← België

Arrest 257591 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 10/10/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.591 Rolnummer: A. 235580/IX-9999 Zaak: Arrest 257591 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 10/10/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-10-19 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-06-10 13:35 Fiche Arrest nr 257.591 van 10 oktober 2023 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten Voortzetting Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 257.591 van 10 oktober 2023 in de zaak A. 235.580/IX-9999 In zake: Janique MARCELIS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sabien Lust kantoor houdend te 8310 Brugge Akkerstraat 17 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 8 Brussel bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2630 Aartselaar Groenenhoek 61 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 27 januari 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de algemeen directeur van scholengroep 8 van het Gemeenschapsonderwijs van 23 november 2021 om Janique Marcelis “definitief” over te plaatsen in het belang van de dienst “voor een voltijdse opdracht als opvoeder met behoud van weddeschaal ‘opvoeder ssc 106’”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-9999-1/16 Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 oktober
  3. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij, advocaat Sabien Lust, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Matthieu Generet, die loco advocaten Marc Stommels en Jan Fransen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoekster is sinds 1992 vast benoemd als ondersteunend personeel-opvoeder bij het atheneum Ukkel, onderwijsinstelling die behoort tot scholengroep 8 van het Gemeenschapsonderwijs. IX-9999-2/16 3.
  6. Aan het einde van het schooljaar 2018-2019 treedt verzoekster weer in dienst aan het atheneum Ukkel na een lange periode van afwezigheid wegens ziekte. Eén en ander verloopt daarbij nogal conflictueus. Verzoekster formuleert op 9 augustus 2019 bij de externe preventiedienst Mensura een verzoek tot formele psychosociale interventie wegens pesterijen ten aanzien van haar directeur KH. Op 19 december 2019 stuurt een aantal personeelsleden van het atheneum een brief aan de voorzitter van de raad van bestuur, de directeur en de algemeen directeur van de scholengroep over de verstoorde relatie tussen verzoekster en directeur KH, met de stelling dat de houding van verzoekster het samenwerken zeer onaangenaam maakt en dat het “beter [lijkt] dat zij een andere job krijgt/zoekt”. Op 26 december 2019 stelt Mensura een “advies aan de werkgever” op over verzoeksters vraag tot interventie. Mensura stelt bij verzoekster “gebrek aan inzicht in gedrag en functioneren” vast, versterkt door de verschillende wissels in directie binnen de school en het ontbreken van functioneringsgesprekken. Het verslag bespreekt als individuele preventiemaatregel twee opties: verzoekster “blijft werkzaam binnen K.A. Ukkel” of verzoekster “werkt in een andere school”. Op 13 januari 2020 bespreekt de algemeen directeur het verslag van Mensura met directeur KH, die stelt “dat een mogelijk herintrede van [verzoekster] in de eigen school een onhaalbare kaart is”. Met verzoekster vindt op 27 januari 2020 een gesprek plaats over dit verslag en de brief van 19 december
  7. Op 17 maart 2020 wordt verzoekster gehoord over de voorgenomen overplaatsing naar het atheneum Anderlecht. IX-9999-3/16 De betrokken directeurs verlenen een gunstig advies voor de overplaatsing. 3.
  8. Verzoekster wordt bij beslissing van de algemeen directeur van scholengroep 8 van 27 maart 2020 overgeplaatst in het belang van de dienst naar het atheneum Anderlecht, met ingang van 20 april
  9. 3.
