← België

Arrest 257633 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 13/10/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.633 Rolnummer: A. 235464/X-18066 Zaak: Arrest 257633 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 13/10/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-10-20 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-06-10 13:50 Fiche Arrest nr 257.633 van 13 oktober 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 257.633 van 13 oktober 2023 in de zaak A. 235.464/X-18.066 In zake :

  1. Diederik TUYPENS
  2. Erik DE RIDDER
  3. Wim PENNINCKX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Konstantijn Roelandt kantoor houdend te 2221 Heist-op-den-Berg Dorpsstraat 91 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE GRIMBERGEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Cies Gysen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen:
  4. de NV MATEXI VLAAMS-BRABANT
  5. de NV MATEXI PROJECTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Filip De Preter en Bert Van Herreweghe kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  6. Het beroep, ingesteld op 14 januari 2022, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van de gemeenteraad van de [gemeente Grimbergen] d.d. 23 september 2021 houdende de definitieve goedkeuring van het RUP ‘Beigemveld’, omvattende het plan met de bestaande en juridische toestand, een grafisch plan, stedenbouwkundige voorschriften en een toelichtingsnota ”. X-18.066-1/37 II. Verloop van de rechtspleging
  7. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Matexi Vlaams-Brabant en de nv Matexi Projects hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikking van 23 maart
  8. De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen, de verwerende partij en de tussenkomende partijen hebben een laatste memorie en een aanvullende memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 mei 2023, zitting waarop de zaak in voorzetting is uitgesteld naar de terechtzitting die heeft plaatsgevonden op 15 september
  9. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Vincent De Weerdt, die loco advocaat Konstantijn Roelandt verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaten Willem-Jan Ingels en Thomas Geyns, die loco advocaat Cies Gysen verschijnen voor de verwerende partij en advocaat Filip De Preter, die verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. X-18.066-2/37 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  10. III. Feiten 3.
  11. Het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde bestemt het gebied in de gemeente Grimbergen, gelegen tussen de Grote Heirbaan, de Wezelstraat, de Kruipstraat en de tuinzones langs de Pieter Breughelstraat en de Beigemsesteenweg tot woonuitbreidingsgebied. Dit woonuitbreidingsgebied is gekend als het ‘Beigemveld’ (hierna: het WUG Beigemveld). 3.
  12. Op 24 juni 2016 buigt de gemeenteraad van de gemeente Grimbergen zich over de aanvraag tot principieel akkoord voor de ontwikkeling van het WUG Beigemveld. 3.
  13. Op 1 september 2016 stemt de deputatie van de provincieraad van de provincie Vlaams-Brabant (hierna: de deputatie) in met de ontwikkeling van het resterend deel van het WUG Beigemveld en verleent zij overeenkomstig artikel 5.6.6, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) een principieel akkoord. 3.
  14. Op 6 juni 2017 vindt een plenaire vergadering over het voorontwerp van het RUP ‘Beigemveld’ (hierna: het gemeentelijk RUP) plaats. 3.
  15. Op basis van het screeningsdossier en de uitgebrachte adviezen concludeert de dienst Milieueffectrapportage van de Vlaamse overheid (de dienst Mer) op 25 juli 2017 “dat het voorgenomen plan geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen en dat de opmaak van een plan-MER niet nodig is”. 3.
  16. Op 29 september 2017 dient de nv Matexi Projects – de tweede tussenkomende partij – een aanvraag in voor het verkavelen van een terrein aan de X-18.066-3/37 noordzijde van de Kruipstraat te Grimbergen (hierna: de verkavelingsaanvraag). De verkavelingsaanvraag voorziet 82 bouwloten en de aanleg van een weg, die aansluit op de Kruipstraat. Ter verduidelijking volgt hierna een uittreksel uit het verkavelingsplan, waarop benaderende aanduidingen zijn aangebracht: 3.
  17. Verzoekers wonen allen in de onmiddellijke omgeving van het onbebouwd zuidelijk deel van het WUG Beigemveld. Eerste en tweede verzoekers wonen meer bepaald aan de zuidzijde van de Kruipstraat. Derde verzoeker woont vlakbij in de straat Pellenbergveld, die – ongeveer in het midden – aantakt op de Kruipstraat. 3.
  18. Op 31 augustus 2017 stelt de gemeenteraad van de gemeente X-18.066-4/37 Grimbergen het ontwerp van het gemeentelijk RUP voorlopig vast. Ter verduidelijking volgt hierna een uittreksel uit het grafische plan van het gemeentelijk RUP, met benaderende aanduidingen: Indicatieve hoofdontsluiting Projectgebied Kruipstraat +/- 4 m. breed Pellenbergveld X-18.066-5/37 X-18.066-6/37 3.
  19. Van 3 oktober 2017 tot en met 1 december 2017 wordt over het ontwerp van het gemeentelijk RUP een openbaar onderzoek georganiseerd, tijdens hetwelk de deputatie een advies uitbrengt en 138 bezwaarschriften worden ingediend, waaronder ook door verzoekers. 3.
  20. Van 2 november tot 1 december 2017 wordt over de verkavelingsaanvraag een openbaar onderzoek georganiseerd. 3.
  21. Op 29 januari 2018 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen een voorwaardelijk gunstig advies over de verkavelingsaanvraag. 3.
  22. In zitting van 19 februari 2018 bespreekt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening van de gemeente Grimbergen (Gecoro) de tegen het ontwerp van het gemeentelijk RUP ingediende bezwaren en brengt zij een advies uit. 3.
  23. Met een besluit van 22 februari 2018 keurt de gemeenteraad van de gemeente Grimbergen de voorgestelde wegenisaanleg voor de verkavelingsaanvraag goed. 3.
  24. Op 19 maart 2018 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen de gevraagde verkavelingsvergunning. Tegen deze beslissing dienen verzoekers administratief beroep in bij de deputatie. 3.
  25. Met een besluit van 26 april 2018 stelt de gemeenteraad van de gemeente Grimbergen het gemeentelijk RUP definitief vast. 3.
  26. Bij beslissing van 23 augustus 2018 verklaart de deputatie het beroep tegen de onder randnummer 3.14 vermelde verkavelingsvergunning ongegrond en verleent zij de gevraagde verkavelingsvergunning. Tegen deze beslissing wordt een beroep tot nietigverklaring ingesteld bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. X-18.066-7/37 3.
  27. Met zijn arrest nr. 247.984 van 1 juli 2020 vernietigt de Raad van State het onder randnummer 3.13 vermelde besluit van de gemeenteraad van de gemeente Grimbergen van 22 februari 2018 over de zaak van de wegen. 3.
  28. Bij arrest nr. 249.451 van 12 januari 2021 vernietigt de Raad van State het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Grimbergen van 26 april 2018 houdende de definitieve vaststelling van het RUP ‘Beigemveld’, omdat de door de gemeenteraad erkende problematiek met betrekking tot de Kruipstraat bij de vaststelling van het RUP naar een later, onbepaald tijdstip doorgeschoven is, middels de doorverwijzing ervan naar een werkgroep, zodat het gemeentelijk RUP er geen rechtszekere oplossing voor biedt en zodoende het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel schendt. 3.
  29. Op initiatief van de gemeente Grimbergen wordt een mobiliteitsstudie opgemaakt, die op 12 mei 2021 wordt opgeleverd. 3.
  30. Op 26 augustus 2021 beslist de gemeenteraad van de gemeente Grimbergen opnieuw gunstig over de zaak van de wegen. Het administratief beroep van eerste en tweede verzoeker tegen deze beslissing wordt door de bevoegde Vlaamse minister op 11 maart 2022 als onontvankelijk verworpen. 3.
  31. Op 3 september 2021 verleent het departement Mobiliteit en Openbare Werken van de Vlaamse overheid een bijkomend advies over het voorgenomen gemeentelijk RUP. 3.
  32. Op 8 september 2021 concludeert de dienst Mer “dat het voorgenomen plan geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen en dat de opmaak van een plan-MER niet nodig is”. 3.
  33. In zitting van 23 september 2021 stelt de gemeenteraad van de gemeente Grimbergen het RUP ‘Beigemveld’ opnieuw definitief vast. Dit is het bestreden besluit. X-18.066-8/37 3.
  34. Op 7 oktober 2021 verleent de deputatie de gevraagde verkavelingsvergunning. 3.
  35. Van het bestreden besluit wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 november
  36. 3.
