← België

Arrest 257508 - Varia (economische zaken) - 03/10/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.508 Rolnummer: A. 239164/XIV-39202 Zaak: Arrest 257508 - Varia (economische zaken) - 03/10/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-10-09 Raadplegingen: 170 - laatst gezien 2026-06-14 03:21 Fiche Arrest nr 257.508 van 3 oktober 2023 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 257.508 van 3 oktober 2023 in de zaak A. 239.164/XIV-39.202 In zake : nv GRIB DIAMONDS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Christoph De Preter, Judith Bussé en Julie Kennes kantoor houdend te 1000 Brussel Lakensestraat 88 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën Centrale Rechtskundige dienst FOD Financiën North Galaxy - Toren B, 26ste verdieping kantoor houdend te 1030 Brussel Koning Albert II-laan 33, bus 15 alwaar woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 19 mei 2023, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van: (1.) de beslissing van de Algemene Administratie van de Thesaurie bij de Federale Overheidsdienst Financiën, “minstens impliciet maar zeker vervat in de motivering van diens beslissing van 20 maart 2023, om GRIB Diamonds NV te beschouwen als gecontroleerd door een in bijlage I van de Verordening (EU) nr. 269/2014 van 17 maart 2014 vermelde entiteit, en dit gelet op het feit dat er relaties bestaan tussen de onderneming GRIB Diamonds NV en VTB Bank, en overeenkomstig het voorzichtigheidsprincipe” en, 2.) de beslissing van de Algemene Administratie van de Thesaurie bij de Federale Overheidsdienst Financiën, “minstens impliciet maar zeker vervat in diens XIV-39.202-1/50 motivering van de beslissing van 3 mei 2023, om GRIB Diamonds NV te beschouwen als gecontroleerd door in bijlage I van de Verordening (EU) nr. 269/2014 van 17 maart 2014 vermelde natuurlijke personen, en dit gelet op het feit dat er mogelijk relaties bestaan tussen de onderneming GRIB Diamonds NV en VTB Bank, en overeenkomstig het voorzichtigheidsprincipe”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 september 2023. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christoph De Preter, die verschijnt voor de verzoekende partij en adviseur Ann Lauwens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. XIV-39.202-2/50 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoekende partij met ondernemingsnummer 0845.338.469 is een geregistreerd diamanthandelaar in Antwerpen. 3.2. Over de controle en zeggenschap over de verzoekende partij stelt de verzoekende partij in haar verzoekschrift het volgende (zie hierover nog infra punt 3.8): “2.2 De activiteiten en het personeel van GRIB maken niet het voorwerp uit van sancties op Belgisch of EU-niveau. 11. Voor de goede orde wijst GRIB er nadrukkelijk op dat ten aanzien van het personeel en de bestuurders van GRIB géén beperkende bevriezings- of blokkeringsmaatregelen genomen zijn, noch in België noch in een andere lidstaat, op grond van Verordening (EU) nr. 269/2014. Meer uitleg over deze Verordening volgt verder in dit verzoekschrift. 12. GRIB wijst er ook op dat de invoer van Russische diamant, hetzij ruw, hetzij bewerkt, vooralsnog niet het voorwerp uitmaakt van enige beperkende maatregelen op Belgisch of EU-niveau. 2.3 GRIB wordt gecontroleerd door de Russische Otkritie-holding dewelke het voorwerp uitmaakt van een insolventieprocedure. 13. Luidens het aandeelhoudersregister van GRIB zijn de aandelen in GRIB voor 100% in handen van de Russische vennootschap AGD Diamonds JSC, wiens aandelen op haar beurt voor 100 % eigendom zijn van de Russische vennootschap Otkritie Industrial Investment LLC […]. De aandelen van deze laatste vennootschap zijn voor 100% in handen van de Russische vennootschap Otkritie Holding JSC. 14. AGD Diamonds JSC, Otkritie Industrial Investment LLC en Otkritie Holding JSC bevinden zich in één of andere vorm van gerechtelijke insolventieprocedure c.q. toezichtsprocedure naar Russisch recht. 15. Naar aanleiding van deze gerechtelijke insolventieprocedures oefenen de uiteindelijke aandeelhouders van Otkritie Holding JSC als zodanig geen controle of zeggenschap meer uit. Zij kunnen noch het beleid bepalen van GRIB noch de aanstelling van de bestuurders of het management. Deze bevoegdheid ligt immers bij de respectievelijke curatoren. 16. Naar oordeel van GRIB (na consultatie van haar raadslieden) en gebaseerd op haar kennis van het Russische insolventierecht, heeft de curator of bankruptcy trustee van Otkritie Industrial Investment LLC op dit ogenblik de zeggenschap over GRIB in de zin dat het deze curator is die kan beslissen over het beleid van GRIB en de aanstelling van de bestuurders of het management. 17. Het belang hiervan zal later worden verduidelijkt. XIV-39.202-3/50 2.4 De Russische VTB bank heeft een minderheidsparticipatie in de Russische Otkritie holding en is er schuldeiser van. VTB bank is houdster van een pandrecht op de aandelen in GRIB. 18. De aandelen van Otkritie Holding JSC zijn op haar beurt verspreid over 12 minderheidsaandeelhouders. VTB Bank is één van deze minderheidsaandeelhouders voor 9,99 %. VTB Bank is tevens een belangrijke schuldeiser in de failliete massa van Otkritie Holding JSC. 19. Ter garantie van haar schulden bij VTB Bank heeft Otkritie Holding JSC een pandovereenkomst afgesloten met VTB Bank. Daarbij werden 100% van de aandelen in GRIB in pand gegeven aan VTB. Dit pand werd nog niet verzilverd. 2.5 GRIB heeft de nodige maatregelen genomen om elke uitoefening door VTB Bank van haar pandrecht te verhinderen, alsook elke uitbetaling van gelden aan VTB Bank. 20. Zoals hierna zal worden verduidelijkt, maakt VTB Bank het voorwerp uit van internationale sancties, ook in de Europese Unie. 21. Als rechtspersoon gevestigd in België, heeft GRIB de verplichting om mee te werken aan de uitvoering van deze sancties. GRIB heeft dan ook middels haar raad van bestuur de nodige maatregelen getroffen om: (

  1. i)elke uitoefening door VTB Bank van haar pandrecht op de aandelen van GRIB te verhinderen. Hieromtrent werd een besluit getroffen door de raad van bestuur van GRIB dat ook in het aandelenregister van GRIB werd geacteerd […]. (
  2. ii)elke uitbetaling van gelden aan VTB Bank te verhinderen. Hieromtrent werd een besluit getroffen door de raad van bestuur van GRIB om geen enkel dividend of andere uitbetaling te verrichten aan de moedervennootschappen van GRIB zolang de sancties tegen VTB-Bank voortduren. Op die manier wordt verzekerd dat VTB Bank als 9,99% aandeelhouder van Otkritie Holding JSC op geen enkele manier enige betaling vanuit GRIB zou kunnen ontvangen […]. […]”. 3.3. Op 17 november 2022 deelt de KBC-Bank aan de Algemene Administratie Thesaurie van de FOD Financiën (hierna: de AAT) mee dat zij de bankrelatie met de verzoekende partij zou stopzetten wegens diens relatie met VTB Bank. Dat schrijven luidt: “[…] We wensen u te informeren dat we de klantrelatie met GRIB DIAMONDS NV (met maatschappelijke zetel te Schupstraat 21, 2018 Antwerpen en ondernemingsnummer 0845.338.469) stopzetten, wegens hun relatie met VTB Bank en we verzoeken u tevens om ons te willen bevestigen of u instemt met de hieronder beschreven aanpak. De officiële aandeelhoudersstructuur van GRIB DIAMONDS NV is als volgt (volgens het aandeelhoudersregister van de vennootschap; volgens de informatie die opgenomen is op pagina 18 van het jaarverslag 2021 dat neergelegd werd op 31 augustus 2022; volgens recente verklaringen van de vennootschap en van haar bestuurders aan KBC; volgens openbare bronnen zoals Kharon): GRIB DIAMONDS NV is een 100% dochtervennootschap van AGD DIAMONDS JSC (Rusland), dat op zijn beurt een 100% dochtervennootschap is van OTKRITIE INDUSTRIAL INVESTMENT LLC (Rusland), dat op zijn beurt een 100% dochtervennootschap is van OTKRITIE HOLDING JSC (Rusland). Deze laatste XIV-39.202-4/50 holding zou in handen zijn van verschillende minderheidsaandeelhouders (die elk minder dan 20% van de aandelen bezitten). Eén van deze minderheidsaandeelhouders is VTB Bank (9,99%). VTB Bank werd op 8 april 2022 toegevoegd op de lijst van gesanctioneerde entiteiten in Annex I van EU Verordening 269/2017. Op zich is een (indirect) aandeelhouderschap van amper 9,99% door een gesanctioneerde entiteit niet problematisch (ruim minder dan 50% en op zich onvoldoende om zeggenschap uit te oefenen). Doch er zijn recentelijk feiten opgedoken, die – hoewel ze niet altijd eenduidig zijn - kunnen wijzen een verdergaande band tussen GRIB DIAMONDS en VTB Bank, meer bepaald omwille van volgende vaststellingen: 1) De aandelen van GRIB DIAMONDS NV werden indertijd door AGD DIAMONDS in pand gegeven ten gunste van VTB Bank als garantiestelling voor een krediet dat door VTB Bank toegestaan werd aan OTKRITIE INDUSTRIAL INVESTMENT. Op pagina 36 van het jaarverslag 2021 van GRIB DIAMONDS NV wordt expliciet verwezen naar deze share pledge agreement van 23 mei 2017. 2) Sinds OTKRITIE INDUSTRIAL INVESTMENT in 2021 failliet verklaard werd, bestaat er een reëel risico dat VTB Bank wegens wanbetaling bezit neemt van GRIB DIAMONDS NV. Bepaalde nieuwsberichten vermelden dat VTB Bank in de feiten reeds bezit genomen zou hebben van GRIB DIAMONDS NV (zie bijvoorbeeld rough-polished.com, jckonline.com en jckonline.com), maar deze geruchten stroken niet met de officieel beschikbare informatie en worden ontkend door GRIB DIAMONDS NV, wanneer wij deze hieromtrent bevragen. 3) In het laatste jaarverslag vermeldt het bestuursorgaan dat GRIB DIAMONDS NV 16,2 miljoen USD aanhoudt op een rekening bij VTB Bank, maar dat deze gelden in 2022 bevroren werden in de context van de EU sancties tegen Rusland. In het commissarisverslag verklaart de bedrijfsrevisor echter dat ‘ondanks onze formele verzoeken, mochten wij de vereiste bankconfirmatie van VTB Bank niet ontvangen. Het was voor ons niet mogelijk om via alternatieve procedures voldoende zekerheid te verwerven over de volledigheid en het bestaan van de zekerheden, de garantieverplichtingen of andere buitenbalansverplichtingen ten aanzien van VTB Bank’ (zie pagina’s 46-47 van het jaarverslag 2021). Dat is een van de redenen waarom de commissaris zich onthoudt een oordeel over de jaarrekening uit te brengen (oordeelonthouding). 4) Bepaalde bestuurders van GRIB DIAMONDS NV of haar (groot)moedervennootschappen hebben een band met VTB Bank. Zo staat Alexander PUKHAEV (° 25 juli 1976), die tot september 2022 bestuurder was van GRIB DIAMONDS NV, in Worldcheck (ID 4882193) geregistreerd als ‘Senior Vice President of VTB Bank OAO’ en ‘Member of the Board of Directors of VTB Leasing Open Joint-Stock Company’. Voor de huidige bestuurders van GRIB DIAMONDS NV (Arkadii ILIAGUEV, bestuurder sinds september 2021; Vladimir BORUNOV, sinds maart 2022; en Leonid KARPUKHIN, sinds juli 2022) hebben we geen duidelijke band met VTB Bank kunnen leggen. 5) Volgens de informatie die GRIB DIAMONDS NV in het UBO Register heeft opgenomen, is Alexei LAPTEV, de curator van OTKRITIE INDUSTRIAL INVESTMENT, de enige UBO van GRIB DIAMONDS NV, wat ons opvallend lijkt en de vraag doet rijzen of er nog andere uiteindelijke begunstigden zijn. Bovenstaande vaststellingen hebben ons ertoe aangezet onze due diligence te verscherpen. We zijn onze verscherpte due diligence – specifiek gericht op het aandeelhouderschap en/of de controle van VTB Bank over GRIB DIAMONDS NV gestart in september, nadat we whistleblower-mails ontvangen hadden van een persoon die, volgens onze opzoekingen op LinkedIn, een (gewezen) werknemer XIV-39.202-5/50 van GRIB DIAMONDS NV zou zijn. Mails, die u vermoedelijk ook zijn toegezonden. Omwille van de onduidelijkheid, het reële risico dat de aandeelhoudersstructuur in de toekomst kan veranderen (in het licht van de inpandgeving van de aandelen van GRIB DIAMONDS NV ten gunste van VTB Bank en het faillissement van de grootmoeder-kredietnemer), de geïdentificeerde banden met VTB Bank en om het risico op omzeiling van sancties te mitigeren, hebben we echter beslist om: 1) de klantrelatie met GRIB DIAMONDS NV stop te zetten, met de gebruikelijke opzegperiode van 2 maanden (de huurwaarborgrekening blijft wel voortbestaan tot de contractueel voorziene termijn); 2) tijdens deze opzegperiode onze due diligence (met betrekking tot het aandeelhouderschap en/of de controle van VTB Bank) verder te zetten, en de rekeningen op naam van GRIB DIAMONDS NV te blokkeren tijdens het verdere verloop van deze due diligence; 3) de gelden op de rekeningen van GRIB DIAMONDS NV voor het einde van de opzegperiode slechts vrij te geven mits we hiervoor een (specifieke of algemene) goedkeuring ontvangen van FOD Financiën; 4) de gelden op de rekeningen van GRIB DIAMONDS NV op het einde van de opzegperiode te deblokkeren en ter beschikking te stellen aan GRIB DIAMONDS NV, behoudens tegenbericht van FOD Financiën (en voor zover onze due diligence geen elementen aan het licht gebracht zou hebben die zouden aantonen dat de officiële aandeelhoudersstructuur niet correct is en dat (de gesanctioneerde) VTB Bank effectief reeds indirect meerderheidsaandeelhouder is en/of zeggenschap heeft over GRIB DIAMONDS NV). Overzicht van de rekeningen van GRIB DIAMONDS NV bij KBC Bank: 1) BE52 7310 2403 0309 (zichtrekening) – saldo op 8 november 2022: 963.288,23 EUR; 2) BE38 7430 5560 6272 (huurwaarborgrekening) – saldo op 8 november 2022: 181.904,06 EUR. Naast deze bankrekeningen, is GRIB DIAMONDS NV ook nog verbonden met: 1) lopende autoleasingcontracten bij KBC Lease NV, die voorlopig verder lopen tot de voorziene einddatum (behoudens tegenbericht); 2) een ‘rubriekrekening’ (BE49 7310 4313 5871) aangehouden op naam van het sociaal secretariaat Pro-Pay NV met als rubrieknaam ‘GRIB DIAMONDS NV’ – saldo op 8 november 2022: 697.305,28 EUR. De eigendomsrechten zijn ter zake nog uit te klaren. De Nationale Bank van België heeft recent bevestigd dat Pro-Pay NV, bij gebrek aan vergunning als betalingsinstelling, het geld van zijn klanten niet mag aanhouden op dergelijke ‘rubriekrekeningen’ (en dat deze rekeningen dus afgesloten moeten worden). We hebben beslist om deze rekening op te zeggen en te blokkeren tijdens de opzegperiode: zelfde werkwijze als voor de rekening op naam van GRIB DIAMONDS NV, met dit verschil dat we tijdens de opzegperiode wel een overschrijving van het creditsaldo zullen toelaten (op instructie van Pro-Pay NV) naar de hogervermelde rekening BE52 7310 2403 0309 op naam van GRIB DIAMONDS NV. Mogen we u vragen om ons zo snel mogelijk (en alleszins voor begin januari 2023) te bevestigen dat GRIB DIAMONDS niet moet worden beschouwd als een rechtspersoon die in het bezit is of onder zeggenschap staat van een op een lijst geplaatste persoon of entiteit, en dat we de gelden op hun rekeningen mogen vrijgeven? Zoals hierboven beschreven, zullen wij de gelden uiterlijk vrijgeven op het verstrijken van de opzegtermijn tenzij we tegenbericht van u hebben ontvangen of het eigendom/zeggenschap van een op de lijst geplaatste persoon op dat ogenblik zou zijn vastgesteld.” XIV-39.202-6/50 3.4. Diezelfde dag ontvangt ook de verzoekende partij de beslissing van de KBC-bank om de klantrelatie stop te zetten volgens de modaliteiten zoals beschreven sub 3.3.. In dat schrijven wordt verder nog gesteld, zonder te detailleren, dat KBC-Bank” “will continue our ongoing due diligence investigation concerning the (indirect) shareholding and control exerted by VTB Bank on Grib Diamonds NV, of which you are aware.” (vrij vertaald: “haar lopende due diligence-onderzoek zal voortzetten met betrekking tot het (indirecte) aandelenbezit en de controle die VTB Bank uitoefent op Grib Diamonds nv waarvan u op de hoogte bent.”). 