← België

Arrest 257600 - Tucht (openbaar ambt) - 11/10/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.600 Rolnummer: A. 239652/XIV-39241 Zaak: Arrest 257600 - Tucht (openbaar ambt) - 11/10/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-10-13 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-06-10 13:40 Fiche Arrest nr 257.600 van 11 oktober 2023 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 257.600 van 11 oktober 2023 in de zaak A. 239.652/XIV-39.241 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Walter Van Steenbrugge en Esther Theyskens kantoor houdend te 9030 Mariakerke Durmstraat 29 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : DE POLITIEZONE 5441 ERPE-MERE/LEDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 24 juli 2023, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het politiecollege van de politiezone van Erpe-Mere/Lede van 25 mei 2023 waarbij verzoekers voorlopige schorsing bij ordemaatregel wordt verlengd tot 25 september
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. XIV-39.241-1/13 Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 oktober
  4. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Quinten De Keersmaecker, die loco advocaten Walter Van Steenbrugge en Esther Theyskens verschijnt voor verzoeker, en advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Verzoeker is korpschef van de lokale politiezone Erpe-Mere/Lede (PZ 5441). 3.
  7. Op 25 mei 2021 beslist het politiecollege om verzoeker voorlopig te schorsen zonder inhouding van wedde van 26 mei 2021 tot 25 september
  8. 3.
  9. Op 22 september 2021, 24 januari 2022, 24 mei 2022, 23 september 2022 en 24 januari 2023 beslist het politiecollege de voorlopige schorsing bij ordemaatregel te verlengen voor, respectievelijk een eerste, tweede, XIV-39.241-2/13 derde, vierde en vijfde keer en dit telkens voor een termijn van vier maanden zonder inhouding van wedde. Deze beslissingen maken het voorwerp uit van beroepen tot nietigverklaring. Bij respectievelijk de arresten nr. 252.734 van 21 januari 2022, nr. 253.706 van 10 mei 2022, nr. 255.544 van 20 januari 2023 en nr. 257.380 van 20 september 2023, werden de aangevoerde redenen voor de spoedeisende behandeling van de eerste, de tweede, de vierde en de vijfde verlenging verworpen. Inzake de derde verlenging oordeelde de Raad van State in het arrest nr. 254.920 van 27 oktober 2022 dat, bij gebreke aan (tijdige) betaling van het rolrecht, de vordering tot schorsing als niet verricht moest worden beschouwd. 3.
  10. Op 25 mei 2023 beslist het politiecollege de voorlopige schorsing bij ordemaatregel een zesde keer te verlengen voor een termijn van vier maanden (van 26 mei 2023 tot en met 25 september 2023), zonder inhouding van wedde. Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van de vordering Excepties 4.
  11. De verwerende partij werpt op dat zij geen opmerkingen heeft bij het belang van verzoeker “onverminderd het belang bij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging eens zou moeten [worden] vastgesteld dat de voorlopige schorsing (nagenoeg) volledig is uitgevoerd voorafgaand aan de uitspraak over de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging”, wat het geval is. XIV-39.241-3/13 Beoordeling 4.
