id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.484 Rolnummer: A. 240085/IX-10339 Zaak: Arrest 257484 - Examens (onderwijs) - 29/09/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-10-03 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-06-10 12:57 Fiche Arrest nr 257.484 van 29 september 2023 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 257.484 van 29 september 2023 in de zaak A. 240.085/IX-10.339 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan De Groote kantoor houdend te 9300 Aalst Leopoldlaan 48 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW KATHOLIEKE SCHOLEN DRUIVENSTREEK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieterjan Osaer kantoor houdend te 3010 Leuven Diestsesteenweg 52/0302 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 20 september 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Katholieke Scholen Druivenstreek van 12 september 2023 waarbij aan XXXX een oriënteringsattest B wordt toegekend, met clausulering voor economische wetenschappen, Freinetpedagogie, Grieks-Latijn, humane wetenschappen, Latijn, moderne talen, natuurwetenschappen, Rudolf Steinerpedagogie, sportwetenschappen, Yeshiva en bedrijfswetenschappen. IX-10.339-1/20 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 september 2023, om 10.30 uur. Staatsraad Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jan De Groote, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Pieterjan Osaer, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is in het schooljaar 2022-2023 leerling in het tweede jaar van de eerste graad (2A) met basisoptie maatschappij en welzijn in het Sint-Martinuscollege te Overijse, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. IX-10.339-2/20 Op het einde van het schooljaar laat verzoekster de volgende resultaten optekenen ALGEMENE VORMING Jaar Vakken met gespreide evaluatie Uur Totaal Beeld 1 64,5 Engels 1 41,5 Frans 3 60,5 Godsdienst 2 64,5 Lichamelijke opvoeding 2 57 Muziek 1 51 Natuurwetenschappen 1 46,5 Techniek 2 59 Vak met twee examenreeksen Uur Totaal Aardrijkskunde 72,5 Vakken met drie examenreeksen Uur Totaal Geschiedenis 57 Nederlands 47 Wiskunde 51 Totaal algemene vorming 54,5 BASISOPTIE MAATSCHAPPIJ EN WELZIJN Vak met gespreide evaluatie Uur Totaal Maatschappij en welzijn 5 57 VERDIEPING EN UITBREIDING Vakken die gedurende het hele jaar geëvalueerd worden Jaar Frans: verdieping en uitbreiding 85,5 IX-10.339-3/20 Nederlands: verdieping en uitbreiding 43 Wiskunde: verdieping en uitbreiding 22,5 3.
- Op 27 juni 2023 beslist de delibererende klassenraad aan verzoekster een oriënteringsattest B toe te kennen met clausulering voor de “doorstroomfinaliteit”, op grond van de volgende motivering: “Er zijn jaartekorten voor de vakken: Engels (43.5%), natuurwetenschappen (46.5%) en Nederlands (47%). De examenperiodes doorheen het jaar waren onvoldoende of zwak wat aantoont dat je het moeilijk hebt met het verwerken van grote leerstofgehelen of theoretisch/abstracte leerstof.” Tevens legt de klassenraad aan verzoekster vakantietaken op voor de vakken Engels, wiskunde en Nederlands. Hij adviseert nog als volgt: “3 Maatschappij en welzijn mits een volgehouden en grondige studie-inspanning, specifiek voor Engels en Nederlands.” Over de mogelijkheid tot overzitten van het jaar luidt het advies positief. 3.
- Het overleg met de directeur leidt tot een nieuwe samenkomst van de delibererende klassenraad op 28 augustus
- 3.
- De klassenraad handhaaft op voornoemde datum het oriënteringsattest B doch past de clausulering aan. 3.
- Met een brief van 1 september 2023 stelt verzoekster bezwaar in bij de beroepscommissie. 3.