3.5. Naar aanleiding van deze opzegging door KBC- Bank vragen de raadslieden van de verzoekende partij bij brief van 29 november 2022 aan de AAT om verduidelijking. De verzoekende partij verstuurt meerdere e-mails naar de verwerende partij om verheldering te brengen. Zo stellen de raadslieden van de verzoekende partij bij e-mail van 13 december 2022 wat volgt: “Wij treden op als Belgische raadslieden van de GRIB Diamonds NV en staan onze collega’s bij van het Oostenrijkse advocatenkantoor PHH. Behoudens vergissing heeft uw Administratie nog steeds niet gereageerd op onderstaande e-mail en bijgaand schrijven d.d. 29 november 2022. Eén en ander is bijzonder dringend. Sinds bijna één maand zijn de bankrekeningen van GRIB Diamonds NV bij KBC Bank NV geblokkeerd op grond van een mogelijke toepassing van Verordening 269/2014, waarbij KBC Bank NV wacht op een reactie van de Algemene Administratie Thesaurie om deze bankrekeningen terug vrij te geven. De stabiliteit van GRIB Diamonds NV komt hierdoor in het gedrang. Deze onderneming is een systeemspeler in de Antwerpse diamantsector en cruciaal voor het Belgische diamantwezen. Derhalve neem ik de vrijheid om de [H.D.] (DirCom FOD Financiën) en [A.D.G.] (AG AAThes) te kopiëren op dit schrijven. Ik zal beide[n] […] tevens via apart schrijven contacteren zodat deze dringende aangelegenheid zo snel als mogelijk kan worden opgelost.” 3.6. Bij brief van 19 december 2022 beklagen de raadslieden van de verzoekende partij zich erover dat het voor de verzoekende partij “tot op heden onmogelijk [is] om efficiënt en snel contact op te nemen met de juiste personen bij AAThes” en dat de situatie voor de verzoekende partij bijzonder ernstig en urgent is. Zij verzoeken de AAT als volgt: XIV-39.202-7/50 “[…] • IN HOOFDORDE AAThes wordt verzocht, in uitvoering van artikelen 4 en 6 van de Verordening, onverwijld en in ieder geval binnen twee werkdagen na verzending van deze brief antwoord te geven aan het algemeen verzoek van GRIB, reeds geformuleerd in het schrijven van PHH d.d. 29 november 2022, om algemene toestemming te verlenen aan KBC en GRIB voor de vrijgave van de door KBC de facto bevroren tegoeden ter betaling van: (
  3. i)Belastingen verschuldigd aan de federale, gewestelijke, provinciale, gemeentelijke en andere Belgische overheden; (
  4. ii)Nutsvoorzieningen (m.i.v. verwarming, water, elektriciteit en telecommunicatie); (iii) Salarissen, (normale) bestuurdersvergoedingen, 13e maand, extralegale voordelen (m.i.v. bedrijfswagens); (
  5. iv)Overige normale bedrijfsuitgaven die GRIB als going concern moet stellen, en dit voor een periode van 6 (zes) maanden vanaf de datum van dit verzoek. • IN ONDERGESCHIKTE ORDE Minstens wordt AAThes verzocht, in uitvoering van artikelen 4 en 6 van de Verordening, om onverwijld en in ieder geval binnen twee werkdagen na verzending van deze brief de specifieke toestemming te verlenen aan KBC en GRIB voor de vrijgave van de door KBC de facto bevroren tegoeden ter betaling van: (
  6. i)de vervallen facturen vermeld in het overzicht Bijlage 2, en waarvan een kopie wordt gevoegd in Bijlage 3; (
  7. ii)in het algemeen, alle toekomstige betalingen gedurende de komende periode van 6 (zes) maanden vanaf de datum van dit verzoek aan de specifieke leveranciers en schuldeisers opgenomen in het overzicht in Bijlage 2. • IN IEDER GEVAL AAThes wordt daarnaast in ieder geval verzocht om dringend antwoord te geven op: (
  8. i)de vragen die haar gesteld zijn door KBC m.b.t. de tegoeden van GRIB; (
  9. ii)de vragen die haar gesteld zijn door GRIB bij monde van haar raadsman PHH, dewelke reeds werden geformuleerd in het schrijven van PHH d.d. 29 november 2022, met name: - Welke vragen heeft GRIB gesteld aan KBC? - Heeft KBC uw administratie geïnformeerd dat de rekeningen van GRIB volledig geblokkeerd zijn? - Wie is de verantwoordelijke voor het dossier van GRIB bij AAthes?” Bij brief van 20 december 2022 vragen de raadslieden van de verzoekende partij bijkomend om een afwijking voor de salarissen. 3.7. Op 23 december 2022 staat de verwerende partij “[g]elet op het feit dat er relaties bestaan tussen Grib Diamonds en VTB Bank, met name via de moedermaatschappij” de vrijgave voor de salarissen toe. Deze beslissing luidt: XIV-39.202-8/50 “[…] De Algemene Administratie van de Thesaurie heeft uw verzoek tot goedkeuring van 19 en 20 december met betrekking tot de betaling aan de werknemers van GRIB Diamonds van hun salarissen en dertiende maand en een openstaand saldo t.a.v. ProPay ten belope van 10.226,62 euro, goed ontvangen. Gelet op het feit dat VTB BANK was toegevoegd aan bijlage I van voornoemde Verordening (EU) nr. 269/2014 door de Uitvoeringsverordening (EU) 2022/581 van de Raad van 8 april 2022 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen; Gelet op het feit dat er relaties bestaan tussen Grib Diamonds en VTB Bank, met name via de moedermaatschappij; Gezien artikel 6 van Verordening (EU) nr. 269/2014 dat bepaalt dat in afwijking van artikel 2 en mits een betaling verschuldigd is door een in bijlage I vermelde natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam op grond van een contract of overeenkomst die door deze is gesloten of op grond van een verplichting die voor hem is ontstaan vóór de datum waarop de betrokken natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam in bijlage I werd opgenomen, de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, onder door hen passend geachte voorwaarden, toestemming kunnen verlenen voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, indien de betrokken bevoegde autoriteit heeft vastgesteld dat:
  10. a)de tegoeden of economische middelen worden gebruikt voor een betaling door een natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam vermeld in bijlage I; en
  11. b)de betaling niet in strijd is met artikel 2, lid 2. Gezien uw verzoek aan deze voorwaarden voldoet; Ingevolge de informatie in ons bezit en de door ons uitgevoerde controles, worden de betalingen van salarissen en andere beloningen op basis van in tempore non suspecto contracten en door Grib Diamonds onbetaalde facturen van Pro-Pay ten belope van een totaalbedrag van 10.226,62 toegestaan. Wat de salarissen betreft, moet ons achteraf een overzicht van de betaalde bedragen worden toegezonden. […]”. Deze beslissing is niet het voorwerp van een beroep bij de Raad van State. 3.8. Bij brief van 9 januari 2023 wijst de verzoekende partij erop dat de AAT niet heeft geoordeeld over de blokkeringen van de tegoeden van de KBC- Bank, noch over het eerder verzoek tot vrijgave van de tegoeden voor de leveranciers en dienstverleners. Zij stelt: “[…] Enerzijds wensen wij uw Administratie (“AAThes”) er respectvol aan te herinneren dat GRIB nog in afwachting is van een stellingname van AAThes op een verzoek tot voorlopige vrijgave van haar fondsen (cf. titel B). XIV-39.202-9/50 Anderzijds wensen wij namens GRIB ook voor de eerste maal ten gronde stelling innemen over de blokkering van haar tegoeden door KBC Bank NV (‘KBC’) (cf. titel C).” Zij geeft de volgende uiteenzetting over het “[v]ermoedelijk voorwerp van de blokkering: beweerdelijke controle van [de verzoekende partij] door VTB Bank”: “[…] Grib wordt noch de facto noch de iure gecontroleerd door VTB Bank […] Geen controle door VTB Bank. GRIB wil formeel benadrukken dat zij niet door VTB Bank wordt gecontroleerd. Eén en ander wordt hierna verduidelijkt. […] Algemeen: geen zeggenschap als aandeelhouder. VTB Bank heeft geen enkele zeggenschap op basis van een aandeelhouderspositie in GRIB. 100% van de aandelen in GRIB zijn immers in handen van AGD Diamonds JSC, met als enige aandeelhouder Otkritie Industrial Investments LLC, met als enige aandeelhouder Otkritie Holding JSC. Ook wat betreft deze laatste is er geen enkele natuurlijke of rechtspersoon die een deelneming heeft in Otkritie Holding JSC die enige controle of zeggenschap impliceert overeenkomstig de hierboven uiteengezette principes. VTB Bank is slechts een van de vele minderheidsaandeelhouders in Otkritie Holding JSC met een aandeel van minder dan 10 % (9,99 %). […] VTB Bank is dus niet eens de uiteindelijke eigenaar van de tussenpersonen, die indirect – en wat AGD Diamonds JSC betreft rechtstreeks – aandelen in GRIB bezitten. Aangezien VTB Bank slechts een gering minderheidsbelang heeft in Otkritie Holding JSC, heeft zij (indirect via verschillende tussenpersonen) geen zeggenschap noch enige invloed op GRIB. Anders gezegd: noch de grootmoedervennootschap, noch de moedervennootschap van GRIB, laat staan GRIB zelf worden in feite gecontroleerd of beïnvloed door een aangewezen entiteit (m.n. VTB Bank). Overeenkomstig de hierboven aangehaalde principes, voldoet de situatie in casu bijgevolg niet aan artikel 2 van de Verordening en bestaat er geen enkele rechtvaardiging voor de bevriezing van de tegoeden van GRIB. […] Bovendien: vermeende zeggenschap wordt in ieder geval buiten werking gesteld ten gevolge van vereffeningsprocedure. Wat er ook van zij, zowel Otkritie Industrial Investments LLC als AGD Diamonds JSC zijn recent in vereffening gegaan waardoor het beleid en de controle van deze vennootschap momenteel volledig in handen is van een curator. Bijgevolg kan enkel deze laatste (en in ieder geval geen enkele (minderheids)aandeelhouder) op dit ogenblik als enige zeggenschap en controle uitoefenen op de moeder- en grootmoedervennootschappen van GRIB. Voor zover al sprake zou zijn van enige zeggenschap van VTB Bank, quod non, wordt deze hierdoor hoe dan ook buiten spel gezet. […] In geen geval maakt VTB Bank aanspraak op enige zeggenschap of controle ten gevolge van de Pandovereenkomst. Louter ter transparantie merkt GRIB op dat de voorganger van AGD Diamonds JSC (Lakover Trading Ltd) met VTB Bank een pandovereenkomst heeft afgesloten waarbij 100% van de aandelen van GRIB op 23 mei 2017 in zekerheid werden gegeven ter garantie van een financiering (hierna de ‘Pandovereenkomst’). XIV-39.202-10/50 Het kan niet voldoende worden benadrukt dat het pandrecht op dit ogenblik niet eens is uitgeoefend (!). VTB Bank beschikt dus niet over enige aandelen in GRIB ten gevolge van de Pandovereenkomst. […] Bovendien zou GRIB uiteraard elke poging tot verzilvering door VTB Bank van haar pandrecht moeten weigeren. Immers: GRIB herhaalt dat zowel zijzelf als haar bestuursorganen zélf mee instaan voor een correcte toepassing van de Verordening. Daartoe heeft GRIB intern alle nodige maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat de uitvoering van de Pandovereenkomst volstrekt onmogelijk is gemaakt (zie eveneens infra). Zo heeft de raad van bestuur van GRIB een duidelijke beslissing getroffen dat op geen enkele wijze zal worden medegewerkt aan de (eventuele) verzilvering van het pandrecht van VTB Bank (Bijlage 2). Opdat het pandrecht van VTB Bank überhaupt werkzaam zou zijn, moet dit pandrecht worden ingeschreven in het aandelenregister van GRIB, dat zoals de Belgische wet voorschrijft wordt bijgehouden op de zetel van GRIB. Met andere woorden: nu de raad van bestuur van GRIB heeft beslist dat niet zal worden medegewerkt aan een (eventuele) pandverzilvering, is het pand van VTB Bank per definitie dode letter. Zo heeft GRIB ook in haar aandelenregister de volgende opmerking opgenomen (cf. Bijlage 3): “Bij beslissing van de Raad van Bestuur wordt het pandrecht van VTB Bank, alsook elk mogelijk recht dat VTB Bank uit de Share Pledge Agreement zou kunnen afleiden, opgeschort totdat VTB Bank niet langer is opgenomen op de lijst der gesanctioneerde entiteiten onder Verordening 269/2014.’ […] Besluit: De pandrechten van VTB Bank worden hierdoor volledig buiten werking gesteld en er bestaat geen enkel risico dat VTB Bank bepaalde aandelen van GRIB verwerft of in de toekomst kan/zal verwerven.” 3.9. De verwerende partij vraagt bij e-mail van 20 januari en 7 maart 2023 om bijkomende informatie, die door de verzoekende partij werd bezorgd. Bij brief van 15 februari 2023 geeft de verzoekende partij bijkomende aanvullingen. 3.10. Op 20 maart 2023 neemt de verwerende partij een beslissing waarbij er gewezen wordt op (1.) de relaties van de verzoekende partij met de VTB Bank en (2.) het voorzichtigheidsprincipe om aan te nemen dat de verzoekende partij door VTB Bank wordt gecontroleerd en waarna vrijgave wordt toegestaan om te voorzien in welbepaalde facturen. Dit is de eerste bestreden beslissing die luidt: “[…] XIV-39.202-11/50 De Algemene Administratie van de Thesaurie heeft uw verzoek van 16 maart 2023 tot toestemming voor betalingen van verscheidene facturen vanwege Grib Diamonds NV richting DKV België NV, goed ontvangen. Gelet op het feit dat VTB Bank was toegevoegd aan Bijlage I van voornoemde Verordening (EU) nr. 269/2014 door Uitvoeringsverordening (EU) 2022/581 van de Raad van 8 april 2022 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen; Gelet op het feit dat er relaties bestaan tussen de onderneming Grib Diamonds NV en VTB Bank en de Algemene Administratie van de Thesaurie bijgevolg – overeenkomstig het voorzichtigheidsprincipe – concludeert dat Grib Diamonds NV kan worden beschouwd als gecontroleerd door een in bijlage I van voornoemde Verordening (EU) nr. 269/2014 vermelde entiteit; Gelet op artikel 4, lid 1,
