zijn om aan te tonen dat zijn kansen om te slagen in het volgende leerjaar zo miniem zijn, wat volgens hem op geen enkele wijze wordt hard gemaakt of verduidelijkt in de bestreden beslissing, nu er geen garantie op succes dient te zijn, maar wel een verregaande quasi zekerheid dat hij geen slaagkansen heeft in het gewenste jaar om tot een clausulering te kunnen besluiten. De beroepscommissie negeert volgens hem volledig het aspect dat het vak chemie - waarvoor hij een tekort haalde - aan belang en uren inboet aangezien dit geen op zichzelf staand vak zal zijn in de derde graad, terwijl dit element evenwel cruciaal is om te beseffen dat hij meer tijd en ruimte zal hebben om te kunnen slagen in het vijfde jaar, minstens dat niet bij voorbaat vaststaat dat hij geen enkele kans maakt om te slagen. Bovendien werd er volgens verzoeker door de beroepscommissie op geen enkele wijze rekening gehouden met het feit dat hij 3 jaartekorten wist op te halen na het afleggen van zijn bijkomende proeven - wat tegenspreekt dat hij niet in staat zou zijn om grotere gehelen te studeren, hetgeen nochtans een motief is van de bestreden beslissing, zonder dat dienaangaande evenwel wordt gespecifieerd over welke andere grotere gehelen het dan wel zou gaan, noch waarom dit prospectief een probleem zou zijn, aangezien – het weze herhaald – verzoeker thans geslaagd is voor al deze vakken. XIV-10.336-8/20 Daarnaast kan volgens verzoeker niet worden aangenomen dat een zorgvuldige beroepscommissie in dezelfde omstandigheden geplaatst, zou nalaten op de grieven van een student en zijn ouders te antwoorden, temeer nu een motivering logisch coherent moet zijn, hetgeen in casu niet het geval is en de oppervlakkige motivering aangeeft dat de bestreden beslissing bijzonder onzorgvuldig is genomen, aangezien volgens verzoeker zijn beroepschrift niet lijkt te zijn gelezen en de motivering, bestaande uit drie zinnen, kant noch wal raken. Tot slot is volgens verzoeker het vermeende ontbreken van basiskennis, evident geen sluitende motivering die aantoont dat hij geen kans op slagen heeft in deze richting, nu hij voor alle vakken, op één na, slaagcijfers behaalt en door het B-attest ook geslaagd is verklaard voor dit jaar. Minstens is een globale beoordeling van het huidige jaar en de richting die hij ambieert, volgens verzoeker niet terug te vinden in de bestreden beslissing. Evenmin kan van het ontbreken van enige redelijke slaagkansen in het volgende jaar Bedrijfswetenschappen, sprake zijn, nu dienaangaande geen motieven zijn terug te vinden in de bestreden beslissing en wel degelijk een redelijke slaagkans voorligt aangezien de werkdruk voor het vak chemie afneemt in aantal uren en belang en dit vak niet doorslaggevend is in de geambieerde richting, zodat niet kan worden ingezien hoe dit vak zijn redelijke slaagkans zou kunnen hypothekeren.