- Op 12 september 2023 beslist de beroepscommissie om de beslissing van de klassenraad te handhaven. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “Het beroep is ontvankelijk. Inhoudelijk verzoeken de ouders om de richtingen in de IX-10.339-4/20 domeinoverschrijdende doorstroomfinaliteit Natuurwetenschappen ASO en Humane wetenschappen ASO in het eerste leerjaar van de tweede graad niet te clausuleren, door de uitzonderlijke omstandigheden die [verzoekster] het voorbije schooljaar parten hebben gespeeld (enerzijds haar afwezigheden door ziekte tijdens het schooljaar en in de laatste examenperiode en anderzijds de impact van de gezondheidsproblemen van de grootvader) en gezien de droom van [verzoekster] om na het secundair geneeskunde te gaan studeren. Bijgevolg ging de beroepscommissie na of de clausulering uitgesproken door de klassenraad al dan niet te verantwoorden is vanuit het leerlingendossier, rekening houdend met de aangebrachte argumenten. De beroepscommissie komt tot de volgende conclusie: In het gesprek met de directeur (voorzitter van de delibererende klassenraad) op 3 juli 2023 verzochten de ouders om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen met de bedoeling om de clausulering van het B-attest aan te passen en de toegang tot de richting Maatschappij- en Welzijnswetenschappen open te houden. Een verslag hiervan werd door de directeur op 4 juli 2023 aangetekend naar de ouders verstuurd. Dit verslag werd niet betwist. De directeur toonde zich bereid om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen op 28 augustus 2023 en om de vraag en de argumenten aangedragen door de ouders aan de klassenraad voor te leggen. Op basis hiervan wijzigde de delibererende klassenraad op 28 augustus 2023 de oorspronkelijke evaluatiebeslissing naar een nieuwe clausulering die XXXX effectief de mogelijkheid bood om in te stromen in het derde jaar Maatschappij- en Welzijnswetenschappen (zoals gevraagd door de ouders op 3 juli 2023). In het beroep tegen deze nieuwe beslissing van de delibererende klassenraad verzochten de ouders om ook de clausulering voor Natuurwetenschappen ASO en Humane wetenschappen ASO op te heffen met dezelfde argumenten die op 28 augustus 2023 werden voorgelegd aan de delibererende klassenraad. De beroepscommissie stelt vast dat deze klassenraad wel degelijk rekening hield met de impact van de medische en familiale omstandigheden op de resultaten van XXXX, met de positieve evolutie in het derde trimester en met de mogelijke ondersteuning door de hoogopgeleide ouders en een externe leerkracht. Nazicht van de evaluaties maakt evenwel duidelijk dat er door het relatief zwakke globale beeld, de jaartekorten en de inzichtelijke hiaten geen voldoende basis is om de studieloopbaan voort te zetten in de domeinoverschrijdende doorstroomfinaliteit (met nog meer abstracte en complexe leerinhouden, verdieping en uitbreiding dan in de domeingebonden doorstroomfinaliteit). In het licht van de toch wel ambitieuze doelstellingen voor alle vakken in de domeinoverschrijdende doorstroomfinaliteit en rekening houdend met de moeilijkheden die XXXX nu reeds ondervindt om dat beheersingsniveau te behalen en zelfstandig te werken, lijkt de beslissing over de clausuleringen van de delibererende klassenraad d.d. 28 augustus 2023 voor de beroepscommissie terecht, mede omdat de leerkrachten van de vakken met jaartekorten hebben aangetoond dat zij vanuit hun professionele deskundigheid hebben geëvalueerd en in de mate van het mogelijke geremedieerd. Ook de niet-geclausuleerde domeingebonden richtingen in de doorstroomfinaliteit, die nog zeer vele toekomstkansen openhouden, zullen voor XXXX - gezien haar profiel - een grote uitdaging zijn, maar de beroepscommissie is van mening dat de delibererende klassenraad op 28 IX-10.339-5/20 augustus 2023 hiervoor terecht het voordeel van de twijfel heeft gegeven in het licht van de ingeroepen bijzondere omstandigheden en de gemaakte progressie het afgelopen schooljaar. Los van de attestering sluit de beroepscommissie zich ook aan bij het advies van de klassenraad om eerder te kiezen voor een studierichting in de dubbele finaliteit, waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die meer kansen op succes zal bieden. De beroepscommissie ging ook na of het niet in aanmerking nemen van het tekort van 0/16 op een niet-afgelegde toets natuurwetenschappen een verschil zou maken in de eindbeoordeling, maar dit is niet het geval. Tijdens het gesprek met de beroepscommissie werd een mogelijk concentratieprobleem bij XXXX vermeld, maar dit was niet eerder bekend, waardoor de school hiervoor ook geen redicodismaatregelen (zoals gebruik maken van een hoofdtelefoon) kon nemen in overleg met XXXX en haar ouders.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