  12. a)van de voornoemde Verordening (EU) nr. 269/2014 dat bepaalt dat in afwijking van artikel 2 de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, onder voorwaarden die zij passend achten, toestemming kunnen verlenen voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen of de beschikbaarstelling van bepaalde tegoeden of economische middelen, indien zij hebben vastgesteld dat de betrokken tegoeden of economische middelen noodzakelijk zijn voor het dekken van uitgaven voor de basisbehoeften van de in de bijlage I genoemde natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen, en de gezinsleden die van deze natuurlijke personen afhankelijk zijn, zoals betalingen voor levensmiddelen, huur of hypotheeklasten, geneesmiddelen of medische behandelingen, belastingen, verzekeringspremies en nutsvoorzieningen. Gelet op artikel 6 van Verordening (EU) nr. 269/2014 dat bepaalt dat in afwijking van artikel 2 en mits een betaling verschuldigd is door een in bijlage I vermelde natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam op grond van een contract of overeenkomst die door deze is gesloten of op grond van een verplichting die voor hem is ontstaan vóór de datum waarop de betrokken natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam in bijlage I werd opgenomen, de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, onder door hen passend geachte voorwaarden, toestemming kunnen verlenen voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, indien de betrokken bevoegde autoriteit heeft vastgesteld dat:
  13. a)de tegoeden of economische middelen worden gebruikt voor een betaling door een natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam vermeld in bijlage I; en
  14. b)de betaling niet in strijd is met artikel 2, lid 2. Gezien Uw verzoek aan deze voorwaarden voldoet ; Ingevolgde de informatie in ons bezit en de door ons uitgevoerde controles, wordt de betaling van onderstaande facturen door Grib Diamonds NV aan DKV België NV én verschuldigd op grond van de afgesloten verzekeringspolis nr. 42009522 van 3 juni 2014, toegestaan: 1. Factuur d.d. 7 juli 2022 ten belope van 1.721,24 euro; 2. Factuur d.d. 5 augustus 2022 ten belope van 3.442,48 euro 3. Factuur d.d. 2 september 2022 ten belope van 5.163,72 euro; 4. Factuur d.d. 6 oktober 2022 ten belope van 6.884,96 euro; 5. Factuur d.d. 3 november 2022 ten belope van 8.606,20 euro; 6. Factuur d.d. 2 december 2022 ten belope van 10.327,44 euro; 7. Factuur d.d. 11 januari 2023 ten belope van 13.914,60 euro; 8. Factuur d.d. 2 februari 2023 ten belope van 15.869,08 euro; 9. Factuur d.d. 2 maart 2023 ten belope van 17.823,56 euro. XIV-39.202-12/50 Daarnaast verleent de Algemene Administratie van de Thesaurie toestemming voor toekomstige betalingen voor zover deze verschuldigd zijn onder de afgesloten verzekeringspolis nr. [XXX] van 3 juni 2014 én voor zover een trimestrieel a posteriori overzicht wordt verleend van de transacties verricht onder voormelde verzekeringspolis. Deze toestemming heeft een geldigheidsduur van zes maanden. […]”. 3.11. Bij e-mail van 24 maart 2023 stelt de verzoekende partij zich niet in de eerste bestreden beslissing te kunnen vinden waarbij zij wordt aanzien als een entiteit gecontroleerd door op de lijst vermelde entiteit. Zij stelt: “[…] Wij benadrukken opnieuw de operationele moeilijkheden waarin GRIB wordt geplaatst door de eenzijdige beslissing van KBC, het feit dat zij tot op de dag van vandaag niet wordt gehoord en zelfs niet wordt geïnformeerd over de beweerde bewijzen van ‘controle’ op basis waarvan uw Administratie ‘overeenkomstig het voorzichtigheidsprincipe’ zou besluiten dat GRIB als een gesanctioneerde entiteit moet worden beschouwd. Deze situatie is niet langer houdbaar en schendt de rechten van verdediging van GRIB. GRIB behoudt zich dan ook alle rechten voor in dit verband.” Ook bij e-mails van 11, 14 en 19 april 2023 dringt de verzoekende partij aan op een nieuwe beslissing, waarbij zij eveneens aanvullende informatie aanlevert. Na het verzoek hiertoe van de verwerende partij, worden er bijkomende inlichtingen verschaft met het oog op autorisaties tot betalingen aan o.m. leveranciers en werknemers. 3.12. Op 3 mei 2023 neemt de verwerende partij een nieuwe beslissing die luidt: “[…] We hebben uw verzoek van 19 december 2022 (en berichten op 9 januari, 10 februari, 11 april, 14 april en 26 april 2023) – ingediend in naam en voor rekening van Grib Diamonds NV – tot toestemming voor enerzijds betalingen vanwege Grib Diamonds NV aan verscheidene leveranciers/dienstverleners en anderzijds betalingen van salarissen aan de werknemers van Grib Diamonds die beide zullen verlopen via Bank of India, goed ontvangen. Ook het bijkomend verzoek tot opheffing van het bewarend beslag en het bijkomend verzoek tot overdracht van de resterende gelden van de KBC-rekening naar de Bank of India-rekening, zijn goed ontvangen. XIV-39.202-13/50 Gelet op het feit dat VTB Bank was toegevoegd aan Bijlage I van voornoemde Verordening (EU) nr. 269/2014 door Uitvoeringsverordening (EU) 2022/581 van de Raad van 8 april 2022 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen; Gelet op het feit dat er mogelijk relaties bestaan tussen de onderneming Grib Diamonds NV en VTB Bank en de Algemene Administratie van de Thesaurie hieruit – overeenkomstig het voorzichtigheidsprincipe – concludeert dat Grib Diamonds NV kan worden beschouwd als gecontroleerd door in bijlage I van voornoemde Verordening (EU) nr. 269/2014 vermelde natuurlijke personen. 1. Verzoek tot toestemming voor de vrijgave/terbeschikkingstelling van lonen van werknemers Gezien artikel 6 van Verordening (EU) nr. 269/2014 dat bepaalt dat in afwijking van artikel 2 en mits een betaling verschuldigd is door een in bijlage I vermelde natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam op grond van een contract of overeenkomst die door deze is gesloten of op grond van een verplichting die voor hem is ontstaan vóór de datum waarop de betrokken natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam in bijlage I werd opgenomen, de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, onder door hen passend geachte voorwaarden, toestemming kunnen verlenen voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, indien de betrokken bevoegde autoriteit heeft vastgesteld dat:
  15. a)de tegoeden of economische middelen worden gebruikt voor een betaling door een natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam vermeld in bijlage I; en
  16. b)de betaling niet in strijd is met artikel 2, lid 2. De Algemene Administratie van de Thesaurie verleent toestemming voor de uitbetaling van de lonen aan de werknemers van Grib Diamonds NV – én zoals hernomen in Bijlage 1 bij dit schrijven – in al zijn componenten én dit voor de volgende zes maanden voor zover het bewijs van correcte betaling wordt geleverd a posteriori. Volgende zaken worden door de Algemene Administratie van de Thesaurie begrepen onder ‘uitbetaling van de lonen in al zijn componenten’: • Socialezekerheidsbijdragen; • Extralegale voordelen voor zover voorzien in de afgesloten arbeidsovereenkomsten en de bijlagen bij deze arbeidsovereenkomsten; • Maaltijdcheques voor zover voorzien in de afgesloten arbeidsovereenkomsten en de bijlagen bij deze arbeidsovereenkomsten; • Toelagen voor telecommunicatie, bedrijfslaptop, bedrijfsgsm en/of bedrijfs-abonnementen, voor zover voorzien in de afgesloten arbeidsovereenkomsten en de bijlagen bij deze arbeidsovereenkomsten; • Individuele verzekeringen en groepsverzekeringen voor zover voorzien in de afgesloten arbeidsovereenkomsten en de bijlagen bij deze arbeidsovereenkomsten; • Pensioen(plannen) voor zover voorzien in de afgesloten arbeidsovereenkomsten en de bijlagen bij deze arbeidsovereenkomsten; • Jaarlijkse bonussen voor zover voorzien in de afgesloten arbeidsovereenkomsten en de bijlagen bij deze arbeidsovereenkomsten. 2. Verzoek tot betaling van redelijke honoraria of de vergoeding van gemaakte kosten in verband met de verlening van juridische diensten Gelet op artikel 4, lid 1,
  17. b)van de voornoemde Verordening (EU) nr. 269/2014 dat bepaalt dat in afwijking van artikel 2 de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, onder voorwaarden die zij passend achten, toestemming kunnen verlenen voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen of de XIV-39.202-14/50 beschikbaarstelling van bepaalde tegoeden of economische middelen, indien zij hebben vastgesteld dat de betrokken tegoeden of economische middelen uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van redelijke honoraria of de vergoeding van gemaakte kosten in verband met de verlening van juridische diensten; De Algemene Administratie van de Thesaurie verleent toestemming voor betalingen van reeds verschuldigde facturen én voor toekomstige betalingen gedurende een periode van 6 maanden voor zover deze betalingen verband houden met juridische diensten verleend aan Grib Diamonds NV. Deze toestemming wordt verleend op voorwaarde dat een overzicht a posteriori wordt verleend van de werkelijk verleende diensten en de bijhorende facturen. 3. Verzoek tot toestemming voor betalingen ter dekking van uitgaven voor de basisbehoeften Gelet op artikel 4, lid 1,
  18. a)van de voornoemde Verordening (EU) nr. 269/2014 dat bepaalt dat in afwijking van artikel 2 de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, onder voorwaarden die zij passend achten, toestemming kunnen verlenen voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen of de beschikbaarstelling van bepaalde tegoeden of economische middelen, indien zij hebben vastgesteld dat de betrokken tegoeden of economische middelen noodzakelijk zijn voor het dekken van uitgaven voor de basisbehoeften van de in de bijlage I genoemde natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen, en de gezinsleden die van deze natuurlijke personen afhankelijk zijn, zoals betalingen voor levensmiddelen, huur of hypotheeklasten, geneesmiddelen of medische behandelingen, belastingen, verzekeringspremies en nutsvoorzieningen. Volgende zaken worden door de Algemene Administratie van de Thesaurie begrepen onder ‘uitgaven voor basisbehoeften’ in de zin van artikel 4, lid 1,
  19. a)van de voornoemde Verordening (EU) nr. 269/2014 én waarbij eveneens verwezen wordt naar het overzicht ontvangen op 19 december 2022 zoals hernomen in Bijlage 2 bij dit schrijven: • Huurgelden; • Belastingen, (bedrijfs)voorheffingen, taksen; • Verzekeringspremies; • Betalingen voor nutsvoorzieningen (gas, elektriciteit, water); • Betalingen voor telecomdiensten (televisie, internet en telefonie); • Betalingen voor beveiligingsdiensten; • Betalingen voor het onderhoud van brandblusapparaten; • Lidgeld bij de diamantfederatie Antwerp World Diamond Center; • Betalingen voor softwarediensten; • Betalingen aan dienstverleners die instaan voor het loonbeheer/de loon-administratie; • Betalingen voor verbruiksgoederen die dienen voor de operationele werking van Grib Diamonds (kantoormateriaal), zoals printpapier, inktpatronen, schrijfgerief, scharen, nietmachines, tape, mappen… Deze toestemming wordt verleend op voorwaarde dat een overzicht a posteriori wordt verleend van alle betalingen die plaatsvonden overeenkomstig artikel 4, lid 1,
  20. a)van de voornoemde Verordening (EU) nr. 269/2014 én op voorwaarde dat advocatenkantoor Edson Legal BV nazicht houdt op correcte uitvoering van de betalingen in overeenstemming met voornoemde Verordening (EU) nr. 269/2014. 4. Verzoek tot betaling verschuldigd op grond van een contract, overeenkomst of een verplichting Gezien artikel 6 van Verordening (EU) nr. 269/2014 dat bepaalt dat in afwijking van artikel 2 en mits een betaling verschuldigd is door een in bijlage I vermelde natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam op grond van een contract of overeenkomst die door deze is gesloten of op grond van een verplichting die voor XIV-39.202-15/50 hem is ontstaan vóór de datum waarop de betrokken natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam in bijlage I werd opgenomen, de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, onder door hen passend geachte voorwaarden, toestemming kunnen verlenen voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, indien de betrokken bevoegde autoriteit heeft vastgesteld dat:
  21. a)de tegoeden of economische middelen worden gebruikt voor een betaling door een natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam vermeld in bijlage I; en