  10. Bij arrest nr. 251.877 van 19 oktober 2021 vernietigt de Raad van State de voormelde ordemaatregel. De Raad verwerpt de acht tegen deze beslissing aangevoerde middelen, behalve het zesde middel doch slechts in zoverre daarin de schending wordt aangevoerd van artikel 14 van het besluit van de Vlaamse regering van 22 mei 1991 ‘omtrent de evaluatie, maatregelen van orde en tucht in het gemeenschapsonderwijs’ (“tuchtbesluit”) dat de overplaatsing waarborgt “met behoud van de administratieve en geldelijke toestand van het betrokken personeelslid”. De Raad overweegt in dat verband meer bepaald: “
  11. Luidens artikel 14, § 1, tweede lid, van het tuchtbesluit geschiedt de overplaatsing ‘met behoud van de administratieve en geldelijke toestand van het betrokken personeelslid’. Al in het inleidend verzoekschrift voert verzoekster aan dat zij in haar nieuwe functie minder zal verdienen. De verwerende partij, waarvan verzoekster terecht opmerkt dat zij het best geplaatst is om de correcte informatie te verschaffen, gaat hierop in de memorie van antwoord niet concreet in. Zij verwijt verzoekster enkel ‘eigen veronderstellingen’ te maken. Ook in haar laatste memorie gaat de verwerende partij niet in op het middel en weerspreekt zij aldus niet de vaststelling, te lezen in het auditoraatsverslag, dat uit de ‘door verzoekster bij haar memorie van wederantwoord gevoegde loonfiches (…) een loonverlies blijkt’. Dit betekent dat de Raad van State het moet stellen met de informatie die verzoekster hem heeft voorgelegd: stuk 15 bij het inleidend verzoekschrift en de loonfiches bij de memorie van wederantwoord. Die informatie spoort met wat verzoekster aanvoert, namelijk dat zij in haar nieuwe functie er financieel op achteruitgaat. Daarenboven heeft de verwerende partij evenmin de stelling van verzoekster gelogenstraft, dat binnen de scholengroep twee andere, door IX-9999-4/16 verzoekster met naam en plaats genoemde functies beschikbaar waren die voor haar als overplaatsing in aanmerking kwamen en waar zij geen weddeverlies zou lijden. Ook die bewering kan de Raad niet verifiëren, maar het is opvallend dat ze zonder enig weerwerk blijft van de verwerende partij. Die vaststellingen leiden ertoe dat de Raad, bij gebrek aan medewerking van de verwerende partij en gelet op de stukken van verzoekster, moet aannemen dat artikel 14, § 1, tweede lid, van het tuchtbesluit is geschonden.
  12. Het middel is in de hiervóór aangegeven mate gegrond. De op deze grond hierna uit te spreken nietigverklaring verplicht de verwerende partij ertoe minstens en welbepaald de overplaatsing naar het atheneum Anderlecht aan een nieuw onderzoek te onderwerpen.” 3.
  13. Op 23 november 2021 beslist de algemeen directeur met de thans bestreden beslissing verzoekster “definitief over te plaatsen in het belang van de dienst naar het GO! atheneum Anderlecht voor een voltijdse opdracht als opvoeder met behoud van weddeschaal ‘opvoeder ssc 106’”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
  14. In de memorie van antwoord betwist de verwerende partij het belang van verzoekster: “Verzoekster beperkt haar belang in het verzoekschrift tot een materieel nadeel dat zij omschrijft als loonverlies en het verlies van een recht om 272 overuren te recupereren. De bestreden beslissing voorziet uitdrukkelijk in het behoud van de weddenschaal. Indien er al overuren gerecupereerd zouden moeten worden, is het verlies ervan niet het gevolg van de bestreden beslissing, welke zich hierover niet uitspreekt.” De verwerende partij betwist eveneens het moreel belang van verzoekster. Derden hebben geen weet van de redenen die tot de overplaatsing hebben geleid. Voor hen betreft het enkel een ordemaatregel, die niet noodzakelijk is gestoeld op het laakbaar gedrag van de persoon die overgeplaatst IX-9999-5/16 wordt. Verzoekster ondervindt geen aanpassingsmoeilijkheden, minstens toont zij dat niet aan.
  15. In de memorie van wederantwoord verwijst verzoekster nogmaals naar het loonverlies en “het verlies van het recht om 272 gepresteerde overuren te recupereren”. Daarenboven zal zij elke werkdag tot aan haar pensionering in 2037 meer kilometers moeten afleggen dan noodzakelijk en meer tijd in het verkeer doorbrengen dan noodzakelijk. De maatregel tot overplaatsing kan voorts niet anders geïnterpreteerd worden dan als een zeer ernstige blamage aan het adres van verzoekster. De reputatieschade beperkt zich niet alleen tot de collega’s van Ukkel. Het administratief dossier van een personeelslid gaat mee naar de nieuwe school. Bijgevolg is de inhoud ervan bekend bij de nieuwe directie en de verantwoordelijke voor de personeelsadministratie.