  37. Met zijn arrest nr. RvVb-A-2223-0494 van 2 februari 2023 verwerpt de Raad voor Vergunningsbetwistingen het door eerste en tweede verzoeker tegen de verkavelingsvergunning ingestelde annulatieberoep. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.
  38. Verzoekers voeren in een eerste middel de schending aan van de artikelen 1.1.4, 2.1.2, §§ 3 en 6, 2.2.2, § 1, en 2.2.13, § 2, VCRO, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (motiveringswet), alsook van het materiëlemotiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 4.1.
  39. In een eerste middelonderdeel betogen verzoekers dat het bestreden gemeentelijk RUP in strijd is met het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de gemeente Grimbergen (GRS), dat stelt dat de ontwikkeling van de woonuitbreidingsgebieden in de centrumschil van Grimbergen dient gereserveerd te worden voor een latere planperiode. Nergens wordt in het bestreden besluit gemotiveerd waarom er “onvoorziene ontwikkelingen van ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen” bestaan waardoor moet afgeweken worden van het GRS. Zij stellen dat de bijgevoegde woonbehoeftestudie niet beschouwd kan worden als een onvoorziene ontwikkeling die een afwijking van het GRS rechtvaardigt, zonder dat hiervoor een nieuw structuurplan wordt opgemaakt. X-18.066-9/37 Zelfs indien de nieuw opgestelde woonbehoeftestudie een grond kan vormen voor de afwijking van het GRS, dan nog is volgens verzoekers de motivering met betrekking tot deze afwijking manifest ondeugdelijk. In artikel 2.1.2, § 3, VCRO ligt de klemtoon immers op het onvoorzien of dringende karakter van de afwijking, terwijl de studie besluit dat er geen behoefte is aan extra woongelegenheden in Grimbergen. Door het bestreden gemeentelijk RUP vast te stellen op basis van het loutere feit dat eventuele geplande projecten in de toekomst niet zouden worden uitgevoerd en dit eventueel zou kunnen leiden tot een woningbehoefte, loopt de verwerende partij zichzelf voorbij. Niets staat eraan in de weg om in de toekomst een aangepaste woonbehoeftestudie op te maken waaruit dan alsnog kan blijken dat er nood is aan extra woonbehoefte. 4.1.
  40. In een tweede middelonderdeel zetten verzoekers uiteen dat het bestreden gemeentelijk RUP niet past in het beleid dat de verwerende partij vooropstelt in het GRS, dat inbreiding vooropstelt. Verder stoelt de verwerende partij haar woonbeleid op de bevolkingsprognose 2007-2012, waarin vastgesteld wordt dat de bevolking niet zal aangroeien. Principieel dient er dus niet bijgebouwd te worden. De verwerende partij maakt evenwel voorbehoud voor geactualiseerde data, waarmee de conclusie – en dus de beleidslijn – aangepast kan worden, en maakt aldus een “getrapte conclusie”. Uit het GRS volgt dat, indien er “meer accuraat cijfermateriaal beschikbaar is om het woningaanbod naar de toekomst toe te berekenen”, er “wijzigingen kunnen aangebracht worden ten opzichte van de conclusies” uit het GRS. In casu ligt er evenwel geen aangepaste conclusie voor waaruit blijkt dat er reeds behoefte is aan bijkomende wooneenheden die niet gerealiseerd kunnen worden binnen de beschikbare markt. De woonbehoeftestudie wijzigt deze conclusie niet, maar maakt deze afhankelijk van een bijkomende studie inzake het verhogen van de gabaritten in Strombeek-Bever. Verzoekers erkennen dat de woonbehoeftestudie vermeldt dat de woonuitbreidingsgebieden aangesneden kunnen worden middels de opmaak van een RUP, doch dit wordt afhankelijk gemaakt van de opmaak van de gabarittenstudie Strombeek-Bever, die niet voorhanden is. Zolang deze X-18.066-10/37 gabarittenstudie niet is opgemaakt, blijft de conclusie van het GRS dat er geen behoefte is tot aansnijding van het kwestieuze WUG 3 Beigemveld. 4.2.
  41. In hun memorie van wederantwoord stellen verzoekers dat het overduidelijk is dat het GRS de veruitwendiging is van de doelstellingen van artikel 1.1.4 VCRO op gemeentelijk niveau. Indien niet voldaan is aan de doelstellingen uit het richtinggevend gedeelte van het GRS, is er ook niet voldaan aan de doelstellingen van artikel 1.1.4 VCRO. Ook volgt overduidelijk uit het middel waarom er een schending is van de artikelen 2.2.2, § 1, en 2.2.13, § 2, VCRO. Uit deze artikelen volgt immers dat een gemeentelijk RUP wordt opgemaakt ter uitvoering van het GRS. 4.2.
  42. Ten gronde doen verzoekers met betrekking tot het eerste middelonderdeel nog gelden dat de woonbehoefte uit het GRS niet gekoppeld is aan een bepaalde periode, omdat het GRS uitdrukkelijk slechts in uitzonderlijke gevallen een afwijking van de woonbehoefte voorziet. Zowel de woonbehoeftestudie als de toelichtende nota bij het bestreden gemeentelijk RUP maken louter de kanttekening dat er in de toekomst “eventueel” een behoefte “kan” zijn “indien” enkele geplande projecten niet succesvol zouden zijn of vertraging zouden oplopen. Een dergelijke hypothese biedt onvoldoende zekerheid om de woonbehoefteberekening uit het richtinggevend gedeelte van het GRS terzijde te schuiven. Uit de woonbehoeftestudie blijkt immers niet dat de krapte reëel is, noch dat het sociaal bindend objectief niet behaald kan worden zonder het aansnijden van het WUG 3 Beigemveld. Deze loutere hypotheses kunnen niet aanzien worden als onvoorziene omstandigheid, noch als dringende reden om een afwijking van het GRS toe te staan overeenkomstig artikel 2.1.2, § 3, VCRO. 4.2.
  43. Aangaande het tweede middelonderdeel betogen verzoekers dat het GRS slechts zeer voorwaardelijk stelt dat WUG’s ontwikkeld kunnen worden, en dit om reden van het gemeentelijk “inbreidingsbeleid”. Aangezien in casu geen aangepaste conclusie voorligt waaruit blijkt dat er behoefte is aan bijkomende wooneenheden die niet binnen de beschikbare markt gerealiseerd kunnen worden, kan de conclusie van het GRS niet aangepast worden. Ook kan de ontwikkeling van het WUG 3 Beigemveld niet passen “in de visie dat nieuwe X-18.066-11/37 woonontwikkelingen mogelijk zijn door inbreiding”. Verzoekers herhalen verder dat de woonbehoeftestudie de bijkomende woonbehoefte uitdrukkelijk afhankelijk maakt van een gabarittenplan in Strombeek-Bever, alsmede van een verdichtingsstudie in Strombeek-Bever. Zij zijn er niet van overtuigd dat het hier een louter “redactionele vergissing” zou betreffen. Indien er daadwerkelijk sprake was van een louter “redactionele vergissing” in de woonbehoeftestudie, zou een zorgvuldig handelende overheid een dergelijke fout niet hebben overgenomen in de toelichtende nota bij het gemeentelijk RUP. Het is ook niet omdat de betrokken woonuitbreidingsgebieden STRWR1 en WUG 3 Beigemveld ver uit elkaar liggen, dat een gabarittenstudie niet relevant kan zijn voor de beleidsbeslissing omtrent beide woonuitbreidingsgebieden. Immers kan uit deze studie blijken dat het WUG 3 Beigemveld (nog) niet aangesneden moet worden indien er in de andere kern voldoende capaciteit kan vrijgemaakt worden. Dit is geenszins nonsensicaal, en een berekende beslissing van de gemeente Grimbergen. Bovendien blijkt uit de verdichtingsstudie van Strombeek-Bever in het Masterplan Strombeek-Bever, waar de verwerende partij naar verwijst, niet dat zou overgegaan dienen te worden tot het ontwikkelen van het WUG 3 Beigemveld. 4.
  44. Verzoekers betogen in hun laatste memorie, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat er geen aangetoonde behoefte aan bijkomende woonontwikkeling voorligt en dat het toelaten van een actualisatie van het GRS zonder de geijkte procedure te volgen, strijdig is met artikel 2.1.2, § 3, VCRO. Inzake het tweede middelonderdeel stellen zij dat de verwerende partij heeft nagelaten om eerst een gabarittenstudie op te maken. Beoordeling 5.1.