  22. b)de betaling niet in strijd is met artikel 2, lid 2. De Algemene Administratie van de Thesaurie verleent toestemming voor betalingen van reeds verschuldigde facturen én voor toekomstige betalingen gedurende een periode van 6 maanden voor zover deze betalingen verschuldigd zijn op grond van een contract of overeenkomst gesloten door de Grib Diamonds NV of op grond van een verplichting ontstaan voor Grib Diamonds NV. Deze toestemming wordt verleend op voorwaarde dat een overzicht a posteriori wordt verleend van de overeenkomsten op grond waarvan betalingen plaatsvonden én de bijhorende facturen én op voorwaarde dat advocatenkantoor Edson Legal BV nazicht houdt op correcte uitvoering van de betalingen in overeenstemming met voornoemde Verordening (EU) nr. 269/2014. Volgende zaken worden door de Algemene Administratie van de Thesaurie begrepen onder ‘betalingen verschuldigd op grond van een contract of een overeenkomst’ in de zin van artikel 6 van de voornoemde Verordening (EU) nr. 269/2014 én waarbij eveneens verwezen wordt naar het overzicht ontvangen op 19 december 2022 zoals hernomen in Bijlage 2 bij dit schrijven: • Reiskosten naar klanten en leveranciers; • Betalingen voor taxidiensten; • Betalingen voor openbaar vervoer; • Betalingen voor schoonmakendiensten en onderhoudsdiensten; • Betalingen voor verbruiksgoederen voor de werknemers van Grib Diamonds NV, zoals toiletpapier, koffie, thee, fruit…; • Betalingen voor softwarediensten. 5. Verzoek tot opheffing van het bewarend beslag onder derden door kantonnement bij de Deposito- en Consignatiekas Gelet op de beschikking van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (afdeling Antwerpen, sectie burgerlijke rechtbank) van 23 maart 2023 waarbij toelating werd verleend voor het leggen van bewarend beslag onder derden in handen van KBC Bank NV, Bank of India, Barclays Bank Ireland Public Limited Company, BNP Paribas Fortis NV en ING België NV voor zekerheid van de betaling van: 667.320,15 euro in hoofdsom 137.485,32 euro schadevergoeding voor oneerlijk ontslag 1.810,82 euro interesten tot 02/11/2022 51.977,18 euro pro rata betaling voor januari-augustus 2022 28.000,00 euro kosten. De Algemene Administratie van de Thesaurie verleent aan Grib Diamonds NV toestemming om het bewarend beslag op haar bankrekeningen op te heffen door middel van minnelijk kantonnement, dit wil zeggen door een betaling aan de Deposito- en Consignatiekas van de desbetreffende bedragen waarop het beslag betrekking heeft en zoals opgenomen in de beschikking van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 23 maart 2023. 6. Verzoek tot overdracht van de resterende gelden aanwezig op de KBC-rekening naar de Bank of India-rekening XIV-39.202-16/50 Aangezien KBC Bank NV reeds op 17 november 2022 de klantenrelatie met Grib Diamonds NV opgezegde, met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden. Aangezien KBC Bank NV vervolgens tweemaal voorwaardelijk akkoord ging met een verlening van die opzeggingstermijn. Aangezien er een definitief einde komt aan de klantenrelatie met Grib Diamonds NV op 15 mei 2023; De Algemene Administratie van de Thesaurie verleent toestemming aan Grib Diamonds NV om alle resterende deviezen aanwezig op de rekeningen aangehouden door Grib Diamonds NV bij KBC Bank NV over te maken door KBC Bank NV naar de bankrekening aangehouden door Grib Diamonds NV bij Bank of India met vestiging te Antwerpen. 7. Algemeenheden De Algemene Administratie van de Thesaurie verzoekt de raadslieden van Grib Diamonds NV – Edson Legal BV – controle uit te oefenen op de naleving van de wettelijke bepalingen opgenomen in voornoemde Verordening (EU) nr. 269/2014. De Algemene Administratie van de Thesaurie wenst hierbij in het bijzonder volgende wettelijke verplichtingen in herinnering te brengen: Artikel 2, tweede lid van de voornoemde Verordening (EU) nr. 269/2014 dat bepaalt dat er geen tegoeden of economische middelen, rechtstreeks of onrechtstreeks, ter beschikking worden gesteld aan of ten behoeve van de op de lijst in bijlage I vermelde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, of met hen verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen. Artikel 9, eerste lid van de voornoemde Verordening (EU) nr. 269/2014 dat bepaalt het verboden is om bewust en opzettelijk deel te nemen aan activiteiten die tot doel of gevolg hebben dat de in artikel 2 bedoelde maatregelen worden omzeild. De Algemene Administratie van de Thesaurie benadrukt dat inbreuken tegen Europese verordeningen houdende beperkende maatregelen ingevolge artikel 6 van de wet van 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten kunnen worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en een geldboete van 25 tot 25.000 euro of een administratieve geldboete van 250 tot 2.500.000 euro. Hogervermelde goedkeuringen worden verleend op voorwaarde dat op geen enkele wijze, direct of indirect, tegoeden of economische middelen ter beschikking worden gesteld aan VTB Bank, aan met VTB Bank geassocieerde personen, aan met VTB Bank geassocieerde entiteiten of enige andere gesanctioneerde persoon of entiteit. Huidig schrijven wordt tot U gericht overeenkomstig de informatie thans in ons bezit en geldt onder voorbehoud van eventuele nieuwe elementen die de sanctiestatus van Grib Diamonds NV zouden kunnen beïnvloeden of die definitief uitsluitsel kunnen geven over de sanctiestatus van Grib Diamonds NV. De Algemene Administratie van de Thesaurie behoudt zich in dergelijk geval het recht voor om de inhoud van onderhavige autorisatie op eender welk moment te wijzigen, op te schorten of in te trekken. […]”. Deze beslissing die de tweede besteden beslissing is, wordt met een e-mail van 3 mei 2023 en een brief van 4 mei 2023 door de verwerende partij aan de verzoekende partij meegedeeld. XIV-39.202-17/50 IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van de vordering 4. De verzoekende partij verzoekt, wat de verwerende partij niet betwist, om de schorsing van de eerste en de tweede bestreden beslissing “voor zover en in de mate dat de Thesaurie heeft beslist om [de verzoekende partij] te beschouwen als gecontroleerd door een entiteit, dan wel door natuurlijke personen, vermeld in bijlage I van de Verordening (EU) nr. 269/2014, en dit (
  23. i)gelet op het feit dat er (mogelijk) ‘relaties’ bestaan tussen de onderneming GRIB Diamonds NV en VTB Bank en (
  24. ii)overeenkomstig het voorzichtigheidsprincipe”. De verzoekende partij verzet zich niet tegen de bestreden beslissingen in de mate daarin wordt beslist tot vrijgave en toelating verlenen tot betalingen vanuit de geblokkeerde bankrekeningen van de verzoekende partij. 5. De vordering wordt hierna vanuit dat oogpunt onderzocht. V. Ontvankelijkheid van de vordering Excepties 6. De verwerende partij voert twee excepties aan. 7. Met een eerste exceptie betwist de verwerende partij dat met de bestreden beslissingen een aanvechtbare administratieve rechtshandeling voorligt. Zij stelt dat uit het administratief dossier blijkt dat de administrateur-generaal van de AAT reeds op 23 december 2022 het standpunt had ingenomen dat de verzoekende partij een entiteit is die relaties heeft met of gecontroleerd wordt door een entiteit vermeld in bijlage I van Verordening nr. 269/2014. Met een bericht van 23 december 2022 werd deze beslissing meegedeeld aan de raadslieden van de verzoekende partij zodat deze minstens sinds 23 december 2022 wist dat de verwerende partij van oordeel was dat zij relaties heeft met en gecontroleerd wordt door de VTB Bank. Uit het administratief dossier blijkt niet dat de verwerende XIV-39.202-18/50 partij nadien haar standpunt ter zake heeft gewijzigd. Deze heeft bij het nemen van de bestreden beslissingen van 20 maart 2023 en 3 mei 2023 geen nieuwe beoordeling gemaakt op grond van nieuwe feitelijke of juridische omstandigheden die zich voordeden. Het in de beslissing van 23 december 2022 ingenomen standpunt wordt bijgevolg louter bevestigd in de bestreden beslissingen van 20 maart 2023 en 3 mei 2023. Het in de bestreden beslissingen ingenomen standpunt komt dan ook niet in de plaats van het oorspronkelijk in de beslissing van 23 december 2022 ingenomen standpunt. De verzoekende partij heeft nagelaten om de beslissing van 23 december 2022 aan te vechten voor de Raad van State, niettegenstaande daarin meegedeeld wordt dat een annulatieberoep kan worden ingediend binnen een termijn van 60 dagen. Die beslissing is dan ook definitief geworden. De beslissingen van 23 maart 2023 en 3 mei 2023 waarin het bij beslissing van 23 december 2022 ingenomen standpunt dat de verzoekende partij relaties heeft met de gesanctioneerde entiteit VTB Bank, louter wordt bevestigd, kunnen bijgevolg evenmin worden aangevochten. Daar de bestreden beslissingen niet meer vatbaar zijn voor een annulatieberoep, is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van die beslissingen evenmin ontvankelijk. Met een tweede exceptie betwist de verwerende partij het belang van de verzoekende partij bij de voorliggende vordering. Zij stelt dat de verzoekende partij meent een nadeel te ondervinden omdat zij naar aanleiding van de bevriezing van tegoeden in toepassing van de Verordening nr. 269/2014, niet in staat is om betalingen te verrichten aan leveranciers en dienstverleners en om haar doel te verwezenlijken. Door de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen te bekomen, beoogt de verzoekende partij een voordeel te verkrijgen dat gelegen is in de vrijgave van tegoeden. Een eventuele schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen kan de verzoekende partij geen nuttig voordeel opleveren. Een gebeurlijk tussen te komen schorsingsarrest heeft immers enkel uitwerking voor de toekomst, terwijl de verzoekende partij het nadeel dat zij door de schorsing wenst te voorkomen reeds heeft ondergaan. Haar tegoeden werden reeds vóór de bestreden beslissingen bevroren waardoor het vaststaat dat de vordering tot schorsing niet meer het door de verzoekende partij XIV-39.202-19/50 beoogde effect tot gevolg kan hebben en de schorsing van de tenuitvoerlegging haar derhalve geen enkele baat meer brengt en evenmin het nadeel dat de verzoekende partij meent te moeten ondergaan, nog kan voorkomen. Bovendien, zo stelt de verwerende partij, zal bij een eventuele schorsing opnieuw moeten worden vastgesteld dat de situatie waarin de verzoekende partij zich bevindt, voldoet aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 2 van Verordening nr. 269/2014, reden waarom haar tegoeden werden bevroren. De verzoekende partij betwist niet dat zij via haar moedervennootschap relaties heeft met de VTB Bank, die zij enkel minimaliseert. Een schorsing van de bestreden beslissingen zal hoe dan ook geen nuttig voordeel opleveren voor de verzoekende partij. Beoordeling 8. De Raad van State kan in een kort geding slechts een beperkt onderzoek wijden aan ontvankelijkheidsexcepties. Een verzoekende partij kan er zich immers minder behoorlijk tegen verweren dan in een procedure ten gronde. Daarom past het in een kort geding dat de Raad van State deze excepties eerder zou verwerpen dan aannemen tenzij indien zijn beperkt onderzoek uitwijst dat een dergelijke exceptie een hoge graad van ernst vertoont. Exceptie betreffende de louter bevestigende beslissing 9. Een louter bevestigende beslissing is een beslissing waarvan het voorwerp identiek is aan de eerste beslissing, te dezen de beslissing van 23 december 2022. Dit is het geval wanneer de navolgende beslissing(
  25. en)dezelfde draagwijdte en gevolgen heeft en niet genomen is op grond van andere motieven of na een nieuw onderzoek ten gronde of na kennisneming van nieuwe gegevens. Een dergelijke beslissing is niet aanvechtbaar voor de Raad van State, aangezien geen nieuwe beslissing wordt genomen maar wordt verwezen naar de reeds bestaande beslissing, hetgeen geen gevolgen in rechte heeft. XIV-39.202-20/50 Echter, zoals uit de uiteenzetting van het feitelijk kader blijkt, heeft de verzoekende partij na de (niet bestreden) beslissing van 23 december 2022 aan de verwerende partij gevraagd, o.m. bij brief van 9 januari 2023, om een nieuw onderzoek te voeren naar de beweerde controle van de VTB Bank op de verzoekende partij. Eveneens steunt de verwerende partij voor het eerst in de bestreden beslissing van 20 maart 2023 op het voorzichtigheidsprincipe om over een gecontroleerde rechtspersoon te spreken. De beoordeling in de bestreden beslissingen over de controle van VTB Bank op de verzoekende partij is – na een nieuw onderzoek en nieuw motief (respectievelijk motieven: in de tweede bestreden beslissing wordt immers (al dan niet per abuis) verwezen naar mogelijke relaties van de verzoekende partij met op de lijst in de bijlage I van de Verordening nr. 269/2014 aangewezen natuurlijke personen) – dan ook in de plaats gekomen van de beoordeling in de (niet voor de Raad van State bestreden) beslissing van 23 december 2022. 10. De exceptie wordt in de huidige stand van het geding verworpen. Exceptie betreffende het gebrek aan belang 11. De Raad van State merkt op, en anders dan de verwerende partij dat ziet, dat de verzoekende partij met haar vordering niet slechts de vrijgave van bepaalde tegoeden doch de opheffing van de opgelegde sanctiemaatregelen beoogt te verkrijgen omdat zij betwist een door de VTB Bank gecontroleerde rechtspersoon te zijn. De bankiers van de verzoekende partij (voorheen de KBC en thans de Bank of India) zijn weliswaar overgegaan tot bevriezing van alle middelen van de verzoekende partij op basis van de bestreden beslissingen, doch minstens KBC deed dat in afwachting van een standpunt van de verwerende partij (cfr. de sub 3.3 aangehaalde brief van 17 november 2022), bij gebrek waaraan deze zou overgaan tot deblokkering. De verzoekende partij kan sedert de tussenkomst XIV-39.202-21/50 van de bestreden beslissingen geen nieuwe contracten en overeenkomsten aangaan, en wordt aldus belemmerd in haar economische bedrijvigheid als onderneming, wat haar voortbestaan bedreigt. Anders dan de vernietiging van een administratieve rechtshandeling, die terugwerkende kracht heeft en ex tunc werkt, heeft de schorsing van een administratieve rechtshandeling door de Raad van State alleen uitwerking voor de toekomst. De schorsing werkt ex nunc en gaat ten aanzien van het bestuur pas in op het ogenblik dat het schorsingsarrest wordt betekend. Een verzoekende partij bij de Raad van State heeft slechts belang bij een schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing indien die schorsing haar kan behoeden voor het ingeroepen nadeel dat zij ingevolge de verdere tenuitvoerlegging van die beslissing zou ondergaan. Te dezen, bij inwilliging door de Raad van State van de vordering tot schorsing is de beslissing niet langer uitvoerbaar zolang de schorsing duurt, hetgeen de bevoegde autoriteit ertoe kan aanzetten om de zaak opnieuw te onderzoeken en zo nodig de bestreden beslissing(