- In de nota merkt de verwerende partij vooreerst op dat in zoverre door verzoeker de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel wordt aangevoerd hij nalaat op een duidelijke wijze uiteen te zetten op welke manier hij dit beginsel acht geschonden te zijn. Verder ziet de verwerende partij geen schending van de artikelen 60 en 61 van het organisatiebesluit 2022, nu volgens haar, anders dan verzoeker het ziet, door betreffende bepalingen geen enkele vereiste inzake motivering wordt voorgeschreven. Bovendien blijkt volgens de verwerende partij uit het administratief dossier (individueel syntheseblad + notulen van de beslissingen van de delibererende klassenraad) dat aan de vereiste tot motivering te zijn voldaan; dat XIV-10.336-9/20 ook de zitting en de uiteindelijke beslissing van de beroepscommissie zelf van 1 september 2023 werd neergeschreven in een verslag, waaruit de motivering blijkt en dat de bestreden beslissing logischerwijs verder bouwt op de door de klassenraden genomen beslissingen en de daarin vermelde motivering aanhoudt, zodat desgevallend de motivering van de beroepsbeslissing in casu afdoende en dragend is, daar ze duidelijk weergeeft op basis waarvan, in samenlezing met het administratief dossier, men geoordeeld heeft. De verwerende partij benadrukt dat samengelezen met de jaarresultaten, de motivering klaar en duidelijk is, nu de resultaten van verschillende vakken te laag zijn om de doorstroom finaliteit goed aan te vatten, temeer aangezien voor het vak chemie, na bijkomende proeven, nog een zwaar tekort van 36% overblijft; dat de motivering afdoende is indien de belanghebbende in staat gesteld wordt te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing te verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt; dat de Raad van State recentelijk heeft geoordeeld dat één van de voornaamste beginselen van de motiveringsplicht is dat de motivering van een rechtshandeling te vinden moet zijn in de beslissing zelf en dat dit in casu het geval is, nu de voorliggende vordering, die niet zou kunnen worden ingesteld indien verzoeker de motivering van de verwerende partij niet zou kunnen begrijpen. Daarnaast herinnert de verwerende partij aan de vaste rechtspraak van de Raad van State dat de motivering van een attesteringsbeslissing in de eerste orde en in principe op voldoende wijze blijkt uit de punten van het rapport welke worden geacht op een competente en correcte wijze te zijn toegekend. Zij wijst erop dat verzoekers punten meer dan overtuigend zijn; dat het jaaroverzicht van zijn resultaten rood kleurt, wat dan ook voor zich spreekt en dat er meerdere buizen op jaartotalen zijn ten gevolge van buizen zowel op dagelijks werk als op examens. In zoverre verzoeker meent te moeten aanhalen dat niet bewezen is dat hij geen grotere hoeveelheden kan verwerken en dat er moet gekeken worden naar zijn kans op slagen in het volgende jaar, benadrukt de verwerende partij dat dit nu net blijkt uit de motivering van de bestreden beslissing. XIV-10.336-10/20 Tevens benadrukt zij dat verzoeker zelf meende niet over voldoende kennis te beschikken om zijn examens met glans af te leggen, reden waarom hij fraude pleegde, wat door hem niet werd betwist en waarvoor hij de toekende cijfers (0 voor de examens van economie, aardrijkskunde en fysica) aanvaardde en dat uit de resultaten van de bijkomende proeven blijkt dat een extra examenkans voor verzoeker niet voldoende was om zijn kennis op peil te krijgen. Volgens de verwerende partij is de motivering duidelijk en spreken de resultaten voor zich, nu voor het vak chemie zowel het dagelijks werk als het examen ondermaats was, voor het vak economie op het examen een buis (73,5 op 150) werd behaald, het examen van wiskunde in een buis van 59,2 op 150 resulteerde, de vakken artistieke vorming en taalpunt minder dan 50% opleverden, voor de vakken waarop een voldoende scoort werd gescoord, de cijfers minimaal waren en de jaartotalen zich rond de 50% (o.a. biologie 51%, economie 53%, fysica 52%, geschiedenis 54%, wiskunde 50%, Engels 54%, Nederlands 55%, Duits 56%) situeerden met enkele uitschieters voor lichamelijke opvoeding (78%) en godsdienst (68,8%). Het argument van verzoeker dat het vak chemie in de derde graad geen op zichzelf staand vak meer zal zijn, kan volgens de verwerende partij niet begrepen worden, nu het vak chemie in de richting