  16. In het auditoraatsverslag wordt besloten tot de onontvankelijkheid van het beroep. Vastgesteld wordt dat de thans bestreden beslissing geen volkomen “nieuwe” beslissing is, maar dat ze louter ertoe strekt een door de Raad van State vastgestelde onwettigheid op het vlak van het weddeverlies te herstellen. De bestreden beslissing voorziet uitdrukkelijk in het behoud van de weddeschaal zodat verzoekster ten gevolge van deze beslissing geen weddeverlies lijdt. De overige aangevoerde onwettigheden tegen de beslissing van 27 maart 2020 tot overplaatsing zijn onderzocht in arrest nr. 251.877 van 19 oktober 2021 en alle ongegrond bevonden. Het morele nadeel dat verzoekster zou lijden door de overplaatsing op zich, kan verzoekster thans niet meer aanvoeren aangezien de Raad van State de onwettigheden tegen de overplaatsing in zijn arrest nr. 251.877 van 19 oktober 2021 heeft onderzocht en ongegrond bevonden.
  17. In haar laatste memorie stelt verzoekster het niet eens te zijn met deze zienswijze. De beslissing van 23 november 2021 kan volgens haar IX-9999-6/16 “juridisch niet anders worden gekwalificeerd dan als een nieuwe beslissing, die voor verzoekster als belanghebbende partij aanvechtbaar is voor de Raad van State in al haar onderdelen”. Zij gaat vervolgens uitvoerig in op het morele nadeel. Zij ziet voorts geen bezwaar om de middelen die zij in de vorige zaak had aangevoerd en die de Raad verwierp als ongegrond of onontvankelijk, thans opnieuw te doen gelden omdat het immers om een nieuwe beslissing gaat. Bovendien worden in het verzoekschrift ook middelen aangebracht die specifiek betrekking hebben op de nieuwe beslissing en niet ook betrokken kunnen worden op de beslissing van 27 maart
  18. Verzoekster verwijst in het bijzonder naar haar derde middel. Beoordeling
  19. De beslissing tot overplaatsing van 27 maart 2020 is ingevolge ’s Raads arrest nr. 251.877 van 19 oktober 2021 met terugwerkende kracht uit het rechtsverkeer verdwenen. Op de verwerende partij rust geen verplichting om vervolgens opnieuw een beslissing te nemen. Zij had om haar moverende redenen mogen stilzitten, niets doen, en aldus vaststellen dat verzoekster geacht moest worden nooit overgeplaatst te zijn geweest en daarnaar handelen in haar relatie met verzoekster. Zij heeft evenwel ervoor geopteerd om opnieuw tot de overplaatsing van verzoekster te besluiten. IX-9999-7/16 Dat is een nieuwe wilsuiting van de verwerende partij, die de rechtstoestand van verzoekster nadelig beïnvloedt – minstens op moreel vlak. Verzoekster heeft bijgevolg in beginsel belang erbij om ook die nieuwe beslissing tot overplaatsing uit het rechtsverkeer verwijderd te zien worden. Dat moreel belang bij het beroep volstaat, zodat de argumenten met betrekking tot het materieel nadeel geen onderzoek behoeven. In zoverre is de exceptie van de verwerende partij ongegrond.
  20. Het auditoraat leidt de onontvankelijkheid van het beroep ook af uit een toets aan de aangevoerde middelen waarover de Raad uitspraak heeft gedaan bij arrest nr. 251.877 van 19 oktober 2021: één middel is er deels gegrond bevonden en die vernietigingsgrond heeft de thans bestreden beslissing verholpen en de overige, thans hernomen middelen zijn alle door de Raad onderzocht en verworpen. Verzoekster betwist die zienswijze. 10.
  21. Een vernietigingsarrest zoals is gewezen op 19 oktober 2021 tussen de huidige partijen, plaatst die partijen niet verder terug in de procedure dan op het punt waarop de in het arrest vastgestelde onwettigheid werd begaan. Verder teruggaan in de procedure of nieuwe elementen bij de zaak betrekken is weliswaar mogelijk, op voorwaarde dat het bestuur daarvoor deugdelijke redenen heeft. Dat een vernietigde handeling geacht wordt nooit te hebben bestaan betekent voorts niet dat ook de voorbereidende handelingen waarvan niet is vastgesteld dat ze onregelmatig zouden zijn, evenmin geacht worden nooit te hebben bestaan. Ze blijven integendeel bestaan, zodat de overheid ze in principe niet moet hernemen en dus kan beslissen om de procedure te hernemen vanaf het punt waar het volgens het vernietigingsarrest is misgelopen. 10.