  26. en)te heroverwegen, in te trekken en te vervangen door een nieuwe beslissing. De mogelijkheid voor de verwerende partij om een nieuwe beslissing te overwegen zonder de op het eerste gezicht gebeurlijk vast te stellen onwettigheid, volstaat om aan te nemen dat de schorsing een nuttig effect kan hebben. Zoals hierna bij de beoordeling van het tweede middelonderdeel van het tweede middel wordt uiteengezet, beschikt de verwerende partij, zo lijkt, over een appreciatiemarge bij de beoordeling of de verzoekende partij – die zelf niet is opgenomen in de in de bijlage I van de Verordening nr. 269/2014 vervatte lijst van gesanctioneerde personen, lichamen of entiteiten –, moet worden beschouwd als een daardoor gecontroleerde of daarmee verbonden rechtspersoon en om die reden (evenzo) aan beperkende maatregelen is onderworpen. De verwerende partij kan dus niet worden bijgevallen wanneer zij stelt dat de verzoekende partij zich hoe dan ook onder de toepassingsvoorwaarden van artikel XIV-39.202-22/50 2 van Verordening nr. 269/2014 bevindt. Zij zal integendeel als bevoegde autoriteit daarover moeten oordelen en de Europese autoriteiten daaromtrent informeren (zie nog infra). De elementen die de verwerende partij hierover (zie supra) aanvoert, laten niet toe om tot het tegendeel te besluiten. 12. De exceptie wordt in de huidige stand van het geding verworpen. VI. Onderzoek van de vordering 13. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. A. Ernst van het tweede middel Standpunt van de partijen 14. In het tweede middel voert de verzoekende partij een schending aan van de formelemotiveringsplicht en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de materiëlemotiveringsplicht, de hoorplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel, hetzij op zichzelf genomen, hetzij samen gelezen. Zij vat het door haar aangevoerde tweede middel als volgt samen: “Het tweede middel is genomen uit een schending van de navolgende bepalingen: - Artikel 2.1 van de Verordening (EU) nr. 269/2014 van 17 maart 2014 betreffende de beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen; - De artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (formele motiveringsplicht); XIV-39.202-23/50 - Het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat elke administratieve rechtshandeling in feite en in rechte moet berusten op juiste en relevante motieven, en vrij moet zijn van kennelijke beoordelingsfouten (materiële motiveringsplicht); - De hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur; - Het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur; doordat om een entiteit te beschouwen als zijnde een entiteit wiens tegoeden en economische middelen dienen te worden bevroren overeenkomstig artikel 2.1 van voormelde Verordening, er sprake moet zijn van eigendom of zeggenschap door een in bijlage I van de Verordening vermelde natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam, terwijl (eerste middelonderdeel) de bestreden Beslissingen om GRIB te beschouwen als een entiteit gecontroleerd door een in Bijlage I van voormelde Verordening entiteit, dan wel natuurlijke personen, louter werden gemotiveerd door te verwijzen naar ‘het bestaan van (mogelijke) relaties tussen GRIB Diamonds NV en VTB Bank’ en ‘het voorzichtigheidsprincipe’, en niet wordt vermeld op welke wijze er sprake zou zijn van eigendom of zeggenschap door VTB Bank of een andere in Bijlage I van voormelde Verordening vermelde entiteit, zodat de Bestreden Beslissingen de formele motiveringsplicht schenden. terwijl (tweede middelonderdeel) het bestaan van (‘mogelijke’) ‘relaties’ tussen GRIB Diamonds NV en VTB en het voorzichtigheidsprincipe niet volstaan om GRIB te beschouwen als een gesanctioneerde entiteit, en uit alle informatie aangereikt door GRIB volgt dat er geen sprake is van eigendom of zeggenschap door VTB Bank of een andere in Bijlage I van voormelde Verordening vermelde entiteit, zodat de Bestreden Beslissingen de materiële motiveringsplicht schenden. terwijl (derde middelenonderdeel) GRIB niet werd gehoord door de Thesaurie en niet de gelegenheid heeft gekregen om haar standpunt naar voren te brengen, terwijl zij hier wel degelijk naar heeft gevraagd, zodat de Bestreden Beslissingen de hoorplicht schenden. terwijl (vierde middelenonderdeel) de bestreden Beslissingen de zorgvuldigheidsplicht schenden, doordat de bestreden Beslissingen niet zorgvuldig zijn voorbereid, met name door een gedegen analyse van alle voorhanden zijnde feiten en elementen en van alle aangedragen juridische argumentatie.” Wat de voorwaarden voor de toepassing van de Verordening nr. 269/2014 betreft, stelt de verzoekende partij, samengevat, dat om een entiteit te beschouwen als een gesanctioneerde entiteit wiens tegoeden en economische middelen dienen te worden bevroren overeenkomstig artikel 2, lid 1 van voormelde Verordening, er sprake moet zijn van eigendom of zeggenschap door een in bijlage I van de Verordening vermelde natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam. Dit impliceert dat de bevoegde autoriteit, te dezen de AAT, die een beslissing moet nemen over de status van een entiteit als zijnde een gesanctioneerde entiteit overeenkomstig de Verordening nr. 269/2014, ook effectief moet vaststellen dat er sprake is van eigendom of zeggenschap door een in bijlage I van de genoemde Verordening vermelde natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam. XIV-39.202-24/50 Wat het tweede onderdeel van het tweede middel betreft (schending van de materiëlemotiveringsplicht), zet de verzoekende partij nog uiteen dat de bestreden beslissingen een aantal ernstige inhoudelijke motiveringsgebreken bevatten die leiden tot de schending van artikel 2, lid 1 van de Verordening nr. 269/2014 waarin wordt vereist dat er sprake is van eigendom of zeggenschap door een in bijlage I vermelde natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam. Het “(mogelijk) bestaan van relaties tussen GRIB en VTB Bank” en het “voorzichtigheidsprincipe” volstaan immers niet om de verzoekende partij te beschouwen als een gesanctioneerde entiteit. Er is geen sprake van eigendom of zeggenschap door VTB-Bank noch door een andere gesanctioneerde entiteit. De Verordening nr. 269/2014 vereist het bestaan van eigendom of zeggenschap over een entiteit teneinde haar tegoeden te kunnen bevriezen overeenkomstig artikel 2, lid 1 van voormelde Verordening. Het is aan de bevoegde autoriteit om het bestaan van eigendom of zeggenschap vast te stellen. Uit geen enkele communicatie die de verzoekende partij van de AAT heeft ontvangen, blijkt welke feiten de AAT inroept ter motivering om het bestaan van eigendom of zeggenschap vast te stellen en de verzoekende partij te beschouwen als een entiteit gecontroleerd door een in bijlage I vermelde entiteit, dan wel door in bijlage I vermelde natuurlijke personen. Nochtans heeft de verzoekende partij zich steeds meewerkend opgesteld. Indien er informatie werd gevraagd door de AAT, heeft de verzoekende partij steeds de gevraagde informatie bezorgd. De AAT heeft echter enkel de voorlopige vrijgave van de tegoeden behandeld overeenkomstig de artikelen 4 en 6 van de Verordening nr. 269/2014, en is nooit ingegaan op de verzoeken van de verzoekende partij om een standpunt ten gronde in te nemen over de bevriezing van de tegoeden van de verzoekende partij en haar status als gesanctioneerde entiteit. De informatie die de AAT heeft opgevraagd bij de verzoekende partij is beperkt gebleven tot stukken die de AAT in staat diende te stellen om de door de verzoekende partij gevraagde voorlopige vrijgaven toe te staan. Zonder dat hierom door de AAT werd gevraagd, heeft de verzoekende partij wel spontaan alle mogelijke bewijzen aangereikt die het bestaan van eigendom of zeggenschap door VTB Bank zouden kunnen weerleggen. Deze aangereikte XIV-39.202-25/50 informatie weerspiegelt zich echter niet in de bestreden beslissingen. Hoewel de bewijslast bij de AAT rust om de feiten aan te wijzen die de eigendom of het zeggenschap door VTB bank of een andere gesanctioneerde entiteit bewijzen, dient te worden vastgesteld dat de AAT dit niet heeft gedaan, wat neerkomt op een omkering van de bewijslast: de AAT heeft geen enkel feit aangereikt waaruit de eigendom of zeggenschap door VTB Bank of een andere gesanctioneerde entiteit zou blijken. De verzoekende partij daarentegen heeft wél – zo goed en zo kwaad als zij kan – bewijs aangeleverd van de afwezigheid van zeggenschap door VTB Bank. Van de verzoekende partij kan evenwel niet worden verwacht dat zij het bewijs levert van een negatief feit, met name de afwezigheid van zeggenschap. De verzoekende partij besluit dat zowel de formele- als de materiëlemotiveringsplicht zijn geschonden. 15. De verwerende partij repliceert in de nota dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het inroepen van een schending van de formelemotiveringsplicht. Uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissingen kende aangezien deze aan een inhoudelijk onderzoek worden onderworpen in het tweede onderdeel van het tweede middel waarin de verzoekende partij voorhoudt dat ze niet aan sancties kan onderworpen worden op basis van artikel 2 van de Verordening nr. 269/2014. De verwerende partij stelt dat in de eerste bestreden beslissing wordt gewezen, eensdeels, op “het feit dat VTB Bank was toegevoegd aan Bijlage I van voornoemde Verordening (EU) nr. 269/2014 door Uitvoeringsverordening (EU) 2022/584 van de Raad van 8 april 2022 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende de beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen” en, anderdeels, op “het feit dat relaties bestaan tussen de onderneming Grib Diamonds NV en VTB Bank en de Algemene Administratie van de Thesaurie bijgevolg – overeenkomstig het voorzichtigheidsprincipe – concludeert dat Grib Diamonds NV kan worden beschouwd als gecontroleerd door een in bijlage I van voornoemde Verordening (EU) nr. 269/2014 vermelde entiteit”. In de tweede bestreden beslissing wordt gewezen, eensdeels, op “het feit XIV-39.202-26/50 dat VTB Bank was toegevoegd aan Bijlage I van voornoemde Verordening (EU) nr. 269/2014 door Uitvoeringsverordening (EU) 2022/581 van de Raad van 8 april 2022 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen” en, anderdeels, op “het feit dat er mogelijk relaties bestaan tussen de onderneming Grib Diamonds NV en VTB-Bank en de Algemene Administratie van de Thesaurie hieruit – overeenkomstig het voorzichtigheidsprincipe – concludeert dat Grib Diamonds NV kan worden beschouwd als gecontroleerd door in bijlage I van voornoemde Verordening (EU) nr. 269/2014 vermelde natuurlijke personen”. Bijgevolg werd er in de bestreden beslissingen duidelijk gesteld dat de verzoekende partij onderworpen is aan de sanctiemaatregelen zoals voorzien in artikel 2 van de Verordening nr. 269/2014 door haar relatie/verbondenheid met VTB-Bank (respectievelijk op de lijst geplaatste natuurlijke personen) maar dat op basis van de artikelen 4 en 6 van de Verordening “wel toestemming kan verleend worden om bepaalde betalingen vanuit de geblokkeerde rekeningen te laten uitvoeren en er de uitzonderingsmaatregelen bepaalt in deze artikelen”. Wat het tweede onderdeel van het tweede middel betreft, repliceert de verwerende partij nog dat geen schending van de materiëlemotiveringsplicht voorligt. De verwerende partij stelt wat dat betreft dat de AAT in alle redelijkheid heeft gesteld dat er “relaties, of beter gesteld een verbondenheid bestaat tussen [de verzoekende partij] en de gesanctioneerde entiteit, VTB Bank gelet op de aandeelhouderstructuur en de pandovereenkomst en het bestaan van een mogelijks risico dat bij een algemene vrijgave van de bevroren tegoeden er tegoeden gaan toevloeien aan VTB-Bank. Bijgevolg werd er uit het ‘voorzichtigheidsprincipe’ enkel een toestemming verleend tot vrijgave van tegoeden ter betaling van welbepaalde facturen/betalingsverplichtingen”. Tevens merkt de verwerende partij nog op dat “reeds voorafgaand aan deze stellingname en aan de verzoeken tot vrijgave van tegoeden ter uitbetaling van welbepaalde facturen/betalingsverplichtingen, KBC Bank op basis van de aandeelhouderstructuur en de pandovereenkomst overging tot de bevriezing van XIV-39.202-27/50 de bankrekeningen aangehouden bij KBC Bank”. Bijgevolg steunen de bestreden beslissingen op feitelijk juiste gegevens die tevens gekend waren aan KBC-Bank en aan de verzoekende partij en derhalve, aldus de verwerende partij, is de AAT “in alle redelijkheid tot hetzelfde besluit gekomen als KBC-Bank en [heeft] een beperkte vrijgave van tegoeden toegestaan”. Beoordeling Vooraf 16. Het past om voorafgaand aan de beoordeling van het middel, het relevante regelgevend kader in herinnering te brengen. 17. Het besluit 2014/145/GBVB van de Raad van 17 maart 2014 ‘betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen’ bevat bepalingen omtrent het bevriezen van tegoeden en economische middelen. Eveneens is bijkomend de Verordening nr. 269/2014 aangenomen omdat, zo blijkt uit de overwegingen bij die Verordening, “[s]ommige van die maatregelen onder het toepassingsgebied van het Verdrag [vallen] en derhalve, […] zij er in het bijzonder op gericht [zijn] om te garanderen dat zij in alle lidstaten uniform worden toegepast, regelgeving op het niveau van de Unie […] noodzakelijk [is] voor de tenuitvoerlegging van die maatregelen.” 18. Artikel 2 van de Verordening nr. 269/2014 bepaalt de beperkende maatregelen: “1. Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van alle in bijlage I vermelde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, of met hen verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, worden bevroren. 2. Er worden geen tegoeden of economische middelen, rechtstreeks of onrechtstreeks, ter beschikking gesteld aan of ten behoeve van de in de lijst in XIV-39.202-28/50 bijlage I vermelde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, of met hen verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen.” 19. Artikel 3, lid 1 tot 3, van diezelfde Verordening voorziet in de bijlage I bij die Verordening dewelke de lijst omvat van de in artikel 3, lid 1,