Bedrijfswetenschappen een onderdeel is van het vak Natuurwetenschappen en dat, niettegenstaande het vak niet onder de naam “chemie” zal onderwezen worden, de principes van het vak wel gekend moeten zijn opdat het vak Natuurwetenschappen met succes kan gevolgd worden, temeer nu het ook niet zo is dat uit de resultaten van de andere wetenschappelijke vakken zou blijken dat de aldaar verworven kennis ertoe zal leiden dat verzoeker reële slaagkansen heeft voor het vak Natuurwetenschappen. Daarnaast benadrukt de verwerende partij dat maar kan geantwoord worden op datgene dat wordt aangehaald in het interne beroep doch zonder dat het vereist is dat elk argument afzonderlijk behandeld wordt. Zij wijst erop dat geen juridische argumenten werden ontwikkeld tijdens het intern beroep, XIV-10.336-11/20 maar deze eerder emotioneel van aard waren en dat samengevat verzoeker stelde dat hij tijdens de examenperiode last had van zijn arm en de medicatie voor ADHD; dat de combinatie van beide zorgde dat hij oververmoeid was wegens slaapgebrek; dat hij het ook moeilijk had met het gegeven dat hij betrapt was op fraude en een tuchtmaatregel kon opgelegd worden waardoor hij geen moed meer had voor het laatste examen (chemie) dat de dag na die feiten plaats had. Tot slot benadrukt de verwerende partij dat de bestreden beslissing zeer redelijk is; dat elke andere klassenraad in eerste instantie kijkt naar de door de leerling tijdens het schooljaar behaalde resultaten en dat wanneer deze over de hele lijn ondermaats zijn en ook nog enkele buispunten opleveren, ondanks bijkomende proeven, het niet kennelijk onredelijk is dat een klassenraad beslist een clausulering voor de doorstroomfinaliteit op te leggen. Beoordeling van het enige middel
- Aan verzoeker is een oriënteringsattest B toegekend. Verzoeker heeft derhalve, naar luid van artikel 70, eerste lid, 2°, van het organisatiebesluit van 2022, het tweede leerjaar van de tweede graad “met vrucht en met clausulering” beëindigd. Clausulering betekent, aldus artikel 61, eerste lid, van het organisatiebesluit van 2022, dat “aan de overstap naar een hoger leerjaar beperkingen worden opgelegd”. In het tweede jaar van de tweede graad zijn de mogelijke clausuleringen “de uitsluiting van een of meer finaliteiten, onderwijsvormen of afzonderlijke structuuronderdelen” (artikel 61, tweede lid, 2°, van het organisatiebesluit van 2022).
- De jaarresultaten die verzoeker liet optekenen waren voor de beroepscommissie reden om te besluiten dat hij het leerjaar “met vrucht en met clausulering” heeft beëindigd en om hem een daarmee overeenstemmend B-attest XIV-10.336-12/20 toe te kennen. Het doet aannemen, zo lijkt, dat bij de toekenning van een B-attest, de redenen kenbaar moeten worden gemaakt waarom de leerling die het leerjaar met vrucht heeft beëindigd, toch de toegang tot welbepaalde finaliteiten, onderwijsvormen of afzonderlijke structuuronderdelen moet worden ontzegd. Het toekennen van een B-attest vereist een zogenaamd prospectief onderzoek, dit wil zeggen: een vooruitziend en de toekomst verkennend onderzoek. De leerling is immers geslaagd, want heeft “rekening houdend met het pedagogisch project van de school […] in voldoende mate de doelstellingen, vastgelegd door of krachtens decreet- of regelgeving en opgenomen in het curriculumdossier en in de leerplannen, […] bereikt of nagestreefd” (artikel 60 van het organisatiebesluit van 2022). Toch oordeelt de beroepscommissie dat de betrokken leerling in het volgende schooljaar bepaalde studierichtingen niet aankan. Met dit oordeel substitueert de beroepscommissie zich als het ware aan de delibererende klassenraad van het volgende schooljaar, tot wiens autonomie het immers behoort om over het al dan niet slagen voor dat schooljaar te oordelen. De clausulering beperkt ook de principiële vrijheid van studiekeuze van de leerling of van zijn ouders. Een klassenraad of beroepscommissie kan op basis van zwakke studieresultaten een onderbouwd advies geven om een bepaalde studiekeuze te ontraden, of zelfs een formele waarschuwing, maar de uiteindelijke verantwoordelijkheid laten bij de leerling die, het weze herhaald, het leerjaar met vrucht heeft beëindigd. De beroepscommissie die een clausulering toevoegt aan het oriënteringsattest, verkiest echter in de plaats van die leerling de schoolloopbaan gedeeltelijk te bepalen. Een inschatting van de