← België

Arrest 257553 - Examens (onderwijs) - 06/10/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.553 Rolnummer: A. 240139/IX-10341 Zaak: Arrest 257553 - Examens (onderwijs) - 06/10/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-10-11 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-06-10 13:28 Fiche Arrest nr 257.553 van 6 oktober 2023 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 257.553 van 6 oktober 2023 in de zaak A. 240.139/IX-10.341 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Van Damme kantoor houdend te 9070 Destelbergen Zenderstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW SINT-BARBARACOLLEGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Thomas Fiers kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 25 september 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Sint-Barbaracollege van 15 september 2023, waarbij aan XXXX een oriënteringsattest C wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2023, om 11.00 uur. IX-10.341-1/13 Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joost Van Damme, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Sofie Logie, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2022-2023 ingeschreven als leerling in het eerste leerjaar van de derde graad wetenschappen-wiskunde (ASO) in het Sint-Barbaracollege te Gent. Op het einde van het schooljaar beslist de delibererende klassenraad om verzoeker bijkomende proeven op te leggen voor de vakken aardrijkskunde en wiskunde. Naderhand beslist de klassenraad om aan verzoeker een oriënteringsattest C toe te kennen, wat als volgt wordt gemotiveerd: “[…] je hebt in juni je tekort voor godsdienst uit het eerste semester opgehaald en voor heel wat vakken behoorlijk werk geleverd, al is het opvallend dat je tijdens de proefwerkenperiodes grotere leerstofpakketten maar moeilijk verwerkt krijgt. Voor aardrijkskunde en voor wiskunde, toch een belangrijke component in de studierichting die je gekozen hebt (6 u per week), behaalde je telkens op jaarbasis een onvoldoende, waardoor je bijkomende proeven kreeg. Voor aardrijkskunde maakte je een mooie, lovenswaardige inhaalbeweging (66 %) maar voor wiskunde behaalde je twee keer een onvoldoende: 41,2 % voor matrices en 47,37 % voor functieleer. De klassenraad heeft dan ook besloten jou een C-attest toe te kennen. Hieronder vind je wat meer specifieke informatie over de IX-10.341-2/13 leerplandoelstellingen van het vak wiskunde en waar je precies tekortschoot. Je slaagde er niet in om jezelf de leerinhouden van het eerste (matrices) en tweede semester (functieleer) eigen te maken. Tekorten zijn onder andere terug te vinden bij onderstaande basisleerplandoelstellingen die behandeld werden in het schooljaar 2022-2023: AL9 Met behulp van matrices een concreet probleem modelleren. AL12 Evoluties van blokken gegevens beschrijven met matrices. AL13 De methode van het rij herleiden gebruiken voor het oplossen van m x n-stelsels van de eerste graad. AL14 Vraagstukken oplossen die te herleiden zijn tot het oplossen van een m x n-stelsel van de eerste graad. AN2 Met behulp van de beschikbare analysekennis problemen wiskundig modelleren en oplossen AN15 Bij grafieken van functies van de vorm f(x)= b.ax en a f(

  1. x)f(
  2. x)=a log(
  3. x)het voorschrift bepalen. AN24 Uit de grafiek van een algemene sinusfunctie het voorschrift afleiden en de algemene sinusfunctie gebruiken als model. AN25 De begrippen amplitude, evenwichtsstand, faseverschuiving en periode gebruiken bij een periodiek verschijnsel. AN26 Vergelijkingen van de vorm a·sin(b(x+c))+d = e oplossen. AN29 Som- en verschilformules, verdubbelingsformules en formules van Simpson gebruiken om goniometrische uitdrukkingen te vereenvoudigen, vergelijkingen op te lossen en eenvoudige identiteiten te bewijzen. AN33 De eerste en tweede afgeleide van functies berekenen en ze in concrete situaties gebruiken. AN34 Extremumproblemen wiskundig modelleren en oplossen. AN35 Het verloop van een functie