  12. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over de opgeworpen exceptie zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Schorsingsvoorwaarden
  13. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. Spoedeisendheid Uiteenzetting in het verzoekschrift
  14. In zijn inleidend verzoekschrift zet verzoeker onder het kopje “De spoedeisendheid” uiteen dat de bestreden beslissing “onherroepelijke schadelijke gevolgen met zich mee[brengt] voor verzoeker”. Hij stelt vooreerst dat zijn mentale welzijn “ernstig en langdurig [wordt] aangetast door de bestreden beslissing” en doet gelden dat “klinisch en forensisch psycholoog [P.B.], die verzoeker grondig onderzocht heeft in het kader van een psychologische expertise, besluit dat verzoeker door onder meer de herhaaldelijke verlengingen van zijn voorlopige schorsing lijdt aan een posttraumatische stressstoornis met mogelijke langetermijngevolgen.” Verzoeker citeert daartoe als volgt uit het psychologisch verslag van 2 februari 2022: XIV-39.241-4/13 “In contrast met bovenstaande hebben de beschuldigingen in de pers, gevolgd door een langdurige schorsing door het politiecollege alsook het niet geïnformeerd zijn over de stand van het gerechtelijk onderzoek een traumatische impact op zijn huidig psychisch functioneren. Intrusieve herinneringen en ruminaties leiden tot chronisch negatieve gemoedstoestanden (angst en boosheid), toegenomen prikkelbaarheid en concentratieproblemen. De aandacht kent geen normaal basisniveau meer waardoor er actueel te weinig sprake is van een ontspannen alertheid met ernstige slaapproblemen als gevolg. De symptomen maken deel uit van een langdurend stresssyndroom en impliceren een ernstige psychische belasting voor [verzoeker], met een drastische afname van de kwaliteit van zijn dagelijks leven. In plaats daarvan is er een verhoogde arousal gekoppeld aan mentale vervlakking (TV kijken als verdoving). Concluderend kunnen we stellen dat er actueel sprake is van een ontwrichting van de psychische status ressorterend onder het PTSS syndroom. De traumatiserende feiten genereren een aanhoudende ontregeling van het stress-verwerkend systeem met mogelijks langetermijngevolgen in het interpersoonlijk contact, de slaap, de stemming en de emoties.” Volgens verzoeker zijn er bijzondere omstandigheden voorhanden die overtuigen dat de ondergane morele schade van die aard is dat een later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal kunnen verschaffen, zodat het resultaat ten gronde niet kan worden afgewacht. Verzoeker doet gelden dat, zoals blijkt uit het aanvullend verslag van klinisch en forensisch psycholoog [P.B.] van 9 juni 2022, (de verlenging van) de voorlopige schorsing van verzoeker rechtstreeks leidt tot een “ernstige breakdown van zijn identiteit”, hetgeen de “gevoelens van waardeloosheid en depressie” teweegbrengt. Om die reden stelt verzoeker dat de schorsing van de bestreden beslissing van cruciaal belang is om zijn mentale schade te herstellen, zelfs indien een eventueel schorsingsarrest pas zou tussenkomen kort voordat het politiecollege een nieuwe beslissing zou nemen aangaande de eventuele verlenging van de voorlopige schorsing van verzoeker. Hij steunt daartoe op de volgende passage uit het aanvullend verslag van [P.B.] dat hij citeert: “De identiteit van [verzoeker] berust quasi volledig op één criterium: politieman zijnde. Identiteit is geen neutraal geheel van persoonskenmerken, maar heeft alles te maken met de normen en waarden die een persoon zich eigen maakt. In het geval van XIV-39.241-5/13 [verzoeker] de normen en de waarden die hij zich als lid van het politiekorps heeft eigen gemaakt. Men kan het een vorm van zelfrealisatie noemen. Zijn fundamentele verhouding tot de ander vindt zijn basis in een samenhangende ideologie verworven als politieman, een geheel van opvattingen over menselijke verhoudingen en hoe die het best te regelen. Zijn schorsing als politieman resulteerde in een ernstige breakdown van zijn identiteit, de identificatie van zichzelf als politieman, deel uitmakend van een groter geheel met dezelfde normen en waarden. De schorsing verwijdert hem uit datgene wat hem het meest definieert en leidt tot gevoelens van waardeloosheid en depressie. Dit impliceert tevens dat een schorsing van de voorlopige schorsing een significant helend effect zal hebben op betrokkene, zelfs