← België

Arrest 257608 - Examens (onderwijs) - 11/10/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.608 Rolnummer: A. 240164/IX-10344 Zaak: Arrest 257608 - Examens (onderwijs) - 11/10/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-10-12 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-06-10 13:42 Fiche Arrest nr 257.608 van 11 oktober 2023 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 257.608 van 11 oktober 2023 in de zaak A. 240.164/IX-10.344 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde Minnen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Ballaarstraat 69-71 bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW KATHOLIEK ONDERWIJS STAD HERENTALS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean Hendrickx kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 29 september 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Katholiek Onderwijs Stad Herentals van 14 september 2023, waarbij aan XXXX een oriënteringsattest C wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-10.344-1/13 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2023, om 11.00 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hilde Minnen, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Victoria De Ravet, die loco advocaat Jean Hendrickx verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. Verzoekster is tijdens het schooljaar 2022-2023 ingeschreven als leerling in het tweede jaar van de derde graad biotechnische wetenschappen (TSO) in het katholiek onderwijs stad Herentals (“kOsh”). Zij beëindigt het jaar met drie jaartekorten, namelijk voor wiskunde (48%), toegepaste chemie (47%) en toegepaste fysica (44%). De klassenraad wenst zich nader te informeren middels bijkomende proeven voor deze drie vakken. Hierop behaalt verzoekster voor wiskunde deel 1: 37,50%, wiskunde deel 2: 42,39%, toegepaste chemie 47% en toegepaste fysica 51%. Op 23 augustus 2023 beslist de klassenraad om verzoekster een oriënteringsattest C toe te kennen. Na overleg en een nieuwe beraadslaging van de klassenraad, beslist deze om het C-attest te behouden. IX-10.344-2/13 Hierop tekent verzoekster bezwaar aan bij het schoolbestuur. De beroepscommissie beslist vervolgens op 14 september 2023 om het C-attest te handhaven. Dit is de thans bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  5. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  6. Het vervuld zijn van de schorsingsvoorwaarde betreffende de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt door de verwerende partij terecht niet betwist. VI. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  7. In een eerste middel voert verzoekster de schending aan van artikel 123/17, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs (VCSO): “Doordat bij de behandeling van het beroep door de interne beroepscommissie naast de 2 interne leden van de school tevens 2 IX-10.344-3/13 leerkrachten aanwezig waren die bleven zitten bij de beoordeling van het dossier; Terwijl artikel 123/17 52 van de Codex Secundair onderwijs de samenstelling van de interne beroepscommissie als volgt bepaalt: ‘-enerzijds -interne leden, zijnde laden van de klassenraad, waaronder alleszins de voorzitter van de klassenraad, die de betwiste evaluatiebeslissing heeft genomen, en eventueel een lid van het school-of centrumbestuur; anderzijds ‘externe leden, zijnde personen die extern zijn aan het school- of centrumbestuur en aan de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de betwiste evaluatiebeslissing is genomen.’ Zodat artikel 123/17 §2 van de Codex Secundair Onderwijs geschonden werd.” Beoordeling
  8. De verwerende partij betwist dat de twee betrokken leerkrachten aanwezig waren bij de beraadslaging. Dat is evenwel niet relevant, zo lijkt. De vakleerkrachten zijn leden van de over verzoekster delibererende klassenraad en dus, in voorkomend geval, “interne leden” zoals bedoeld in artikel 123/17, § 2, VCSO. Die bepaling legt op het eerste gezicht geen paritaire samenstelling op aan de beroepscommissie. Het lijkt dus zonder belang of die twee vakleerkrachten al dan niet als “interne leden” niet aanwezig waren op het overleg van de beroepscommissie. Overigens – overigens, want de schending ervan is niet aangevoerd – schrijft artikel 123/17, § 2, tweede lid, 1°, VCSO enkel voor “dat bij stemming het aantal stemgerechtigde interne leden van de beroepscommissie en het aantal stemgerechtigde externe leden van de beroepscommissie gelijk moet zijn”. De bestreden beslissing draagt de handtekening van twee externe leden en van twee interne leden van de beroepscommissie, zodat in de huidige stand van de procedure wordt aangenomen dat ze is gedragen door die vier leden; minstens toont verzoekster niet het tegendeel aan.
