id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.548 Rolnummer: A. 236496/VII-41436 Zaak: Arrest 257548 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/10/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-10-10 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-06-10 13:20 Fiche Arrest nr 257.548 van 5 oktober 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 257.548 van 5 oktober 2023 in de zaak A. 236.496/VII-41.436 In zake :
- Wouter FIMMERS
- Johan PETERS
- Wilfried TIMMERMANS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Jongbloet kantoor houdend te 3010 Leuven Oude Diestsesteenweg 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Schijns en Jef Goffings kantoor houdend te 3600 Genk Grotestraat 122 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen :
- de NV ASPIRAVI
- de NV LIMBURG WIN(D)T bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gregory Verhelst en Bert D’Hondt kantoor houdend te 2000 Antwerpen Bouwmeestersstraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 mei 2022, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2122-0662 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 14 april 2022 in de zaak 2021-RvVb-0580-A. VII-41.436-1/14 II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 1 september
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Aspiravi en de nv Limburg Win(d)t hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikking van 25 oktober
- De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Auditeur Benny De Sutter heeft op 23 februari 2023 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekers hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 juni
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pieter Jongbloet, die verschijnt voor de verzoekers, advocaat Chris Schijns, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Gregory Verhelst, die verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-41.436-2/14 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De verwerende partij verleent op 22 februari 2021 aan de tussenkomende partijen een omgevingsvergunning voor de bouw en exploitatie van twee windturbines van 4,3 MW met een masthoogte van 134 meter, een rotordiameter van 150 meter en een tiphoogte van 200 meter met aanhorigheden en wijzigingen van kleine landschapselementen en hun vegetatie in het licht van de bouw en exploitatie ervan.
- Het bestreden arrest verwerpt de drie middelen en bijgevolg het beroep van de verzoekers tot vernietiging van voormelde vergunningsbeslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de verzoekers
- De verzoekers voeren de schending aan van artikel 4.7.26/1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), artikel 4.3.2 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM), artikel 2, § 6 en § 7, van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 ‘houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage’ (hierna: project-MER-besluit) en artikel 4 van richtlijn 2011/92/EU van 13 december 2011 ‘betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’ (hierna: project-MER-richtlijn): VII-41.436-3/14 “Beroepers wraken in dit middel dat het bestreden arrest het door beroepers in hun beroep tot nietigverklaring opgeworpen eerste middel, genomen uit de schending van artikel 4.7.26/1 VCRO, artikel 4.3.
- [DABM], artikel 2, §§ 6 en 7 van het [project-MER-besluit], artikel 4 van de [project-MER-richtlijn], en uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, als ongegrond verwerpt, De verwerping met betrekking tot de door beroepers in dit middel opgeworpen bepalingen, is gebaseerd op het oordeel dat voor de bepaling van de Windturbines die in aanmerking moeten worden genomen voor de inschatting van de cumulatieve effecten die de ter vergunning voorliggende Windturbines samen daarmee zouden veroorzaken, enkel de vergunde en de uitgevoerde windturbines in aanmerking zouden moeten in aanmerking worden genomen en niet de hangende aanvragen. Onder verwijzing naar de voorbereidende werken van de in het middel aangehaalde bepalingen, stelt het bestreden arrest dat met bestaande projecten de gerealiseerde projecten wordt bedoeld, en met goedgekeurde projecten de wel goedgekeurde maar nog niet gerealiseerde projecten wordt bedoeld. Medio p. 31 stelt het bestreden arrest in dat verband dat de stelling dat uit het administratief dossier blijkt dat in de onmiddellijke omgeving ‘aanvragen’ hangende waren, in het niet betwiste beoordelingskader van bijlage II [D]ABM geen element zou vormen dat de tegenpartij vanuit de zorgvuldigheid had moeten doen besluiten tot een project-mer ontheffingsaanvraag. Het arrest geeft daarmee aan dat de mogelijk cumulatieve milieueffecten van verschillende tegelijkertijd hangende aanvragen tot het bekomen van een omgevingsvergunning voor de bouw en exploitatie van Windturbines niet bij elkaar moeten