als die slechts korte tijd voor de eventuele nieuwe beslissing aangaande de verlenging van zijn voorlopige schorsing zou worden genomen. De opgelopen mentale schade kan hierdoor in belangrijke mate worden weggenomen.” Verzoeker voegt daar nog aan toe dat de schorsing van de bestreden beslissing voor hem op moreel vlak een enorme opsteker zou zijn, bijna twee jaar na de aanvang van zijn voorlopige schorsing. In die gehele periode heeft hij op geen enkel vlak gehoor gekregen van het gerecht in het kader van de diverse démarches die hij heeft ondernomen, waardoor hij kampt met een ernstig gevoel van onrechtvaardigheid en machteloosheid. Verzoeker werpt op dat de “bijzonder ernstige mentale gevolgen van de door de bestreden beslissing voortdurende schorsing van verzoeker, zoals blijkt uit de verslagen van psycholoog [P.B.],” de bijzondere omstandigheid vormt die de schorsing van de bestreden beslissing verantwoorden. Het nuttig effect van een eventueel schorsingsarrest zelfs kort voor de nieuwe beslissing van het politiecollege staat volgens verzoeker vast. Daarnaast doet verzoeker gelden dat het van essentieel belang is dat alle beslissingen van het politiecollege tot de (verlenging van de) voorlopige schorsing uitvoerig in de pers zijn verschenen waarbij tevens foutieve informatie werd verspreid omtrent de ordemaatregel die aan verzoeker werd opgelegd en de juridische draagwijdte ervan waardoor het vermoeden van onschuld manifest werd geschonden. In tegenstelling tot wat de Raad van State voorhield in het arrest van 10 mei 2022 betreffende de tweede verlenging van de voorlopige schorsing van XIV-39.241-6/13 verzoeker, verscheen er volgens verzoeker ook naar aanleiding van die beslissing “een zeer kwalijk artikel in Het Laatste Nieuws”. En in tegenstelling tot wat de bestreden beslissing poneert, is het allerminst zo dat de berichtgeving in de pers “nagenoeg is stilgevallen”: De aanhoudende voorlopige schorsing maakt nog steeds het voorwerp uit “van ronkende berichtgeving in de pers.” Ook in de navolgende periode verschenen er volgens verzoeker “meerdere kwalijke en lasterlijke nieuwsartikelen over verzoeker.” Volgens verzoeker is de foute informatie in de pers wel degelijk (minstens deels) te wijten aan de verwerende partij, wat blijkt uit de timing en de inhoud van de persartikels, in tegenstelling tot wat de Raad van State voorhield in het arrest van 20 januari 2023 betreffende de vierde verlenging van de voorlopige schorsing van verzoeker. Minstens is de totale eenzijdigheid van de berichtgeving te wijten aan het politiecollege, dat de lasterlijke communicatie over zijn beslissingen niet nuanceerde of rechtzette. Deze vernietigende ruchtbaarheid in de pers is volgens verzoeker een bijzondere omstandigheid die neerkomt op “een moeilijk te herstellen nadeel dat de spoedeisendheid van de vordering tot schorsing verantwoordt”. De reputatieschade en uitholling van het moreel gezag van verzoeker die hierdoor worden veroorzaakt, zouden kunnen worden hersteld indien de bestreden beslissing wordt geschorst. Die schorsing zou immers ook in de pers verschijnen en de reputatieschade kunnen herstellen. “Ten overvloede” merkt verzoeker op dat zijn moreel gezag hic et nunc op onherstelbare wijze is uitgehold door de verlenging van de voorlopige schorsing en de persaandacht; als hoogste in rang kan men niet functioneren tenzij men de hoogst mogelijke mate van autoriteit, moreel gezag en vertrouwen geniet. Dit moreel gezag kan men niet terugwinnen door een juridische beslissing jaren na datum. Verder verwijst verzoeker naar rechtspraak om zijn argumentatie te ondersteunen. XIV-39.241-7/13 Tenslotte werpt verzoeker op dat hij niet kan wachten op een vernietigingsarrest, nu hij al bijna twee jaar wacht op een terechtzitting in het kader van zijn annulatieberoep tegen de eerste verlenging van de voorlopige schorsing en de schadelijke gevolgen voor zijn mentaal welzijn en reputatie tegen de einduitspraak in grote mate onomkeerbaar zullen zijn. Beoordeling
  15. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
  16. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). XIV-39.241-8/13 Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. Tot slot moet een schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing ook een nuttig effect hebben. Ze dient verzoeker te behoeden van de gevreesde schade.