  9. Het middel is niet ernstig. IX-10.344-4/13 B. Tweede middel
  10. Het tweede middel is genomen uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “inzonderheid van het materiële motiveringsbeginsel en van het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel”: “Doordat de beroepscommissie er ten onrechte van uitgaat dat het eindtotaal van verzoekster voor wiskunde na bijkomende proeven 40% uitmaakt; Doordat de beroepscommissie uitsluitend lijkt uit te gaan van niet representatieve resultaten op de bijkomende proeven en de resultaten van juni, en zich verder blind toont voor de positieve evolutie die verzoekster maakte, haar tomeloze inzet en het feit dat zij slaagde voor de ijkingstoets voor de richting biomedische wetenschappen; Terwijl een juiste berekening van de jaartotalen na bijkomende proeven, waarbij de punter van de leerstofdelen waarvoor geen bijkomende proef werd afgelegd, verhoudingsgewijs worden opgeteld, aantonen dat een gunstiger cijfer voorligt voor wiskunde; Terwijl verzoekster met de eindtotalen voor andere vakken aantoont dat zij in staat is om grote leerstofhoeveelheden te verwerken en daarvoor schitterende resultaten te behalen, wat tevens blijk geeft van discipline in haar studie; Terwijl het kennelijk redelijk zou zijn om – in het licht van de opgeworpen grieven – te oordelen dat verzoekster het diploma behaalt; Zodat de bestreden beslissing is genomen in strijd met de uitdrukkelijke motiveringswet en in strijd met de algemene beginselen van behoorlijkbestuur, inzonderheid het materiële motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel.” Het middel wordt toegelicht, van bladzijde 8 tot 19 van het verzoekschrift. Beoordeling
  11. Verzoekster voert in één en hetzelfde middel de schending aan van de formelemotiveringsplicht, van de materiëlemotiveringsplicht en van het redelijkheidsbeginsel. In de toelichting bij het middel werkt zij die aangevoerde schendingen niet afzonderlijk uit. Aangezien op het eerste gezicht niet duidelijk is en verzoekster niet nader en specifiek preciseert waarom een beslissing die negen IX-10.344-5/13 bladzijden telt, met nog twee bladzijden bijlagen, niet formeel is gemotiveerd, is het middel in zoverre onontvankelijk, minstens niet ernstig. Verzoekster onderwerpt voorts de motieven van de beroepscommissie aan kritiek en adstrueert aldus de aangevoerde schending van de materiëlemotiveringsplicht. Een schending van het redelijkheidsbeginsel gaat ervan uit, evenwel, dat een beslissing waarvan de motieven wél deugen, niettemin in redelijkheid niet tot stand kan komen. Het is, zo lijkt, het ene of het andere. Aangezien verzoekster de schending van het redelijkheidsbeginsel niet afzonderlijk en specifiek uitwerkt, lijkt het middel ook in die mate onontvankelijk en is het dus niet ernstig. Het middel wordt hierna onderzocht uit oogpunt van de materiëlemotiveringsplicht. 11.
  12. De beroepscommissie stelt volgens verzoekster ten onrechte dat zij de waarachtigheid van de resultaten “an sich” niet betwist, terwijl juist heel haar betoog erop gericht is de resultaten en de representativiteit ervan in vraag te stellen. 11.
  13. Verzoekster betwist niet haar drie jaartekorten, namelijk voor wiskunde, toegepaste chemie en toegepaste fysica. Zij betwist evenmin de behaalde cijfers op de bijkomende proeven voor wiskunde deel 1: 37,50%, wiskunde deel 2: 42,39%, voor toegepaste chemie 47% en voor toegepaste fysica 51%. Zij betwist evenwel “het eindtotaal” van “40%” voor wiskunde dat uit die cijfers zou zijn afgeleid door de beroepscommissie. 11.
