← België

Arrest 257485 - Examens (onderwijs) - 29/09/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.485 Rolnummer: A. 240074/IX-10337 Zaak: Arrest 257485 - Examens (onderwijs) - 29/09/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-10-02 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-10 12:57 Fiche Arrest nr 257.485 van 29 september 2023 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 257.485 van 29 september 2023 in de zaak A. 240.074/IX-10.337 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde Minnen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Ballaarstraat 69-71 bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW KATHOLIEK SECUNDAIR ONDERWIJS SINT-WILLIBRORD bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wouter Moonen en Jarien Bloemen kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 19 september 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Katholiek Secundair Onderwijs Sint-Willibrord van 31 augustus 2023, waarbij aan XXXX een oriënteringsattest C wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-10.337-1/9 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 september 2023, om 10.00 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hilde Minnen, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaten Wouter Moonen en Jarien Bloemen, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2022-2023 leerling in het eerste leerjaar van de derde graad aan de WICO-campus Lommel ASO, onderwijsinstelling waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. Hij is ingeschreven in de richting ASO humane wetenschappen. Het voorgaande schooljaar was verzoeker ingeschreven aan het Provinciaal Instituut Lommel (PROVIL) in het tweede leerjaar van de tweede graad, TSO industriële wetenschappen. 3.
  5. Op het einde van het schooljaar heeft verzoeker twee jaartekorten, namelijk voor wiskunde (40%) en voor Frans (33,7%). Dit resulteert in een oriënteringsattest C. IX-10.337-2/9 Nadat overleg niet leidt tot een nieuwe samenkomst van de klassenraad, stelt verzoeker bezwaar in bij het schoolbestuur. 3.
  6. Op 31 augustus 2023 beslist de beroepscommissie met de thans bestreden beslissing om het C-attest te handhaven. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  7. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  8. De verwerende partij betwist terecht niet dat de voorwaarde met betrekking tot de uiterst dringende noodzakelijkheid is vervuld. VI. Ernst van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  9. Het enige middel is geput uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid van het materiële motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, van het redelijkheid - het proportionaliteitsbeginsel en het vertrouwensbeginsel”: “Doordat de beroepscommissie enkel lijkt uit te gaan van de vaststelling dat verzoeker de leerplandoelstellingen voor wiskunde onvoldoende heeft IX-10.337-3/9 bereikt om daaraan de vaststelling te koppelen niet overtuigd te zijn van verzoekers slaagkansen in het zesde jaar; Doordat de beroepscommissie er ten onrechte van uitgaat dat verzoeker geen positieve evolutie voor Frans; Doordat de beroepscommissie besluit dat verzoeker op basis van de voorgelegde certificaten van het CLT niet klaar is om het zesde jaar Humane Wetenschappen aan te vatten en succesvol te beëindigen; Terwijl verzoeker op het kerstexamen een blackout had waardoor hij mathematisch zeer moeilijk nog kon slagen en er aldus werd afgesproken dat hij mits hij een positieve evolutie mét slaagcijfers laat zien voor het tweede semester, nog kan slagen; Terwijl verzoeker voor het vak wiskunde slaagde voor zover dagelijks werk als het examen; Terwijl de delibererende klassenraad de positieve evolutie voor Frans reeds had vastgesteld op 29 juni 2023; Terwijl verzoeker aan de delibererende klassenraad certificaten voorlegde waaruit blijkt dat hij er op korte termijn in geslaagd was de leerstof Frans ASO 3 en 4 te beheersen en ingeschreven is voor de cursus ASO 5 en 6 vanaf september zodat de overtuiging niet van iedere redelijkheid ontdaan is dat hij aan het einde van het zesde jaar het niveau van ASO 6 bereikt heeft; Terwijl de bestreden beslissing geen houdt met de aan verzoeker gedane toezeggingen; Terwijl het kennelijk redelijk en proportioneel zou zijn om – in het licht van de opgeworpen grieven – te oordelen dat verzoeker een A-attest heeft.” Beoordeling 7.
  10. Verzoeker heeft een jaartekort voor Frans, wat hij niet betwist. Hij heeft bijgevolg de leerplandoelstellingen voor dat vak niet behaald. De zogenaamde “positieve evolutie” die verzoeker graag opmerkt, staat die vaststelling niet in de weg: het is een zeer relatieve “positieve evolutie” van 28,4% met kerstmis naar 33,7% in juni en dus hoe dan ook blijft een zeer zwaar tekort. Dat verzoeker ondertussen certificaten heeft behaald bij het CLT voor de tweede graad toont niet aan dat hij zijn achterstand voor het eerste jaar van de derde graad heeft ingelopen. De beroepscommissie handelt bijgevolg niet onwettig, zo lijkt, als zij haar beslissing mede steunt op het zware jaartekort voor Frans. IX-10.337-4/9 7.