  17. De thans bestreden beslissing is, na de beslissingen van 22 september 2021, 24 januari 2022, 24 mei 2022, 23 september 2022 en 24 januari 2023, de zesde beslissing op rij waarmee de aanvankelijk met een beslissing van 25 mei 2021 opgelegde voorlopige schorsing voor een duur van vier maanden zonder inhouding van wedde wordt verlengd voor dezelfde duur. Het gaat dus om de zevende beslissing waarmee deze ordemaatregel wordt opgelegd. De initiële beslissing van 25 mei 2021 heeft verzoeker niet aangevochten en de aangevoerde redenen voor de spoedeisende behandeling van de eerste en de tweede verlenging zijn verworpen door de Raad van State bij respectievelijk de arresten nr. 252.734 van 21 januari 2022 en nr. 253.706 van 10 mei
  18. Inzake de derde verlenging heeft de Raad van State, bij gebrek aan (tijdige) betaling van het rolrecht, geoordeeld dat de vordering tot schorsing als niet verricht moest worden beschouwd. Tot slot werden de aangevoerde redenen voor de spoedeisende behandeling van de vierde en de vijfde verlenging verworpen door de Raad van State bij respectievelijk arrest nr. 255.544 van 20 januari 2023 en arrest nr. 257.380 van 20 september
  19. De thans aangevoerde redenen ter adstructie van de spoedeisendheid zijn voornamelijk dezelfde als die werden aangevoerd bij de vierde en de vijfde verlenging en waren dus reeds aanwezig op dat ogenblik. Zoals hiervoor is vastgesteld, zijn die onderzocht en verworpen in de arresten nr. 255.544 van 20 januari 2023 en nr. 257.380 van 20 september
  20. Het voorgaande impliceert dat verzoeker inzichtelijk moet maken waarom de zaak thans voor hem spoedeisend is, terwijl zulks voorheen blijkbaar – XIV-39.241-9/13 na verwerping door de Raad van State in de laatstgenoemde arresten van dezelfde redenen – niet was. Verzoeker doet dit niet. Hij beperkt zich tot het hernemen van de in zijn beroep tegen de vierde en vijfde verlenging aangebrachte gegevens en brengt amper nieuwe of andere gegevens aan die aannemelijk kunnen maken dat diezelfde redenen tot spoedeisende behandeling, thans wel het spoedeisend karakter van de vordering rechtvaardigen.
  21. Verzoeker legt thans nog meer de nadruk op de aanhoudende negatieve persaandacht. Verzoeker toont echter nog steeds geen rechtstreeks verband aan tussen de (huidige) voorlopige schorsing bij ordemaatregel en de negatieve persaandacht, laat staan dat hij aantoont dat een schorsing van de bestreden beslissing de negatieve persaandacht en dito morele gevolgen voor verzoeker zou kunnen wegnemen. De meest recente artikelen waarnaar verzoeker verwijst zijn immers verschenen naar aanleiding van de zittingen en het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde en houden dus alle verband met de correctionele zaak. Als er al een verwijzing is naar de voorlopige schorsing van verzoeker, dan is die ‘zijdelings’ en summier. Er kan in elk geval geen (rechtstreeks) verband tussen het aangevoerde ‘nadeel’ en de zesde verlenging van de voorlopige schorsing worden gelegd: een mogelijke schorsing van de bestreden beslissing kan om voornoemde redenen hoe dan ook die negatieve persaandacht - die in hoofdzaak slaat op de strafvervolging van verzoeker - en de mentale gevolgen ervan voor verzoeker niet voorkomen of wegnemen.