  14. Op het eerste gezicht mocht de beroepscommissie inderdaad vaststellen dat verzoekster de resultaten “an sich” niet betwist, zo begrepen dat verzoekster de jaartekorten niet tegenspreekt, noch de punten die zij heeft behaald voor de bijkomende proeven. Het geschil tussen verzoekster en de beroeps- IX-10.344-6/13 commissie heeft immers enkel betrekking op de interpretatie of de verrekening van die cijfers, maar niet op de cijfers als zodanig. De beroepscommissie oordeelt op het eerste gezicht dan ook niet onwettig, als zij het volgende overweegt: “Nu de waarachtigheid ervan niet wordt betwist, kan de beroepscommissie ervan uitgaan dat de rapporten en stukken aangaande gespreide evaluatie in het dossier effectief een correcte weergave zijn van de behaalde resultaten van [verzoekster] op proefwerken en diverse andere taken. Zoals hoger reeds aangehaald worden de resultaten an sich nergens betwist, zodat de beroepscommissie ervan mag uitgaan dat deze resultaten ook effectief een correcte weergave geven van het presteren van [verzoekster] doorheen het afgelopen schooljaar. Evenmin wordt er ergens de wijze van evalueren betwist noch dat de inhoud van de afgelegde proeven en/of taken (gespreide evaluatie) zou afwijken van hetgeen onderricht tijdens het jaar dan wet zou afwijken van de leerplandoelen. In principe wordt de school daarenboven op regelmatige basis gecontroleerd of de gegeven lessen en de daaraan gelinkte evaluatiemomenten gekoppeld zijn aan de leerplandoelen. Kortom kan de beroepscommissie ervan uitgaan dat de behaalde resultaten een correcte weergave zijn over op welk niveau [verzoekster] zich thans bevindt ten opzichte van de vooropgestelde leerplandoelen.”
  15. Volgens verzoekster zijn de door haar behaalde resultaten evenwel niet representatief omdat slechts een deel van de leerstof werd ondervraagd “en de punten voor de behaalde leerplandoelstellingen blijken niet verwerkt te zijn in het geheel”.
  16. Het lijkt een goede aanpak te zijn om een leerling die bijkomende proeven moet afleggen, niet te belasten met een examen over de leerstof van het gehele leerjaar, maar om scherp te stellen op de “de stukken leerstof die [de leerling] niet beheerst”, aldus de klassenraad. Overigens lijkt verzoekster thans ook niet erop aan te sturen dat zij middels de gevorderde schorsing in staat gesteld moet worden opnieuw bijkomende proeven af te leggen, ditmaal over de ganse leerstof. IX-10.344-7/13 Anders dan verzoekster beweert, betekent zulks niet dat de behaalde leerplandoelen niet meer worden “meegenomen” in de beoordeling, zoals hierna zal blijken. 14.
  17. Verzoekster argumenteert uitgebreid – en daar ligt de kern van haar betoog – over de wijze waarop de punten die zij behaalt voor de bijkomende proeven afgezet moeten worden tegenover de punten tijdens het jaar. Zij betwist dat de beroepscommissie de twee delen van de bijkomende proef wiskunde mag laten resulteren in een gemiddelde van 40%. Zij zet uiteen hoe de resultaten voor wiskunde deel 1 en wiskunde deel 2 afzonderlijk verrekend moeten worden met de doorheen het jaar behaalde resultaten per semester en met aandacht voor het relatieve gewicht van de punten in het eerste semester tegenover het tweede semester. Verzoekster betwist dat zij alzo “eigen berekeningen” maakt; deze wijze van verrekenen, zo stelt zij, is terug te vinden in documenten die van de klassenraad zelf uitgaan. 14.
