← België

Arrest 257621 - Tucht (openbaar ambt) - 13/10/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.621 Rolnummer: A. 234835/XIV-38843 Zaak: Arrest 257621 - Tucht (openbaar ambt) - 13/10/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-10-25 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-06-10 13:46 Fiche Arrest nr 257.621 van 13 oktober 2023 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 257.621 van 13 oktober 2023 in de zaak A. 234.835/XIV-38.843 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marlies De Raeve kantoor houdend te 3520 Zonhoven Spierhoofseweg 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5383 MAASLAND kantoor houdend te 3680 Maaseik Maastrichtersteenweg 21 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 22 oktober 2021, strekt tot de nietig- verklaring van de beslissing van de korpschef van de politiezone Maasland van 22 augustus 2021 waarbij aan verzoeker de tuchtstraf van de blaam wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. XIV-38.843-1/7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 oktober
  3. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Cynthia Petroons, die loco advocaat Marlies De Raeve verschijnt voor verzoeker, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is consulent in het administratief en logistiek kader bij de politiezone Maasland (PZ 5383). 3.
  6. Met het inleidend verslag van 1 juli 2021 stelt de tuchtoverheid voor om verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen. Dit inleidend verslag wordt aan verzoeker betekend met aangetekende zendingen van respectievelijk 6 en 9 juli
  7. Verzoeker neemt de eerste zending in ontvangst op 7 juli
  8. 3.
  9. Op 5 augustus 2021 dient verzoeker zijn verweerschrift in. 3.
  10. De tuchtoverheid legt op 22 augustus 2021 de lichte tuchtstraf van de blaam op. Dit is de bestreden beslissing. XIV-38.843-2/7 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging A. Inzake de memorie van antwoord – ambtshalve uit het debat weren Standpunt van de partijen
  11. Verzoeker sluit zich in zijn laatste memorie aan bij het standpunt van het auditoraat dat de memorie van antwoord uit het debat moet worden geweerd omdat ze niet namens het bevoegde orgaan werd ingediend.
  12. De verwerende partij verwijst in haar laatste memorie vooreerst naar de artikelen 44 en 45 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: de wet van 7 december 1998), waaruit zij afleidt dat het optreden in rechte als onderdeel van de organisatie en het beheer van het lokaal politiekorps kan worden “uitgevoerd” door de korpschef onder het gezag van het politiecollege. Voorts wijst zij op de autonome bevoegdheid van de korpschef als tuchtoverheid. De bestreden beslissing gaat uit van de korpschef en partijen hebben het recht zichzelf te verdedigen, aldus de verwerende partij. Beoordeling
  13. Overeenkomstig artikel 11, tweede lid van de wet van 7 december 1998 worden in de meergemeentezones de respectieve bevoegdheden van het college van burgemeester en schepenen inzake de organisatie en het beheer van het lokaal politiekorps uitgeoefend door het politiecollege. Overeenkomstig artikel 297, § 1 van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’ vertegenwoordigt het college van burgemeester en schepenen de gemeente in gerechtelijke en buitengerechtelijke gevallen en beslist dit orgaan om in rechte op te treden namens de gemeente. Uit het samen lezen van deze bepalingen volgt aldus dat de meergemeentezone in gerechtelijke procedures slechts rechtsgeldig door het politiecollege kan worden vertegenwoordigd. XIV-38.843-3/7
  14. De verwerende partij verwijst allereerst naar de artikelen 44 en 45 van de wet van 7 december 1998 waaruit zij afleidt dat het optreden in rechte als onderdeel van de organisatie en het beheer van het lokaal politiekorps kan worden “uitgevoerd” door de korpschef onder het gezag van het politiecollege. Het standpunt van de verwerende partij dat uit de artikelen 44 en 45 van de wet van 7 december 1999 moet worden afgeleid dat het optreden in rechte als onderdeel van de organisatie en het beheer van het lokaal politiekorps kan worden “uitgevoerd” door de korpschef onder het gezag van het politiecollege, faalt in rechte. De voornoemde artikelen bepalen de bevoegdheden van de korpschef inzake de leiding, de organisatie, de verdeling van de taken en de uitvoering van het beheer van het lokaal politiekorps. Deze bepalingen zijn evenwel te onderscheiden van artikel 11 van diezelfde wet, dat de bevoegdheden van het politiecollege inzake de organisatie en het beheer van het lokaal politiekorps regelt, waartoe de bevoegdheid behoort om de politiezone in gerechtelijke procedures te vertegenwoordigen. Uit de bepaling in artikel 45 van de wet van 7 december 1998 dat de korpschef zijn bevoegdheden uitoefent onder het gezag van het politiecollege, kan niet worden afgeleid dat de korpschef zich ook de bevoegdheden van het politiecollege kan toe-eigenen. Overigens bemerkt de Raad van State dat, daargelaten nog de vraag of de bevoegdheid om in rechte op te treden kan worden gedelegeerd, geen beslissing van het politiecollege voorligt om deze bevoegdheid te delegeren. Ook het argument afgeleid uit de autonome bevoegdheid van de korpschef als tuchtoverheid faalt. De bevoegdheid van de organen van een bestuur om een bepaalde beslissing te nemen, staat los van en doet geen afbreuk aan de bevoegdheid om dat bestuur in rechte te vertegenwoordigen.