- Verzoekster beroept zich terecht op de vaste rechtspraak van de Raad van State die stelt dat het dreigend verlies van een schooljaar een nadeel uitmaakt dat binnen een gewone schorsingsprocedure niet tijdig zal kunnen worden gekeerd. De verwerende partij betwist dit ook niet. VI. Ernst van de middelen Voorafgaande opmerking IX-10.339-6/20
- Aangezien het tweede middel handelt over de deugdelijkheid van de vastgestelde jaartekorten, past het vooreest het tweede middel te beoordelen. A. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in een tweede middel de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, van de motiveringsplicht zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de formelemotiveringswet) en de motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Verzoekster onderscheidt in het tweede middel twee middelonderdelen. In het eerste middelonderdeel benadrukt verzoekster dat de bestreden beslissing niet, of alleszins op onzorgvuldige wijze, stelt in welke mate een testresultaat het eindoordeel heeft beïnvloed, terwijl het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur ertoe strekt dat het bestuur zich volledig en correct informeert, vooraleer het een beslissing neemt en de beroepscommissie door in de bestreden beslissing te stellen dat “[d]e beroepscommissie ging ook na of het niet in aanmerking nemen van het tekort van 0/16 op een niet-afgelegde toets natuurwetenschappen een verschil zou maken in de eindbeoordeling, maar dit is niet het geval”, daarmee ingaat op de ter hoorzitting opgeworpen grief dat verzoekster een 0/16 kreeg voor een test, terwijl zij niet kon deelnemen aan deze test omdat een schoolbus te laat was gearriveerd en deze niet-deelname te wijten was aan de school zelf, zodat met betreffende test geen rekening kon worden gehouden door de delibererende klassenraad of de beroepscommissie en zij in dat geval, wel degelijk geslaagd zou zijn voor het vak IX-10.339-7/20 natuurwetenschappen. Bovendien wordt volgens verzoekster nergens in de bestreden beslissing in concreto uiteengezet waarom het wel of niet rekening houden met deze 0/16 geen verschil heeft gemaakt, nu met het louter poneren in de bestreden beslissing dat een en ander geen verschil zou hebben gemaakt, enige motivering in die zin ontbreekt, terwijl uit een zorgvuldige berekening van de resultaten, nochtans blijkt dat er wel degelijk een (minstens cijfermatig) verschil zou zijn. Ter ondersteuning van haar visie verwijst verzoekster in haar verzoekschrift naar de hiernavolgende becijfering van haar behaalde resultaten voor het vak natuurwetenschappen: “Het resultaat voor Natuurwetenschappen in het eerste semester was 61%. Voor het tweede semester gelden de volgende resultaten voor het vak Natuurwetenschappen: Fotosynthese: 5/12 OGV en GV: 7/9 Geslachtelijke voortplanting: 6/15 Mannelijk voortplantingstelsel: 0/16 Vrouwelijk voortplantingstelsel: 4/10 Menstruatiecyclus: 3,3/12 Controletoets: 25/60 TOTAAL: 50,3/134 = 37,5% Indien géén rekening wordt gehouden met de 0/16, behaalde XXXX een totaal van 50,3/118 = 42,5% voor het tweede semester. Het eerste en tweede semester hebben echter niet hetzelfde gewicht. Blijkens het administratief dossier heeft het eerste semester een gewichtscoëfficiënt van 0,8 en het tweede semester een coëfficiënt van 1,
- Indien dus rekening wordt gehouden met de 0/16, leidt dit tot een jaartotaal van 46,5% voor natuurwetenschappen, zoals weergegeven op het jaarrapport. Indien géén rekening word gehouden met deze 0/16, leidt dit tot de volgend berekening: 0,8 x 61% voor het eerste semester = 48,8 1,2 x 42,5 voor het tweede semester =
- (48,8 + 51) : 2 = 49,9%. Er is derhalve een meetbaar verschil tussen enerzijds 46,5% en 49,9% (hetgeen gebruikelijk wordt afgerond naar 50%).” Hieruit concludeert verzoekster dat de beroepscommissie niet kan stellen dat de eindbeoordeling van het vak natuurwetenschappen niet zou beïnvloed geweest zijn door deze test wanneer meetbaar het tegendeel juist is, zodat de bestreden beslissing in dat opzicht het zorgvuldigheidsbeginsel schendt en IX-10.339-8/20 in zoverre de beroepscommissie bedoelt dat het wel of niet in aanmerking nemen van deze test het eindoordeel van de delibererende klassenraad niet zou hebben gewijzigd, het motief onvoldoende draagkrachtig is, nu dit nergens concreet wordt toegelicht. In het tweede middelonderdeel betoogt verzoekster dat gelet op het feit dat het jaartekort voor het vak Nederlands, blijkens de beslissing van de delibererende klassenraad, bijgetreden door de beroepscommissie, van overwegend belang was, diende de beroepscommissie uit te gaan van de juiste gegevens wil zij op zorgvuldige wijze een beslissing nemen, terwijl uit de bestreden beslissing blijkt dat er rekening werd gehouden met foutieve gegevens over het vak Nederlands, nu het administratieve dossier een eindcijfer van 49% voor het vak Nederlands (niet-verdiepend) voor het derde trimester vermeldt en uit de beschikbare gegevens blijkt dat zij 55% (11/20) op het examenonderdeel “begrijpend lezen” en 49% (39/80) op het schriftelijke gedeelte van het examen behaalde, wat met andere woorden samen 50 punten op 100 of 50% oplevert. Beoordeling