  45. Met de verwerende en tussenkomende partijen dient vastgesteld te worden dat het middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift, niet verduidelijkt op welke wijze het bestreden gemeentelijk RUP de artikelen 1.1.4 VCRO, 2.1.2, § 6, VCRO en artikel 2.2.2, § 1, VCRO schendt. Het middel is in zoverre onontvankelijk. X-18.066-12/37 5.1.
  46. Gelet op het reglementair karakter van het bestreden besluit, wordt de schending van de motiveringswet, die enkel op individuele beslissingen toepassing vindt, evenmin op ontvankelijke wijze aangevoerd. 5.2.
  47. Verzoekers menen in hun eerste middelonderdeel dat er sprake is van een afwijking van de richtinggevende bepalingen van het GRS aangezien het kwestieuze WUG 3 Beigemveld door die bepalingen wordt gereserveerd. Vastgesteld moet evenwel worden dat blijkens het richtinggevend gedeelte van het GRS het WUG 3 Beigemveld niet zonder meer wordt gereserveerd, gelet op de volgende passage ervan: “Indien meer accuraat cijfermateriaal beschikbaar is om het woningaanbod naar de toekomst toe te berekenen of indien door herzieningen van het RSV of PRSVB de behoefteberekening opnieuw dient te gebeuren, kunnen wijzigingen aangebracht worden ten opzichte van de conclusies uit voorliggend gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. Indien dan blijkt dat er wel een behoefte aan bijkomende ontwikkelingsmogelijkheden voor wonen (buiten het beschikbare aanbod op de markt) zou zijn, kan eveneens woonuitbreidingsgebied aangesneden worden voor wonen waarbij de rangorde op lijst van de prioritair te ontwikkelen WUG’s wordt gerespecteerd [...]. De gemeente ondersteunt het aansnijden van WUG voor de realisatie van grootschalige sociale woningbouwprojecten niet. De gemeente pleit voor woningbouwprojecten waarbij een gezonde sociale mix wordt nagestreefd. Een gezonde sociale mix is een garantie op het voorkomen van leefbaarheidsproblemen en verhoogt de woonkwaliteit. Er wordt geopteerd om sociale woningen door middel van kleinschalige projecten in te passen over de verschillende kernen waarbij onbebouwde percelen binnen de bestaande woongebieden of revitaliseringsprojecten worden beoogd om te voorzien in het bindend sociaal objectief dat aan de gemeente wordt opgelegd voor de periode 2009-
  48. Indien toch de aansnijding van WUG wordt beoog[d], in kader van de realisatie van het bindend sociaal objectief, door een sociale huisvestingsorganisatie, via een groepswoningbouwproject of door het verkrijgen van een principieel akkoord van de deputatie, wenst de gemeente haar voorkeur uit te spreken over de gebieden die zij in dergelijke gevallen prioritair wenst ontwikkeld te zien. […] Omdat een groot aandeel van de woonuitbreidingsgebieden wordt gesitueerd in de kernen-in-het-buitengebied Beigem en Humbeek en omdat in deze kernen bedachtzaam moet worden omgesprongen met nieuwe ontwikkelingen inzake woonbehoefte worden de woonuitbreidingsgebieden op het grondgebied van de gemeente opgelijst in volgorden van afnemend belang tot ontwikkeling: X-18.066-13/37

(1)GR WUG 3 wordt prioritair aangesneden. Het woonuitbreiding[s]gebied ligt binnen het hoofddorp, aansluitend bij de stelplaats van de lijn en wordt volledig omsloten door woonlinten. Het werd bovendien reeds grotendeels ontwikkeld waarbij aanknopingspunten in de wegenis werden voorzien voor de vervollediging van het project.
(2)[…]” (GRS, richtinggevend deel, p. 221-222) 5.2.
  1. De mogelijkheid tot actualisering van het woningaanbod, waarop het bestreden gemeentelijk RUP is gestoeld, is zodoende uitdrukkelijk voorzien in het GRS. Een bijzondere motivering met betrekking tot onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften of dringende sociale, economische of budgettaire redenen is te dezen dan ook niet van toepassing. 5.2.
  2. In de conclusie van de woonbehoeftestudie die is opgenomen in de toelichtingsnota bij het bestreden gemeentelijk RUP, leest men: “De voorliggende actualisatie van de woonbehoeftestudie toont aan dat Grimbergen op korte en lange termijn kan voorzien in de woonbehoefte volgens de open bevolkingsprognoses van de provincie Vlaams-Brabant. Genomen maatregelen Vanuit de gemeente worden er verschillende initiatieven genomen – reeds in voege of in de toekomst – om het woonaanbod te verhogen: […] Indien alle maatregelen verlopen zoals gepland is er tegen 2030 minstens een woonreserve van 75 woongelegenheden (plus deze die door verdichting zullen worden gerealiseerd tussen 2020 en 2030). Andere maatregelen Indien bepaalde elementen afwijken van de vooropgestelde timing (vertraging bij de ontwikkeling van projecten, het niet verderzetten van de belastingsregimes na 2019, etc.) kan er op de markt een te krap woonaanbod zijn. Daarom dient de gemeente bijkomend in te zetten op de volgende woonontwikkelingsmogelijkheden, […] • Herbekijken van de bestemming van de bestaande woonuitbreidingsgebieden. Onder 6.3.3 wordt er een duidelijke timing aangegeven voor de gefaseerde ontwikkeling van de onderstaande woonuitbreidingsgebieden. • GR WUG 3, Beigemveld: als fase 1 ontwikkelen met voorwaarden betreffende het sociaal objectief (zie verder Bindend Sociaal Objectief) […] • Het opstellen van een RUP voor de aansnijding van [het woonreservegebied] STRWR1 en van het woonuitbreidingsgebied GR WUG 3 worden afhankelijk gemaakt van deze studie aangaande de verdichting te Strombeek-Bever en worden pas voorzien na 2020 […]. X-18.066-14/37 […] Bindend Sociaal Objectief […] Het omzetten en gedeeltelijk aansnijden van onderstaande woonuitbreidingsgebieden dient daarom gestuurd te worden door de gemeente, bijvoorbeeld door de verplichte opmaak van een masterplan door de ontwikkelaar en door het nemen van alle mogelijke maatregelen om voldoende woningen ervan te reserveren voor de eigen (niet-geïmmigreerde) inwoners van Grimbergen. Het bestuur kiest, rekening houdend met bovenstaande principes, voor een gecombineerde invulling van volgende gebieden: • GR WUG 3, Beigemveld: ontwikkelen op korte termijn […]” Uit de conclusie van de woonbehoeftestudie blijkt zodoende dat “indien bepaalde elementen afwijken van de vooropgestelde timing (vertraging bij de ontwikkeling van projecten, het niet verderzetten van de belastingsregimes na 2019, etc.)”, “er op de markt een te krap woonaanbod kan zijn”, reden waarom de gemeente volgens deze studie bijkomend dient in te zetten op onder meer de ontwikkeling van het kwestieuze WUG 3 Beigemveld. Met betrekking tot het bindend sociaal objectief is er sprake van een “ontwikkeling op korte termijn” van dit WUG. 5.2.
  3. Verzoekers betrekken het voorschrift inzake het bindend sociaal objectief (artikel 5 van de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP) niet bij de uiteenzetting van het middel in hun verzoekschrift. Voorts overtuigen verzoekers er niet van dat te dezen onterecht zou zijn uitgegaan van een te krap woonaanbod ingevolge een “vertraging bij de ontwikkeling van projecten”. Zij weerleggen niet het in concreto-betoog van de verwerende partij dat deze vertraging zich wel degelijk voordoet, en overtuigen er niet van dat de krapte in het woonaanbod ten tijde van het bestreden besluit om die reden ten onrechte zou zijn aangenomen. 5.2.