  22. De verwerende partij heeft na de nietigverklaring van de beslissing tot overplaatsing van 27 maart 2020 bij arrest nr. 251.877 van 19 IX-9999-8/16 oktober 2021 de procedure hernomen. Zij heeft evenwel die procedure niet integraal en ab ovo opnieuw doorlopen en heroverwogen: er is geen nieuw onderzoek naar de feiten gedaan, de externe preventiedienst is niet opnieuw om advies gevraagd, getuigen zijn niet opnieuw gehoord, de vroegere vaststellingen, verhoren en adviezen blijven onderdeel van het dossier. Ook verzoekster is niet opnieuw opgeroepen en gehoord. Aan de motieven waarop de overplaatsing steunt, is niets gewijzigd. Aldus heeft de verwerende partij de procedure effectief voortgezet vanaf het ogenblik waarop het volgens voormeld arrest fout was gelopen op het einde van de procedure, namelijk bij de vaststelling dat de overplaatsing niet aantoonbaar is gebeurd in een betrekking met inachtneming van artikel 14, § 1, tweede lid, van het tuchtbesluit, wat het behoud betreft van verzoeksters geldelijke toestand. Dat is ook met zoveel woorden te lezen in de beslissing, waar de algemeen directeur overweegt: “In het kader van het rechtsherstel wordt het beslissingspad hernomen op het moment waar het is foutgelopen, in casu de concrete toewijzing van de weddeschaal van de opdracht binnen de school waarnaar mevrouw Marcelis wordt overgeplaatst.” Nog anders geformuleerd: al de vroegere handelingen die de verwerende partij heeft gesteld en al de voorbereidende beslissingen die zij heeft genomen op haar “beslissingspad”, heeft zij bij haar nieuwe besluitvorming ongemoeid gelaten. De volgehouden wens om verzoekster over te plaatsen is op geen enkele wijze gepaard gegaan met een inhoudelijke heroverweging van het dossier. 10.
  23. Met de thans bestreden beslissing beoogt de verwerende partij bijgevolg niet méér, dan aan verzoekster rechtsherstel te verlenen voor de in het voormelde arrest van de Raad van State vastgestelde onwettigheid. Anders dan verzoekster aanneemt, is de thans bestreden beslissing aldus geen volkomen IX-9999-9/16 “nieuwe” beslissing, met een andere rechtsgrondslag dan de oorspronkelijke beslissing tot overplaatsing van 27 maart 2020, maar strekt ze er louter toe een door de Raad van State vastgestelde onwettigheid van die eerder genomen beslissing te verhelpen. 10.
  24. Gewis mag verzoekster die beslissing van 23 november 2021 aanvechten, zoals hiervóór sub 8 al is aangenomen. Zij vergist zich evenwel, waar zij betoogt dat zij op ontvankelijke wijze daartegen alle middelen mag aanvoeren. Op de overplaatsing zelf wordt immers niet teruggekomen; enkel voegt zich daaraan thans uitdrukkelijk een beslissing over de weddeschaal toe. De verwerende partij heeft met de thans bestreden beslissing weliswaar haar wil tot overplaatsing van verzoekster bevestigd, maar zij heeft over de overplaatsing zelf geen enkele inhoudelijke keuze meer gemaakt en zich beperkt tot het herstel van de vastgestelde tekortkoming aan het einde van de procedure bij het vaststellen van de geldelijke toestand van verzoekster.
  25. Ingevolge de retroactieve werking van het vorige arrest zag de verwerende partij zich teruggeplaatst in de situatie zoals die aan haar voorlag op 27 maart
  26. Zij mocht daarenboven vaststellen dat alle wettigheidskritiek die verzoekster had aangevoerd tegen de aan haar beslissing van 27 maart 2020 voorafgaande handelingen was onderzocht en bij arrest nr. 251.877 van 19 oktober 2021 was verworpen, zodat verzoekster de onregelmatigheid van die voorafgaande handelingen niet had aangetoond. Zij mocht er bijgevolg van uitgaan dat niet de procedurehandelingen die aan de overplaatsing voorafgingen onregelmatig waren, maar alleen deze overplaatsing zelf in zoverre niet was aangetoond dat ze gepaard ging met de waarborg van het behoud van verzoeksters geldelijke toestand. Hieruit volgt dat zij mocht aannemen dat de procedure die de vernietigde ordemaatregel voorafging, geldig bleef. IX-9999-10/16 12.