- Verzoekster betoogt in het eerste middelonderdeel in essentie dat de beroepscommissie niet in concreto uitlegt waarom het neutraliseren van een test van natuurwetenschappen waarop zij 0 punten op 16 scoorde, maar die te wijten is aan de late aankomst op school van de schoolbus, geen verschil zou maken in haar beoordeling, nu volgens haar berekeningen, de neutralisering van die test haar van een jaartekort van 46,5% – en mits afronding – naar een slaagcijfer van 50% zou brengen, zodat de eindbeoordeling voor het vak natuurwetenschappen wel degelijk beïnvloed werd door dat ene resultaat. Dienaangaande heeft de beroepscommissie geoordeeld dat zij is nagegaan “of het niet in aanmerking nemen van het tekort van 0/16 op een niet-afgelegde toets natuurwetenschappen een verschil zou maken in de eindbeoordeling, maar dit is niet het geval”. IX-10.339-9/20 Niettegenstaande verzoekster die passus begrijpt als zou de commissie willen zeggen hebben dat er geen impact was op de eindbeoordeling “van het vak”, dient te worden vastgesteld dat dit op het eerste gezicht echter niet de strekking van die overweging van de beroepscommissie lijkt te zijn, nu de “eindbeoordeling” waaraan de commissie refereert, de toekenning van het B-attest lijkt te zijn met een welbepaalde clausulering, waarbij een eventuele aanpassing van het cijfer – de beroepscommissie laat prima facie in het midden of die terecht of onterecht door verzoekster werd gevraagd – volgens haar derhalve niet van aard was om de attestering voor verzoekster in meer gunstige zin te keren. Daarmee lijkt de beroepscommissie ook aansluiting te zoeken bij de door haar gehandhaafde beslissing van de klassenraad – handhaving zowel wat betreft de attestering en clausulering, als wat betreft de inhoudelijke motivering. Voor die laatste waren immers de “zwakke kennis van de onderwijstaal Nederlands en [de] zwakke resultaten voor wiskunde (51%)” bepalend. Deze zag de klassenraad als “een hinderpaal voor de domeinoverschrijdende doorstroomfinaliteit en voor een richting zoals Bedrijfswetenschappen (domeingebonden doorstroomfinaliteit)”. De resultaten voor het vak natuurwetenschappen hebben derhalve op het eerste gezicht geen determinerende rol gespeeld in de eindbeoordeling door de klassenraad en ook de beroepscommissie lijkt die resultaten niet als een decisief element te hebben beschouwd. Gelet op het voorgaande dient te worden vastgesteld dat de in het eerste middelonderdeel door verzoekster aangevoerde grief, betrekking hebbende op de resultaten voor het vak natuurwetenschappen, gericht is tegen een op het eerste gezicht niet determinerend motief in de eindbeoordeling en dat een kritiek gericht tegen een niet-decisieve overweging van de bestreden beslissing niet ontvankelijk is, zodat het eerste middelonderdeel van het tweede middel dienvolgens niet ernstig is. IX-10.339-10/20
- Waar verzoekster in een tweede middelonderdeel voorhoudt dat het administratief dossier voor het vak Nederlands in het derde trimester als eindcijfer 49% vermeldt, terwijl blijkt dat zij op het ene examenonderdeel 11 punten op 20 behaalde en het andere examenonderdeel 39 punten op 80 scoorde, wat dus samen 50 punten op 100 of 50% oplevert en dat aangezien het jaartekort voor dat vak naar luid van de beslissing van de klassenraad – en daarin bijgevallen door de beroepscommissie – “van overwegend belang” is, de beroepscommissie volgens verzoekster bij haar beoordeling niet van de juiste gegevens is uitgegaan, dient te worden vastgesteld dat verzoekster met de door haar gevoerde discussie op het eerste gezicht spijkers op laag water lijkt te zoeken, nu op haar jaarrapport voor die periode voor dat vak wel degelijk 50% vermeld staat en verzoekster betwist, zo lijkt, dan weer niet dat haar jaartotaal voor het vak Nederlands 47% bedraagt, met name het cijfer dat, zoals gezien, (mede) bepalend is geweest voor haar B-attest en de daarbij horende clausulering. Het tweede middelonderdeel van het tweede middel is om de hiervoor uiteengezette redenen evenmin ernstig.