  4. Gelet op wat voorafgaat, wordt het eerste middelonderdeel verworpen. 5.3.
  5. In het tweede middelonderdeel betogen verzoekers dat de woonbehoeftestudie de bijkomende woonbehoefte uitdrukkelijk afhankelijk maakt X-18.066-15/37 van een gabarittenplan en een verdichtingsstudie in Strombeek-Bever. Zij baseren zich hiervoor op de volgende passage uit de conclusie van de woonbehoeftestudie: “Andere maatregelen Indien bepaalde elementen afwijken van de vooropgestelde timing (vertraging bij de ontwikkeling van projecten, het niet verderzetten van de belastingsregimes na 2019, etc.) kan er op de markt een te krap woonaanbod zijn. Daarom dient de gemeente bijkomend in te zetten op de volgende woonontwikkelingsmogelijkheden, • Verder begeleiden en opstarten van de ontwikkeling van de publieke eigendommen. In het masterplan voor Strombeek-Bever wordt een visie voor deze verdichting uitgewerkt. Het gaat hier zowel om het ontwikkelen van binnengebieden en het bijkomend aansnijden van onderbenutte gebieden als het vergroten van de bouwmogelijkheden door het specifiek verhogen van het aantal toegelaten woonlagen. Momenteel is het aantal woonlagen volgens het gewestplan nr. 25 (Halle-Vilvoorde-Asse) immers beperkt tot twee. Er wordt een gabarittenplan opgesteld om na te gaan waar het verhogen van het aantal woonlagen mogelijk is. Het is al duidelijk dat een doorgedreven bouwblokkenanalyse nodig is. Vervolgens zal een RUP worden opgemaakt om deze mogelijkheden voor bepaalde delen van Strombeek-Bever juridisch te veranderen. De goedkeuring van dit RUP wordt voorzien tegen
  6. • Herbekijken van de bestemming van de bestaande woonuitbreidingsgebieden. • GR WUG 3, Beigemveld: als fase 1 ontwikkelen met voorwaarden betreffende het sociaal objectief (zie verder Bindend Sociaal Objectief) • STR WR1, Potaarde, de gemeente zal zelf een RUP opstellen waar wonen in het park centraal staat door het inplannen van 3 ha groen (beslist naar aanleiding van het schrappen van dit gebied uit het VSGB). Het opstellen van een RUP voor dit gebied wordt afhankelijk gemaakt van bovenstaande studie aangaande de verdichting te Strombeek-Bever en wordt in een tweede fase voorzien. • […] • Het opstellen van een RUP voor de aansnijding van de woonreserevegebied STRWR1 en van het woonuitbreidingsgebied GR WUG 3 worden afhankelijk gemaakt van deze studie aangaande de verdichting te Strombeek-Bever en worden pas voorzien na 2020 […]. […]” Aangenomen dat een studie aangaande de verdichting te Strombeek-Bever vereist was alvorens het bestreden gemeentelijk RUP voor het aansnijden van het WUG 3 Beigemveld kon worden vastgesteld, moet met de verwerende en tussenkomende partijen worden aangenomen dat een dergelijke studie met de “bouwblokkenstudie” uit het in 2016 opgeleverde Masterplan X-18.066-16/37 Strombeek-Bever vóór het nemen van het bestreden besluit voorhanden was. De vermelding in het door verzoekers bijgebrachte stuk “Startnota RUP Gabaritten Strombeek Bever” dat “[d]e Verdichtingsstudie van PTArchitecten binnen het RUP Gabariten Strombeek-Bever […] een update, uitbreiding en verdieping [is] van de bouwblokkenstudie uit het Masterplan Strombeek-Bever”, doet niet anders besluiten”. 5.3.
  7. Het tweede middelonderdeel kan, gelet op wat voorafgaat, evenmin aangenomen worden. 5.4 Het middel wordt in zijn geheel verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 6.
  8. Verzoekers voeren in een tweede middel de schending aan van artikel 4.2.3, §§ 2 en 3, en bijlage I van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (DABM), alsook van het materiëlemotiverings-, zorgvuldigheids-, rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij betogen dat de dienst Mer niet van volledige feiten vertrokken is en daardoor niet zorgvuldig en met kennis van zaken kon besluiten dat de opmaak van een plan-MER niet nodig was. Concreet is er volgens hen sprake van een gebrekkige planologische toets. Zij zetten uiteen dat het bestreden gemeentelijk RUP de gewestplanbestemming ‘woonuitbreidingsgebied’ naar ‘projectgebied’ wijzigt. In het onderdeel van de toelichtingsnota van augustus 2021 waarbij de aanvraag tot de plan-MER-screening wordt geconcretiseerd, wordt met geen woord gerept over de huidige bestemmingsvoorschriften van toepassing op het projectgebied en over de inhoud van de voorschriften die van toepassing zouden zijn op de projectbestemming in het bestreden gemeentelijk RUP. De overheid vertrekt van de feitelijke toestand, wat compleet in strijd is met de vereisten van de planologische toets. X-18.066-17/37 Bovendien wordt er geen opsplitsing gemaakt tussen de verschillende plangebieden (A, B en C) in het referentiekader. Dit is volgens verzoekers nochtans realistisch nu er binnen het volledige plangebied verschillende bestemmingen bestaan. De vergelijking is dan ook niet zorgvuldig gebeurd, en de plan-MER-screening is als zodanig gebrekkig. 6.
  9. In hun memorie van wederantwoord betogen verzoekers dat het kennelijk onredelijk is te stellen dat de gewestplanbestemming ‘woonuitbreidingsgebied’ dezelfde activiteit toelaat als de bestemming ‘projectgebied’ binnen het bestreden gemeentelijk RUP. Terwijl de bestemming ‘projectgebied’ het mogelijk maakt om over te gaan tot het bouwen van “open, gesloten en half-open eengezinswoningen” en “kleinschalige meergezinswoningen” (artikel 5.3 van de stedenbouwkundige voorschriften), zijn dergelijke individuele bebouwingen overeenkomstig de gewestplanbestemming woonuitbreidingsgebied slechts mogelijk wanneer “de bevoegde overheid over de ordening van het gebied niet heeft beslist”. De nieuwe bestemming van het bestreden gemeentelijk RUP wijkt dan ook af van de oorspronkelijke bestemming “woonuitbreidingsgebied”. Verder benadrukken verzoekers dat de dienst Mer bij de beoordeling uitgegaan is van een feitelijke toestand als referentietoestand in plaats van de planologische bestemming. Zij stellen er belang bij te hebben dat er een vergelijking plaatsvindt tussen de oorspronkelijke gewestplanbestemming en de bestemming ‘projectgebied’ volgens het gemeentelijk RUP. Op basis van het GRS konden zij er immers van uitgaan dat het WUG Beigemveld voor langere termijn niet ontwikkeld zou worden. Bovendien konden zij ervan uitgaan dat, indien toch zou overgegaan worden tot ontwikkeling van het WUG, er minstens een vergelijking zou hebben plaatsgevonden van de milieueffecten van de oorspronkelijke planologische toestand, enerzijds, en de nieuwe planologische toestand, anderzijds. Dergelijke vergelijking had nuttige informatie kunnen opleveren over de milieueffecten, zoals over de gewijzigde bodemkwaliteit. Ten slotte herhalen verzoekers dat er in de plan-MER-screening geen opsplitsing werd X-18.066-18/37 gemaakt tussen de verschillende plangebieden in het referentiekader, waardoor de vergelijking niet op zorgvuldige wijze kon gebeuren. 6.
  10. Verzoekers herhalen in hun laatste memorie dat de planologische toets gebrekkig is uitgevoerd. Beoordeling 7.
  11. Vooreerst dient met de verwerende partij en de tussenkomende partijen te worden vastgesteld dat het middel onontvankelijk is in de mate dat in het verzoekschrift de schending van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel wordt aangevoerd, maar niet wordt toegelicht. 7.
  12. Om wettig gebruik te kunnen maken van de in artikel 4.2.3, § 3, DABM bedoelde afwijkingsmogelijkheid van de principiële plan-MER-plicht, moet cumulatief aan twee voorwaarden worden voldaan: het plan of programma moet het gebruik bepalen van een klein gebied op lokaal niveau of een kleine wijziging inhouden en de initiatiefnemer moet aantonen dat het plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. 7.
  13. Te dezen wordt, wat de eerste voormelde voorwaarde betreft, door de plannende overheid aangevoerd dat het bestreden gemeentelijk RUP het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau en zich beperkt tot het ontwikkelen van een verkaveling en afwerken van een reeds bestaande verkaveling. Dit wordt door verzoekers niet betwist. 7.
  14. Verder diende de verwerende partij na te gaan of het bestreden gemeentelijk RUP aanzienlijke milieueffecten op de bestaande situatie van mens en leefmilieu kan hebben. Indien er aanzienlijke milieueffecten kunnen zijn, geldt in beginsel de plan-MER-plicht. 7.