  27. In een eerste middel voert verzoekster de schending aan van de hoorplicht en van “het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur de bestuurde de mogelijkheid te bieden op nuttige wijze zijn standpunt uiteen te zetten”. Luidens een eerste middelonderdeel zijn deze beginselen geschonden omdat de feiten die haar ten laste werden gelegd niet zijn geconcretiseerd in de oproepingsbrief waarbij verzoekster werd uitgenodigd voor de hoorzitting in het kader van de ordemaatregel. In een tweede middelonderdeel betoogt verzoekster dat de personeelsdirecteur van de scholengroep niet aanwezig mocht zijn op de hoorzitting. 12.
  28. In de procedure die heeft geleid tot arrest nr. 251.877 heeft verzoekster deze kritiek eveneens aangevoerd in het kader van het toenmalige derde middel. De grief die thans het eerste onderdeel vormt van het eerste middel, werd door de Raad verworpen omdat “het om een nieuwe invulling van haar middel [gaat], wat [verzoekster] buiten de verjaringstermijn niet meer op ontvankelijke wijze vermag te doen”. Verzoekster vergist zich, als zij meent dat zij diezelfde kritiek in de huidige procedure opnieuw en op ontvankelijke wijze mag aanvoeren tegen de beslissing van 23 november
  29. Zoals hiervóór is opgemerkt, is verzoekster niet meer opnieuw opgeroepen voor een verhoor en is het dossier waarop de huidige beslissing steunt, geheel ongewijzigd gebleven wat de gegevens betreft die voorafgaan aan de loutere vaststelling van de weddeschaal. Heeft de verwerende partij weliswaar haar wil om verzoekster over te plaatsen opnieuw tot uiting gebracht, dan toch heeft zij inhoudelijk enkel de toewijzing van de weddeschaal uitdrukkelijk heroverwogen. In die bijzondere omstandigheden kan verzoekster geen kritiek ontwikkelen over de eraan voorafgaande handelingen, die zij verzuimde tijdig aan de Raad voor te leggen ten tijde van de eerste procedure. IX-9999-11/16 De grief die thans het tweede onderdeel vormt van het eerste middel betreft feiten die door de Raad van State zijn beoordeeld volgens dezelfde rechtsnormen en als ongegrond verworpen in zijn arrest nr. 251.
  30. Hiermee heeft de Raad zich uitgesproken over de bedoelde rechtsvraag en deze definitief beslecht. Hij kan op zijn vroegere beoordeling niet terugkomen. 12.
  31. Het eerste middel is niet ontvankelijk. 13.
  32. Een tweede middel is geput uit de schending “van de onpartijdigheid van het bestuursorgaan dat de bestreden beslissing heeft genomen i.e. in casu de Algemeen Directeur van Scholengroep 8”. Verzoekster verwijst naar verklaringen van de algemeen directeur op de algemene lerarenvergadering van 11 februari
  33. 13.
  34. Uit de toelichting bij het middel blijkt dat de kritiek van verzoekster in hoofdlijnen overeenkomt met wat zij deed gelden in het vijfde middel van de vorige procedure. In die mate is dit geschilpunt door verzoekster voor de Raad van State aanhangig gemaakt in de vorige zaak en heeft de Raad hierover recht ge-sproken en het middel als ongegrond afgewezen. Het geschilpunt is in het vorige arrest beslecht en er is tussen partijen definitief uitspraak over gedaan. De Raad kan op zijn vroegere beoordeling niet terugkomen. Voor zover verzoekster nieuwe gegevens bij het middel betrekt, moet worden opgemerkt dat zij geen kritiek mag ontwikkelen op de voorafgaande handelingen, die zij verzuimde tijdig aan de Raad voor te leggen ten tijde van de eerste procedure ofschoon zij dat had gekund. Verzoekster voert ten slotte geen feiten aan die dateren van na arrest nr. 251.877 en die een eventuele vooringenomenheid van de algemeen directeur zouden kunnen aantonen. IX-9999-12/16 13.