- Het tweede middel is in zijn geheel niet ernstig. B. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in een eerste middel de schending aan van de motiveringsplicht vervat in de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet en de motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Verzoekster onderscheidt in het eerste middel twee middelonderdelen. IX-10.339-11/20 In het eerste middelonderdeel waarin de schending van de formelemotiveringsplicht wordt opgeworpen, voert verzoekster vooreerst aan dat zij in haar beroepschrift erop heeft gewezen dat de delibererende klassenraad weliswaar verzoekster niet clausuleert voor de domeingebonden finaliteit “Maatschappij en Welzijn”, maar wel voor de domeinoverschrijdende doorstroomfinaliteit “Humane Wetenschappen” terwijl beide finaliteiten gelijkaardige leerstofpakketten hebben met theoretische leerstofpakketten en dat noch uit de beslissing van de delibererende klassenraad van 28 augustus 2023, noch uit de bestreden beslissing van 12 september 2023, blijkt waarom verzoekster werd uitgesloten van de Humane Wetenschappen, maar niet van de Maatschappij- en Welzijnswetenschappen, niettegenstaande deze hoge mate van gelijkheid tussen beide finaliteiten. Dienaangaande benadrukt verzoekster dat geen enkel motief wordt gewijd aan de grief gepuurd uit het feit dat het om zeer gelijkaardige finaliteiten gaat, terwijl zij wordt geclausuleerd voor de ene, doch niet voor de andere en de verwerende partij deze grief lijkt te pareren door aan te geven dat verzoekster zelf akkoord zou zijn gegaan met de optie “Maatschappij en Welzijnswetenschappen” tijdens het gesprek met de directeur op 3 juli 2023, nu, nog volgens de bestreden beslissing, verzoekster het verslag van de directeur niet zou betwisten, waarin werd opgenomen dat zij instemde met de domeingebonden doorstroomfinaliteit Maatschappij- en Welzijnswetenschappen. Hoewel deze overweging volgens verzoekster een overtollig motief is van de bestreden beslissing, is het in ieder geval een onjuiste overweging, nu er geen enkele formele mogelijkheid is voorzien om dit verslag van de directeur te betwisten, behalve door het aantekenen van administratief beroep bij de beroepscommissie, hetgeen zij heeft gedaan, zodat het dan ook onjuist is te stellen dat zij dit verslag niet heeft betwist, terwijl zij dit heeft gedaan op formele wijze in tempore utile. Hoe dan ook valt volgens verzoekster uit de bestreden beslissing niet af te leiden waarom zij werd geclausuleerd voor de Humane Wetenschappen, maar niet voor de Maatschappij- en Welzijnswetenschappen, niettegenstaande de IX-10.339-12/20 zeer gelijkaardige finaliteiten, temeer nu door het wijzigen van de beslissing van 27 juni 2023 met clausulering van alle doorstroomfinaliteiten naar de beslissing van 28 augustus 2023 (bevestigd door de bestreden beslissing), waar niet alle doorstroomfinaliteiten werden geclausuleerd, wordt volgens haar erkend dat zij in staat is om abstract-theoretische lessenpakketten te verwerken. Dit klemt volgens verzoekster des te meer nu uit het bestaan van een georganiseerd administratief beroep in de school zelf, in samenhang met deze formelemotiveringsplicht, wordt aangenomen dat de bezwaarprocedure, wil ze enig nut hebben, ertoe moet leiden dat een leerling in de loop van die procedure een antwoord krijgt op zijn bezwaren, of toch minstens op die grieven waarvan een eventuele inwilliging mogelijk tot een gunstiger resultaat kan leiden, terwijl uit de bestreden beslissing geen antwoord blijkt op de door haar geformuleerde grief, in acht genomen de specifieke kritiek die zij uit; te weten het feit dat de twee finaliteiten zeer gelijkaardig zijn met theoretische pakketten maar dat zij voor de ene werd geclausuleerd en voor de andere niet, zodat de bestreden beslissing daarmee de formelemotiveringsplicht schendt nu het geen enkel motief bevat dat verzoekster toestaat na te gaan of de verwerende partij haar grief heeft overwogen en in welke mate zij dat heeft gedaan. In het tweede middelonderdeel waarin de schending wordt aangevoerd van de “versterkte” materiëlemotiveringsplicht