  15. Bij de milieueffectscreening van een RUP moet voor elke zone van het plan de vergelijking worden gemaakt tussen de verordenende voorschriften van het bestaande plan en die van het voorgenomen plan (hierna: de planologische X-18.066-19/37 toets). De huidige feitelijke bestemming van het gebied is bij deze planologische toets niet relevant. Wanneer uit de voornoemde planologische toets blijkt dat er zich inzake milieueffecten een relevante wijziging voordoet, moet deze wijziging bij het onderzoek worden betrokken. Voor het uitvoeren van een volledig en zorgvuldig effectenonderzoek kan de voornoemde planologische toets echter niet volstaan wanneer de betrokken percelen zich vanuit milieuoogpunt in een bijzondere feitelijke situatie bevinden, zoals bij de vastgestelde aanwezigheid van waardevolle natuurelementen. In dat geval moet ook worden nagegaan of er, gelet op die bestaande feitelijke toestand, milieueffecten kunnen zijn bij de realisatie van het voorgenomen plan. 7.
  16. Verzoekers menen dat de planologische toets gebrekkig is en uiten in dit verband kritiek op het feit dat er niets gezegd wordt over de huidige bestemmingsvoorschriften en de inhoud van de stedenbouwkundige voorschriften die ten gevolge van het bestreden gemeentelijk RUP voor de bestemming projectgebied toepassing vinden. 7.
  17. Wat de intrinsieke degelijkheid van een plan-MER-screening betreft, is de Raad van State niet bevoegd om zijn beoordeling in de plaats van die van de dienst Mer te stellen. In de uitoefening van het hem opgedragen rechtmatigheidstoezicht is hij wel bevoegd om na te gaan of de dienst Mer op grond van juiste, relevante en toereikende feitelijke gegevens in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat de opmaak van een plan-MER niet nodig is. Het materiëlemotiveringsbeginsel houdt in dat een besluit van het bestuur moet gedragen worden door rechtens verantwoorde motieven die kunnen blijken, hetzij uit het besluit zelf, hetzij uit de stukken van het dossier. Het zorgvuldigheidsbeginsel verplicht de overheid zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van een beslissing en ervoor te zorgen dat de juridische en feitelijke aspecten van het dossier deugdelijk worden geïnventariseerd en gecontroleerd, zodat de overheid met kennis van zaken kan beslissen. X-18.066-20/37 7.
  18. Verzoekers’ betoog dat er vertrokken wordt vanuit de feitelijke toestand voor de beoordeling van de milieueffecten en aan de vergelijking van de stedenbouwkundige voorschriften niet de nodige aandacht wordt besteed, kan geen bijval vinden. In de conclusie van de bespreking van de discipline ‘Bodem’ leest men immers: “[In de toekomst] zullen [de agrarische] activiteiten niet langer toegelaten worden. Bijgevolg zijn de mogelijkheden toegelaten binnen voorliggend RUP beperkter dan de mogelijkheden toegelaten binnen de huidige planologische toestand. Er kan bijgevolg gesteld worden dat de effecten niet van die aard zullen zijn dat er sprake kan zijn van aanzienlijke negatieve milieueffecten op de discipline bodem. Eerder is een licht positief effect te verwachten.” Bij de bespreking van de discipline ‘Grond- en oppervlaktewater’ leest men: “Concluderend kan gesteld worden dat de uitvoering van het RUP niet zal resulteren in aanzienlijke milieueffecten op de discipline grond- en oppervlaktewater. Het voorliggend RUP maakt de ontwikkeling van activiteiten met een aanzienlijk negatief effect op het grond- en oppervlaktewater niet mogelijk. Een toename van de bebouwing en verharding is mogelijk. Dit is echter eveneens mogelijk binnen de huidige planologische context. De voorafgaande bepalingen in de stedenbouwkundige voorschriften garanderen een duurzame waterhuishouding voor het plangebied.” Verzoekers citeren in hun verzoekschrift voorts de bespreking van de referentiesituatie onder de rubriek ‘hitte’ zoals die weergegeven is bij de bespreking van de discipline ‘Atmosfeer en klimatologische factoren’, maar gaan er verder in het verzoekschrift niet op in, zodat niet inzichtelijk wordt gemaakt welke wettigheidskritiek zij op dit punt uiten. In hun memorie van wederantwoord wordt er bovendien niet langer naar verwezen. 7.
  19. Verzoekers overtuigen er gezien het voormelde niet van dat de geviseerde bestemmingswijziging van ‘woonuitbreidingsgebied’ naar ‘projectgebied’ niet afdoende betrokken werd bij de opmaak van de screeningsnota en de beoordeling ervan door de dienst Mer. X-18.066-21/37 7.
  20. Tenslotte is verzoekers’ kritiek dat “geen opsplitsing gemaakt [wordt] van de verschillende plangebieden (A, B en C) in het referentiekader – nochtans realistisch want binnen het volledige plangebied bestaan er verschillende bestemmingen, waardoor de vergelijking niet zorgvuldig gebeurde” onvoldoende uiteengezet om een ontvankelijke wettigheidskritiek uit te maken. 7.
  21. Verzoekers overtuigen er gelet op wat voorafgaat niet van dat de planologische toets gebrekkig is gebeurd. 7.
  22. Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 8.
  23. Verzoekers voeren in een derde middel de schending aan van artikel 1.3.1.1 juncto artikel 1.1.3, § 2, 18°, van het decreet van 18 juli 2003 ‘betreffende het integraal waterbeleid’ (hierna: DIWB), alsook van het materiëlemotiverings-, zorgvuldigheids-, rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij betogen dat de watertoets niet afdoende is en strijdig is met het zorgvuldigheids- en materiëlemotiveringsbeginsel omdat de conclusies tegenstrijdig zijn met de premisses van de plan-MER-screening. Bovendien blijkt uit de plan-MER-screening, alsook uit de watertoets dat er een verhoogd risico op overstromingen bestaat bij hun woningen, terwijl hier geen afzonderlijke aandacht aan besteed wordt. De verwerende partij vervalt volgens hen in vage voorschriften en intenties. De vaststellingen en conclusies van de watertoets negeren de realiteit. Het betrokken plangebied en aanpalende zones, in het bijzonder daar waar verzoekers woonachtig zijn, zijn in juli 2021 overstroomd door een teveel aan hemelwater. De bevoegde schepen heeft dit beaamd, doch een en ander wordt nergens behandeld in het bestreden gemeentelijk RUP. Door de verharding van meer dan 8 ha zal de situatie alleen maar erger worden: het riool- en regenwater zal aflopen van de helling van het Beigemveld van het noorden naar het zuiden. Ook X-18.066-22/37 heeft de gemeente op 28 augustus 2021, bij monde van haar schepen van Omgeving, de waterproblematiek van de Kruipstraat behandeld en heeft zij middels een beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 16 augustus 2021 bijkomende ad hoc-maatregelen voorzien. Bovendien werd de problematiek doorgeschoven naar de technische dienst van de gemeente, waardoor verzoekers geen rechtszekere oplossing voor de wateroverlast krijgen. Door het formuleren van vage maatregelen heeft de verwerende partij onzorgvuldig geoordeeld over de mogelijke overstromingsrisico’s voor hun woningen. Hoewel verzoekers erkennen dat de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP meer duidelijkheid lijken te scheppen over de opvang en retentie van hemelwater, lijkt deze “verplichting” volgens hen met het nodige voorbehoud te zijn geformuleerd. Uit het grafisch plan kan immers niet worden afgeleid waar de onbebouwde zones gecreëerd zullen worden. Daarnaast stellen zowel de watertoets als de voorschriften van het gemeentelijk RUP dat er moet voorzien worden in “maximale” opvang, retentie en infiltratie van hemelwater. Deze norm laat dermate veel ruimte aan de uiteindelijke ontwikkelaar dat er geenszins gesproken kan worden van een rechtszekere oplossing die rekening houdt met de geschetste waterproblematiek. Verder handelt de verwerende partij in strijd met haar eigen beleidslijnen door het bestreden gemeentelijk RUP vast te stellen zonder afdoende maatregelen inzake de waterproblematiek. Zij wijzen in dit verband op een mail van 17 juli 2021 waarin de schepen van Omgeving de overstromingsproblematiek in de gemeente erkent. Met deze mail, in het kader van de wateroverlast in Grimbergen in juli 2021, lijkt de schepen inspiratie geput te hebben uit het Klimaatplan 2021-2030 Grimbergen. Dat de verwerende partij, enerzijds, erkent dat er een bijzondere waterproblematiek bestaat in de gemeente Grimbergen en, anderzijds, zich slechts beperkt tot bijzonder vage formuleringen getuigt van kennelijk onzorgvuldig bestuur. Uit de motivering van het bestreden besluit kan niet worden afgeleid waarom de vage maatregelen zouden volstaan om tegemoet te komen aan de bezorgdheid omtrent de waterhuishouding in het Klimaatplan 2021-2030 van de gemeente Grimbergen en om tegemoet te komen aan de door de schepen van Omgeving geuite bezorgdheid. Verzoekers wijzen erop dat het X-18.066-23/37 plangebied op de kaart ‘Overstromingsgevoelige gebieden’ aangeduid wordt als “mogelijk overstromingsgevoelig”, dat uitdrukkelijk wordt aangehaald dat de bodem slecht waterdoorlatend is en dat het verharden van de Boterweg reeds ernstige overstromingsproblemen in de omgeving veroorzaakte, elementen waarmee geen rekening gehouden werd. Tenslotte blijkt nergens uit dat het riolerings- of afwateringssysteem toereikend is om het project met ongeveer 190 woningen te ontlasten via de rioolbuis van een straat waarop momenteel slechts vijftien woningen zijn aangesloten. 8.