toekomstige studies van een leerling is geen nattevingerwerk. Een beroepscommissie moet haar ‘prospectieve’ beslissing om een B-attest uit te reiken des te meer steunen op de concrete en objectieve gegevens van het individuele dossier van de betrokken leerling. Een beroepscommissie die haar noodzakelijke ook deels subjectieve vooruitblik over het gebrek aan redelijke slaagkansen van een leerling in een volgend jaar niet kan relateren aan de beschikbare objectieve gegevens van het dossier – in het bijzonder XIV-10.336-13/20 de bagage waarover de leerling thans beschikt – zou de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid overschrijden. XIV-10.336-14/20
- Terwijl de objectieve gegevens van het leerlingendossier, in voorkomend geval aangevuld middels de eigen onderzoeksmogelijkheden waarover de beroepscommissie beschikt, de materiële grondslag moeten vormen waarop de beroepscommissie haar overtuiging steunt – namelijk dat de betrokken leerling geen redelijke slaagkansen heeft in welbepaalde richtingen – dient de commissie die overtuiging ook uitdrukkelijk te motiveren, zonder dat daartoe de verplichting wordt opgelegd om alle grieven of middelen die door de betrokkene worden aangevoerd één voor één van antwoord te dienen. Het volstaat dat in de beslissing van de beroepscommissie de motieven worden opgenomen die de beslissing kunnen dragen. Waar de regelgeving, zoals in casu, in een administratieve beroepsprocedure heeft voorzien, moet diegene die het beroep heeft ingesteld, er wel op kunnen rekenen dat zijn beroepschrift door de beroepsinstantie zorgvuldig wordt onderzocht en dat deze instantie, indien zij tot hetzelfde oordeel komt als de beslissing waartegen het beroep werd ingesteld, goede redenen heeft voor de verwerping van de aangevoerde beroepsargumenten. In casu heeft verzoeker gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de artikelen 123/15 en 123/17 van de Codex Secundair Onderwijs hem bieden om een beroep in te stellen tegen een ongunstige evaluatiebeslissing van de over zijn delibererende klassenraad. Hieruit volgt dat, wanneer verzoeker aldus een samenkomst van de beroepscommissie uitlokt, deze commissie dient kennis te nemen van zijn aangevoerde grieven, ze dient te beoordelen en te beantwoorden. Bij dit alles mag evenwel niet uit het oog worden verloren dat de beroepscommissie beschikt over een autonome, eigen beslissingsbevoegdheid. De beroepscommissie, zoals die in de artikelen 123/15 en volgende van de Codex Secundair Onderwijs door de decreetgever is geconcipieerd, “heeft volheid van bevoegdheid, i.c. het evaluatieresultaat wordt bevestigd of door een ander vervangen op grond van inhoudelijke of procedurele aspecten” (Parl.St. Vl.Parl. 2013-2014, nr. 2421/1, 27). Zoals in elke administratieve beroepsprocedure XIV-10.336-15/20 waarbij aan het beroepsorgaan de volle hervormingsbevoegdheid wordt opgedragen om in laatste aanleg te beslissen, betekent deze zogenaamde devolutieve werking dat de beroepen beslissing uit het rechtsverkeer verdwijnt en dat een nieuwe beslissing in de plaats daarvan komt, op grond van een autonome, eigen beoordeling van de zaak door het beroepsorgaan. De beroepscommissie heeft aldus beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de delibererende klassenraad. Zij plaatst haar eigen beoordeling van de voorliggende gegevens in de plaats van de beslissing van de klassenraad en dit op grond van eigen, autonome motieven. In dat verband moet worden benadrukt, dat het niet aan de Raad van State toevalt om zijn oordeel over het slagen van de leerling in de plaats te stellen van de evaluatiebeslissing van de beroepscommissie. Het ligt ook niet op zijn weg om in de plaats van de beroepscommissie aan verzoeker opheldering te geven over de ingeroepen bezwaren.
- Voor zover verzoeker in zijn enige middel doet gelden dat de bestreden beslissing geen antwoord geeft op zijn cruciale vraag aan de beroepscommissie “welke zeer overtuigende motieven er zijn die aantonen dat [zijn] kansen […] om te slagen in het volgende leerjaar Bedrijfswetenschappen onbestaand [zijn]” en dat ze geen pertinente en draagkrachtige motivering bevat die een gedegen antwoord geeft op die vraag en de door hem aangevoerde grieven, lijkt verzoeker, anders dan de verwerende partij het ziet, te appelleren aan een schending van de formelemotiveringsplicht die op de beroepscommissie rust.
