id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.574 Rolnummer: A. 238960/XIV-39189 Zaak: Arrest 257574 - Kind & Gezin - 09/10/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-10-16 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-06-10 13:33 Fiche Arrest nr 257.574 van 9 oktober 2023 Sociale zaken en volksgezondheid - Kind & Gezin Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 257.574 van 9 oktober 2023 in de zaak A. 238.960/XIV-39.189 In zake:
- de BV MIPPIE EN MOPPIE (in staat van faillissement) rechtsgeding hervat door curator Jens Vrebos kantoor houdende te 8000 Brugge Ezelstraat 25
- Matthias VAN ESSCHE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philip Willemyns kantoor houdend te 3000 Leuven Koning Leopold I-straat 50 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Verbouwe en Rutger Robijns kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 25 april 2023, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “[d]e beslissing van de Vlaams minister van Welzijn, Gezondheid en Gezin van 27 februari 2023 betreffende het bezwaar van 21 november 2022 tegen de beslissing tot schorsing uit voorzorg bij dringende noodzakelijkheid voor de kinderopvanglocatie Mippie en Moppie 5 en 6.” II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. XIV-39.189-1/11 Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 september
- Staatsraad Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Emma Van Eenoo, die loco curator Jens Vrebos verschijnt voor de eerste verzoekende partij, advocaat Dennis Muñiz Espinoza, die loco advocaat Philip Willemyns verschijnt voor tweede verzoeker en advocaat Rutger Robijns, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partijen zijn organisatoren van kinderopvang in de opvanglocaties Mippie en Moppie 5 te Hofstade en 6 te Zemst. Tweede verzoeker is de bestuurder van de BV Mippie en Moppie, zijnde de eerste verzoekende partij. De Mippie en Moppie groep bestaat uit vijf opvanglocaties (Mippie en Moppie zonder nummer, 2, 4, 5 en 6). 3.
- Naar aanleiding van een klacht omtrent de werking van de kinderopvanglocatie Mippie en Moppie 2 beslist het agentschap Opgroeien regie (hierna: het agentschap) op 10 november 2022 tot de schorsing van de vergunning uit voorzorg bij dringende noodzakelijkheid, met uitwerking van 11 november 2022 tot 11 januari
- Op 21 november 2022 beslist het agentschap XIV-39.189-2/11 eveneens tot schorsing van de vergunning bij dringende noodzakelijkheid van de overige opvanglocaties. De schorsing loopt van 22 november 2022 tot en met 23 januari
- 3.
- Op 22 december 2022 dienen de verzoekende partijen bezwaar in tegen deze bestuurlijk maatregel met betrekking tot de opvanglocaties Mippie en Moppie zonder nummer, 4, 5 en
- Op 23 december 2022 verklaart het agentschap het ingediende bezwaar ontvankelijk. 3.
- Op 10 januari 2023 besluit het agentschap om de schorsing van de vergunning betreffende de opvanglocatie Mippie en Moppie 2 te verlengen tot 1 februari
- Omwille van de inhoudelijke zwaarwichtigheid van de opgestarte handhavingstrajecten meldt het agentschap op 22 november 2022 de organisatoren van de respectievelijke kinderopvanglocaties aan bij het VECK om een risicotaxatie uit te voeren. 3.
- Tijdens de eerste schorsingstermijn krijgt het agentschap het bericht van het VECK dat hun risicotaxatie in een eindfase zit, maar geen definitief advies kan worden afgeleverd voor afloop van de eerste schorsingstermijn. Omdat het advies van het VECK een belangrijk onderdeel vormt in de handhaving worden de beslissingen van 10 en 21 november 2022 verlengd. Hetzelfde doet zich voor op 19 januari 2023 voor de overige opvanglocaties, met verlenging tot 28 februari
- 3.
- Op 25 januari 2023 wordt een stopzettingsformulier bij het agentschap ingediend door de organistoren van de opvanglocaties Mippie en Moppie zonder nummer en
- Op 27 januari 2023 volgt nog een stopzettings- formulier voor de opvanglocatie Mippie en Moppie
- Met ingang van 1 februari 2023 beslist het agentschap tot opheffing van de vergunning van de opvanglocatie Mippie en Moppie 2, na stopzetting. XIV-39.189-3/11 3.
- Op 30 januari 2023 behandelt de adviescommissie WVG de ingediende bezwaren. Het bezwaar betreffende de opvanglocaties Mippie en Moppie zonder nummer, 2 en 4 wordt zonder voorwerp verklaard. Het bezwaar t.a.v. de opvanglocaties Mippie en Moppie 5 en 6 wordt gegrond verklaard. 3.
- Op 14 februari 2023 vindt een gesprek plaats tussen het agentschap en tweede verzoeker naar aanleiding van de tussengekomen risicotaxatie door het VECK van de opvanggroep Mippie en Moppie. Er wordt een negatief advies verleend. Luidens artikel 22, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2003 ‘betreffende de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en gezin en (kandidaat-)pleegzorgers’ wordt de definitieve beslissing in dat geval genomen door de bevoegde minister. 3.