evenals de formelemotiveringsplicht, betoogt verzoekster vooreerst dat van een beroepscommissie die een B-attest toekent, een sterk doorgedreven motivering wordt verwacht; dat die eis niet alleen volgt uit het feit dat de beroepscommissie zich met haar beslissing als het ware in de plaats stelt van de delibererende klassenraad van het volgende schooljaar, tot wiens autonomie het behoort om over het al dan niet slagen voor dat schooljaar te oordelen, maar ook uit de omstandigheid dat de aan het B-attest verbonden clausulering de principiële vrijheid – van de leerling of de ouders – van studiekeuze beperkt; dat de beroepscommissie daarom met zeer overtuigende motieven moet aantonen dat de kansen van de betrokken leerling om te slagen in het volgende leerjaar van dezelfde studierichting zo miniem zijn, dat hem zelfs niet de mogelijkheid mag worden geboden dat volgende leerjaar in die studierichting aan te vatten; dat het IX-10.339-13/20 toekennen van een B-attest, van de beroepscommissie een 'prospectief onderzoek’ vereist; dat van een beroepscommissie die een B-attest toekent, een sterk doorgedreven motivering mag worden verwacht, zowel vanuit formeel oogpunt - de uitdrukkelijke en afdoende vermelding van de motieven in de deliberatiebeslissing - als vanuit materieel oogpunt - de aanwezigheid van een deugdelijke grondslag in het dossier; dat de beroepscommissie met overtuigende motieven moet aantonen dat de kansen van de leerling om te slagen voor het volgende leerjaar van dezelfde studierichting zo miniem zijn, dat hem zelfs niet de mogelijkheid mag worden geboden dat leerjaar aan te vatten; dat een dergelijke beslissing moet steunen op concrete en objectieve gegevens uit het dossier van de leerling en dat die redenen afdoende moeten uiteengezet zijn in de evaluatiebeslissing, in overeenstemming met de versterkte motiveringsplicht die in zo een geval geldt. Meer specifiek benadrukt verzoekster dat voldoende moet worden aangetoond waarom de tekorten betekenen dat de leerling onvoldoende zware leerstofpakketten kan verwerken. Dienaangaande wijst verzoekster erop dat in zoverre in de bestreden beslissing in eerste instantie wordt gesteld dat er een “relatief” zwak globaal beeld zou zijn, waarbij inzichtelijke hiaten een onvoldoende basis zouden zijn om de studieloopbaan voort te zetten in een domeinoverschrijdende doorstroomfinaliteit en waarbij volgens haar vaagweg wordt verwezen naar “moeilijkheden” en “inzichtelijke hiaten” die zij ondervindt om “dat beheersingsniveau te behalen”, de bestreden beslissing nalaat om aan de hand van concrete elementen te verduidelijken welk beheersingsniveau in casu wordt bedoeld. Volgens verzoekster brengt de beroepscommissie daarbij geen concrete elementen voor op grond waarvan kan worden aangenomen dat zij bijvoorbeeld de richting Humane Wetenschappen niet eens zou kunnen aanvatten, in acht genomen eventuele remediëringen en bevat bijgevolg geen enkel concreet motief verbonden aan de daadwerkelijke resultaten in prospectie naar de te behalen leerdoelstellingen in het derde jaar Natuurwetenschappen of Humane Wetenschappen — waarvoor IX-10.339-14/20 verzoekster vraagt dat de clausulering wordt ongedaan gemaakt, zodat op geen enkele concrete wijze prospectief gemotiveerd waarom verzoekster, niettegenstaande zij geslaagd is, niettemin het jaar niet eens kan aanvatten in de door haar gevraagde geclausuleerde domeinoverschrijdende doorstroomfinaliteiten, desnoods met remediëring en bijkomende ondersteuning. Van een sterk doorgedreven motivering aan de hand van concrete resultaten en concrete doelstellingen in de domeinoverschrijdende doorstroomfinaliteiten is volgens verzoekster geen sprake, nu de dienaangaande aangevoerde motivering daarbij enkel als passe-partout-motivering geldt. In zoverre de beroepscommissie verder verwijst naar een zogenaamde overweging van de delibererende klassenraad en stelt dat deze wel degelijk rekening heeft gehouden met de impact van de medische en familiale omstandigheden op verzoeksters resultaten, met de positieve evolutie in het derde trimester en met de mogelijke ondersteuning