- De bestreden beslissing is als volgt gemotiveerd: “De beroepscommissie overloopt de resultaten van de bijkomende proeven en het globaal jaarbeeld. Er is nog steeds een zwaar tekort voor chemie. Bovendien zijn de resultaten voor meerdere andere vakken (waaronder het richting vak economie) te laag om de doorstroom finaliteit goed voorbereid aan te vatten. Het studeren van grotere gehelen vormt duidelijk een probleem.” XIV-10.336-16/20 In deze wijst de beroepscommissie naast een zwaar tekort voor chemie op het feit dat de resultaten van verzoeker voor meerdere andere vakken, waaronder het richtingvak economie, te laag zijn om de doorstroom finaliteit goed voorbereid aan te vatten. Gewis kan met de beroepscommissie, en zoals benadrukt in de nota van de verwerende partij, worden vastgesteld dat de cijfers van verzoeker aan de lage kant zijn, doch de loutere verwijzing naar voornoemde cijfers, laat echter niet toe te begrijpen waarom de betrokken clausulering wordt opgelegd en er vanuit gegaan wordt dat verzoekers kansen op slagen voor het volgende leerjaar van dezelfde studierichting zo miniem zijn dat hem geen kans wordt geboden dat volgend leerjaar in die studierichting aan te vatten. Door te besluiten dat verzoeker het leerjaar “met vrucht en met clausulering” heeft beëindigd en om hem een daarmee overeenstemmend B-attest toe te kennen heeft de beroepscommissie geoordeeld dat verzoeker een voldoende jaarresultaat heeft behaald en voor die vakken de leerplandoelstellingen op voldoende wijze heeft bereikt. Om die reden overigens, wordt hij ook geslaagd verklaard. Zo de beroepscommissie ervan overtuigd is dat verzoekers resultaten toch zijn kansen in het volgende leerjaar in de geclausuleerde studierichtingen of de geclausuleerde onderwijsvorm determineren, dan dient bij de toekenning van een B-attest, uit de, op grond van het voor de toekenning van een B-attest vereiste ‘prospectief’ onderzoek, gemaakte beoordeling van de commissie, te kunnen worden afgeleid waarom de commissie het onmogelijk acht dat verzoeker zal slagen in het eerste leerjaar van derde graad in de te clausuleren studierichting. Uit geen enkel element van de bestreden beslissing blijkt dat de beroepscommissie een prospectief onderzoek heeft verricht. Op geen enkele manier wordt aan de hand van eindtermen en leerplannen gerelateerd aan de XIV-10.336-17/20 concreet behaalde (deel)resultaten uiteengezet waarom de voorhanden zijnde resultaten toch de kansen van verzoeker determineren voor het verwerven van de volgend jaar in een te clausuleren richting of onderwijsvorm vereiste kennis en kunde voor die vakken. De enkele verwijzing naar een laag resultaat van een richtingvak economie is te schraal om concreet inzicht te verschaffen in de clausulering voor de richting bedrijfswetenschappen, temeer nu verzoeker in die gekozen richting wel mag overzitten. Evenmin wordt door de beroepscommissie geantwoord op verzoekers argument dat de vakken chemie en fysica zich volgend schooljaar niet meer in het lessenpakket bevinden, hetgeen hem meer tijd geeft voor andere vakken, maar wordt integendeel, in de summiere bestreden beslissing aan het tekort voor het vak chemie zwaar getild, noch wordt de bewering dat het studeren van grotere gehelen duidelijk een probleem vormt gestaafd met concrete, laat staan overtuigende argumenten. Met de thans in de nota van de verwerende partij gegeven uiteenzetting, dat het vak chemie nog een onderdeel vormt van het vak ‘Natuurwetenschappen’ kan in principe geen rekening worden gehouden, nu de in het middel aangevoerde schending van de formelemotiveringsplicht uitsluitend wordt beoordeeld aan de hand van de in het bestreden besluit uitgedrukte motieven zodat de door de verwerende partij aangevoerde post factum argumenten pertinentie missen.
- Bijgevolg dient, in de huidige stand van de rechtspleging, te worden besloten dat, uit de bestreden beslissing vooralsnog geen omstandige, precieze en met grote omzichtigheid tot stand gekomen motivering, die van een beroepscommissie mag worden verwacht wanneer zij een B-attest toekent, blijkt. Het enige middel is in de aangegeven mate ernstig. XIV-10.336-18/20 XIV-10.336-19/20 VII. Conclusie
- Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 1 september 2023 van de beroepscommissie van de VZW Katholiek Onderwijs Brussel Annuntiaten waarbij aan XXXX een oriënteringsattest B wordt toegekend.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negenentwintig september tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, wnd. kamervoorzitter, staatsraad bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Chantal Bamps XIV-10.336-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.483 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.716 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.