worden betrokken voor de bepaling van het al dan niet bestaan van een mer-plicht of mer-ontheffingsplicht van deze projecten, en anderzijds (onderaan p. 21 van het arrest), dat enkel bij gelijktijdige verlening de beoordeling ten tijde van de verlening voor dergelijke vergunningen onwettig zou maken, net omdat niet alle milieu-effecten zouden zijn meegenomen, De in bijlage II bij het DABM opgenomen verplichting tot het betrekken van de cumulatie met andere projecten bij de beoordeling van de project-merplicht bij een ter vergunning voorgelegd project is er echter net op is gericht te vermijden dat bepaalde drempels voor de toepassing van de ‘milieueffectrapportering’ niet worden gehaald, doordat projecten die samen aanzienlijke milieu-effecten teweegbrengen, worden opgesplitst in kleinere projecten [...]. Voor het bereiken van het met deze bepaling beoogde doel is het dan ook niet relevant of de kleinere projecten waarin het grotere project werd opgedeeld en waarvan de cumulatieve effecten bij de beoordeling van de mer-plicht moeten worden betrokken zich op het ogenblik van de beoordeling van de vergunningsaanvraag nog in de aanvraagfase bevindt, dan wel reeds vergund zijn, en zeker niet wanneer uit de feiten blijkt dat het kwestieuze project zich enkel in de ‘aanvraagfase’ bevindt omdat een eerder voor dit project reeds verleende vergunning door een administratief VII-41.436-4/14 rechtscollege werd vernietigd en dientengevolge ter herbeoordeling door het bestuur voorligt. De voorbereidende werken met betrekking tot Bijlage II bij het DABM, die in het bestreden arrest worden geciteerd, kunnen niet tot een ander besluit leiden, nu de opsomming die in deze voorbereidende werken wordt gegeven helemaal niet als exhaustieve opsomming wordt bedoeld in de zin dat met bestaande projecten énkel de gerealiseerde projecten wordt bedoeld, en met goedgekeurde projecten énkel de wel goedgekeurde maar nog niet gerealiseerde projecten wordt bedoeld, Uit deze voorbereidende werken kan verder helemaal niet worden opgemaakt wat naar het oordeel van de decreetgever het lot is van in de omgeving goedgekeurde projecten wiens goedkeuring op het ogenblik van de beoordeling van een ermee interfererend project precair is geworden nu de vergunning die van deze goedkeuring het gevolg is geweest, door een administratief rechtscollege werd vernietigd, doch zonder dat daarmee de goedkeuring die aan de vergunning ten grondslag lag op enige wijze is aangetast. In de voorbereidende werken die het arrest citeert, is uitdrukkelijk sprake van ‘goedgekeurde’ projecten en niet van ‘vergunde’ projecten, en de goedkeuring (negotium) gaat de vergunning (instrumentum) uiteraard steeds vooraf. De vernietiging van de vergunning die ingevolge de goedkeuring werd uitgereikt, betekent dus ook niet dat daarmee het project ook niet langer de goedkeuring draagt van de vergunningverlenende overheid. Door te oordelen dat de in het kader van de beoordeling van de project-merplicht van een ter vergunning voorliggend project in rekening te brengen cumulatieve effecten met ‘de effecten van bestaande of goedgekeurde projecten’ beperkt is tot de effecten van projecten die ofwel definitief vergund zijn, ofwel reeds uitgevoerd zijn, en derhalve de cumulatieve effecten van goedkeurde projecten waarvan de vergunning werd vernietigd, en daarom opnieuw ter vergunning voorliggen niet bij de beoordeling van de project-merplicht van het ter vergunning voorliggend project moeten worden betrokken, hanteert het bestreden arrest een al te minimalistische interpretatie van de in Bijlage II DABM gemaakte verwijzing naar cumulatieve effecten met de effecten van andere bestaande of goedgekeurde projecten, en schendt het de in het middel aangehaalde bepalingen”. Beoordeling
- Het middel gaat terug op de beoordeling door de RvVb van het eerste middel van de verzoekers. VII-41.436-5/14 Het bestreden arrest overweegt in essentie dat: - een project-m.e.r.-screeningsnota de bevoegde overheid moet informeren en als zodanig toelaten om met kennis van zaken te beoordelen of het project al dan niet aanzienlijke milieueffecten voor mens en milieu teweeg kan brengen en bijgevolg of er voor het project al dan niet een project-MER moet worden opgesteld; - voor de vraag aan welk type milieu-effectenrapportage de aanvraag moet worden onderworpen, het zaak is te weten welke windturbines relevant zijn voor de inschatting van de milieueffecten omdat de nadruk ligt op het zich al dan niet voordoen van “aanzienlijke milieueffecten” met inbegrip van de “cumulatieve effecten” die worden veroorzaakt door nog uit te voeren en/of reeds uitgevoerde projecten samen; - bijlage II DABM naar de cumulatie met bestaande of goedgekeurde projecten verwijst zowel voor wat betreft de kenmerken van het project als de potentiële effecten ervan; - loutere - nog niet vergunde - aanvragen in de