door de hoogopgeleide ouders en een externe leerkracht, valt volgens verzoekster van een dergelijke overweging vanwege de klassenraad in het dossier niets terug te vinden, zodat de beroepscommissie, die zich blijkbaar aansluit bij deze onvindbare motivering, haar beslissing onvoldoende motiveert. Zij wijst op het gegeven dat niettegenstaande de delibererende klassenraad samenkwam op 28 augustus 2023 geen enkel stuk werd overgemaakt met de overwegingen van de klassenraad, noch zit dit in het administratief dossier; dat de voornoemde beslissing enkel stelt dat de ondersteuning van een taalleerkracht en het volgen van een vakantiecursus een groot engagement is en dat dit het Nederlands van verzoekster kan versterken, waarbij een retrospectieve overweging wordt overgemaakt (en geen prospectieve) over de kennis van het Nederlands en de zwakke resultaten voor het vak wiskunde, zodat de beroepscommissie aldus naar een andere overweging vanwege de klassenraad verwijst die niet in het dossier zit, noch bekend is gemaakt aan verzoekster. Mogelijkerwijze werd deze overweging volgens verzoekster gedeeld door de interne leden van de beroepscommissie, nu artikel 3.7.
- van het schoolreglement stelt dat de besprekingen van de delibererende klassenraad geheim zijn, wat volgens haar niet wegneemt dat er geen stuk waaruit de overwegingen van de delibererende klassenraad omtrent "de impact van de IX-10.339-15/20 medische en familiale omstandigheden op de resultaten van XXXX, met de positieve evolutie in het derde trimester en met de mogelijke ondersteuning door de hoogopgeleide ouders en een externe leerkracht" aan haar ter kennis werd gebracht, nu de beslissing van 28 augustus 2023 enkel spreekt van een "groot engagement", zonder dit te beoordelen, zodat dit niet de overweging kan zijn waarnaar de bestreden beslissing verwijst. Nu deze overweging vanwege de delibererende klassenraad niet bekend is gemaakt aan verzoekster, noch uitdrukkelijk is weergegeven in de bestreden beslissing, is de bestreden beslissing volgens haar op dit punt behept met een schending van de formelemotiveringsplicht, meer zelfs, indien deze motivering wel uitdrukkelijk in de bestreden beslissing zou zijn opgenomen, vloeit er uit deze overweging geen enkel concreet prospectief element voort, waarbij aan de hand van de precieze gegevens van het dossier door de beroepscommissie wordt aangegeven waarom deze overweging van de delibererende klassenraad wordt bijgetreden — zodat er nog steeds sprake zou zijn van een schending van de materiëlemotiveringsplicht. Beoordeling
- Voor zover verzoekster in een eerste middelonderdeel vooreerst aanvoert dat zij in de bestreden beslissing geen antwoord terugvindt op haar grief dat zij niet begrijpt waarom zij, gelet op de “zeer gelijkaardige finaliteiten”, wél voor humane wetenschappen maar niet voor maatschappij- en welzijnswetenschappen werd geclausuleerd, rijst de vraag of verzoekster de bestreden beslissing wel aandachtig heeft gelezen. Van belang lijkt de volgende passus in de bestreden beslissing: “Nazicht van de evaluaties maakt […] duidelijk dat er door het relatief zwakke globale beeld, de jaartekorten en de inzichtelijke hiaten geen voldoende basis is om de studieloopbaan voort te zetten in de domeinoverschrijdende doorstroomfinaliteit (met nog meer abstracte en complexe leerinhouden, verdieping en uitbreiding dan in de domeingebonden doorstroomfinaliteit). In het licht van de toch wel ambitieuze doelstellingen voor alle vakken in de domeinoverschrijdende doorstroomfinaliteit en rekening houdend met de moeilijkheden die [verzoekster] nu reeds ondervindt om dat beheersingsniveau te IX-10.339-16/20 behalen en zelfstandig te werken, lijkt de beslissing over de clausuleringen van de delibererende klassenraad d.d. 28 augustus 2023 voor de beroepscommissie terecht, mede omdat de leerkrachten van de vakken met jaartekorten hebben aangetoond dat zij vanuit hun professionele deskundigheid hebben geëvalueerd en in de mate van het mogelijke geremedieerd.” Deze passus doet op het eerste gezicht aannemen dat de beroepscommissie wel degelijk uitdrukkelijk