  18. In de nota met opmerkingen betwist de verwerende partij de zienswijze van verzoekster. Ondergeschikt wijst zij erop dat, zelfs als met verzoekster meegegaan wordt, een jaartotaal “waarbij de bijkomende proef in werd verwerkt” en een jaartotaal “waarbij de bijkomende proef het betrokken PW(-deel) vervangt” slechts een half procentpunt verschil oplevert en dat er een tekort voor wiskunde blijft. 14.
  19. Verzoekster betwist niet dat zij jaartekorten optekent voor wiskunde, toegepaste chemie en toegepaste fysica. Zij betwist evenmin dat zij op de bijkomende proeven de hiervóór genoteerde cijfers laat optekenen: wiskunde deel 1: 37,50%, wiskunde deel 2: 42,39%, toegepaste chemie 47% en toegepaste fysica 51%. IX-10.344-8/13 Voorts lijkt zij de bestreden beslissing verkeerd gelezen te hebben. De vermelding “wiskunde: 40% (deel 1: 37,50% - deel 2: 42,39%)” is te lezen in het onder punt 3 van de beslissing opgenomen citaat van de “deliberatiebesluiten” van de klassenraad van 23 augustus
  20. In de eigen overwegingen van de beroepscommissie – te lezen vanaf punt 5 van de bestreden beslissing – lijkt dat cijfer “40%” evenwel niet hernomen te zijn en lijkt de beroepscommissie zich te houden aan de behaalde resultaten “as such”. Hoe dan ook valt er op het eerste gezicht niet in te zien, volgens welke methode de resultaten van verzoekster ook worden opgeteld, verrekend, gecompenseerd of geëxtrapoleerd, hoe de conclusie voor de vakken wiskunde en toegepaste chemie anders kan zijn dan dat verzoekster haar jaartekort voor die beide vakken niet heeft kunnen rechtzetten. Verzoekster is, met andere woorden, een leerling met drie jaartekorten waarvan één is goedgemaakt middels een bijkomende proef en met twee tekorten voor bijkomende proeven. Zo een leerling heeft, zo lijkt, de leerplandoelstellingen voor de twee betrokken vakken wiskunde en toegepaste chemie niet in voldoende mate bereikt. Het leerlingendossier van verzoekster leert overigens dat deze resultaten in lijn liggen met de resultaten die verzoekster tijdens het schooljaar 2022-2023 en zelfs tijdens het daaraan voorafgaande schooljaar heeft behaald voor de vakken wiskunde, toegepaste chemie en toegepaste fysica. Deze drie vakken waren op elk rapport van verzoekster de zwakste vakken en aan het einde van vorig leerjaar behaalde verzoekster ook al een jaartekort voor wiskunde (43%) en kreeg zij daarvoor een vakantietaak. Vandaar waarschijnlijk de opmerking in de beslissing van de klassenraad dat verzoekster “op het einde van het 5de jaar de kans [heeft] gekregen om zich in het 6de jaar te bewijzen. Dit is spijtig genoeg onvoldoende gelukt, ondanks de inzet die ze heeft getoond.” 14.
  21. In de huidige stand van de procedure lijkt de beroepscommissie dan ook niet onjuist te oordelen, als zij overweegt wat volgt: “[Verzoekster] volgt de opleiding biotechnische wetenschappen. IX-10.344-9/13 Hierbij zijn de vakken wiskunde, chemie en fysica evident van belang. Zij vertegenwoordigen een belangrijk aandeel in de betreffende opleiding: - Resultaten totaal juni 2023 – tekorten voor: ◦ Wiskunde, chemie en fysica: 11 lesuren, wat neerkomt op 32% van het totale lesurenpakket; - Resultaten na de bijkomende proeven – tekorten voor: ◦ Wiskunde en chemie: 9 lesuren, wat neerkomt op 26% van het totale lesurenpakket. Na de bijkomende proeven blijven er aldus tekorten voor belangrijke vakken in de betrokken opleiding. De beroepscommissie kan dan ook niet anders dan beslissen dat bij voormelde, specifieke vakken de leerplandoelen onvoldoende werden behaald om het conforme diploma uit te reiken.” Het doorslaggevende motief om het C-attest toe te kennen is, zo lijkt, de vaststelling dat verzoekster ook na de bijkomende proeven “tekorten” heeft voor de “belangrijke vakken” wiskunde en chemie, “wat neerkomt op 26% van het totale lesurenpakket” en dat voor die vakken “de leerplandoelstellingen onvoldoende werden behaald om het conforme diploma uit te reiken”. De becijferingen van verzoekster slagen er niet in om dit voor de bestreden beslissing dragend motief onderuit te halen. 15.