omgeving in het licht van bijlage II DABM niet relevant zijn voor de beoordeling van de toepasselijke MER-plicht; - de stelling van de verzoekers dat “projecten” niet enkel projecten die bestaan maar ook de aanvragen (en beoogde projecten) zouden omvatten, wordt verworpen “op basis van voormelde parlementaire voorbereiding” (Parl.St. Vl.Parl. 2016-17, nr. 965/1, 18); - de verzoekers die in hun argumentatie wijzen op het gevaar voor opsplitsing van projecten en gelijktijdige vergunning met miskenning van de gehele milieueffecten, “uit het oog [verliezen] dat een gelijktijdige ‘verlening’ de beoordeling ten tijde van de verlening voor dergelijke vergunningen onwettig zou maken, net omdat niet alle milieueffecten zouden zijn meegenomen”; - vanaf het moment dat een vergunning wordt verleend, de latere beslissing dan weer rekening dient te houden met het “goedgekeurd” karakter van de eerdere vergunning en dat de idee dat zelfs vergunde projecten geen garantie geven voor realisatie, niet verhindert dat ze middels het vermoeden van wettigheid wel degelijk reeds als objectief goedgekeurd kunnen worden beschouwd. VII-41.436-6/14
- Bij de beoordeling van de project-MER-plicht moet overeenkomstig bijlage III bij de project-MER-richtlijn, in het nationale recht omgezet middels bijlage II bij het DABM, rekening worden gehouden met de cumulatie met andere bestaande of goedgekeurde projecten. Overeenkomstig de definitie ervan in de project-MER-richtlijn, in het nationale recht omgezet middels het DABM, bestaat een “project” uit, onder meer, de uitvoering van bouwwerken of de totstandbrenging van andere installaties, werkzaamheden of andere ingrepen in het milieu. Voor het onderzoek van de cumulatieve effecten, moet bijgevolg worden gekeken naar de bestaande uitvoeringen van bouwwerken of bestaande totstandbrengingen van andere installaties, werkzaamheden of andere ingrepen in het milieu, dan wel naar de goedgekeurde uitvoeringen van bouwwerken of goedgekeurde totstandbrengingen van andere installaties, werkzaamheden of andere ingrepen in het milieu. De parlementaire voorbereiding bij het ontwerp dat het decreet van 23 december 2016 ‘tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten, wat betreft de milieueffectrapportage van bepaalde openbare en particuliere projecten’ is geworden, bevestigt: “Interessant te vermelden is dat door richtlijn 2014/52/EU vermeld wordt dat bij de screening de cumulatie met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten dient in aanmerking genomen te worden[…] daar waar vandaag in richtlijn 2011/92/EU enkel sprake is van het in overweging nemen van de cumulatie met andere projecten[…]. Met bestaande projecten worden de gerealiseerde projecten bedoeld terwijl met goedgekeurde projecten de wel goedgekeurde maar nog niet gerealiseerde projecten worden bedoeld” (Parl.St. Vl.Parl. 2016-17, nr. 965/1, 18). VII-41.436-7/14 In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De goedkeuring van de uitvoering van bouwwerken of van de totstandbrenging van andere installaties, werkzaamheden of andere ingrepen in het milieu, of anders gezegd: het vellen van een gunstige beslissing over die uitvoering of totstandbrenging, of nog: het verlenen van de toestemming voor de uitvoering of totstandbrenging, geschiedt bij wijze van de (omgevings)vergunningverlening. Het ‘instrumentum’, de omgevingsvergunning, dekt in dit geval het ‘negotium’, namelijk de beslissing om het aangevraagde goed te keuren en toe te laten. In het geval van een (initiële, loutere) aanvraag, moet de bevoegde overheid zich nog uitspreken over de gevraagde uitvoering of totstandbrenging en moet zij dus nog haar toestemming met het gevraagde verlenen. Een hangende aanvraag, waarbij er nog geen sprake is van een toestemming met de gevraagde uitvoering van bouwwerken of een totstandbrenging van andere installaties, werkzaamheden of andere ingrepen in het milieu, of waarbij er nog geen sprake is van een effectieve uitvoering of totstandbrenging, maar waarbij de toelating voor deze handelingen net wordt gevraagd, kan derhalve niet als een goedgekeurd, laat staan bestaand, project worden beschouwd. Die situatie wordt bijgevolg niet gevat door de voorliggende bepalingen. Dat doet er overigens niets aan af dat, specifiek in het geval van een regularisatie, er sprake kan zijn van een aanvraag met betrekking tot een reeds bestaand, maar niet vergund project. Dan zal evenwel toch rekening moeten worden gehouden met de cumulatieve effecten van het desbetreffende, want “bestaande” project. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
- Gelet op het vorenstaande schendt de RvVb de aangehaalde bepalingen niet wanneer hij overweegt dat “nog niet vergunde” in plaats van “nog VII-41.436-8/14 niet goedgekeurde” aanvragen of projecten “niet relevant [zijn] voor de beoordeling van de toepasselijke m.e.r.-plicht”.