heeft toegelicht dat en waarom zij voor verzoekster in de studierichtingen met een domeinoverschrijdende doorstroomfinaliteit – waartoe humane wetenschappen wél en maatschappij- en welzijnswetenschappen niet behoort – geen slaagkansen ziet. Van een schending van de formelemotiveringsplicht is derhalve geen sprake, zo lijkt. In zoverre verzoekster daarnaast meent te kunnen afleiden dat uit de wijziging van de clausulering blijkt dat zij in staat wordt geacht om abstract-theoretische lessenpakketten te verwerken, volstaat de vaststelling dat de wijziging van de clausulering prima facie niet toelaat te besluiten dat aan verzoekster toch capaciteiten worden toegedicht om “abstract-theoretische lessenpakketten” te verwerken. De finaliteit mag dan wel doorstroom zijn, de beroepscommissie heeft duidelijk aangegeven dat deze studierichting minder abstract en minder complex is en minder verdieping en uitbreiding bevat, wat verzoekster op het eerste gezicht niet weerspreekt. Gelet op het voorgaande dient te worden geconcludeerd dat het eerste middelonderdeel van het eerste middel niet ernstig is.
- In zoverre verzoekster in het tweede middelonderdeel vooreerst in essentie doet gelden dat de beroepscommissie geen concrete elementen voorbrengt waaruit blijkt dat zij de studierichtingen humane wetenschappen of natuurwetenschappen niet zou kunnen aanvatten en dat van een prospectief onderzoek aan de hand van de resultaten geen sprake is, dient te worden vastgesteld dat uit de hierboven aangehaalde passus eveneens blijkt, zo lijkt, dat de beroepscommissie wel degelijk een prospectief onderzoek heeft gevoerd, nu zij IX-10.339-17/20 wijst op het “relatief zwakke globale beeld”, de jaartekorten en “de inzichtelijke hiaten” waardoor zij bij verzoekster “geen voldoende basis” aanwezig acht om haar studieloopbaan in een domeinoverschrijdende doorstroomfinaliteit verder te zetten. Een blik op het jaarrapport van verzoekster laat op het eerste gezicht ook begrijpen wat daarmee wordt bedoeld. Verzoekster behaalde voor alle vakken van algemene vorming een jaartotaal van 54,5%. Dat is een cijfer dat de ondergrens van 50% sterk benadert en dat, zo lijkt, bovendien mede bepaald is door vakken die niet of in wel erg kleine mate relevant zijn om de slaagkansen van een leerling correct in te schatten – beeld (64,5%) en godsdienst (64,5%). Voor vakken waarbij wordt verder gebouwd op kennis die in de eerste graad werd verworven, laat verzoekster dan weer nipte slaagcijfers of onvoldoendes optekenen – bijvoorbeeld, wiskunde (51%) en Nederlands (47%). Aldus moet, in de huidige stand van de rechtspleging, worden geoordeeld dat ook hier verzoekster niet kan overtuigen van een schending van de door haar aangevoerde bepalingen en beginselen. Welk belang verzoekster, tot slot, heeft bij haar kritiek op de passus in de bestreden beslissing dat de beroepscommissie van mening is dat de klassenraad voldoende aandacht heeft besteed aan haar “medische en familiale omstandigheden”, “de positieve evolutie in het derde trimester” en de “mogelijke ondersteuning door de hoogopgeleide ouders en een externe leerkracht”, ontgaat de Raad van State volkomen, nu verzoekster met deze kritiek op het eerste gezicht niet aanvoert dat de beroepscommissie niet of niet afdoende op haar grieven heeft geantwoord. Het betreft overigens een ‘vaststelling’ van de beroepscommissie. Die vaststelling is juist of onjuist en heeft, zo lijkt, betrekking op de materiële motivering van de beslissing, waarvan de schending op het eerste gezicht niet als dusdanig werd geconcipieerd in het middelonderdeel. IX-10.339-18/20 Déze vaststelling volstaat om in de huidige stand van de rechtspleging het tweede middelonderdeel van het eerste middel als niet-ernstig te beschouwen.
- Het eerste middel is in zijn geheel niet ernstig. IX-10.339-19/20 VII. Conclusie
- Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negenentwintig september tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Chantal Bamps IX-10.339-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.484 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.