id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.590 Rolnummer: A. 236873/IX-10085 Zaak: Arrest 257590 - Hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en occasionele redders - 10/10/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-10-19 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-06-10 13:35 Fiche Arrest nr 257.590 van 10 oktober 2023 Justitie - Hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en occasionele redders Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 257.590 van 10 oktober 2023 in de zaak A. 236.873/IX-10.085 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 22 juli 2022, strekt tot de nietigverklaring van beslissing M-20-3-1134 van de Commissie voor Financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders van 16 juni 2022 waarbij het verzoek van XXXX tot het verkrijgen van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad als onontvankelijk wordt afgewezen. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking nr. 15.012 van 6 september 2022 is het cassatieberoep toelaatbaar verklaard. IX-10.085-1/14 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft gevraagd dat de procedure wordt voortgezet ten einde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 oktober
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Matthieu Generet, die loco advocaat Peter Crispyn verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoekster, politie-inspecteur, is het slachtoffer van een gewelddaad. De betrokken dader wordt bij de afhandeling van de burgerlijke belangen veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan verzoekster bij IX-10.085-2/14 vonnis van 11 mei 2017 van de rechtbank van eerste aanleg te West-Vlaanderen, afdeling Brugge. Verzoekster dient een aanvraag in voor financiële hulp bij de commissie voor Financiële Hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan occasionele redders. Volgens de bestreden beslissing is het verzoekschrift “neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 18 mei 2020”. Op 16 juni 2022 verwerpt de commissie het verzoek. De commissie verwijst naar artikel 31bis, § 1, 4°, van de wet van 1 augustus 1985 ‘houdende fiscale en andere bepalingen’ (“de wet van 1 augustus 1985”) en stelt vast: “In het voorliggend dossier dateert het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 11 mei
- Het verzoekschrift werd evenwel pas op 18 mei 2020 (poststempeldatum 14 mei 2020) bij de Commissie ingediend, d.i. méér dan drie jaar na het arrest.” De commissie overweegt voorts: “Het beginpunt van de vervaltermijn is de dag waarop een handeling gesteld werd of een beslissing uitgesproken, en niet de dag waarop een beslissing kracht van gewijsde bekomen heeft. Dit onderscheid is belangrijk omdat een beslissing principieel pas kracht van gewijsde krijgt wanneer zij niet meer vatbaar is voor een gewoon rechtsmiddel, dit wil zeggen dat de termijn voor het indienen van hoger beroep, het gewoon verzet en de voorziening in cassatie moet afgewacht worden. Bij de berekening van de vervaltermijn voor het neerleggen van een verzoekschrift tot het bekomen van een financiële hulp mag de Commissie geen rekening houden met deze bijkomende termijn. Ten gevolge van de wetswijziging door de wet van 26 maar[t] 2003 was er bij sommige slachtoffers en verzoekers twijfel gerezen over de aanvangsdatum van de driejarige vervaltermijn, hetgeen aanleiding gaf tot een aantal procedures voor de Raad van State. ‘De punten 3° en 4° van de wet worden aldus geherformuleerd om nog duidelijker te maken dat het beginpunt van de vervaltermijn de dag is waarop een handeling gesteld werd of een beslissing uitgesproken, en niet de dag waarop een beslissing kracht van gewijsde bekomen heeft. Deze herformulering zorgt voor meer IX-10.085-3/14 rechtszekerheid en een betere leesbaarheid voor de burger die geen ingewikkelde berekening van de termijn zal moeten maken. Daarnaast werd ook tegemoet[ge]komen aan de door de Raad van State in punt 3.3 geuite bedenkingen doordat opnieuw de term ‘in kracht van gewijsde’ gebruikt wordt, waardoor duidelijk gemaakt wordt dat het vereist is dat er tegen de beslissing van de rechter geen rechtsmiddel meer kan aangewend worden. Het beginpunt van de termijn is dus de dag van de beslissing, maar deze beslissing moet wel in kracht van gewijsde getreden zijn. De term ‘definitief’ wordt behouden om aan te geven dat een