  22. Volgens verzoekster houdt de beroepscommissie geen rekening met alle nuttige gegevens van haar leerlingendossier. Zij wijst daartoe op “de eenzijdige invalshoek” die uitgaat van de resultaten op de bijkomende proeven, op “de positieve evolutie en [haar] grote inzet” en op het resultaat dat zij behaalde voor de ijkingstoets biomedische wetenschappen. 15.
  23. Hiervóór is al vastgesteld dat de beslissing van de beroepscommissie rekening houdt met de resultaten van het gehele jaar. Met de “positieve evolutie” en de “grote inzet” van verzoekster is, zo lijkt, wel degelijk rekening gehouden: het was de reden waarom zij niettegenstaande drie jaartekorten toch de kans kreeg om door middel van bijkomende proeven haar achterstand weg te werken. IX-10.344-10/13 De “ijkingstoets” voor de richting biomedische wetenschappen waaraan verzoekster nog refereert, is geen examen voor de centrale examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap. Er wordt niet beweerd, minstens niet aangetoond dat de examenopgave van die toets overeenstemt met de leerplandoelen voor wiskunde en chemie van het leerjaar waarover de beroepscommissie roeping heeft om zich uit te spreken. Verzoekster behaalt overigens op die toets 6/10 voor het deel “wiskunde: basis”, wat betekent “parate kennis op dit moment ontoereikend”. Voor het deel chemie behaalt verzoekster 4/10, “een onvoldoende voor de chemievragen”. Het argument van verzoekster dat zij geslaagd is voor de ijkingstoets werd door de beroepscommissie bij het nemen van de bestreden beslissing uitdrukkelijk mee in overweging genomen. De beroepscommissie oordeelt prima facie niet onwettig als zij over die toets het volgende stelt: “Namens [verzoekster] wordt gesteld dat zij is geslaagd op de ijkingstoets Biomedische wetenschappen. Het resultaat terzake wordt bijgebracht. Hieruit blijk een eindscore van 12/
  24. In dit resultaat wordt gesteld, wat volgt: ‘Was je net geslaagd (totaalscore We lezen in het betrokken document eveneens, wat volgt: ‘Deel Wiskunde: Basis … Aangezien je voor dit onderdeel minder dan 7 vragen correct beantwoord hebt, is je parate kennis op dit moment ontoereikend. Op het deel chemie behaalde [verzoekster] blijkens de overgelegde documenten 4/
  25. De beroepscommissie is van oordeel dat deze resultaten zich vertalen in de resultaten die door [verzoekster] in de uitgestelde proeven werden behaald.”
  26. Dat de verwerende partij rekening heeft gehouden met het volledige dossier van verzoekster blijkt ook nog uit het feit dat zij aangeeft dat vrijstellingen mogelijk zijn voor de vakken geschiedenis, Engels, Frans, godsdienst, aardrijkskunde en lichamelijke opvoeding, zodat verzoekster extra tijd heeft “om zich te focussen op de andere wetenschappelijke vakken”. IX-10.344-11/13
  27. De schending van de materiëlemotiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel is vooralsnog niet aangetoond. IX-10.344-12/13 C. Besluit
  28. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
  29. De Raad van State verwerpt de vordering.
  30. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  31. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op elf oktober tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-10.344-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.608 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.