onderzoeken, in het bijzonder voor veeltermfuncties en rationale en irrationale functies, met beperking van de moeilijkheidsgraad. Kennis van deze leerplandoelstellingen is nodig om de eindtermen te halen in een zesde middelbaar in de richting wetenschappen-wiskunde. Je haalde voor het examen matrices van het eerste semester 33,6%. Voor de bijkomende proef in augustus haalde je voor matrices 42,1%. Voor de examens functieleer haalde je voor het paasexamen 48,3%, met een enorm mooi cijfer voor de theorie (!), en voor het juni-examen 31,5%. Voor de bijkomende proef in augustus haalde je voor functieleer 47,37%. De functiekennis van het eerste semester lijkt min of meer verworven, maar de leerstof van het tweede semester, in het bijzonder goniometrie en afgeleiden en toepassingen bij deze onderwerpen, is nog ruim onvoldoende gekend. Limieten heb je intussen goed onder de knie!” Nader overleg leidt niet tot een nieuwe samenkomst van de klassenraad, waarop verzoeker bezwaar aantekent bij het schoolbestuur. IX-10.341-3/13 Op 15 september 2023 beslist de beroepscommissie om het C-attest te handhaven. Dit is de thans bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid 5. De verwerende partij betwist terecht niet dat de voorwaarde met betrekking tot de uiterst dringende noodzakelijkheid is vervuld. VI. Ernst van het enige middel Uiteenzetting van het middel 6. Het eerste middel luidt “miskenning van art. 3, art. 55 en art. 38, 1° van het Organisatiebesluit en schending van de materiële motiveringsplicht en van het redelijkheids- en subsidiariteitsbeginsel” en wordt als volgt samengevat: “Gegrond op de miskenning van art. 3, 55 en 38, 1° van het Organisatiebesluit secundair onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering d.d. 15 juli 2022 – B.S. 18 november 2022) en op de miskenning van de materiële motiveringsplicht, op een schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, in het bijzonder de artikelen 2 en 3 van voormelde wet, alsook gegrond op de miskenning van het redelijkheidsbeginsel, en gegrond op machtsafwending; Daar waar de bestreden beslissing als motivering vermeldt: ‘(...) de school beschikt over gedetailleerde deliberatiecriteria die een integrerende bijlage IX-10.341-4/13 van het schoolreglement uitmaken (...). In de mate dat [verzoeker] een aanzienlijk vaktekort op jaarbasis behaalde voor het vak wiskunde en dit vaktekort bleef bestaan, ook na de bijkomende proef, is de beslissing van de klassenraad conform aan de deliberatiecriteria (...)’ en ‘(...) door appellanten wordt er geen enkel bewijs geleverd dat [verzoeker] in deze omstandigheden kans heeft om te slagen in een zesde middelbaar in de richting wetenschappen-wiskunde’ en uit de tekstredactie van de beslissing blijkt dat zulks voor de beslissing dragende elementen zijn; Terwijl die overweging omtrent het bestaan van een zgh. ‘aanzienlijk’ vaktekort geen dan wel onvoldoende steun vindt in het dossier en elke bestuurshandeling dient te berusten op daadwerkelijke, relevante en toelaatbare juridische en feitelijke gronden en dito motiveringen én de wet van 29 juli 1991 oplegt dat die gronden en/of motieven in de beslissing zelf uitdrukkelijk worden vermeld, nu het een administratieve rechtshandeling met individuele strekking betreft; en terwijl dwingende deliberatiecriteria die de autonomie van de klassenraad respectievelijk interne beroepscommissie uithollen onverenigbaar zijn met de strekking van art. 3 j° art. 55 van het Organisatiebesluit secundair onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering d.d. 15 juli 2022 – B.S. 18 november 2022). Dat het redelijkheidsbeginsel daarenboven voorschrijft dat de overheid de haar toekomende discretionaire bevoegdheid binnen de perken van de redelijkheid dient te gebruiken; Dat de evaluatieprocessen van verweerster dermate onredelijk streng zijn dat daarop onmogelijk in redelijkheid een negatieve eindevaluatie van de leerling met C-attest kan worden geënt; Zodat is komen vast te staan dat de