eindbeslissing nodig is en dat een tussenbeslissing, behoudens toepassing van 11, d, of van overmacht, niet volstaat. De mogelijkheid om een beroep te doen op een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de burgerlijke belangen om een nieuwe termijn van drie jaar te doen aanvangen (en aldus te voldoen aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden) werd reeds ingevoerd door artikel 4 (5de streepje) van de wet van 17 februari 1997 tot wijziging van de artikelen 30 en 34 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, inzake de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden. Huidige wijziging regelt ingevolge het arrest nr. 196/2006 van het Grondwettelijk Hof bijkomend de situatie van een verzoeker die niet voor de strafrechtelijke weg gekozen heeft. De vereiste van een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de burgerlijke belangen is in die zin niet tegenstrijdig met artikel 33bis van de wet doordat het hier alleen gaat om het vastleggen van het moment waarop een verzoek kan ingediend worden, terwijl artikel 33bis de begroting van de schade door de commissie betreft. Het bedrag van de hulp wordt conform artikel 33, § 1, van de wet naar billijkheid bepaald, hetgeen één der basisbeginselen van de wet uitmaakt ...’ (Parl.St. Kamer 2008- 2009, nr. 2161/001, 35). Verder kan er ook nog bijvoorbeeld verwezen worden naar RvS 6 januari 2009, beschikking nr. 3.715 en RvS 26 januari 2009, beschikking nr. 3.916.” De commissie bespeurt geen overmacht en besluit “om het verzoekschrift als laattijdig en vervolgens als niet-ontvankelijk te beschouwen”. IX-10.085-4/14 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In een eerste middel voert verzoekster de schending aan van artikel 31bis, § 1, 4°, van de wet van 1 augustus
- Verzoekster wijst erop dat luidens dit wetsartikel het verzoek slechts kan worden ingediend, naargelang het geval, na een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de strafvordering of na een in kracht van gewijsde gegane beslissing van de burgerlijke rechtbank over de toerekening van of over de vergoeding van de schade. Aldus kan een verzoek tot het verkrijgen van financiële hulp pas worden ingediend nadat de gerechtelijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, “wat ook logisch is aangezien er tevoren nog rechtsmiddelen mogelijk zijn welke finaal aanleiding kunnen geven tot een andersluidend oordeel”. Een vervaltermijn kan onmogelijk vroeger beginnen lopen dan vanaf het moment waarop wettelijk het verzoek kan worden ingediend op ontvankelijke wijze. Hierbij vestigt verzoekster de aandacht “op het gegeven dat er ‘definitief’ uitspraak moet zijn gedaan, de gerechtelijke uitspraak is inderdaad pas definitief op het moment dat deze kracht van gewijsde heeft bekomen”.
- Door de verwerende partij gewezen op de rechtspraak van de Raad van State met betrekking tot deze rechtsvraag, repliceert verzoekster hierop dat rechtspraak evolutief is en inzichten kunnen veranderen. Vervolgens gaat verzoekster nader in op de door de verwerende partij aangehaalde arresten: het ene is volgens haar niet strijdig met haar zienswijze en in het andere leest zij “een misvatting omtrent de lezing der wettekst”, die ondertussen immers is gewijzigd. IX-10.085-5/14 Beoordeling
- Artikel 31bis, § 1, 4°, van de wet van 1 augustus 1985 luidt: “Indien de dader bekend is, moet de verzoeker schadevergoeding nastreven door middel van een burgerlijke partijstelling, een rechtstreekse dagvaarding of een vordering voor een burgerlijke rechtbank. Het verzoek kan slechts worden ingediend, naargelang het geval, na een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de strafvordering of na een in kracht van gewijsde gegane beslissing van de burgerlijke rechtbank over de toerekening van of over de vergoeding van de schade. Het verzoek is binnen drie jaar ingediend. De termijn loopt, naargelang het geval, vanaf de dag waarop er definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing door een onderzoeks- of vonnisgerecht, de dag waarop een strafrechtbank bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing uitspraak heeft gedaan over de burgerlijke belangen na de beslissing over de strafvordering, of de dag waarop uitspraak is gedaan door een burgerlijke rechtbank bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de toerekening van of over de vergoeding van de schade.”