  22. Verzoeker wijst er tevens op dat het verschijnen van foutieve informatie in de pers te wijten zou zijn aan leden van het politiekorps en bijgevolg aan de verwerende partij zelf. Verzoeker trekt de ‘valse beschuldigingen’ in de pers hiermee open naar de ‘houding van het politiecollege’ in het algemeen, omdat het die ‘valse beschuldigingen’ niet zou tegenspreken. XIV-39.241-10/13 Dit argument gaat veel verder dan de vraag of het nemen van de beslissing tot voorlopige schorsing bij ordemaatregel leidt tot onherroepelijke schadelijke gevolgen die ertoe zouden moeten leiden dat verzoeker het resultaat van de procedure ten gronde niet moet afwachten. Verzoeker viseert immers niet zozeer de bestreden beslissing, maar wel de zogenaamde ‘houding’ van het politiecollege ten aanzien van de negatieve commentaar van derden en van de pers in het algemeen. De schorsing van de bestreden beslissing op zich kan dat ‘nadeel’ niet wegnemen, nu er geen oorzakelijk verband is met de bestreden beslissing.
  23. De “vernietigende ruchtbaarheid” en de reputatieschade en uitholling van zijn moreel gezag die volgens verzoeker hieruit volgen, zouden volgens verzoeker worden hersteld door een schorsingsarrest, omdat dat eveneens in de pers zal verschijnen. Ook dit argument overtuigt niet. Deze “vernietigende ruchtbaarheid” en de eruit voortvloeiende reputatieschade en uitholling van verzoekers moreel gezag zijn immers minstens ten dele toe te schrijven aan de strafrechtelijke vervolging en de tuchtvervolging van verzoeker, die zullen blijven bestaan ook na een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, zodat een schorsingsarrest niet het door verzoeker verhoopte gevolg kan hebben.
  24. Hetzelfde geldt voor verzoekers argument dat zijn moreel gezag dermate is ondermijnd dat het niet kan worden teruggewonnen door een juridische beslissing “jaren na datum”. Niet alleen toont verzoeker niet aan dat de aantasting van zijn moreel gezag niet zal worden goedgemaakt door een vernietigingsarrest; hij gaat opnieuw voorbij aan het gegeven dat de aantasting van zijn moreel gezag minstens ten dele is toe te schrijven aan de strafrechtelijke vervolging en de tuchtvervolging, die blijven bestaan ook in geval van schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.
  25. Tot slot wijst verzoeker erop dat hij de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure niet kan afwachten om zijn morele schade hersteld te zien, XIV-39.241-11/13 daar hij al twee jaar wacht op een terechtzitting in het kader van zijn annulatieberoep tegen de eerste verlenging van de voorlopige schorsing. Wat dit argument betreft, wordt opgemerkt dat de spoedeisendheid verband moet houden met de bestreden beslissing zelf. Het feit dat nog geen arrest werd uitgesproken in andere zaken, houdt op zich geen bewijs in van spoedeisendheid in de huidige zaak.
  26. Uit wat voorafgaat volgt dat, daargelaten de vraag welk belang verzoeker nog heeft bij een schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing die thans reeds volledige uitwerking heeft gehad en die blijkens de verklaringen van beide partijen ter zitting onderwijl met een nieuwe beslissing is verlengd, verzoeker niet overtuigt dat het aangevoerde nadeel veroorzaakt door de zesde tijdelijke verlenging van de voorlopige schorsing, van die aard is dat het inhoudt dat hij daardoor niet de procedure ten gronde kan afwachten.
  27. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. Conclusie
  28. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. XIV-39.241-12/13 BESLISSING
  29. De Raad van State verwerpt de vordering.
  30. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. Dit arrest is uitgesproken te Brussel op elf oktober tweeduizend drieëntwintig door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.241-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.600 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.