  11. Verzoeker heeft een jaartekort voor wiskunde, wat hij evenmin betwist. Hij stelt evenwel dat hem na een blackout bij de kerstexamens was toegezegd dat het zou volstaan als hij in het tweede semester zou slagen. Van die beweerde afspraak brengt verzoeker geen enkel bewijs voor, zodat de Raad er geen rekening mee mag houden. Bovendien behaalt verzoeker in het tweede semester inderdaad een slaagcijfer, maar dit cijfer is zo laag – 50,9% (som van 15,5/30 DW plus 35,4/70 EX) – dat van de beroepscommissie in redelijkheid niet mag worden verwacht aan te nemen dat verzoeker voor dit vak de leerplandoelstellingen in voldoende mate heeft behaald en dat hij in staat is met die bagage het volgende leerjaar aan te vatten. De beroepscommissie handelt bijgevolg niet onwettig, zo lijkt, als zij haar beslissing mede steunt op het zware jaartekort voor wiskunde.
  12. De motivering van een evaluatiebeslissing is in de eerste plaats besloten in de behaalde punten. Een ASO-leerling die twee zware jaartekorten laat optekenen voor Frans en wiskunde, mag zich in redelijkheid verwachten aan een C-attest.
  13. Verzoeker verwijt de beroepscommissie enkel naar die beide tekorten te hebben gekeken, “blind”, zonder aandacht voor de context die hij in zijn bezwaarschrift heeft geschetst. Hij stelt dat hij in de bestreden beslissing geen antwoord leest op zijn “wezenlijke, fundamentele grieven”. Dit argument kan op het eerste gezicht niet slagen, gelet op wat de beroepscommissie heeft geantwoord “[a]ls weerlegging van de argumenten vermeld in het bezwaarschrift”, namelijk dat: “- er doorheen het jaar wel degelijk rekening is gehouden met de onderwijsbehoeftes van de leerling: o de school was enkel op de hoogte van zijn dyscalculie bij de start van het schooljaar. In onderlinge afspraak met de moeder zijn de volgende begeleidende maatregelen toegekend: gebruik van grafisch rekenmachine en formularium; o de mogelijkheid tot herkansingen voor slecht gemaakte toetsen en bijlessen van de leerkracht buiten de schooluren werden terecht niet toegekend door de school om deontologische redenen. Ondersteuningen op school bleven wel mogelijk; IX-10.337-5/9 o slechts vanaf 25 oktober was de school op de hoogte van de faalangstproblemen van XXXX voor het vak wiskunde omdat op vraag van de moeder de school geen contact mocht leggen met de vorige school en hierdoor geen inzagerecht kreeg in het dossier van de leerling; o de leerlingen krijgen extra tijd: alle examens worden geacht realiseerbaar te zijn op 80 % van de voorziene examentijd; - voor het vak wiskunde: o de leerling behaalde op jaarbasis een zware onvoldoende (42 %). Dit is het cijfer voor het pakket van 3 u wiskunde waarop de delibererende klassenraad een beslissing genomen heeft; o de leerling is niet ingegaan op het advies om zich te heroriënteren na de kerstexamens. De Beroepscommissie is van oordeel dat als de leerling zou ingegaan zijn op het advies van de school […] dit een positief effect zou gehad hebben op zijn algemeen welbevinden en specifiek op zijn faalangst. Hiermee is de kans verloren gegaan op een beter cijfer; o er zijn voldoende meetmomenten geweest om de doelstellingen te kunnen toetsen en op basis daarvan moet er geoordeeld worden dat de doelstellingen onvoldoende bereikt zijn; o mede dankzij de intensieve, vrijwillige begeleiding door de leerkracht wiskunde, bovenop de brede basiszorg, heeft de leerling een positieve evolutie doorgemaakt. Toch behaalde hij op het einde van de 2de semester nog steeds nipte cijfers voor Dagelijks Werk en het examen van wiskunde; o de Beroepscommissie is op basis van de niet behaalde leerplandoelstellingen voor het vak wiskunde er niet van overtuigd dat de leerling het 6de jaar succesvol kan beëindigen: - voor het vak Frans: o de leerling behaalde op jaarbasis een zware onvoldoende (33.7 %) wat niet wordt betwist. De leerling erkent de doelstellingen niet bereikt te hebben. De leerling heeft gedurende het gehele jaar nooit een positief resultaat behaald op het rapport; o de leerling geeft aan dat hij tijdens de vakantie een intensieve cursus Frans in het CLT (Centrum voor Levende talen te Leuven) gevolgd heeft. De Beroepscommissie is van oordeel dat op basis van de voorgelegde diploma’s van het CLT het niet vaststaat dat de leerling klaar is om het 6de jaar Humane wetenschappen aan te vatten en succesvol te beëindigen. - bijkomend: o de Beroepscommissie ziet een positieve evolutie voor wiskunde, voor Frans echter niet. o de Beroepscommissie is van oordeel dat het overdoen van het 5de jaar wel een kans biedt op persoonlijke groei. Het overdoen van het 5de jaar hoeft niet per definitie te betekenen dat zijn mentaal welbevinden daarmee onder druk komt. Ons inziens kan het eventuele overzitten in het 6de jaar (zoals vermeld in het IX-10.337-6/9 verzoekschrift pagina 7) een even grote negatieve impact hebben op zijn welbevinden.”