- Bij besluit van 27 februari 2023 beslist de verwerende partij dat de bezwaren gericht tegen de bestuurlijke maatregelen van 21 november 2022 wat betreft de opvanglocaties Mippie en Moppie 5 en 6 ongegrond zijn, wordt de vergunning met ingang van 1 maart 2023 opgeheven en worden de subsidies stopgezet vanaf 22 november
- Dit is de bestreden beslissing. IV. Faillissement 4.
- Bij vonnis van 16 mei 2023 wordt de BV Mippie en Moppie, zijnde de eerste verzoekende partij, door de Nederlandstalige ondernemings- rechtbank te Brussel in staat van faillissement verklaard en wordt advocaat Jens Vrebos ( hierna: de curator) aangesteld als curator over het faillissement. 4.
- Bij brief van 3 juli 2023 verklaart de curator met toepassing van artikel 58 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van XIV-39.189-4/11 de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak voor de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling), het geding te hernemen voor de BV Mippie en Moppie. V. Ontvankelijkheid van de vordering
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zou alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VI. De schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII. Spoedeisendheid Standpunt van de verzoekende partijen
- De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift aan dat zij de organisatoren van kinderopvanglocaties zijn en dat door de bestreden beslissing hun vergunningen worden opgeheven vanaf 1 maart 2023 alsook hun subsidies worden stopgezet vanaf 22 november
- Zij benadrukken vooreerst dat de bestreden beslissing niet alleen een aanzienlijke impact heeft op hun carrièremogelijkheden, maar eveneens een impact heeft op de werknemers die zij tewerkstellen, alsook op de XIV-39.189-5/11 ouders wier kinderen in de kinderopvanglocaties worden opgevangen. Daarnaast wijzen zij erop dat hun morele vernedering door de vele media aandacht die aan het dossier wordt gegeven, onterecht verder wordt bestendigd. Zonder schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zijn de gevolgen, naar hun mening, voor hen onherroepelijk, nu de kinderen ondergebracht zullen worden in andere opvanglocaties, de werknemers (die zeer moeilijk te vinden zijn), elders aan de slag zullen gaan en zij, zonder subsidies en vergunning, niet in de mogelijkheid zullen zijn hun functie en uitbating verder te zetten. Tot slot beklemtonen de verzoekende partijen dat de werknemers en de ouders wel bereid zijn enkele maanden, doch niet enkele jaren te wachten, wat de uitkomst van het door hen ingestelde beroep betreft. Beoordeling
- Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
- Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties te willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid XIV-39.189-6/11 “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
- In de mate dat een verzoekende partij een financieel nadeel aanvoert, dient te worden opgemerkt dat het op zich niet volstaat een degelijk nadeel in te roepen, om de behandeling bij spoedeisendheid te verantwoorden. Dit is uitzonderlijk anders, indien bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de omvang van dit financiële nadeel op de situatie van de verzoekende partij een zodanige impact heeft dat zij dit niet kan lijden tot de uitspraak ten gronde. Om de spoedeisendheid aan te tonen, moeten de financiële gevolgen, zo zij concreet zijn aangetoond, in beginsel onomkeerbaar zijn en moet de omvang cq impact van een financieel en economisch nadeel bijgevolg, om een gebeurlijke schorsing te verantwoorden, dermate zijn dat een verzoekende partij de duur die een annulatieprocedure in beslag neemt, niet zal kunnen overbruggen. Het financieel nadeel kan derhalve de spoedeisendheid verantwoorden wanneer het bestaan of voortbestaan zelf of, nog, het financieel evenwicht van een rechtspersoon ernstig in gevaar wordt gebracht en een vernietigingsarrest te laat zou komen. Als de activiteiten van de rechtspersoon zelf op een definitieve of op een moeilijk omkeerbare wijze in gevaar worden gebracht, dan geldt dit als een bijzondere reden. XIV-39.189-7/11 Wat dat betreft kan een verzoekende partij er zich niet toe beperken te stellen dat hij dit nadeel lijdt, zonder enig gegeven te verstrekken omtrent het bestaan en de omvang ervan. De verzoekende partij dient bijgevolg het bewijs aan te brengen, minstens door het voorleggen van concrete argumenten en gegevens en door het toelichten van de te verwachten gevolgen van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en dit alles gestaafd met verifieerbare overtuigingsstukken. De gegevens en stukken moeten de rechter wel toelaten de spoedeisendheid te verifiëren, wat inhoudt dat de verzoekende partij redelijkerwijze aannemelijk dient te maken dat, gelet op de omvang en impact van de te verwachten financiële gevolgen, de vernietigingsprocedure niet kan worden afgewacht. Daarbij mag de Raad van State in beginsel alleen rekening houden met hetgeen in het verzoekschrift tot schorsing of de daarbij gevoegde stukken wordt uiteengezet en gestaafd.