- Wanneer een eerdere vergunning is vernietigd door een administratief rechtscollege, dient de bevoegde overheid zich eveneens, nogmaals, uit te spreken over de aangevraagde uitvoering of totstandbrenging. Er is in die gevallen geen sprake (meer) van een vergunningsbeslissing en dus ook niet van een goedkeuring. Het middel dat ervan uitgaat dat er in dat geval sprake is van een goedgekeurd project wanneer de vergunning ervan is vernietigd en het project opnieuw ter beoordeling voorligt bij de bevoegde vergunningverlenende overheid, faalt naar recht.
- De stelling van de verzoekers dat in de interpretatie van het bestreden arrest wel rekening moet worden gehouden met een voor de RvVb aangevochten project voor de bepaling van de project-MER-plicht, maar dat met een eventuele project-MER geen rekening meer zou mogen worden gehouden van zodra de vergunning wordt vernietigd wegens de retroactieve werking van het vernietigingsarrest, gaat voorbij aan het vermoeden van wettigheid waarmee de vergunningsbeslissing is bekleed totdat zij wordt vernietigd. Voorts hangt het gegeven of al dan niet nog rekening kan worden gehouden met het project-MER af van de grond op basis waarvan de RvVb in voorkomend geval de vergunning vernietigt. Het middelonderdeel dat ervan uitgaat dat in geval van een vernietiging hoe dan ook geen rekening meer kan worden gehouden met het project-MER, faalt naar recht.
- Het middelonderdeel in de memorie van wederantwoord dat de verzoekers niet de passage begrijpen waar de RvVb overweegt dat “een gelijktijdige ‘verlening’ de beoordeling ten tijde van de verlening voor dergelijke VII-41.436-9/14 vergunningen onwettig zou maken, net omdat niet alle milieueffecten zouden zijn meegenomen”, is nieuw en bijgevolg laattijdig.
- Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de verzoekers
- De verzoekers voeren de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet). Zij argumenteren in essentie dat de RvVb de aangehaalde bepalingen miskent waar hij oordeelt dat de oorspronkelijk bestreden ministeriële beslissing van 22 februari 2021 niet uitdrukkelijk gemotiveerd moest zijn op het vlak van het al dan niet bestaan van cumulatieve effecten, niettegenstaande de verzoekers dit concreet in hun bezwaar hadden aangevoerd, omdat de verzoekers in hun bezwaar niet aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake zou zijn van gerealiseerde of goedgekeurde windturbines wier effecten dermate zouden interfereren met die van het betrokken project waardoor het betrokken project aan de MER-plicht onderworpen zou moeten worden. Beoordeling
- Het middel gaat terug op de beoordeling door de RvVb van het eerste middel van de verzoekers. Het bestreden arrest overweegt onder meer: “De verzoekende partijen verwijzen naar hun bezwaarschrift, waarin ze voor wat betreft cumulatieve effecten, verwijzen naar de historiek van de (aanvragen in de) regio en waarbij ze onder meer wijzen op een VII-41.436-10/14 vernietigingsarrest van de Raad van State in het licht van cumulatieve geluidshinder. Daarbij gaan ze evenwel voorbij aan het feit dat de bestreden beslissing wat betreft geluid aangeeft dat er geen aanzienlijke milieueffecten zullen zijn en dat cumulatieve effecten werden meegenomen. Uit het aanvraagdossier blijkt verder dat er geen interferentie zou zijn met andere windturbines. De verzoekende partijen betwisten dit niet concreet, daar waar elk project nochtans op zijn eigen merites dient te worden beoordeeld. In het bezwaarschrift wordt specifiek inzake cumulatieve effecten het volgende vermeld: ‘In het aanvraagdossier vinden mijn cliënten slechts een verantwoordingsnota van de aanvrager, waarin quasi niets wordt vermeld over de impact van de aanvraag. Doorheen deze nota wordt overigens op geen enkele moment verwezen naar de hierboven vermelde projecten in de omgeving. Gelet op hangende aanvragen en vergunningen, zullen er een tiental WT’s op korte afstand van elkaar worden vergund (minstens worden aangevraagd). Desondanks wordt nergens onderzocht wat het (cumulatieve) effect van deze WT’s op natuur en omgeving zal zijn. Het is natuurlijk zinloos dat iedere aanvrager de impact van zijn project beoordeeld in abstracto, zonder rekening te houden met de omgeving. De impact op natuur en omgeving dient concreet te gebeuren. Mijn cliënten stellen vast dat tussen