door de bestreden beslissing ingeroepen motieven die aan de grondslag van die beslissing liggen zowel feitelijk als juridische grondslag missen en dat de bestreden beslissing derhalve faalt naar recht en om voormelde redenen de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing dient geschorst.” Van bladzijde 12 tot 24 van het verzoekschrift wordt het middel nader toegelicht. Beoordeling 7. Voor zover het middel het hanteren van “dwingende deliberatiecriteria” op de korrel neemt, die de autonomie van de beroepscommissie zouden uithollen, lijkt het feitelijke grondslag te missen. De “deliberatiecriteria” waaraan de beroepscommissie refereert immers, schrijven enkel voor dat de delibererende klassenraad na de bijkomende IX-10.341-5/13 proeven beslist “op basis van het nieuwe globale studiedossier van de betreffende leerling, met inachtneming van de reeds eind juni behaalde resultaten” en dat hij een C-attest “kan” toekennen bij vaststelling van één of meerdere vaktekorten op jaarbasis. Het lijkt een criterium dat terecht verbiedt om louter rekening te houden met de resultaten van de bijkomende proeven en dat voorts aan de autonomie van de klassenraad – casu quo de beroepscommissie – geen enkele afbreuk doet. Overigens gaat ook de beroepscommissie uit van een reële deliberatie over verzoeker en motiveert zij in de bestreden evaluatiebeslissing uitvoerig waarom de bezwaren van verzoeker worden afgewezen, zodat zij de “deliberatiecriteria” evenmin een verkeerde uitleg lijkt te geven alsof ze haar tot het toekennen van een C-attest zouden verplichten. In zoverre is het middel niet ernstig. 8. Artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2022 ‘over de organisatie van het secundair onderwijs, wat leerlingen betreft’ (“organisatiebesluit”) luidt: “De klassenraad is, namens het schoolbestuur, het enige orgaan binnen de school dat bevoegd is voor de toelating, vorming, evaluatie en deliberatie van regelmatige leerlingen, met uitzondering van de reglementaire toelatingsvoorwaarden. Naargelang van het geval heeft de klassenraad adviesbevoegdheid of beslissingsbevoegdheid. Adviezen en beslissingen van de klassenraad worden altijd gemotiveerd.” Deze bepaling lijkt niet van toepassing te zijn op de beroepscommissie en alleszins verduidelijkt verzoeker niet op welke wijze de beroepscommissie ze heeft geschonden. In die mate lijkt het middel onontvankelijk en is het dus niet ernstig. 9. Artikel 55 van het organisatiebesluit lijkt betrekking te hebben op het buitengewoon onderwijs, opleidingsvorm 3 en is op het eerste gezicht dus niet van toepassing op verzoeker. IX-10.341-6/13 Voor zover het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt het prima facie naar recht en is het niet ernstig. 10. Verzoeker citeert een “art. 38, 1°” van het organisatiebesluit, terwijl dat artikel geen “1°” telt en een andere redactie heeft dan wat verzoeker aanhaalt. In zoverre kan het middel niet slagen. Allicht wil verzoeker refereren aan artikel 38, 1°, van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’. Luidens die bepaling beëindigt een leerling het eerste leerjaar van de derde graad met vrucht, “indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het volgend leerjaar”. Het middel wordt hierna mede vanuit dat oogpunt onderzocht. 11. Verzoeker heeft een bijkomende proef afgelegd voor aardrijkskunde. Hiervoor behaalt hij 66%, wat de klassenraad beschrijft als “een mooie, lovenswaardige inhaalbeweging”. Die prestatie lijkt ook voor de beroepscommissie te volstaan, wat dat vak betreft. Zij steunt immers niet meer op het jaartekort voor aardrijkskunde, zo lijkt, om het C-attest te motiveren. 12. De beroepscommissie stelt vast dat verzoeker een jaartekort behaalt voor wiskunde (41,5%) en voor geen van beide onderdelen van de bijkomende proef wiskunde wist te slagen: hij behaalde 41,2% voor matrices en 47,37% voor functieleer. Verzoeker heeft slaagcijfers voor alle andere vakken, zodat hierin het motief voor het C-attest gevonden moet worden. 