  14. Verzoeker stelt in de toelichting bij het middel – terecht – “dat de gebrekkige begeleiding mogelijk de verantwoordelijkheid voor een slechte prestatie (deels) verschuift naar de onderwijsinstelling, maar in de regel die prestatie zelf niet zonder meer tot een voldoende vermag te keren zodat hij hierop verder niet meer ingaat”.
  15. De beroepscommissie wijst erop dat verzoeker een kans liet verloren gaan om een beter cijfer te halen in omstandigheden die meer bevorderlijk waren, althans volgens de commissie, voor zijn algemeen welbevinden. Die beschouwing omtrent het niet opvolgen van het advies om zich te heroriënteren na de kerstexamens lijkt geen dragend motief voor de bestreden beslissing. Er hoeft op het eerste gezicht dan ook geen “antwoord” te komen op wat verzoeker daarover heeft opgemerkt in zijn bezwaarschrift. Volgens verzoeker blijft de beroepscommissie “blind” voor het gegeven dat hij, precies door niet van richting te veranderen, de kans greep om voor wiskunde te slagen in het tweede semester. Echter lijkt de commissie niet zo “blind” hiervoor te zijn als verzoeker beweert. Zij stelt integendeel uitdrukkelijk in de bestreden beslissing tot tweemaal toe “een positieve evolutie” voor wiskunde vast. Zoals hiervóór is opgemerkt, blijft de verworven kennis spijts die positieve evolutie volgens de beroepscommissie onvoldoende.
  16. Welke andere “wezenlijke” argumenten zonder antwoord zijn gebleven, laat verzoeker in het midden.
  17. Hiervóór is vastgesteld dat verzoeker geen bewijs voorlegt van gemaakte afspraken en toezeggingen. Dit volstaat om de aangevoerde schending van het vertrouwensbeginsel, welke in verband zou staan met het miskennen van die beweerde afspraken, af te wijzen. IX-10.337-7/9
  18. Op het eerste gezicht heeft verzoeker in zijn bezwaar voor de beroepscommissie zelf nooit uitdrukkelijk om welbepaalde “minder verregaande maatregelen” verzocht, zoals een vakantietaak of een waarschuwing. Hij kan de beroepscommissie dan bezwaarlijk verwijten niet uitdrukkelijk te hebben geantwoord op een vraag die hij niet eens heeft gesteld, of die vraag niet voldoende zorgvuldig te hebben onderzocht. Overigens impliceert het oordeel van de beroepscommissie dat verzoeker niet geslaagd is ook, zo lijkt, dat zij meent dat verzoeker zijn tekort aan basiskennis niet op korte termijn met een vakantietaak kan bijspijkeren.
  19. Verzoeker overtuigt ten slotte niet ervan dat de beslissing disproportioneel is, dat wil zeggen dat ze een draagwijdte heeft waarvan niet kan worden aangenomen dat enige beroepscommissie op basis van dezelfde feitelijke gegevens tot dezelfde conclusie zou komen. In dat verband en ten overvloede merkt de Raad nog op dat verzoeker ten onrechte ervan uitgaat dat hij “voor alle andere vakken mooie slaagcijfers laat optekenen” en niettemin “al die vakken moet hernemen”. Artikel 136 van de Codex Secundair Onderwijs regelt in het kader van de individuele leertrajecten de mogelijkheid tot het verlenen van individuele vrijstellingen aan leerlingen die geslaagd zijn voor bepaalde onderdelen van de vorming van een bepaald structuuronderdeel.
  20. In de huidige stand van de rechtspleging is de schending van de in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen niet aangetoond. Het middel is niet ernstig. BESLISSING
  21. De Raad van State verwerpt de vordering. IX-10.337-8/9
  22. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  23. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negenentwintig september tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.337-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.485 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.