  24. In hun memorie van wederantwoord herhalen verzoekers dat de watertoets niet voldoet aan de materiëlemotiveringplicht omdat de beoordeling van de grondwaterstromingsgevoeligheid uitgesteld wordt naar een later tijdstip en de conclusies van de watertoets tegenstrijdig zijn met de premisses zoals opgenomen in de beschrijving van de plan-MER-screening. Zij blijven erbij dat de stedenbouwkundige voorschriften niet voldoende precies zijn geformuleerd, waardoor er aan de ontwikkelaar van het bestreden gemeentelijk RUP teveel ruimte wordt gegeven en er geen rechtszekere oplossing wordt geboden voor de waterproblematiek, alsook dat de recente overstromingen van juli 2021 ten onrechte niet zijn betrokken bij de watertoets. Omdat er vragen kunnen worden gesteld bij de noodzaak van de nieuwe verhardingen, is er geen reden om aan te nemen dat de verwerende partij zich houdt aan het Klimaatplan 2021-2030 van de gemeente Grimbergen. Aangezien daarenboven de bodem van het plangebied voor het overgrote deel niet infiltratiegevoelig is om reden van een droge leembodem, zal dit het risico op wateroverlast vergroten. Tenslotte benadrukken verzoekers de onduidelijkheid over de mate waarin het riolerings- of afwateringssysteem toereikend is voor het project. Zij kregen nooit een antwoord van de bevoegde diensten op hun vraag naar de dimensionering van het rioleringssysteem. 8.
  25. Verzoekers betogen in hun laatste memorie dat de stedenbouwkundige voorschriften aangaande de duurzame waterhuishouding wel zeer ruim geformuleerd zijn. Hoewel het Boterwegje niet binnen het plangebied ligt, benadrukt de overstroming net naast het plangebied de overstromingsgevoeligheid van het plangebied. Uit de vage stedenbouwkundige X-18.066-24/37 voorschriften blijkt tenslotte niet dat tegemoetgekomen zal worden aan het klimaatplan. Beoordeling 9.
  26. De plannende overheid erkent dat het plangebied in het zuiden beperkt gekarteerd is als mogelijk overstromingsgevoelig. In de conclusie van de watertoets worden voorts een aantal speciale aandachtspunten aangeduid om eventuele potentieel nadelige effecten te beperken. Zo dient er voldoende aandacht besteed te worden aan de mogelijke overstromingsgevoeligheid van het plangebied (opvang van hemelwater) en zal in het kader van de vergunningverlening dienen te worden aangetoond dat maximale opvang, retentie en infiltratie van hemelwater gewaarborgd wordt teneinde te garanderen dat de ontwikkeling van het gebied inzake overstromingsgevaar geen bijkomende druk legt op de omliggende gebieden, zodat schadelijke effecten worden voorkomen. Verder worden er in het bestreden gemeentelijk RUP wel degelijk concrete voorschriften opgelegd die met het voormelde rekening houden. Zo bevat artikel 1.2 van de stedenbouwkundige voorschriften een aantal bepalingen met betrekking tot waterhuishouding en -beheer en bevat artikel 1.3 voorschriften met betrekking tot verhardingen. Artikel 1.2 stelt meer bepaald: “Binnen het plangebied wordt een duurzame waterhuishouding voorop gesteld. Indien bebouwing of verhardingen voorzien worden moet de maximale opvang, retentie en infiltratie van hemelwater gewaarborgd worden. In de onbebouwde zones zullen landschappelijk gekaderde ingrepen (grachten, wadi’s, waterpartijen...) voor de opvang en retentie van hemelwater zorgen. In functie van een duurzaam watergebruik wordt het opgevangen hemelwater maximaal aangewend voor functioneel gebruik.” 9.
  27. Een tot op zekere hoogte flexibele invulling van het uitvoeringsplan als planinstrument vormt niet noodzakelijk een inbreuk op de te bieden rechtszekerheid. Het beginsel van de rechtszekerheid verhindert niet dat stedenbouwkundige voorschriften flexibel kunnen worden opgevat, noch dat deze een bepaalde discretionaire bevoegdheid kunnen verlenen aan de vergunningverlenende overheden bij de beoordeling van een stedenbouwkundige X-18.066-25/37 vergunningsaanvraag. In het licht daarvan tonen verzoekers geen onwettigheid aan om de enkele reden dat de maatregelen ter waarborging van de opvang, retentie en infiltratie van hemelwater in functie van het concrete project en de daarin voorziene bebouwing en verharding zullen worden ingevuld. Op planniveau komen de overwegingen met betrekking tot de watertoets als voldoende voor, in acht genomen de omstandigheid dat de bevoegde overheid redelijkerwijze enkel rekening kan houden met elementen en omstandigheden die haar op dat ogenblik reeds bekend zijn of kunnen zijn. Dat de geviseerde watertoets nog geen nuttige resultaten kan opleveren voor wat betreft de precieze locatie van de infrastructuur die voor de waterbeheersing noodzakelijk zou kunnen blijken, is niet strijdig met de in het middel aangevoerde rechtsregels. 9.
  28. Waar verzoekers bekritiseren dat geen melding wordt gemaakt van de overstroming door een teveel aan hemelwater in juli 2021, tonen zij niet aan dat het plangebied in juli 2021 overstroomd is. De in hun verzoekschrift opgenomen foto’s hebben louter betrekking op de aansluiting van het Boterwegje – dat ligt langs de westelijke grens van het plangebied – met de Kruipstraat, waar plaatselijk dit wegje (eenmalig) blank stond, alsook een deel van de Kruipstraat. 9.