13. Verzoeker betwist in de eerste plaats “het bestaan” en dus de deugdelijkheid van het vastgestelde jaartekort voor wiskunde. IX-10.341-7/13 Voorts argumenteert hij dat de beroepscommissie de betekenis van de slaagcijfers voor alle andere vakken vergeet en aldus nalaat de “vereiste globale evaluatie” te maken om na te gaan of hij “globaal genomen bekwaam mag worden geacht zijn studies voor[t] te zetten in het volgende leerjaar”. 14.1. Met betrekking tot de deugdelijkheid van de vastgestelde tekorten, lijkt vooralsnog te moeten worden uitgegaan van het vermoeden van deskundigheid van de beroepscommissie, van de klassenraad en van de leer- krachten. Dit impliceert op het eerste gezicht, onder meer, dat tot bewijs van het tegendeel moet worden aangenomen dat de punten een getrouw en relevant beeld geven van de prestaties van de leerling. Wil verzoeker het voormelde vermoeden van deskundigheid weerleggen, dan moet hij heel precieze en concrete gegevens en argumenten aanbrengen die van aard zijn de deugdelijkheid van de examens – en dus ook van de toegekende punten – te ontkrachten. 14.2. Verzoeker meent dat het tekort moet worden genuanceerd, onder meer rekening houdend met het “zwakke” klasgemiddelde voor dit vak, de hoge moeilijkheidsgraad van het wiskunde-examen of de foutieve weging van de opleidingsonderdelen waarop hij zwak heeft gescoord. Hij geeft in dat verband op de bladzijden 15 tot 22 van het verzoekschrift een eigen beoordeling van zijn resultaten en koppelt daaraan overwegingen omtrent zijn capaciteiten en wiskundige aanleg. Voor zover verzoeker aldus lijkt te verwachten dat de Raad van State de beoordeling van zijn slagen of falen voor eigen rekening overdoet, moet worden opgemerkt dat dit niet de opdracht is van de Raad als wettigheidsrechter. Om voorts het vermoeden van deskundigheid van de leerkrachten te weerleggen, volstaat het niet om als verzoeker daar een eigen standpunt tegenover te plaatsen, door een eigen interpretatie te geven aan deelcijfers die hij verkreeg voor sommige toetsen doorheen het jaar, door het gewicht van leerstofonderdelen te “nuanceren” of door te wijzen op onderdelen IX-10.341-8/13 van onderdelen van de leerstof die hij wel zou beheersen. Verzoeker valt ook terug op de commentaar van zijn bijlesleerkracht, zonder in te gaan op de reden die de beroepscommissie aanvoert om die commentaar minder geloofwaardig te achten dan het deskundig oordeel van de klassenraad. Verzoeker citeert zelf een “Algemene Pedagogische Reglementering” waarin hij leest dat de juiste interpretatie van evaluatiegegevens “niet altijd eenvoudig” is en ziet op “de evolutie van leerlingen vanuit het volledige dossier en het inschatten van eventuele tekorten naar het volgende leerjaar toe”. Welnu, terecht merkt de beroepscommissie op, zo lijkt, dat de deskundigheid om die inschatting te maken in de eerste plaats bij de vakleerkrachten van verzoeker en bij zijn klassenraad te vinden is. 14.3.1. In de bestreden beslissing valt het volgende te lezen: “Ter zitting van de beroepscommissie van 13 september 2023 werd aan appellanten een verklarende nota overhandigd, die op verzoek van de beroepscommissie werd opgesteld door de wiskundeleerkrachten […] – die beiden deze nota ondertekenden – en waarin op zeer gedetailleerde en gemotiveerde wijze het globale dossier van [verzoeker] – met gewogen integratie van de nieuwe cijfers na de bijkomende proeven – wordt besproken en de door [verzoeker] behaalde resultaten worden toegelicht en de beweringen in de beroepsakte worden weerlegd […]. Noch appellanten noch hun raadsman verzetten zich tegen de overmaking van dit stuk en tegen de hierin geformuleerde analyse. Niettegenstaande hen ter zitting ruimschoots de gelegenheid werd geboden om, na kennisname van de nota, hun opmerkingen hieromtrent te formuleren, beperkten appellanten zich ertoe om te verwijzen naar de examenresultaten en de resultaten van de bijkomende proeven Wiskunde van ‘andere leerlingen’ – zonder enige verdere precisering.” 