de voor het publiek beschikbare documenten op het omgevingsloket geen MER of MER-screeningsnota zit. Indien deze wel aanwezig zou zijn, dient hierin het cumulatieve effect te worden onderzocht’. De Raad stelt vast dat, behoudens voor wat betreft de windturbines ten oosten (sic.) van Limburg Wind(t) NV (die hierna worden besproken,) de verzoekende partijen in hun bezwaar niet aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake zou zijn van gerealiseerde of goedgekeurde (en niet-vernietigde) windturbines. Evenmin [maken] ze hierbij aannemelijk dat deze windturbines zouden verschillen van de turbines die werden meegenomen in de lokalisatienota bij de aanvraag en hebben geleid tot de beoordeling van de MER in de bestreden beslissing (zie hierna)”. Het bestreden arrest besluit dat de verzoekers niet voldoen aan hun stelplicht omdat zij nergens concretiseren “voor wat betreft dit middel inzake milieueffectrapportage welke cumulatieve effecten zich zouden kunnen voordoen” en omdat zij “voor wat de materiële en formele motivering betreft” nalaten de beoordeling in de bestreden beslissing van de bij de aanvraag gevoegde studie te betrekken.
- In zoverre wordt aangevoerd dat in het bestreden arrest niet wordt gesteld dat het aanvankelijk bestreden besluit een passage zou bevatten VII-41.436-11/14 waaruit de verzoekers konden opmaken dat de vergunningverlenende overheid van oordeel is dat er zich in de omgeving van de inplantingsplaats van de betrokken windturbines geen bestaande of vergunde projecten zouden bevinden die cumulatieve effecten veroorzaken, geldt dat de motiveringsverplichting die in de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet ligt vervat, niet toepasselijk is op de uitspraken van de RvVb. Het middelonderdeel dat kennelijk uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
- Het middelonderdeel dat aanvoert dat het bestreden arrest stelt dat de verzoekers “zélf de vereiste elementen zouden [moeten] verzamelen, interpreteren en systematiseren om de vergunningverlenende overheid te overtuigen” van aanwezige cumulatieve effecten, “bij gebreke waarvan de vergunningverlenende overheid zou ontslaan zijn van de plicht om, rekening houdend met de inhoud van het bezwaar van beroepers, bondig maar uitdrukkelijk te motiveren”, mist feitelijke grondslag. Het bestreden arrest overweegt dat het aan de verzoekers staat “om aannemelijk te maken dat de verwerende partij onzorgvuldig, onredelijk of niet afdoende gemotiveerd is voorbijgegaan aan het feit dat er sprake is van een interferentie die tot cumulatieve effecten zou kunnen leiden” en dat zij “in hun bezwaar niet aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake zou zijn van gerealiseerde of goedgekeurde (en niet-vernietigde) windturbines”, noch dat “deze windturbines zouden verschillen van de turbines die werden meegenomen in de lokalisatienota bij de aanvraag en hebben geleid tot de beoordeling van de MER in de bestreden beslissing”. Het middel dat aanvoert dat het bestreden arrest besluit dat de aanvankelijk bestreden beslissing “niet uitdrukkelijk gemotiveerd” diende te zijn, mist feitelijke grondslag. De RvVb stelt wel dat niet valt in te zien waarom de vergunningverlenende overheid zou moeten zijn overgegaan tot een “ruimere” motivering of in welke zin, “gelet op de aan de aanvraag gevoegde m.e.r.-contouren en de beoordeling in de bestreden beslissing […] een bijkomende VII-41.436-12/14 motivering vereist zou zijn”, wat betreft de bestaande of goedgekeurde windturbines waarvan zij gewag maakt.
- Het middelonderdeel in de memorie van wederantwoord dat aanvoert dat het bestreden arrest de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet schendt door te stellen dat de loutere vermelding dat een project-MER “geen verplicht gegeven” was bij de voorliggende aanvraag een voldoende beantwoording was van hun bezwaar, is nieuw en bijgevolg laattijdig.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 600 euro, elk voor een derde, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomsten, begroot op 300 euro, elk voor de helft. VII-41.436-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijf oktober tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.436-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.548 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div