  15. De memorie van antwoord is ondertekend en ingediend door eerste commissaris van politie C.N. in opdracht van de korpschef in zijn hoedanigheid van tuchtoverheid. Ze gaat derhalve niet uit van het politiecollege, XIV-38.843-4/7 dat het bevoegde orgaan is, maar van een personeelslid in opdracht van de korpschef. De memorie van antwoord is derhalve niet op een ontvankelijke wijze ingediend. Ambtshalve wordt ze uit het debat geweerd. B. Inzake het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging
  16. De voortzetting van het geding moet regelmatig zijn, wat te dezen inhoudt dat het verzoek daartoe moet uitgaan van de verwerende partij, vertegenwoordigd op de rechtens vereiste wijze door het daartoe bevoegde orgaan.
  17. Zoals hiervoor is uiteengezet, (zie supra, punt 6) wordt de meergemeentezone in gerechtelijke procedures vertegenwoordigd door het politiecollege, wat betekent dat alle procedurestukken moeten uitgaan van het politiecollege.
  18. Artikel 29 van de wet van 7 december 1998 bepaalt: “In de meergemeentezone wordt de functie van secretaris van de politieraad en van het politiecollege door een lid van het personeel van het administratief en logistiek kader van het lokaal politiekorps of van een gemeentelijke administratie van de zone vervuld. Hij wordt respectievelijk aangeduid door de politieraad of het politiecollege. Hij stelt de notulen van de raad en van het college op en zorgt voor de overschrijving ervan. De korpschef van de lokale politie is belast met de voorbereiding van de zaken die aan de politieraad of aan het politiecollege worden voorgelegd en woont de vergaderingen van de raad en het college bij. De overgeschreven notulen worden door de voorzitter en door de secretaris getekend. De notulen vermelden alle besproken onderwerpen alsook het gevolg dat werd gegeven aan die punten waaromtrent geen beslissing werd genomen. Zij maken eveneens duidelijk melding van alle beslissingen. De briefwisseling uitgaande van de politieraad en het politiecollege wordt door de voorzitter ondertekend en door de korpschef medeondertekend tenzij daarvoor delegatie wordt verleend.” XIV-38.843-5/7 De laatste memorie met verzoek tot voortzetting van de rechtspleging van de verwerende partij is ingediend door de politiezone “voor wie optreedt, het Politiecollege van de Politiezone Maasland, vertegenwoordigd door haar burgemeester-voorzitter de heer [J.T.]”. Zij werd digitaal ondertekend door J.T., met vermelding van zijn hoedanigheid van burgemeester-voorzitter van het politiecollege van de politiezone Maasland. Ambtshalve wordt aldus vastgesteld dat de laatste memorie met verzoek tot voortzetting van de rechtspleging zegt uit te gaan van het politiecollege, doch uitsluitend door de burgemeester-voorzitter is ondertekend. Er ligt geen uittreksel uit de notulen van het politiecollege voor waaruit zou kunnen blijken dat het politiecollege tijdig zijn akkoord heeft betuigd met de (verzending van) het betrokken procedurestuk.
  19. In het licht van wat voorafgaat, rijst bijgevolg ambtshalve de vraag of de laatste memorie met verzoek tot voortzetting van de rechtspleging, die zegt uit te gaan van het politiecollege, doch uitsluitend door de burgemeester-voorzitter is ondertekend, wel degelijk uitgaat van het bevoegde orgaan van de politiezone, met name het politiecollege. Deze vraag is evenwel niet door de partijen aangevoerd of ter sprake gebracht, noch onderzocht door het auditoraat in het raam van het gevoerde dubbel onderzoek. Ze is aldus niet het voorwerp geweest van een tegensprekelijk debat. Daar het een element betreft dat desgevallend de beslechting van het beroep kan beïnvloeden, houdt het recht op tegenspraak in dat de partijen hierover debat moeten kunnen voeren (zie mutatis mutandis EHRM 16 februari 2006, Prikyan en Angelova / Bulgarije, punt 42; EHRM 5 september 2013, Čepek / Tsjechische Republiek, punt 45).
  20. Het debat moet derhalve wat de in punt 12 vermelde rechtsvraag betreft, worden heropend. XIV-38.843-6/7 BESLISSING
  21. De Raad van State heropent het debat.
  22. Aan de partijen wordt een termijn van vijftien dagen gegeven om een memorie, te samen met de nodige overtuigingsstukken, maar beperkt tot de in het voorliggende arrest ambtshalve in punt 12 vermelde rechtsvraag, in te dienen na de kennisgeving van het onderhavige arrest.
  23. De zaak wordt vastgesteld op de openbare terechtzitting van 13 december 2023 om 14.00 uur.
  24. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien oktober tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.843-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.621 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.436 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.