14.3.2. Verzoeker voert aan dat die motivering “manifest onjuist” is en dat hij: “[…] bij monde van [zijn] raadsman gevraagd [heeft] te willen akteren dat, onder verwijzing naar wat [hij] onder randnummer 10 fine van het intern beroepschrift [heeft] uiteengezet m.b.t. extremumproblemen, uit de door de beroepscommissie bestelde en pas voor het eerst ter zitting d.d. 13 september 2023 bijgebrachte nota (niettegenstaande reeds geruime tijd in het bezit van de interne beroepscommissie) blijkt dat dit examenonderdeel, dat nooit eerder in het kader van de permanente evaluatie werd getoetst en waaromtrent dus ook geen remediëring mogelijk was, op het examen maar IX-10.341-9/13 liefst 17 punten van de 38 te verdienen punten vertegenwoordigde, en zulks dus de (voor de interne beroepscommissie) bestreden beslissing eens te meer onredelijk maakte.” 14.3.3. De enkele opmerking dat een “examenonderdeel, dat nooit eerder in het kader van de permanente evaluatie werd getoetst en waaromtrent dus ook geen remediëring mogelijk was, op het examen maar liefst 17 punten van de 38 te verdienen punten vertegenwoordigde” is te vaag om de pertinentie of relevantie van de bijkomende proef te ondergraven. Dat de beroepscommissie deze opmerking onbeantwoord heeft gelaten, mist voorts op het eerste gezicht feitelijke grondslag. De beroepscommissie verwijst naar “de ter zitting van 13 september 2023 aan [verzoeker] overgemaakte nota, waarin de argumentaties van [verzoeker], zoals uiteengezet in de beroepsakte, omtrent de leerplandoelstellingen en de onderlinge puntenverdeling voor het opleidingsonderdeel wiskunde op gemotiveerde wijze worden weerlegd en welke nota de beroepscommissie volledig onderschrijft”. Verzoeker gaat ook in huidig verzoekschrift niet in op de inhoud van deze nota. Meer bepaald wat de “extremumproblemen” betreft, is in die nota te lezen dat dit “reeds in het eerste trimester gegeven [werd]”, dat toen het rekentoestel gebruikt mocht worden en dat “nu” afgeleiden gebruikt moeten worden maar dat de grootste moeilijkheid “nl. opstellen van een voorschrift” reeds aan bod kwam. Verzoeker lijkt dit onbesproken te laten in het verzoekschrift. 14.4. Verzoekers betoog kan in de huidige stand van de rechtspleging het voormelde vermoeden van deskundigheid niet doen wankelen, zodat de toegekende cijfers geacht moeten worden een getrouw beeld te geven van zijn prestaties en kennis. 15. Verzoeker verwijt de beroepscommissie ten onrechte dat zij het loutere niet slagen voor de bijkomende proef in de plaats stelt van de rapportcijfers. De beroepscommissie motiveert integendeel, zo lijkt, dat verzoeker noch tijdens het jaar, noch op de bijkomende proef slaagt. Verzoeker maakt geenszins IX-10.341-10/13 inzichtelijk, overigens, hoe zijn resultaten voor de bijkomende proef het jaartekort zouden kunnen uitwissen. 16.1. Wat dan de interpretatie van de evaluatiegegevens betreft, mocht de beroepscommissie aldus terecht vaststellen dat verzoeker er niet in geslaagd is de doelstellingen voor het vak wiskunde, wat het afgelopen schooljaar betreft, te bereiken. Zij mocht hieruit besluiten, zo lijkt, dat verzoeker “ook na de bijkomende proef, er nog steeds niet in geslaagd is om de leerplandoeleinden wiskunde voor het 5e middelbaar in de richting wiskunde-wetenschappen te behalen”. De beroepscommissie valt voorts de klassenraad bij, waar deze vaststelt dat “de kennis van de vermelde leerplandoelstellingen, zoals deze behandeld werden in het schooljaar 2022-2023, nodig is om de eindtermen te halen in een zesde middelbaar in de richting wetenschappen-wiskunde”. 