  27. a)tot
  28. i)van de Verordening opgesomde (categorieën van) natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen waaraan de in artikel 2 bedoelde beperkende maatregelen worden opgelegd, evenals de met hen geassocieerde (verbonden) natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen. In die bijlage I worden ook de redenen vermeld voor het op de lijst plaatsen van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, evenals, indien beschikbaar, informatie die nodig is om de betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen te identificeren. De VTB Bank (Russisch: ВТБ/Внешторгбанк) is sedert 8 april 2022 opgenomen in de bijlage I. De reden daartoe is luidens punt 82 van de bijlage I bij de Verordening nr. 269/2014 de volgende: “De VTB Bank is een systeemrelevante financiële instelling voor de regering van de Russische Federatie, die grootaandeelhouder van VTB Bank is. De bank zelf heeft nauwe banden met de Russische inlichtingendiensten, en de CEO van de bank, die is benoemd door president Vladimir Putin, heeft de acties van de president verdedigd, waaronder de annexatie van het schiereiland de Krim. Als een van de belangrijkste financiële instellingen van Rusland, die grotendeels in handen is van de regering van de Russische Federatie, genereert de VTB bovendien hoge inkomsten voor de regering van de Russische Federatie. In juni 2022 verklaarde de VTB voornemens te zijn haar voormalige dochteronderneming RNCB Bank (de belangrijkste bank op de Krim met 70 % van de klanten op het schiereiland), die na de sancties van 2014 werd genationaliseerd, terug in haar structuur op te nemen. In oktober 2022 ondertekende president Putin een wet waarbij de regering werd gemachtigd 100 % van de aandelen van de RNCB over te dragen aan de VTB. In november 2022 kondigde de algemeen directeur van de VTB aan dat in het eerste kwartaal van 2023 de overdracht van de RNCB naar de VTB zal worden voltooid. De VTB zou aldus de grootste bank op de Krim worden. De VTB Bank is derhalve een entiteit of lichaam die of dat materiële of financiële steun verleent aan of profiteert van de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne, alsmede een rechtspersoon, entiteit of lichaam die of dat actief is in economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne.” XIV-39.202-29/50 20. Voorts bevatten onder meer de artikelen 4 en 6 van de Verordening nr. 269/2014 de mogelijkheid voor de bevoegde autoriteiten om toestemming te verlenen tot vrijgave van de tegoeden of economische middelen voor beperkt opgesomde noodzakelijke uitgaven, zoals het dekken van basisbehoeften, de vergoedingen voor juridische diensten en om te voldoen aan contracten en verplichtingen die vóór de opname op de lijst zijn ontstaan. Artikel 8 voorziet onder meer in de verplichte medewerking van natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten en lichamen om informatie te verschaffen die de naleving van de Verordening vergemakkelijkt en het verlenen van medewerking aan de bevoegde autoriteit bij de verificatie van deze informatie. Overeenkomstig artikel 9 van Verordening nr. 269/2014 is het “verboden om bewust en opzettelijk deel te nemen aan activiteiten die tot doel of gevolg hebben dat het in lid 2 bedoelde verbod wordt omzeild.” Met oog op uitvoering legt artikel 6 van de wet van 13 mei 2003 ‘inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten’ een strafbepaling vast voor inbreuken op het gebrek aan naleving van de beperkende maatregelen. Artikel 12 van Verordening nr. 269/2014 voorziet in informatie-uitwisseling tussen de Commissie en de lidstaten met betrekking tot onder meer maatregelen die uit hoofde van de Verordening zijn genomen, met betrekking tot tegoeden (en economische middelen) die zijn bevroren overeenkomstig artikel 2 en toestemmingen (inzake vrijgaven) die zijn verleend krachtens (onder meer) de artikelen 4 en 6, evenals met betrekking tot schendingen, handhavingsproblemen en uitspraken van nationale rechtbanken. Artikel 14 beoogt te voorzien in een regelmatige evaluatie cq. herziening van de lijst opgenomen in bijlage 1 bij de Verordening. XIV-39.202-30/50 21. Krachtens artikel 1,
  29. c)van Verordening nr. 269/2014 moet voor de toepassing van de Verordening onder “bevoegde autoriteiten” worden verstaan “de bevoegde autoriteiten van de lidstaten als aangegeven op de websites die zijn opgesomd in bijlage II van de Verordening”. De voor België in de Bijlage II opgesomde website is https://diplomatie.belgium.be/nl/beleid /beleidsthemas/vrede-en-veiligheid/sancties/belgische-overheden-belast-met-toe- passing-beperkende-maatregelen-eu. Voor België wordt aldaar de AAT aangeduid als de bevoegde overheid voor “uitzonderingen op de bevriezing van tegoeden, kennisgeving inzake financiering en financiële hulp, toestemmingen voor overdracht van kapitaal”. 22. In de Nota van het secretariaat van de Raad van de Europese Unie houdende ‘Beste praktijken voor de doeltreffende implementatie van beperkende maatregelen’ (hierna: Implementatie Beperkende Maatregelen), geactualiseerd op 27 juni 2022, worden de richtsnoeren cq. aanbevelingen aangegeven inzake de implementatie en evaluatie van de beperkende maatregelen die door de Raad zijn goedgekeurd en strekken tot een doeltreffende toepassing ervan. Deze richtsnoeren, zo luidt die nota, zijn juridisch niet bindend en mogen niet worden gezien als aansporingen tot acties die onverenigbaar zouden zijn met het Unierecht of de nationale wetgeving, onder meer inzake gegevensbescherming. De woorden “moet” en “is verplicht” in de Implementatie Beperkende Maatregelen verwijzen naar een wettelijke verplichting, ongeacht of deze door een verordening van de EU of door andere internationale, uniale of nationale voorschriften is opgelegd; de woorden “zou moeten” worden gebruikt wanneer het gaat om de beste praktijken, en de woorden “zou kunnen” en “kan” hebben betrekking op suggesties die dienstig zouden kunnen zijn, afhankelijk van de omstandigheden en andere toepasselijke wetten en procedures. 23. In de Implementatie Beperkende Maatregelen kan onder meer worden gelezen dat financiële beperkende maatregelen niet leiden tot wijziging in XIV-39.202-31/50 de eigendom van de bevroren tegoeden of economische middelen en geen strafmaatregelen zijn (rnr. 32 van de Implementatie Beperkende Maatregelen). De bevriezing bedoeld in artikel 2 van de Verordening nr. 269/2014 heeft betrekking op alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan of eigendom zijn van de aangewezen personen en entiteiten, en ook op die welke in hun bezit zijn of onder hun zeggenschap staan. Onder “in hun bezit zijn” of “onder hun zeggenschap staan” zouden dan alle situaties worden verstaan waarin een aangewezen persoon of entiteit wettig kan beschikken over tegoeden of economische middelen of deze kan overmaken, zonder dat die zijn eigendom zijn en zonder dat hiervoor toestemming van de wettige eigenaar vereist is (rnr. 34). In beginsel zou de bevriezing geen gevolgen moeten hebben voor de tegoeden en economische middelen die geen eigendom zijn van of toebehoren aan, noch in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van, aangewezen personen en entiteiten. Aldus vallen bijvoorbeeld de tegoeden en economische middelen van een niet-aangewezen entiteit met een andere rechtspersoonlijkheid dan een aangewezen persoon of entiteit niet hieronder, tenzij deze onder zeggenschap van de aangewezen persoon of entiteit staan of in diens/dier bezit zijn (rnr. 35). Tot bevriezing van economische middelen wordt volgens de Implementatie Beperkende Maatregelen overgegaan om te voorkomen dat deze als parallelle of vervangende valuta worden gebruikt, en om te vermijden dat de bevriezing van tegoeden wordt omzeild. De bevoegde autoriteiten moeten derhalve in de eerste plaats trachten te voorkomen dat de aangewezen persoon of entiteit financiële of economische voordelen (bv. tegoeden, goederen of diensten) verwerft uit economische middelen (rnr. 53). XIV-39.202-32/50 Tot slot, dient opgemerkt dat verordeningen zoals de Verordening nr. 269/2014 waarbij bevriezingsmaatregelen worden opgelegd, onder meer van toepassing zijn op rechtspersonen in de EU en op andere economische actoren, waaronder financiële en kredietinstellingen – zoals, te dezen, de KBC-Bank –, die in de hele EU of een deel ervan zaken doen, en op EU-burgers. Een economische actor (zoals KBC-Bank) die, aldus de Implementatie Beperkende Maatregelen, “beseft dat een niet op een lijst geplaatste rechtspersoon of entiteit in het bezit is of onder zeggenschap staat van een wel op een lijst geplaatste persoon of entiteit, [is] verplicht om de bevoegde autoriteit van de desbetreffende lidstaat en de Commissie, hetzij rechtstreeks, hetzij via de lidstaat, daarvan op de hoogte te brengen.” (rnr. 71). “Waar passend”, zo vervolgt deze Implementatie Beperkende Maatregelen, “dient de desbetreffende lidstaat tevens voor te stellen om de rechtspersoon of entiteit waarvan is vastgesteld dat die in het bezit is of onder zeggenschap staat van een op een lijst geplaatste persoon of entiteit, op een lijst te plaatsen.” (rnr. 72). 24. Uit de hiervoor vermelde Implementatie Beperkende Maatregelen blijkt, met verwijzing naar Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 ‘inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme’, dat “het bepalende criterium” bij de vaststelling of een andere persoon of entiteit “eigenaar” is van een rechtspersoon of entiteit, is “het in het bezit zijn van 50 % of meer van de eigendomsrechten van een entiteit, of daarin een meerderheidsbelang hebben”. Indien aan dit criterium is voldaan, wordt een andere persoon of entiteit geacht eigenaar van de rechtspersoon of entiteit te zijn (rnr. 62). 25. De bepalende (niet-limitatieve) criteria bij de vaststelling of een persoon of entiteit onder de “zeggenschap” staat van een andere persoon of entiteit, alleen of krachtens een overeenkomst met een andere aandeelhouder of derde partij, kunnen onder meer omvatten: XIV-39.202-33/50 “(
  30. a)het recht hebben of de bevoegdheid uitoefenen om een meerderheid van de leden van het toezichthoudend, leidinggevend of bestuursorgaan van een dergelijke rechtspersoon of entiteit aan te stellen of te ontslaan; (
  31. b)het aangesteld hebben, enkel als gevolg van de uitoefening van zijn stemrechten, van een meerderheid van de leden van het toezichthoudend, leidinggevend of bestuursorgaan van een rechtspersoon of entiteit die gedurende het lopende en voorgaande begrotingsjaar in functie waren; (
  32. c)het, ingevolge een overeenkomst met andere aandeelhouders in of leden van een rechtspersoon of entiteit, alléén zeggenschap hebben over een meerderheid van de aandeelhouders- of ledenstemrechten in die rechtspersoon of entiteit; (
  33. d)het bezit van het recht tot het uitoefenen van een overheersende invloed op een rechtspersoon of entiteit ingevolge een met die rechtspersoon of entiteit aangegane overeenkomst of een bepaling in het memorandum of de akte van oprichting, wanneer het recht dat die rechtspersoon of entiteit beheerst een dergelijke overeenkomst of bepaling toestaat; (
  34. e)het hebben van de bevoegdheid tot het uitoefenen van het recht om een overheersende invloed als bedoeld in punt
  35. d)uit te oefenen zonder de houder van dat recht te zijn; (
  36. f)het hebben van het recht om alle of een deel van de activa van een rechtspersoon of entiteit te gebruiken; (
  37. g)het op geconsolideerde basis beheren van een rechtspersoon of entiteit, gepaard gaande met het publiceren van geconsolideerde jaarrekeningen; (
  38. h)het gezamenlijk en hoofdelijk delen van de financiële verplichtingen van een rechtspersoon of entiteit, of het garanderen van deze verplichtingen.” Wanneer aan een van de hiervoor aangehaalde criteria is voldaan, wordt de rechtspersoon of entiteit geacht onder de zeggenschap te staan van een andere persoon of entiteit, tenzij per geval het tegendeel kan worden bewezen (rnrs. 63 en 64 van de Implementatie Beperkende Maatregelen). In deze context lijkt “onder zeggenschap staan” derhalve in te houden dat de op de lijst vermelde entiteit, in staat is om een beslissende invloed uit te oefenen op het gedrag van de andere entiteit in kwestie en dat daadwerkelijk doet, zonder over een meerderheidsbelang te beschikken (cfr. Advies van de Commissie van 8 juni 2021 betreffende artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad, p. 2 - https://finance.ec.europa.eu/system/files/2021-06/210608-ukraine-opinion_nl.pdf ). 26. Het vervullen van de bovengenoemde criteria van eigendom of zeggenschap kunnen niettemin, zo wordt verduidelijkt, “per geval worden weerlegd”. XIV-39.202-34/50 Zodoende, zelfs indien aan de criteria in de Implementatie Beperkende Maatregelen is voldaan, kan de betrokken rechtspersoon nog altijd bewijzen dat er geen beslissende invloed uitgaat van de op de lijst vermelde entiteit. Dit lijkt o.m. in te houden dat deze onderneming kan aantonen dat door het nemen van allerlei maatregelen zij niet (langer) onder zeggenschap staat van de op een lijst vermelde entiteit. 27. Tot slot, wanneer de “eigendom” of “zeggenschap” overeenkomstig de hiervoor vermelde criteria is vastgesteld, wordt het ter beschikking stellen van tegoeden of andere economische middelen aan een niet op een lijst geplaatste rechtspersoon of entiteit die in het bezit is of onder zeggenschap staat van een wel op een lijst geplaatste persoon of entiteit, in beginsel beschouwd als het onrechtstreeks ter beschikking stellen van tegoeden of economische middelen aan een op een lijst geplaatste persoon of entiteit (cfr. artikel 2, lid 2 van de Verordening nr. 269/2014), tenzij per geval redelijkerwijs kan worden vastgesteld op basis van een risicogerichte aanpak, rekening houdend met alle ter zake doende omstandigheden, waaronder de navolgende criteria, dat de tegoeden of economische middelen in kwestie niet zullen worden gebruikt door noch ten gunste van de bewuste op een lijst geplaatste persoon of entiteit. Er dient onder meer rekening te worden gehouden met de volgende criteria: (