- Het middel is gericht tegen de bestreden beslissing, in zoverre ze de dag van uitspraak van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te West-Vlaanderen, afdeling Brugge over de burgerlijke belangen – zijnde 11 mei 2017 – als uitgangspunt neemt voor de termijn van drie jaar, bedoeld in artikel 31bis, § 1, 4°, derde lid, van de wet van 1 augustus
- Deze wetsbepaling is reeds meermaals gewijzigd, precies omdat ze aanleiding gaf tot misvattingen over het aanvangspunt van de vervaltermijn. In haar huidige versie, zoals gewijzigd bij wet van 30 december 2009 en van toepassing op de voorliggende zaak, heeft de bepaling in kwestie het over “de dag waarop er definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing door een onderzoeks- of vonnisgerecht, de dag waarop een strafrechtbank bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing uitspraak heeft gedaan over de burgerlijke belangen na de beslissing over de strafvordering, of de dag waarop uitspraak is gedaan door een IX-10.085-6/14 burgerlijke rechtbank bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de toerekening van of over de vergoeding van de schade”. Leent deze omschrijving zich, wegens de onduidelijke formulering ervan, tot dubbelzinnigheid over de precieze draagwijdte, dan neemt de bedoeling van de wetgever alle twijfel weg. In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat de wet van 30 december 2009 ‘houdende diverse bepalingen betreffende Justitie (II)’ is geworden, wordt immers de volgende verduidelijking verschaft omtrent de aanvangsdatum van de driejarige vervaltermijn (Parl.St. Kamer 2008-2009, nr. 2161/1, 35; de Raad cursiveert): “Ten gevolge van de wetswijziging door de wet van 26 maart 2003 is er bij sommige slachtoffers en verzoekers twijfel gerezen over de aanvangsdatum van de driejarige vervaltermijn. De punten 3° en 4° van de wet worden aldus geherformuleerd om nog duidelijker te maken dat het beginpunt van de vervaltermijn de dag is waarop een handeling gesteld werd of een beslissing uitgesproken, en niet de dag waarop een beslissing kracht van gewijsde bekomen heeft. Deze herformulering zorgt voor meer rechtszekerheid en een betere leesbaarheid voor de burger die geen ingewikkelde berekening van de termijn zal moeten maken. Daarnaast werd ook tegemoetgekomen aan de door de Raad van State in punt 3.3 geuite bedenkingen doordat opnieuw de term ‘in kracht van gewijsde’ gebruikt wordt, waardoor duidelijk gemaakt wordt dat het vereist is dat er tegen de beslissing van de rechter geen rechtsmiddel meer kan aangewend worden. Het beginpunt van de termijn is dus de dag van de beslissing, maar deze beslissing moet wel in kracht van gewijsde getreden zijn. De term ‘definitief’ wordt behouden om aan te geven dat een eindbeslissing nodig is en dat een tussenbeslissing, behoudens toepassing van 11, d, of van overmacht niet volstaat.”
- De commissie schendt niet artikel 31bis, § 1, 4°, van de wet van 1 augustus 1985 door in de bestreden beslissing als beginpunt van de vervaltermijn de dag te nemen waarop het relevante vonnis uitgesproken werd en niet de dag waarop een beslissing in kracht van gewijsde gaat.