16.2. De beroepscommissie onderzoekt ook proactief de slaagkansen van verzoeker voor het volgende leerjaar. Zij doet dit in de eerste plaats, als gezien, vanuit de vaststelling dat verzoeker niet voldoende bagage heeft, nu hij voor geen enkele proef geslaagd is en bijgevolg onvoldoende kennis heeft van de wiskundeleerstof van het afgelopen leerjaar. Daaruit leidt zij echter ook af, aanvullend, dat verzoeker niet in staat is om grotere leerstofgehelen te kunnen bevatten en verwerken; zij stelt vast dat verzoeker: “[…] in het voorbije schooljaar niet slaagde voor ook maar één enkel van de door hem afgelegde examens wiskunde, zelfs niet na de hem geboden tweede kans om een bijkomende proef Wiskunde, overigens beperkt tot de door hem onvoldoende gekende onderdelen, af te leggen. Noch zijn kerst- noch zijn juni-resultaten voor wiskunde waren slaagcijfers, net zo min als de resultaten van de bijkomende proeven wiskunde. Daarnaast waren ook zijn punten voor de dagelijkse prestaties in het eerste semester onvoldoende en behaalde [verzoeker] in het tweede semester hiervoor – amper – een voldoende cijfer. Hieruit leidt de Beroepscommissie af dat [verzoeker] zich de leerstof – ook in kleine pakketten – onvoldoende eigen kon maken.” Die vaststelling gaat ruimer dan enkel een inschatting van de kennis, al dan niet, van de leerstof van het afgelopen leerjaar die nodig is voor het IX-10.341-11/13 volgende leerjaar: ze verwoordt de overtuiging van de beroepscommissie dat verzoeker het onmogelijk beter zal doen wanneer hij in het tweede jaar van de derde graad geconfronteerd zal worden met de grotere leerstofgehelen van dat leerjaar. Verzoeker toont niet aan dat hij zich “de leerstof” – ongeacht of deze voortbouwt op het vorige jaar – voldoende eigen kan maken. In die zin mag overigens van een “aanzienlijk” tekort worden gesproken, zo lijkt. Niet enkel of niet zozeer de omvang van het tekort, maar het repetitief karakter van het niet-slagen op élk examen lijkt voor de beroepscommissie relevant om haar beslissing te schragen. Of daar al dan niet het adjectief “aanzienlijk” bij past, lijkt slechts een semantische discussie die de regelmatigheid zelf van de beslissing niet aantast. 16.3. De beroepscommissie lijkt, gelet op haar overwegingen, niet blindweg tot een C-attest besloten te hebben op basis van de loutere vaststelling van het jaartekort voor wiskunde, laat staan op basis van het niet slagen voor de bijkomende proef. De commissie valt de motieven van de klassenraad bij en heeft, met de nodige zorgvuldigheid zo lijkt, aangegeven waarom verzoeker wat het afgelopen jaar betreft de basiskennis van een profielbepalend vak niet heeft verworven en dat hij, wat het volgende schooljaar betreft, nog niet bekwaam wordt geacht om de grotere leerstofgehelen voor dat vak aan te kunnen. De beroepscommissie lijkt alzo de vereiste concrete afweging gemaakt te hebben over de slaagkansen van verzoeker. Verzoeker mist een afweging van dit gegeven tegenover zijn resultaten voor de andere vakken, maar hij laat vooralsnog niet begrijpen hoe die andere resultaten afbreuk kunnen doen aan de vooralsnog overeind blijvende vaststelling dat hij in het tweede jaar van de derde graad niet kan slagen voor een profielbepalend vak. Hij lijkt er dus van uit te gaan dat hij in de richting wetenschappen-wiskunde zonder meer een vrijstelling voor wiskunde moet krijgen. IX-10.341-12/13 17. De Raad van State biedt geen bescherming tegen strenge beslissingen, wel tegen onwettige beslissingen. Het kan niet onwettig of onredelijk heten, als een beroepscommissie die vaststelt dat een leerling voor een profielbepalend vak er zelfs na een bijkomende proef niet in slaagt aan te tonen dat hij de leerstof onder de knie heeft en die vaststelt dat die leerling noch de vereiste bagage heeft opgebouwd om het volgende jaar aan te vangen, noch bewijst grotere wiskundeleerstofgehelen te kunnen behapstukken, aan die leerling een C-attest toekent. 18. De schending van de aangevoerde bepalingen en beginselen is vooralsnog niet aangetoond. Het middel is niet ernstig. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes oktober tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.341-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.553 Gerelateerde publicatie(
  4. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.124 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.