  29. De verwerende en de tussenkomende partijen wijzen verder op goede gronden op de behandeling van de bezwaren die werden ingediend in het kader van de mobiliteitsstudie en waarin verzoekers’ voormelde kritiek aan bod komt. Die bezwaren worden als volgt beantwoord: “Wateroverlast: Er is voldoende rekening gehouden met de mogelijk impact van de bebouwing en verhardingen van de voorliggende verkaveling. De aanvraag voldoet aan de wettelijke bepalingen inzake integraal waterbeleid. Het nieuw te ontwikkelen gebied ligt voor een beperkt stuk in mogelijk overstromingsgevoelig gebied. Er worden een reeks maatregelen voorzien (wadi’s, grachten, hemelwaterputten, infiltratiemaatregelen, …) om garanties te bieden dat de afwikkeling van water naar de omliggende straten uiterst beperkt zal zijn. […] Slecht een beperkte oppervlakte aan de zuidkant van het plangebied valt binnen het ’mogelijk overstromingsgevoelig gebied’(Geopunt, 2021). Dat is niet hetzelfde als ‘effectief overstromingsgevoelig gebied’. Beigemveld ligt relatief hoog, en ver verwijderd van waterlopen. Het gaat om X-18.066-26/37 landbouwgrond, waarbij de lichte glooiing uitzonderlijk zorgde voor wat verplaatsing van regenwater naar de wat lager gelegen zones binnen de contouren van het plangebied. Precies dat zal nog beter ondervangen worden door de aanleg van de wijk. Een belangrijke voorwaarde die de gemeente heeft gesteld bij de voorafgaande besprekingen was dat het hemelwater in de nieuwe wijk maximaal ter plaatse zou blijven. Met deze vraag werd terdege rekening gehouden en hieraan is het noodzakelijke studiewerk voorafgegaan. Onder meer door een minimum aan verharding, via waterdoorlatende verharding, grote poreuze rioleringsbuizen, grachten met schotten langs de meeste wegen en een systeem van opeenvolgende wadi’s zal de verkaveling in staat zijn het regenwater maximaal ter plaatse te houden en te laten infiltreren. Het systeem voorziet in meer capaciteit dan wettelijk vereist is, zodat het rioleringsnet stroomafwaarts zo min mogelijk belast zal worden. Er werd voldoende rekening gehouden met de mogelijk[e] impact van de bebouwing en verhardingen van de voorliggende verkaveling. De aanvraag voldoet aan de wettelijke bepalingen inzake integraal waterbeleid. Wel zal ervoor gezorgd moeten worden dat, in afwachting van de realisatie van de tweede fase, de nieuwe woningen en de tijdelijke groenzone voldoende worden afgeschermd van de resterende (noordelijk gelegen) landbouwzone, die in de tweede fase zal worden verkaveld. Dit dient te gebeuren met de nodige bermen en grachten, zodat het hemelwater op het terrein van deze landbouwzone blijft. Volgens bovenvermelde schets zijn zowat alle omliggende straten en woningen in het westen en het zuiden van het project lichtblauw ingekleurd en dus ’mogelijk overstromingsgevoelig’. In de praktijk is er daar evenwel helemaal geen structureel en zelfs geen occasioneel probleem. Sinds de recente verharding van het Boterwegje (in uitvoering van de verkavelingsvergunning) doet er zich bij hevige regenval wel een probleem voor op het kruispunt van dit wegje met de Kruipstraat. Door het samenspel van de verharding en de iets lager[e] ligging fungeerde het wegje als een soort kanaaltje voor water van de hoger gelegen velden. Het gaat evenwel om tijdelijke problemen, die aanvankelijk niet konden verholpen worden door het stilleggen van de werken n.a.v. de uitspraken van de Raad voor Vergunningsbetwistingen en de Raad van State. Inmiddels werden er op last van het gemeentebestuur beveiligingswerken uitgevoerd (aanleg van grachten en een dam, aansluiten van de dwarsroosters), om wateroverlast zo veel mogelijk te vermijden via die weg, behoudens uitzonderlijke omstandigheden. De ontwikkelaar heeft aan het college toestemming gevraagd om nog bijkomende grachten te kunnen graven. […Deze] werd verleend op het schepencollege van 16 augustus. Er is geen reden om aan te nemen dat ten gevolge van de realisatie van de wijk zich nieuwe wateroverlast zou voordoen, vermits de nieuwe wijk er juist op gericht is om het hemelwater via een doordacht systeem van grachten en buffers maximaal ter plaatse te laten infiltreren en voldoet aan de wetgeving m.b.t. hemelwater.” Ook de kritiek in verband met de riolering komt aan bod: X-18.066-27/37 “Dit bezwaarschrift heeft geleid tot een bijkomend controlebezoek ter plaatse van de gemeentelijke diensten, samen met de deskundigen van de ontwikkelaar begin augustus
  30. De foto’s betreffen een onafgewerkte toezichtsput van het overstortsysteem voor hemelwater vanuit de wadi aan de Kruipstraat. De diameter van de buizen die aansluiten op de bestaande riolering werd niet gekozen op basis van het berekende debiet dat hierdoor kan vloeien, maar op basis van buffercapaciteit. Er zal enkel in uitzonderlijke toestanden hemelwater uit het project naar de bestaande riolering vloeien, namelijk wanneer de overstort in werking treedt. Dan nog zal volgens de berekeningen maximaal 2 % van het totale watervolume via deze weg afvloeien, nadat de grachten, bufferbekkens en alle (brede) infiltratiebuizen verzadigd zijn. Het debiet van deze overstorten is beperkt (ca. 0,6 l/s) en zeker niet te vergelijken met het debiet van de afstromende velden bij hevig regenweer. De kwestieuze foto’s over te kleine aansluitingsputten geven nog deels de situatie weer van tijdens de opbouw van de riolering m.b.t. de overloop. Er is geen abnormaliteit vastgesteld op deze foto’s. Het rioleringsstelsel van de verkaveling wordt aangesloten op de grote riolering van de Kruipstraat richting Beukendreef/Wezelstraat met een diameter 600 gemengd. Deze is ruim voldoende voor de opvang later van RWA en DWA komende van de verkaveling en van de bestaande bebouwing in de omgeving. Wat betreft de bezorgdheid dat de wadi de overstort van private regenwaterputten moet opvangen: alle woningen moeten hun terrassen laten afwateren in de aangrenzende groenzones. De opritten moeten uitgevoerd worden in waterdoorlatende verharding. Bijkomend werd er bij de berekening van de buffercapaciteit voor het hele project rekening gehouden met 80 m² verharde oppervlakte per lot. Het buffervolume voorzien in de wadi’s, grachten en rioleringsbuizen is hier dus op berekend. Het is tevens zo dat elk perceel groter dan 250 m² verplicht is om zelf een infiltratievoorziening te plaatsen. De regenwaterputten op privaat terrein zullen overstorten in deze infiltratievoorziening en pas als deze laatste volledig vol is, zal dit overstorten naar de riolering in het project.” 9.
  31. Zoals de tussenkomende partijen terecht opmerken, wordt in het bestreden besluit uitdrukkelijk verwezen naar het besluit van de gemeenteraad van 26 augustus 2021 waarbij de zaak van de wegen van de verkavelingsaanvraag voor het zuidelijk gedeelte van het plangebied voorwaardelijk werd goedgekeurd. Dit gemeenteraadsbesluit bevat als bijlage de behandeling van de bezwaren. Verzoekers tonen in dit licht geen schending van de aangevoerde rechtsregels aan. 9.
  32. In de mate dat verzoekers menen dat de beoordeling van de grondwaterstromingsgevoeligheid wordt uitgesteld naar een later tijdstip, is hun X-18.066-28/37 kritiek onvoldoende uiteengezet. In dit verband zij herhaald dat de overheid bij het doorvoeren van de watertoets redelijkerwijze enkel rekening kan houden met elementen en omstandigheden die haar op dat ogenblik reeds bekend zijn of kunnen zijn. Indien de watertoets betwist wordt, moet concreet aangegeven worden op grond van welke elementen deze in twijfel kan worden getrokken. Het enkele gegeven dat in de watertoets wordt voorgesteld om inzake grondwaterstromingsgevoeligheid de bevoegde instanties te contacteren indien bepaalde situaties zich op projectniveau voordoen, teneinde potentieel nadelige effecten te beperken, volstaat niet om te besluiten dat de watertoets niet zorgvuldig zou zijn gebeurd. 9.
  33. Verzoekers’ kritiek dat het bestreden besluit in strijd is met “de beleidslijn” die zou blijken uit de mail van 17 juli 2021 van de bevoegde schepen en met het Klimaatplan 2012-2030 van de gemeente Grimbergen, kan evenmin bijval vinden. Enerzijds, blijkt immers niet dat de betreffende mail een “beleidslijn” bevat, laat staan dat deze beleidslijn voor de plannende overheid bindend zou zijn. Anderzijds, kan de vage kritiek dat “[u]it de motivering van het bestreden besluit […] niet [kan] worden afgeleid waarom de opgelegde, vage maatregelen genoegzaam zijn om […] tegemoet te komen aan de bezorgdheid omtrent waterhuishouding uit het Klimaatplan 2021-2030 Grimbergen” niet volstaan om te besluiten tot de onwettigheid van het bestreden gemeentelijk RUP. 9.