- In zoverre de verzoekende partijen, als organisatoren van de kinderopvanglocaties, hun nadeel koppelen aan de opheffing van de vergunning met ingang van 1 maart 2023 en de stopzetting van de subsidies vanaf 22 november 2022 en bijgevolg in wezen zich beroepen op een financieel nadeel, dient te worden benadrukt dat, hoewel het zich laat verstaan dat de sluiting van de kinderopvanglocatie voor de verzoekende partijen ingrijpende gevolgen heeft op financieel vlak, dan nog is vereist dat de verzoekende partijen, willen zij de spoedeisendheid verantwoorden, concreet aantonen aan de hand van verifieerbare gegevens én stavingstukken dat een vernietigingsarrest onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of om hun belangen veilig te stellen. Een financieel-economisch nadeel verantwoordt immers in de regel niet de spoedeisendheid tenzij de verzoekende partijen concreet kunnen aantonen in een zodanige penurie te zitten dat zij de normale afloop van de annulatieprocedure niet kunnen afwachten, bewijs dat, door de verzoekende partijen niet wordt geleverd. Vermits het hoe dan ook aan de verzoekende partijen toekomt om door middel van overtuigende stukken een globaal en betrouwbaar inzicht te geven van de financiële toestand zodat de Raad van State het door hen aangevoerde financieel nadeel met kennis van zaken kan beoordelen, volstaat de XIV-39.189-8/11 vaststelling dat zij, door het ontbreken van overtuigingsstukken ter zake, verzuimen dienaangaande enig zicht te geven in hun financiële toestand, op een wijze die de Raad van State zou toelaten een getrouw beeld te krijgen van het geclaimde financiële nadeel. Dit klemt des te meer nu bij vonnis van 16 mei 2023 de eerste verzoekende partij door de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank te Brussel in staat van faillissement is verklaard, waardoor op grond van artikel 107 van het besluit van de Vlaamse regering van 9 mei 2014 ‘houdende de procedures voor de aanvraag en de toekenning van de vergunning en de subsidies voor gezinsopvang en groepsopvang van baby's en peuters’ de aan de organisator van de kinderopvang verleende subsidie van rechtswege wordt stopgezet, zodat de reeds ten gevolge van de failliet verklaring op dat punt geleden schade, niet meer ongedaan kan worden gemaakt door de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen.
- In zoverre door de verzoekende partijen wordt gewezen op de aanzienlijke impact door de bestreden beslissing op hun carrièremogelijkheden, op de werknemers die zij tewerkstellen, alsook op de ouders wier kinderen in de kinderopvanglocaties worden opgevangen, volstaat de vaststelling dat, los van het gegeven dat deze loutere beweringen allerminst worden gestaafd door enig concreet overtuigingsstuk, gelet op de sluiting van de kinderopvanglocaties sinds november 2022 en de faillissementsverklaring, die vermeende nadelen zich eveneens reeds hebben voltrokken en evenmin door een gebeurlijke schorsing kunnen worden voorkomen, laat staan ongedaan worden gemaakt, zodat de verzoekende partijen geenszins aantonen dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ook in die aangegeven mate hen het voordeel kan bieden dat nagestreefd wordt.
- In verband met de aangevoerde “morele vernedering” kan worden aangenomen dat de bestreden beslissing de verzoekende partijen onmiskenbaar moreel schaadt. Verzoekende partijen maken evenwel niet aannemelijk dat die morele schade van die aard is dat de bestreden beslissing in XIV-39.189-9/11 afwachting van een uitspraak ten gronde haar in een schadelijke toestand brengt die niet te verdragen valt. Het volstaat immers niet te wijzen op de morele vernedering van de verzoekende partijen die door de vele media aandacht die aan het dossier wordt gegeven, verder wordt bestendigd. Er moet ook worden aangetoond dat het nadeel van die aard en omvang is dat de verzoekende partijen het niet kunnen lijden totdat over de grond van de zaak uitspraak wordt gedaan. Daargelaten de vaststelling dat het nadeel, veroorzaakt door de ruchtbaarheid in de pers, zich reeds heeft voltrokken en een gebeurlijke schorsing dit nadeel bijgevolg niet meer kan voorkomen, maakt het door hen aangevoerde betoog, dat bestaat uit het louter poneren van de bewering dat hun morele vernedering door de vele media aandacht onterecht verder wordt bestendigd, niet aannemelijk dat het aangevoerde moreel nadeel en in het bijzonder de ingeroepen morele vernedering van dien aard is dat een eventueel later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zou kunnen verschaffen.
- Wat voorafgaat leidt tot het besluit dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. XIV-39.189-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negen oktober tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, waarnemend voorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Chantal Bamps XIV-39.189-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.574 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.