id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.549 Rolnummer: A. 236981/VII-41627 Zaak: Arrest 257549 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/10/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-10-10 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-06-10 13:20 Fiche Arrest nr 257.549 van 5 oktober 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 257.549 van 5 oktober 2023 in de zaak A. 236.981/VII-41.627 In zake : Corné VAN AARLE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist en Deniz Bahtijarevic kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN Tussenkomende partijen :
- de comm. v. BOTERMELKHOF CONSTRUCT
- Guylian WILLEKENS
- Gaulthier WILLEKENS
- Gothar WILLEKENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ciska Servais kantoor houdend te 2600 Antwerpen Posthofbrug 6, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 8 augustus 2022, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2122-0913 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 30 juni 2022 in de zaak 2021-RvVb-0928-A. VII-41.627-1/6 II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 15 september
- Verzoeker heeft een toelichtende memorie ingediend. De comm. v. Botermelkhof Construct, Guylian Willekens, Gaulthier Willekens en Gothar Willekens hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 10 november
- De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft op 20 januari 2023 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 juni
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Deniz Bahtijarevic, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Yannick Ballon, die loco advocaat Ciska Servais verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft advies gegeven. VII-41.627-2/6 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten
- De deputatie van de provincieraad van Antwerpen (hierna: deputatie) verleent op 17 juni 2021 aan de comm. v. Botermelkhof Construct een stedenbouwkundige vergunning “voor het afbreken van de bestaande bebouwing, het rooien van bomen en het bouwen van 57 assistentiewoningen met parkeergarage”.
- Het bestreden arrest verwerpt het beroep van verzoeker tot vernietiging van voormelde vergunningsbeslissing. IV. Onderzoek van het middel A. Voorafgaandelijk
- Artikel 14, derde lid, van het cassatieprocedurebesluit bepaalt wat volgt: “De memorie van wederantwoord of de toelichtende memorie heeft de vorm van een samenvattende memorie waarin alle argumenten van de verzoekende partij op een rij worden gezet. Behoudens wat de ontvankelijkheid van het beroep en van de middelen betreft, doet de Raad van State uitspraak op basis van de samenvattende memorie”. In het aan dat besluit voorafgaande verslag aan de Koning wordt deze bepaling als volgt toegelicht: “De samenvattende memorie dient de argumenten van het verzoekschrift en van de memorie van wederantwoord als een geordend geheel weer te geven. De verzoekende partij, die moet worden bijgestaan door een advocaat, wordt er aldus toe gebracht een allesomvattend overzicht in te dienen, dat de uiteenzetting van de feiten bevat, haar eventuele antwoorden VII-41.627-3/6 op excepties van niet-ontvankelijkheid en haar middelen in één enkele, pertinente argumentering. […] Het gevolg van de verplichting om een samenvattende memorie in te dienen is dat de Raad van State in beginsel geen uitspraak meer hoeft te doen op basis van de uiteenzetting van de feiten en middelen vervat in het verzoekschrift”. Het doel van dit voorschrift is de vereenvoudiging van het onderzoek van het cassatieberoep door de Raad van State die ten gronde uitspraak moet kunnen doen op basis van één enkel procedurestuk van een verzoekende partij, met name de samenvattende memorie. Het voorschrift is ingegeven door de termijn in artikel 20, § 4, RvS-wet, waarover de Raad van State beschikt om over toelaatbaar verklaarde cassatieberoepen uitspraak te doen en de voorrang die bijgevolg aan de behandeling van cassatieberoepen moet worden gegeven. Dit brengt mee dat de in het inleidende verzoekschrift aangevoerde cassatiemiddelen in de samenvattende memorie minstens summier, doch volledig worden opgenomen. Bovendien moeten in dit procedurestuk de cassatiemiddelen worden samengevat. Het volstaat niet dat een verzoekende partij in de samenvattende memorie enkel stelt te volharden in haar cassatieberoep, louter blijk geeft van volgehouden belangstelling om de vernietiging van de aangevochten jurisdictionele beslissing na te streven, louter verwijst naar haar inleidend verzoekschrift of naar de uiteenzetting van haar middelen in het verzoekschrift, of zich beperkt tot weerlegging of ontkrachting van de argumentatie van de andere partijen. Uit deze bepaling volgt dat over de gegrondheid van de middelen die niet in deze samenvattende memorie zijn opgenomen, geen uitspraak dient te worden gedaan door de Raad van State. VII-41.627-4/6 B. Enig middel - Aanvullend onderzoek Standpunt van verzoeker
- Verzoeker voert in de toelichtende memorie aan dat: - “[h]eel de argumentatie steunt […] op het feit dat er in het bestreden arrest sprake is van een gemis aan motivering wat de mobiliteit en de parkeerdruk betreft”, - “het cassatieberoep gericht is tegen de gebrekkige jurisdictionele motivering in het arrest van de RvVb dd. 30 juni 2022”, - de RvVb “akte [neemt] van de pertinente stukken [van verzoeker] die aantonen dat het risico op zeer negatieve effecten op vlak van parkeren en mobiliteit reëel is, ondanks het feit dat het project in principe voldoet aan de parkeernorm”, maar vervolgens “louter” stelt dat uit de aangehaalde overwegingen van de bestreden vergunningsbeslissing “blijkt dat het aangevraagd project 12 parkeerplaatsen meer omvat dan de parkeernorm bepaald in het RUP (1 per 2 serviceflats)” en dat het voor de RvVb “niet duidelijk [is] om welke reden de verzoekende partij meent dat deze vaststelling niet zou volstaan om het aangevraagde op dat punt in overeenstemming te vinden met de goede ruimtelijke ordening”, - dit “niet anders [kan] worden opgevat dan een gemis aan motivering of het negeren van pertinente stukken in het kader van het jurisdictioneel beroep”, - bijgevolg “[n]iet alle (pertinente) stukken […] in overweging [werden] genomen bij het beoordelen van het middel(enonderdeel), waardoor het onduidelijk is of de RvVb de voorgelegde gegevens wel onderzocht heeft, wat evident een schending van de motiveringsplicht inhoudt conform art. 149 Gw”, - “[w]anneer er wordt aangetoond dat de vermeende concrete omstandigheden manifest indruisen tegen de stukken en de RvVb daaropvolgend louter overweegt dat de verwerende partij wel rekening hield met de concrete omstandigheden op de betrokken locatie, zonder de aangehaalde stukken erbij te betrekken, schendt de RvVb de motiveringsplicht manifest. Het niet betrekken van pertinente stukken bij de beoordeling van het middel(enonderdeel) betreft evident een gemis aan motivering. Motiveren zonder dat de voorgelegde gegevens werden onderzocht druist evident in tegen de jurisdictionele motiveringsplicht op grond van artikel 149 Gw. en art. 32 DBRC-decreet”. VII-41.627-5/6 Beoordeling
- Het auditoraatsverslag is beperkt tot het onderzoek of verzoeker gehandeld heeft conform artikel 14, derde lid, van het cassatieprocedurebesluit. Aanvullend onderzoek over de gegrondheid van het enige middel in de toelichtende memorie van verzoeker is geboden. BESLISSING
- De Raad van State heropent het debat.
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijf oktober tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.627-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.549 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.915 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div