  35. Het tweede middel is niet ontvankelijk. 14.
  36. In een derde middel voert verzoekster de schending aan “van artikel 58 van het Decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs en van artikel 14 van het Besluit van de Vlaamse Regering omtrent de evaluatie, maatregelen van orde en tucht in het gemeenschapsonderwijs van 22 mei 1991 wegens het gebrek aan een gunstig advies van de betrokken instellingshoofden en het niet behouden van de administratieve en geldelijke toestand van het betrokken personeelslid – schending van de omzendbrief PERS/2009/7, punt 7.1”. In dit middel zet verzoekster uiteen – al dan niet terecht – (eerste onderdeel) dat twee andere functies beschikbaar waren en dat het “vergeefs zoeken [is] naar de redenen waarom beide (of andere) alternatieven niet in aanmerking worden genomen, niettegenstaande deze minder nadelig zijn voor verzoekende partij” en (tweede onderdeel) dat zij nog steeds een financieel nadeel ondervindt van de bestreden maatregel. 14.
  37. Deze kritiek ziet zeer specifiek op de thans bestreden beslissing. Verzoekster kon deze grieven vanzelfsprekend niet aanvoeren tegen de beslissing van 27 maart
  38. De gegrondheid van deze kritiek geeft verzoekster uitzicht op een nietigverklaring van de bestreden beslissing van 23 november 2021 en, bijgevolg, een ongedaan maken van haar overplaatsing, wat het voordeel is dat zij met huidig beroep nastreeft. Wat het eerste en het tweede middelonderdeel van het derde middel betreft, is de opgeworpen exceptie ongegrond. IX-9999-13/16 14.
  39. Verzoekster acht in het derde middelonderdeel omzendbrief PERS/2009/7 geschonden omdat zij “nooit haar akkoord heeft gegeven met een andere school”. Daargelaten of een omzendbrief een rechtsregel omvat, kon verzoekster die kritiek, welke betrekking heeft op de overplaatsing zelf en geen verband houdt met de toegekende weddeschaal, al aanvoeren in de eerste procedure, wat zij heeft verzuimd. Het derde middelonderdeel van het derde middel is onontvankelijk. 15.
  40. Het vierde middel is geput uit de schending van de “Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur m.b.t. het evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel – het redelijkheidsbeginsel en de schending van de materiële motiveringsplicht”. 15.
  41. In de toelichting van het middel gaat verzoekster in op de gevolgen van de overplaatsing. Zij blijft dit evenwel argumenteren op grond van salarisschaal 158, terwijl de thans bestreden beslissing haar net garandeert dat zij haar vroegere weddeschaal behoudt. De gehele argumentatie is een herhaling van en voortbouwen op hetgeen verzoekster al had aangevoerd als vierde middel in de vorige procedure. Om de redenen die hiervóór zijn uiteengezet, kan de Raad zich niet opnieuw hierover uitspreken in de mate waarin hij het al heeft gedaan in zijn arrest nr. 251.877 en is de kritiek laattijdig in de mate waarin ze toentertijd niet tijdig aan de Raad is voorgelegd, ofschoon dat had gekund. 15.
  42. Het vierde middel is niet ontvankelijk. 16.
  43. In het vijfde middel noemt verzoekster de bestreden beslissing een verkapte tuchtmaatregel. 16.
  44. Dit middel spoort met de kritiek van verzoekster in het zevende middel van de vorige procedure. De Raad heeft die kritiek onderzocht en IX-9999-14/16 verworpen in zijn arrest nr. 251.
  45. Er is geen reden om er thans anders over te oordelen. In de mate waarin verzoekster het middel adstrueert met argumenten die de Raad in voormeld arrest verwierp als “laattijdig en bijgevolg onontvankelijk”, vermag zij die kritiek thans evenmin meer ontvankelijk in het debat te brengen. Nieuwe argumenten welke verzoekster specifiek zou koppelen aan handelingen die zijn gesteld vanaf het hernemen van de procedure, ontbreken dan weer. 16.
  46. Het vijfde middel is niet ontvankelijk.
  47. Uit al wat voorafgaat volgt dat verzoekster enkel belang heeft bij de zaak, in zoverre zij aanspraak maakt op een onderzoek van het eerste en het tweede onderdeel van het derde middel. Voor het overige is de ambtshalve door het auditoraat opgeworpen exceptie gegrond.
  48. Tot dat inhoudelijk onderzoek van het eerste en het tweede onderdeel van het derde middel is het auditoraat niet gekomen, zodat een aanvullend onderzoek moet worden bevolen. BESLISSING
  49. De Raad van State heropent het debat.
  50. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het verdere onderzoek van de zaak. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tien oktober tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, IX-9999-15/16 Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9999-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.591 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.214 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.