- Het middel faalt naar recht. IX-10.085-7/14 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in het tweede middel de schending aan “van artikel 31bis, § 1, in globo en meer bepaald het 5° van de wet van 01 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen” en schending “van het algemeen rechtsbeginsel dat de strengheid van de wet wordt verzacht ingeval van overmacht of onoverkomelijke dwaling”. Zij betoogt: “Bij de tussenkomst van het slachtofferfonds is het subsidiair karakter van de tussenkomst van het Fonds essentieel. Er mogen geen andere mogelijkheden zijn om een afdoende vergoeding van de schade te verkrijgen. Het slachtoffer moet volgens de wet (art 31bis § 1, 5° Wet 1/08/1985) éérst beroep doen op de traditionele middelen om schadevergoeding te bekomen. Strikt genomen was de insolvabiliteit van betrokkene nog niet vaststaand ook gelet de lopende procedure collectieve schuldenregeling en het hoger beroep van verzoeker bij het Arbeidshof tegen het vonnis arbeidsrechtbank zodat er sprake is van overmacht en het verzoek sowieso niet eerder kon worden ingezonden. Overmacht is [een] algemeen rechtsbeginsel dat impliceert dat de strengheid van de wet wordt verzacht (cf. arrest Raad van State nr. 250.243 van 27 april 2021, randnummer 25). Gelet op de stappen welke verzoeker heeft gezet om tot invordering van haar schade te komen bij de verantwoordelijke zelf moet worden vastgesteld dat: -zij aanvankelijk na opstart van de procedure collectieve schuldenregeling een aangifte schuldvordering heeft ingediend met als gevolg een voorstel van minnelijke aanzuiveringsregeling (gehomologeerd door de arbeidsrechtbank tegen haar verzet in) waarbij er na einde csr een verval van het saldo van haar vordering was en zij slechts een beperkt deel ging recupereren. -zij finaal in dat kader hoger beroep aantekende bij het Arbeidshof dat pas bij arrest van december 2020 in haar voordeel besliste en ten gevolge waarvan een nieuw voorstel tot minnelijke aanzuiveringsregeling werd opgesteld. Evenwel had verzoeker op zijn minst tot op het moment van de minnelijke aanzuiveringsregeling geen enkele indicatie of er al dan niet via de collectieve schuldenregeling integrale betaling van haar schade ging volgen. IX-10.085-8/14 Deze aanzuiveringsregeling (de eerste) dateert van 24 januari 2019 (zie vonnis arbeidsrechtbank, eerste blz), het vonnis arbeidsrechtbank dateert van 13 februari 2020 en na hoger beroep door verzoeker dateert het arrest Arbeidshof van 1 december
- Pas hierna heeft de schuldbemiddelaar een nieuw regelingsvoorstel overgemaakt hetwelk pas bij vonnis van 14 juli 2022 is gehomologeerd (stuk 6). In deze omstandigheden en de globale onduidelijkheid of via de betrokken verantwoordelijke finaal al dan niet volledige vergoeding van de schade zal worden bekomen en gelet het gegeven dat het beroep op het fonds een subsidiair karakter kent en gelet overmacht een algemeen rechtsbeginsel is dat impliceert dat de strengheid van de wet wordt verzacht moet in deze worden vastgesteld dat de commissie in strijd met dit algemeen rechtsbeginsel en in strijd met het beginsel van het subsidiair karakter van het beroep op het Fonds (uitgedrukt in art. 31bis, § 1, in globo en meer bepaald het 5° van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, welk artikel aldus is geschonden) het beroep van verzoeker op het begrip overmacht heeft verworpen en het verzoek om financiële hulp onterecht als onontvankelijk heeft afgewezen wegens laattijdig. Alwaar immers met respect voor het algemeen rechtsbeginsel overmacht moet worden aanvaard/ingezien dat verzoeker in dit concrete geval maximaal poogde vergoeding te bekomen van de verantwoordelijke zelf ipv beroep te moeten doen op de middelen van het Fonds derwijze de gestrengheid van de wet dient te worden gemilderd, alwaar de wet aldus zou moeten worden geïnterpreteerd en toegepast zoals de Commissie dat doet, meer bepaald dat het beginpunt van de vervaltermijn de dag is van de gerechtelijke beslissing en niet de latere datum waarop deze kracht van gewijsde heeft bekomen. Alwaar immers om dezelfde reden met respect voor art. 31bis, § 1, in globo en meer bepaald het 5° van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen het subsidiaire karakter van het beroep op het Fonds moet worden erkend en aldus voorzeker overmacht moet worden aanvaard zoals hiervoor gesteld.” Beoordeling
- Het middel is gericht tegen de bestreden beslissing, in zoverre ze overweegt wat volgt: “Bij schriftelijke reactie d.d. 8 maart 2022 laat de raadsman van verzoekster weten dat: […] Daar komt bij dat inzake de tussenkomst van het slachtofferfonds het subsidiair karakter van de tussenkomst van het Fonds essentieel is. Er mogen geen andere mogelijkheden zijn om een afdoende vergoeding van de schade te verkrijgen. het slachtoffer IX-10.085-9/14 moet volgens de wet (artikel 31bis § 1 5° van de wet van 1/08/1985) eerst beroep doen op de traditionele middelen om schadevergoeding te bekomen. Strikt genomen was de insolvabiliteit van betrokkene nog niet vaststaand ook gelet op de lopende procedure collectieve schuldenregeling en het hoger beroep van verzoeker bij het Arbeidshof tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank zodat er sprake is van overmacht en het verzoek sowieso niet eerder kon worden ingezonden. […] Met betrekking tot de bovenstaande reactie van de raadsman van verzoekster is de Commissie de mening toegedaan dat de ingeroepen argumenten ontoereikend zijn opdat er sprake zou zijn van overmacht.”
- Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’ moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder ‘cassatiemiddel’ moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder ‘uiteenzetting’ van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak wordt miskend. Het middel dat de schending aanvoert van een wetsbepaling “in globo” geeft geen voldoende omschrijving van de geschonden rechtsregel en is niet ontvankelijk. 14.
- De Raad van State mag als cassatierechter niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de bodemrechter overdoen. Hij mag enkel nagaan of de hem voorgelegde beslissing overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State treedt de afdeling Bestuursrechtspraak in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. De beoordeling of er al dan niet sprake is van een geval van overmacht die de laattijdigheid van het beroep bij de bodemrechter kan verschonen, behoort tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de IX-10.085-10/14 bodemrechter. De bodemrechter beoordeelt of de aangevoerde feitelijke omstandigheden een geval van overmacht uitmaken. Voor zover het middel blijkens zijn toelichting de Raad van State noopt tot het in tweede instantie overdoen van de feitelijke beoordeling van de commissie over een al of niet voorhanden zijn van een overmachtssituatie, is het onontvankelijk. 14.
- De Raad van State gaat als cassatierechter desgevraagd enkel na of die rechter uit de feiten en omstandigheden die hij in aanmerking neemt, al dan niet wettig overmacht heeft kunnen afleiden. Overmacht die de ontvankelijkheid verantwoordt van een laattijdig ingesteld verzoek bij de commissie, kan alleen voortvloeien uit een omstandigheid buiten de wil van eiseres in cassatie en die door haar onmogelijk kon worden voorzien of vermeden. Voor zover verzoekster aanvoert dat de bodemrechter het begrip ‘overmacht’ miskent, laat zij na in haar uiteenzetting bij het middel toe te lichten waarom de bodemrechter het begrip ‘overmacht’ miskent door de omstandigheid die zij aanvoert van een “lopende procedure collectieve schuldenregeling en het hoger beroep van verzoek[st]er bij het Arbeidshof” in aanmerking te nemen zonder overmacht te aanvaarden. In zoverre is het middel onontvankelijk.
- Artikel 31bis, § 1, 5°, van de wet van 1 augustus 1985 luidt: “De schade kan niet afdoende worden hersteld door de dader of de burgerlijk aansprakelijke partij, op grond van een stelsel van sociale zekerheid of een private verzekering, noch op enige andere manier.” Deze bepaling laat de termijn, bedoeld in artikel 31bis, § 1, 4°, derde lid, of de aanvang ervan, als bedoeld in artikel 31bis, § 1, 4°, vierde lid, van dezelfde wet onverlet. IX-10.085-11/14 In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- In haar memorie van wederantwoord refereert verzoekster, weliswaar onder een betoog over de ontvankelijkheid van het middel, naar een arrest van het Grondwettelijk Hof (arrest 164/2014 van 6 november 2014). Uit de leer van dat arrest leidt zij af dat de uitsluiting van de categorie van personen die de tenuitvoerlegging nastreven en uitsluitsel zoeken omtrent de solvabiliteit van de dader alvorens een verzoek in te dienen van de toepassing van artikel 31bis, § 1, 6°, van de wet van 1 augustus 1985 in voorkomend geval een ongeoorloofde schending is van het gelijkheidsbeginsel gelezen in samenhang met het recht op toegang tot de rechter (artikel 6 EVRM). Daargelaten of verzoekster met dit betoog de schending beoogt aan te voeren van artikel 31bis, § 1, 6°, van de wet van 1 augustus 1985, al dan niet in samenhang met het gelijkheidsbeginsel of artikel 6 EVRM, volstaat het om vast te stellen dat zij die grief niet heeft aangevoerd in het inleidend verzoekschrift, noch overigens in de bodemprocedure. Het middel is in die mate nieuw en onontvankelijk.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-10.085-12/14
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.085-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien oktober tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-10.085-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.590 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div