  39. a)de datum waarop de contractuele verhouding tussen de betrokken entiteiten is aangegaan en de aard van de verhouding (bijv. koop-, verkoop- of distributieovereenkomst); (
  40. b)het belang van de sector waarin de niet op een lijst geplaatste entiteit actief is voor de op een lijst geplaatste entiteit; (
  41. c)de kenmerken van de ter beschikking gestelde tegoeden of economische middelen, waaronder het potentiële praktische gebruik ervan door, en de mate waarin zij gemakkelijk kunnen worden overgedragen aan, de op een lijst geplaatste entiteit (rnr. 66 van de Implementatie Beperkende Maatregelen). Met toepassing van onder meer de artikelen 4 en 6 kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, in afwijking van artikel 2, onder voorwaarden die zij passend achten, toestemming verlenen voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen of de beschikbaarstelling XIV-39.202-35/50 van bepaalde tegoeden of economische middelen, voor beperkt opgesomde noodzakelijke uitgaven, zoals het dekken van basisbehoeften, en de vergoedingen voor juridische diensten en om te voldoen aan contracten en verplichtingen die voor de opname op de lijst zijn ontstaan. 28. Het onderzoek van het middel is in de huidige stand van het geding beperkt tot de schending van de materiëlemotiveringsplicht. 29. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. 30. Het hiervoor sub 18 aangehaalde artikel 2 van Verordening nr. 269/2014 bepaalt onder meer dat alle tegoeden van de in bijlage I vermelde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, of met hen verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen (hierna: op de lijst vermelde entiteiten) worden bevroren; en dat er aan hen geen tegoeden of economische middelen, rechtstreeks of onrechtstreeks ter beschikking worden gesteld. De beperkende maatregelen gelden niet alleen voor de op de lijst vermelde entiteiten, maar ook voor de rechtspersonen die eigendom zijn of onder zeggenschap staan van de op de lijst vermelde personen (hierna: de gecontroleerde entiteiten). De ratio hiervoor is dat rechtspersonen die onder een beslissende XIV-39.202-36/50 invloed staan van de op de lijst vermelde personen of entiteiten als “hun verlengde” moeten worden beschouwd. Dit moet ertoe leiden dat de beperkende maatregelen in de praktijk effectief of doelmatig zijn. 31. Uit wat sub 18 en 22 tot 27 is uiteengezet, volgt dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, geval per geval, zullen dienen te onderzoeken of er van een gecontroleerde entiteit cq het onrechtstreeks ter beschikking stellen van tegoeden of economische middelen sprake is aan de hand van de in de Implementatie Beperkende Maatregelen – dewelke de beste praktijken weergeeft – aangereikte en richtinggevende (niet-limitatieve) criteria om te achterhalen of een bepaalde persoon of entiteit onder de zeggenschap staat van een op de lijst vermelde (rechts)persoon of entiteit en zodoende door hem of haar wordt gecontroleerd. De bevoegde autoriteit beschikt daarbij op noodzakelijke wijze over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Daarbij kan er prima facie niet aan worden voorbijgegaan dat valt aan te nemen dat de op de lijst vermelde personen zullen pogen om de beperkende maatregelen te omzeilen door bijvoorbeeld het opzetten van een ondoorzichtige structuur van vennootschappen om zo hun beslissende invloed op de gecontroleerde entiteit verborgen te houden. De bevoegde autoriteit zal na onderzoek en op basis van de beschikbare gegevens dan ook een inschatting moeten maken of er van een beslissende invloed sprake is. Voorts, zelfs indien aan de criteria in de Implementatie Beperkende Maatregelen is voldaan, kan de betrokken rechtspersoon nog altijd bewijzen dat er geen beslissende invloed uitgaat van de op de lijst vermelde entiteit. Dit lijkt o.m. in te houden dat deze onderneming kan aantonen dat door het nemen van allerlei maatregelen zij niet (langer) onder zeggenschap staat van de op lijst vermelde entiteit, wat in voorkomend geval op het eerste gezicht in de beoordeling moet worden betrokken. 32. Hoewel de bevoegde autoriteit dus op het eerste gezicht over een ruime beoordelingsbevoegdheid lijkt te beschikken wat de algemene criteria betreft die in aanmerking moeten worden genomen bij de vaststelling van beperkende maatregelen, vereist de doeltreffendheid van de rechterlijke toetsing XIV-39.202-37/50 echter dat bij de toetsing van de rechtmatigheid van de redenen die ten grondslag liggen aan de bestreden beslissing waarbij een onderneming wordt gekwalificeerd als een verbonden onderneming op wie beperkende maatregelen van toepassing zijn, deze zich ervan vergewist dat dergelijke beslissing, die een individuele strekking heeft voor de betrokken onderneming, berust op een voldoende solide feitelijke grondslag. Dat betekent dat de feiten die zijn aangevoerd in de uiteenzetting van de redenen waarop deze beslissing steunt, worden gecontroleerd, zodat de rechterlijke toetsing niet enkel een beoordeling van de abstracte waarschijnlijkheid van de aangevoerde redenen inhoudt, maar zich uitstrekt tot de vraag of die redenen, of ten minste een daarvan die op zich toereikend wordt geacht om als grondslag te dienen voor deze beslissing, voldoende nauwkeurig én concreet zijn gestaafd (zie in die zin o.m. arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie respectievelijk het Gerecht van 21 april 2015, Anbouba/Raad, C 605/13 P, EU:C:2015:248, punten 41 en 45, en 26 oktober 2015, Portnov/Raad, T 290/14, EU:T:2015:806, punt 38 en 5 november 2014, Mayaleh/Raad, T-307/12 en T-408/13, EU:T:2014:926, punt 128). Het staat derhalve, zo lijkt, aan de ter zake bevoegde autoriteit om in geval van betwisting aan te tonen dat de tegen de betrokken persoon in aanmerking genomen redenen gegrond zijn, en niet aan laatstbedoelde om het negatieve bewijs te leveren dat die redenen ongegrond zijn (zie in die zin de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie respectievelijk het Gerecht van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C 584/10 P, C 593/10 P en C 595/10 P, EU:C:2013:518, punt 121, en 5 november 2014, Mayaleh/Raad, T 307/12 en T 408/13, EU:T:2014:926, punt 128 en 15 juni 2017, Kiselev t/Raad, T-262/15, EU:T:2017:392, punt 62 en 63). Het is weliswaar niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens, feitelijk of rechtens, in de motivering worden gespecificeerd aangezien bij de vraag of de bestreden beslissing toereikend is gemotiveerd, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen. Inzonderheid is een XIV-39.202-38/50 bezwarende handeling zoals een beperkende maatregel voldoende gemotiveerd, wanneer zij tot stand is gekomen in een context die de verzoekende partij bekend is, zodat zij de strekking van de tegen haar genomen maatregel kan begrijpen. Voorts moet de nauwkeurigheid van de motivering in verhouding staan tot de praktische mogelijkheden en de technische voorwaarden of termijnen waarbinnen de handeling moet worden verricht (zie arrest van het Gerecht, 14 april 2016, Ben Ali/Raad, T-200/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:216, punt 95 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie eveneens in die zin arrest van 25 januari 2017, Almaz-Antey Air and Space Defence/Raad, T-255/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:25, punt 56 en 13 september 2018, Gazprom Neft pAO, T-735/14 en T-799/14, EU:T:2018:548, punt 113). 33. Te dezen moet vooreerst worden vastgesteld dat KBC Bank haar analyse en voornemen om de bankrelatie stop te zetten reeds op 17 november 2022 meedeelde aan de AAT. In de (niet voor de Raad van State bestreden) beslissing van 23 december 2022, evenals in de bestreden beslissingen van 20 maart 2023 en 3 mei 2023 die voornamelijk ingaan op de verzoeken om vrijgave, vermelden deze beslissingen om te concluderen dat de verzoekende partij moet worden beschouwd als een “gecontroleerde entiteit”, enerzijds, dat: “Gelet op het feit dat VTB BANK was toegevoegd aan bijlage I van voornoemde Verordening (EU) nr. 269/2014 door de Uitvoeringsverordening (EU) 2022/581 van de Raad van 8 april 2022 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen;” en, anderzijds, dat: “Gelet op het feit dat er relaties bestaan tussen Grib Diamonds en VTB Bank, met name via de moedermaatschappij” (cfr. de niet voor de Raad van State bestreden beslissing van 23 december 2022); respectievelijk: XIV-39.202-39/50 “Gelet op het feit dat er relaties bestaan tussen de onderneming Grib Diamonds NV en VTB Bank en de Algemene Administratie van de Thesaurie bijgevolg – overeenkomstig het voorzichtigheidsprincipe – concludeert dat Grib Diamonds NV kan worden beschouwd als gecontroleerd door een in bijlage I van voornoemde Verordening (EU) nr. 269/2014 vermelde entiteit” (cfr. de eerste bestreden beslissing); en, tot slot: “Gelet op het feit dat er mogelijk relaties bestaan tussen de onderneming Grib Diamonds NV en VTB Bank en de Algemene Administratie van de Thesaurie hieruit – overeenkomstig het voorzichtigheidsprincipe – concludeert dat Grib Diamonds NV kan worden beschouwd als gecontroleerd door in bijlage I van voornoemde Verordening (EU) nr. 269/2014 vermelde natuurlijke personen” (cfr. de tweede bestreden beslissing). Deze motivering volstaat op grond van wat volgt, op het eerste gezicht niet om te gewagen van een gecontroleerde entiteit die onder zeggenschap staat van een op lijst vermelde entiteit. 34. Het bestaan van “(mogelijke) relaties” volstaat vooreerst niet om de beslissende invloed aan te tonen van VTB Bank op de verzoekende partij. De verwerende partij gaat er daarbij ten onrechte vanuit dat zij in alle redelijkheid kon “stellen dat er relaties, of beter gesteld een verbondenheid bestaat tussen verzoekster en de gesanctioneerde entiteit VTB Bank”. Een dergelijke opvatting verruimt immers prima facie op onrechtmatige wijze het toepassingsgebied van artikel 2 van de Verordening (EU) nr. 269/2014. Voorts lijkt op het eerste gezicht evenmin het voorzichtigheidsprincipe, waarmee de verwerende partij lijkt te doelen op de effectiviteit van de beperkende maatregelen, het nadelig regime voor de verzoekende partij zonder meer te kunnen verantwoorden. Het is inderdaad juist dat de verwerende partij dient te waken over de effectiviteit van de maatregelen, maar dit ontdoet haar niet van de plicht om eerst te onderzoeken of er van een beslissende invloed door VTB Bank sprake is, een onderzoek wat zij evenwel niet of minstens onvolledig heeft verricht of waarvan zij alleszins geen stavingstukken voorlegt, te meer dat niet blijkt dat zij de bevoegde Unierechtelijke instanties onverwijld heeft ingelicht van de bekomen informatie. XIV-39.202-40/50 Weliswaar bevat het administratief dossier een nota van de KBC Bank (zie supra, sub 3.3) waarin deze haar analyse meedeelt die haar tot voorzichtigheid aanzet maar ook duidt op onduidelijkheden en onzekerheden, reden waarom zij om een uitdrukkelijk standpunt van de AAT verzoekt bij gebrek waaraan zij, zo stelt zij in haar schrijven van 17 november 2022, de tegoeden zal deblokkeren. Ook bevat het administratief dossier het in sub 3.8 genoemde schrijven van de verzoekende partij dat deze met haar verzoekschrift heeft bijgebracht en waarin op die analyse wordt ingegaan doch uit geen enkel stuk van het administratief dossier blijft dat zulks in de beoordeling door de AAT is betrokken om tot haar vage, algemene - in wezen nietszeggende - besluit te komen dat er “(mogelijke) relaties” zijn met (de in de lijst van bijlage I van de Verordening nr. 269/2014 opgenomen) VTB-Bank (cfr. de eerste bestreden beslissing) of, nadien, met in de lijst van bijlage I van de Verordening nr. 269/2014 opgenomen natuurlijke personen die de verwerende partij (cfr. de tweede bestreden beslissing) zelfs niet identificeert om, vervolgens, de verzoekende partij te kwalificeren als een “gecontroleerde” onderneming. Evenmin zijn er stukken in het administratief dossier aanwezig waaruit blijkt dat onverwijld kennis is gegeven aan de Europese Commissie van de maatregelen die zijn genomen, noch dat de relevante informatie waarover de AAT beschikt aan de Commissie is overgemaakt zoals artikel 12 van de Verordening nr. 269/2014 vereist of, nog, zoals de Implementatie Beperkende Maatregelen aanbeveelt, de AAT heeft overwogen de bevoegde Unierechtelijke instanties voor te stellen om de rechtspersoon of entiteit waarvan is vastgesteld dat die in het bezit is of onder zeggenschap staat van een op een lijst geplaatste persoon of entiteit, op een lijst te plaatsen (cfr. rnr. 72 Implementatie Beperkende Maatregelen). 35. In zoverre de verwerende partij zich doorheen de nota nog beroept op het feit dat 100% van de aandelen van de verzoekende partij in pand zijn gegeven aan VTB Bank, moet worden opgemerkt dat dit motief niet is opgenomen in de bestreden beslissingen. Evenmin blijkt uit het administratief XIV-39.202-41/50 dossier dat de verwerende partij dit element op het ogenblik van haar besluitvorming daadwerkelijk in overweging heeft genomen. Het kan derhalve niet op zijn merites worden getoetst. Dat geldt des te meer nu de verzoekende partij tijdens de administratieve procedure in haar brief van 9 januari 2023 heeft uitgelegd (cfr. sub 3.8), dat het onderpand van haar aandelen aan VTB Bank volgens haar niet betekent dat zij onder zeggenschap of controle staat van deze bank gelet op o.m. de maatregelen die zij in dit verband heeft genomen. Uit het administratief dossier blijkt geenszins dat de verwerende partij met dit verweer rekening heeft gehouden. De uitleg die de verwerende partij achteraf geeft in haar voor de Raad van State neergelegde nota, kan de onregelmatigheid van de motivering van de bestreden beslissingen niet goedmaken. De motieven moeten immers in het administratief dossier kunnen worden gevonden, wat hier niet het geval is. 36. De bestreden beslissingen lijken op het eerste gezicht dan ook niet te steunen op deugdelijke motieven, waarbij de verwerende partij vertrekt van een prima facie (veel) te ruim toepassingsgebied van de beperkende maatregelen, zoals bepaald in artikel 2 van de Verordening nr. 269/2014. 37. Er ligt op het eerste gezicht een schending voor van de materiëlemotiveringsplicht. 38. Het tweede middel is in de hiervoor aangegeven mate ernstig. B. Spoedeisendheid Standpunt van de partijen 39. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift aan dat het feit dat zij krachtens de bestreden beslissingen wordt beschouwd als een onderneming XIV-39.202-42/50 onder zeggenschap van een natuurlijke persoon of rechtspersoon op de lijst der gesanctioneerde entiteiten, onherroepelijke schade tot gevolg heeft. Zij wordt bedreigd in haar stabiliteit en haar voortbestaan wat zij, samengevat, als volgt beargumenteert en ook documenteert. Vooreerst stelt zij dat ze geen handel meer drijft sedert de bevriezing van haar activa. Immers, geen enkele handelaar of klant mag of wil nog handel drijven met een onderneming die wordt beschouwd als onder zeggenschap van een gesanctioneerde entiteit. Overeenkomstig artikel 2 van Verordening nr. 269/2014 moet immers elke privé-partij in de Europese Unie meewerken aan de afdwinging van het sanctie-apparaat. De verzoekende partij wordt niet langer beleverd met diamant en heeft ook geen afnemers. Alle activa en rekeningen van de verzoekende partij zijn bevroren. De bankrekeningen van de verzoekende partij bij KBC en Bank of India zijn bevroren (luidens KBC “op instructie van” de AAT) en zullen op grond van de bestreden beslissingen bevroren blijven. Beide banken weigeren betalingstransacties uit te voeren. Andere banken weigeren een klantrelatie aan te gaan. De verzoekende partij heeft verscheidene aanvragen gericht aan andere banken om een bedrijfsrekening te openen, maar stuit steevast op een weigering. Cruciale leveranciers trekken zich terug of staken hun activiteiten. De verzoekende partij stelt hooggekwalificeerd personeel te werk dat moeilijk te vinden is en dat zij dreigt te verliezen. Bovendien wordt in de Antwerpse diamantsector actief gerekruteerd door concurrenten uit bv. Dubai. Het is dus zeer belangrijk om een personeelsretentiebeleid te voeren. De verzoekende partij stelt zich voorts bloot aan strafrechtelijke vervolging door het niet betalen van het wettelijk loon. Tot slot lijdt de verzoekende partij reputatieschade. Als bedrijf dat volgens de AAT moet worden beschouwd als “onder zeggenschap van een gesanctioneerde entiteit” is de reputatieschade niet te overschatten. 40. De verwerende partij repliceert dat de verzoekende partij reeds sedert 21 maart 2023 op de hoogte was van het feit dat de verwerende partij oordeelt dat er relaties bestaan tussen de verzoekende partij en de VTB Bank en dat zij overeenkomstig het voorzichtigheidsprincipe kan worden beschouwd als gecontroleerd door een in bijlage 1 van de Verordening nr. 269/2014 vermelde entiteit. Niettemin heeft de verzoekende partij de voorliggende vordering tot XIV-39.202-43/50 schorsing pas ingeleid op 19 mei 2023. Bovendien, reeds in de (niet bestreden) beslissing van 23 december 2022 maakte de AAT melding van de relatie tussen de verzoekende partij en de VTB Bank. Al laat de regelgeving toe dat de schorsing “op elk moment” wordt gevorderd, betekent zulks niet dat het talmen van een verzoekende partij om in rechte te treden, als proceshouding steeds zonder invloed blijft op de beoordeling van de spoedeisendheid. De proceshouding van de verzoekende partij lijkt een negatie in te houden van de beweerde spoedeisendheid van de vordering. De activa en de rekeningen waren reeds bevroren nog vóór de AAT de bestreden beslissingen genomen heeft. Zelfs een schorsing van de bestreden beslissingen zal nog niet leiden tot een deblokkering van de bankrekeningen. Bovendien heeft de verwerende partij gevolg gegeven aan de vragen om op basis van de artikelen 4 en 6 van de Verordening nr. 2014/269 de toestemming tot vrijgave te verlenen zodat de nodige betalingen konden worden verricht. Bijkomend dient erop gewezen dat uit de stukken die de verzoekende partij voorlegt om aan te tonen dat andere banken weigeren om klantrelaties aan te gaan, niet blijkt dat deze weigeringen zijn ingegeven door de bestreden beslissingen en bijgevolg de hoogdringendheid van het verzoekschrift kunnen gronden. Verder stelt de verwerende partij dat het risico op het vertrek van het personeel en de beweerde reputatieschade louter hypothetisch zijn en niet gestaafd. De verwerende partij besluit dat de spoedeisendheid die vereist is om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen te bevelen, ontbreekt. XIV-39.202-44/50 Beoordeling 41. Naar eis van artikel 17, § 2, gecoördineerde wetten op de Raad van State (hierna: RvS-Wet) moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december 1991. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. De spoedeisendheid van de zaak wordt immers niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. De verzoekende partij dient derhalve aan de hand van concrete gegevens duidelijk aan te tonen dat de vernietigingsprocedure te laat zou komen om het onomkeerbare nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. Dit houdt in dat het aan deze partij toevalt om op de omstandigheden van haar zaak betrokken, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet afgewacht kan worden. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. Daarbij mag in beginsel alleen rekening worden gehouden met hetgeen in het verzoekschrift tot schorsing en de daarbij gevoegde stukken wordt uiteengezet én gestaafd. Om de spoedeisendheid aan te tonen, volstaat het niet te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. Het moeten afwachten van XIV-39.202-45/50 het normale procedureverloop in het kader van een beroep tot nietigverklaring maakt het onvermijdelijke lot uit van elke beroepindiener en het staat aan de verzoekende partij om aan te tonen dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige schadelijke gevolgen. De voorwaarde van de spoedeisendheid, tot slot, is een schorsingsvoorwaarde die afzonderlijk onderzocht moet worden. De onwettigheden die tegen het bestreden besluit worden aangevoerd kunnen op zich geen reden zijn om het bestaan van de spoedeisendheid te aanvaarden. 42. Bij de uiteenzetting van de spoedeisendheid voert de verzoekende partij verschillende soorten nadelen aan, waaronder een financieel nadeel en reputatieschade. Het is vaste rechtspraak dat een financieel nadeel in beginsel herstelbaar is. Hetzelfde geldt voor reputatieschade, wat in wezen een moreel nadeel is dat in beginsel kan worden goedgemaakt door een vernietigingsarrest. In de mate de reputatieschade wordt gekoppeld aan de omstandigheid dat het zal leiden tot inkrimping van het klantenbestand, betreft het daarenboven ook een financieel nadeel dat in beginsel ook herstelbaar is. Het voorgaande neemt niet weg dat op grond van bijzondere redenen er toch van spoedeisendheid sprake is waaruit blijkt dat de verzoekende partij niet kan wachten op een uitspraak te gronde. Zo is er sprake van een financiële bijzondere omstandigheid als de activiteiten, concurrentiepositie en zelfs het voortbestaan van de verzoekende partij op die manier op een ernstige wijze in gevaar worden gebracht. Ook kan reputatieschade van die aard zijn dat een arrest ten gronde niet volstaat om deze schade uit te wissen. Het komt dan de verzoekende partij toe om concrete, op haar situatie betrokken gegevens aan te brengen om de spoedeisendheid aan te tonen. XIV-39.202-46/50 43. Te dezen kan reeds algemeen worden aangenomen dat ondernemingen onderworpen aan beperkende maatregelen, hiervan aanzienlijke negatieve economische gevolgen kunnen ondervinden (zie in die zin HvJ 28 maart 2017, PJSC Rosneft Oil Company, C-72/15, ECLI:EU:C:2017:236, punt 150). Zulks doet evenwel geen afbreuk aan de verplichting van de verzoekende partij om haar specifieke nadeel uiteen te zetten en te onderbouwen. Te dezen zet de verzoekende partij met concrete elementen en met de vereiste stavingsstukken uiteen hoe zij op bijzondere wijze getroffen wordt door de bestreden beslissingen. Als gevolg van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen is de verzoekende partij onderworpen aan beperkende maatregelen. Deze bestaan uit enerzijds de bevriezing van tegoeden en economische middelen van aangewezen personen en entiteiten; en anderzijds een verbod op de beschikbaarstelling van tegoeden en economische middelen aan deze personen en entiteiten. Zo is het (rechtstreeks of onrechtstreeks) beschikbaar stellen van tegoeden aan een aangewezen persoon of entiteit of een daarmee verbonden of gecontroleerde persoon, in de vorm van een betaling voor goederen en diensten algemeen verboden, wat de stelling van de verzoekende partij lijkt te bevestigen dat zij geen handel in diamanten meer kan verrichten. Gelet op de bevriezing van haar bankrekeningen kan zij niet zonder toestemming van de verwerende partij betalingstransacties verrichten. Eveneens blijkt dat KBC Bank de bankrelatie heeft opgezegd – wat inmiddels, zo stelt de verzoekende partij op de terechtzitting, de Bank of India ook zou hebben gedaan, wat door de verwerende partij niet wordt tegengesproken – en de verzoekende partij geen bankrekening kan openen bij andere banken. Zelfs aangenomen dat deze weigering van de banken, minstens formeel, door andere redenen zijn ingegeven dan de toepassing van de beperkende maatregelen op de verzoekende partij, tonen deze gegevens nog steeds aan dat de verzoekende partij moeilijk gebruik kan maken van bancaire dienstverlening, wat zonder meer noodzakelijk lijkt te zijn om te kunnen ondernemen. Door de bevriezing van haar tegoeden is het uiterst moeilijk voor de verzoekende partij om haar leveranciers/dienstenverstrekkers te betalen, ondanks XIV-39.202-47/50 haar gunstige financiële toestand en ondanks de afwijkingen in de bestreden beslissingen die de verwerende partij, geval per geval, toestaat. Voorts kan er niet aan worden voorbijgegaan dat omwille van het verbod op het verstrekken van tegoeden of economische middelen aan de verzoekende partij, marktdeelnemers geneigd zijn haar te vermijden. De opgelegde beperkende maatregelen koppelen bovendien de naam van de verzoekende partij aan de oorlogssituatie in Oekraïne. De naam en faam van de verzoekende partij lijkt dan ook zodanig te worden aangetast dat deze niet, laat staan volledig kan worden hersteld door een eventueel tussen te komen vernietigingsarrest en er van haar ook niet kan worden verwacht gegeven de kwalijke reputatie die daaraan kleeft, dat zij dat nadeel ondergaat of moet kunnen lijden totdat de gewone vernietigingsprocedure is doorlopen. 44. In de mate de verwerende partij nog opwerpt dat de verzoekende partij heeft getalmd om een vordering tot schorsing in te dienen, nu zij reeds bij e-mail van 21 maart 2023 op de hoogte is om haar te beschouwen als rechtspersoon die door een in bijlage I vermelde entiteit/natuurlijke personen wordt gecontroleerd, merkt de Raad van State op dat het de verzoekende partij toekomt de spoedeisendheid van haar vordering aan te tonen wat zij, zoals hiervoor is gebleken, heeft gedaan. De omstandigheid dat zij niet eerder een vordering tot schorsing (desgevallend bij uiterst dringende noodzakelijkheid) heeft ingediend, doet hieraan geen afbreuk. Zoals reeds werd gesteld bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de vordering, strekt een tussen te komen schorsingsarrest de verzoekende partij onmiddellijk tot voordeel. C. Conclusie 45. Uit wat voorafgaat volgt dat voldaan is aan de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. XIV-39.202-48/50 VII. Kosten 46. Wat de vraag van de verzoekende partij tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van: (1.) de beslissing van de Algemene Administratie van de Thesaurie bij de Federale Overheidsdienst Financiën van 20 maart 2023 in zoverre de verwerende partij daarin “gelet op het feit dat er relaties bestaan tussen [de verzoekende partij] en VTB Bank […] bijgevolg - overeenkomstig het voorzichtigheidsprincipe - concludeert dat Grib Diamonds NV kan worden beschouwd als gecontroleerd door een in bijlage 1 van voornoemde Verordening (EU) nr. 269/2014 vermelde entiteit” en; (2.) de beslissing van de Algemene Administratie van de Thesaurie bij de Federale Overheidsdienst Financiën van 3 mei 2023 in zoverre de verwerende partij daarin “gelet op het feit dat er mogelijk relaties bestaan tussen [de verzoekende partij] en VTB Bank […] hieruit - overeenkomstig het voorzichtigheidsprincipe - concludeert dat Grib Diamonds NV kan worden beschouwd als gecontroleerd door in bijlage 1 van voornoemde Verordening (EU) nr. 269/2014 vermelde natuurlijke personen”. XIV-39.202-49/50 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drie oktober tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-39.202-50/50 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.508 Gerelateerde publicatie(
  42. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.653 citeert: ECLI:EU:C:2017:236 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.