  34. Het middel wordt verworpen. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 10.
  35. Verzoekers voeren in een vierde middel de schending aan van artikel 1.1.4 VCRO, van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, alsook van het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. X-18.066-29/37 Zij zetten uiteen dat het bestreden gemeentelijk RUP vier verschillende ontsluitingen creëert voor de vier kwadranten die niet met elkaar in verbinding staan, waarvan de twee zuidelijke kwadranten (kwadranten 3 en 4) ontsloten worden via de Kruipstraat. Deze twee zuidelijke kwadranten voorzien in een grotere dichtheid van woningen. Verzoekers stellen dat volgens het bestreden besluit de Kruipstraat verbreed zal worden en omgevormd tot een fietsstraat, maar zijn het niet eens met de stelling dat deze straat “in grote mate [voldoet] aan de criteria voor een fietsstraat”. Verzoekers lijsten de mobiliteitsmaatregelen op die de gemeenteraad in het kader van de verkavelingsvergunning heeft genomen voor de Kruipstraat, maar menen dat de bijkomende autobewegingen manifest negatieve gevolgen hebben op de mobiliteit en de leefbaarheid van de Kruipstraat. De beperkte ruimte in de Kruipstraat zorgt ervoor dat de gemeente slechts beperkte mobiliteitsmaatregelen kan nemen en verzoekers zijn van oordeel dat deze maatregelen niet voldoende zullen zijn om de grote stroom aan gemotoriseerd verkeer in harmonie met de zwakke weggebruikers gebruik te laten maken van de Kruipstraat. Zo zullen hun kinderen niet langer op een veilige manier naar hun scholen in het centrum van Grimbergen kunnen fietsen en zal het werfverkeer zorgen voor verkeersonveilige situaties. Verzoekers besluiten dat de verwerende partij niet kan vooruitlopen op de zaken. Indien zij een ontsluiting voor het grootste deel van het binnengebied wil creëren langs de Kruipstraat, dient zij eerst de betrokken straat op te waarderen vooraleer zij hieromtrent een gemeentelijk RUP kan vaststellen. 10.
  36. In hun memorie van wederantwoord stellen verzoekers dat zij minstens impliciet aannemelijk hebben gemaakt in welke mate het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel geschonden zijn. Verder herhalen zij dat de smalle Kruipstraat nog steeds te kampen zal krijgen met een overbelasting van gemotoriseerd verkeer en dat fietsers nog steeds de hele straat zullen moeten trotseren en te maken zullen krijgen met verkeersonveilige situaties. De mobiliteitsmaatregelen die met het gemeenteraadsbesluit van 26 augustus 2021 zijn genomen, zijn zeer beperkt door de weinige ruimte in de Kruipstraat. De X-18.066-30/37 criteria waaraan een fietsstraat moet voldoen en die zijn opgenomen in de mobiliteitsstudie spreken met geen woord over de nodige breedte van een weg om op een veilige manier een fietsstraat voor tweerichtingsverkeer in te richten. Een zorgvuldig handelende overheid moet nagaan in hoeverre een breedte van 4 meter voldoende is om het verkeer veilig te laten verlopen. Tenslotte menen verzoekers dat de veilige ontsluiting van het plangebied nog steeds op een rechtsonzekere wijze geregeld is. 10.
  37. Verzoekers benadrukken in hun laatste memorie geen nieuwe argumenten in hun memorie van wederantwoord te hebben naar voor gebracht. Beoordeling 11.
  38. Het middel is onontvankelijk in de mate dat een schending van de motiveringswet wordt aangevoerd om de reden vermeld onder randnummer 5.1.
  39. Voorts wordt in het verzoekschrift de schending van het rechtszekerheidsbeginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel niet uiteengezet. Het middel is ook in zoverre niet ontvankelijk. De laattijdige uiteenzetting in de memorie van wederantwoord vermag dit niet goed te maken. De desbetreffende excepties van de verwerende en de tussenkomende partijen zijn gegrond. 11.
  40. Uit de beginselbepaling van artikel 1.1.4 VCRO volgt dat de diverse binnen dit artikel bedoelde behoeften en de daarmee gepaard gaande aanspraken op de ruimte evenwichtig en gelijktijdig tegen mekaar moeten worden afgewogen en dat bij deze afweging rekening dient te worden gehouden met de ruimtelijke draagkracht van de omgeving. De Raad van State oefent hierop een wettigheidstoets uit, maar het komt aan de plannende overheid toe om de nodige beleidskeuzes te maken. Het komt de verzoekende partij, die artikel 1.1.4 VCRO geschonden acht, toe om aan te tonen dat de gemaakte keuze de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat. 11.
  41. Verzoekers’ kritiek heeft betrekking op de volgens hen “manifeste negatieve gevolgen” van de ontwikkeling van het plangebied op de X-18.066-31/37 mobiliteit en de leefbaarheid van de Kruipstraat, waardoor verkeersonveiligheid dreigt. 11.
  42. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat na de vernietiging bij ’s Raads arrest nr. 249.451 van 12 januari 2021 van het op 26 april 2018 vastgestelde gemeentelijk RUP (zie randnummer 3.18) een mobiliteitsstudie werd uitgevoerd waarover eveneens een openbaar onderzoek werd gehouden. Verzoekers gaan in hun middel niet concreet in op de inhoud van deze studie, noch op de weerlegging van de bezwaren die in dat verband werden ingediend en die gelijkaardig zijn aan de kritiek die zij thans aanvoeren. Die kritiek werd daarbij als volgt weerlegd: “De toename aan gemotoriseerd verkeer vanuit de verkaveling zal slechts een beperkt effect hebben op de verkeersdrukte op de ontsluitende wegenis en de hieraan gekoppelde kruispunten zoals aangegeven in de mobiliteitsstudie op p.
  43. […] De mobiliteitsstudie toont aan dat er geen aanzienlijke toename van het gemotoriseerde verkeer zal zijn. De toename aan gemotoriseerd verkeer vanuit de verkaveling zal slechts een beperkt effect hebben op de verkeersdrukte in de omliggende straten. Ook aan de noordzijde worden maatregelen genomen, zoals de invoering van een zone
  44. Door de spreiding van de ontsluiting wordt de belasting bovendien verdeeld over de omringende ontsluitende wegenis. De voorliggende verkavelingsaanvraag betreft overigens enkel het zuidelijke gedeelte, ‘fase 1’. […] De mobiliteitsstudie toont aan dat er geen buitensporige toename van het gemotoriseerde verkeer zal zijn. De invoering van het systeem van kwadranten zal zorgen voor een evenwichtige spreiding. De vrees voor een toevloed in de omliggende straten is dan ook ongegrond. De gemeente zal ook de flankerende maatregelen uit de mobiliteitsstudie effectief uitvoeren zoals bijvoorbeeld de zone 30 ten noorden en ten zuiden van de verkaveling. […] Door de invoering van kwadranten en de strikte scheiding van de kwadranten ZW en ZO zal zeker het zuidwestelijke kwadrant weinig bijkomende hinder ondervinden. Ten gevolge van de verplaatsing van de knip n.a.v. de aanleg van de wegenis, wikkelen de 22 woningen van Pellenbergveld niet langer af via de Keienberglaan, maar via de Wezelstraat en dus kwadrant ZO. Hierdoor beperkt de toename van het aantal woningen voor kwadrant ZW zich in realiteit tot 37 en in een latere fase nog tot 31, waardoor kwadrant ZW het minst belast wordt. […] Een fietsstraat biedt bijkomende veiligheid aan de fietsgebruikers, reduceert de snelheid van het autoverkeer en creëert een verkeersluw karakter met een minimum aan hinder zoals lawaai, snelheid enz… X-18.066-32/37 Een fietsstraat is nog steeds vlot toegankelijk voor al het autoverkeer maar maakt de autobestuurder ondergeschikt aan de trage weggebruiker. Dit impliceert dat de straat verkeersveiliger wordt en minder hinder genereert doch geen autoverkeer uitsluit. Er dient trager gereden te worden, doch er kan nog steeds autoverkeer zijn. […] Het invoeren van een fietsstraat heeft niet als voorwaarde dat er eenrichtingsverkeer geldt. Gelet op de residentiële ligging die geen deel uitmaakt van een sluiproute, de algemene verkeersregels en de verkeersregels die gelden in een fietsstraat wordt geen onveilige situatie gecreëerd. Bovendien wordt het smalste gedeelte van de Kruipstraat omgevormd tot een zone voor plaatselijk verkeer eventueel met aangeduide parkeervakken. In deze zone van de Kruipstraat (tussen de Keienberglaan en de P.P. Rubensstraat) wordt enkel nog het gemotoriseerde verkeer verwacht van de plaatselijke 16 woningen. Het gemotoriseerd verkeer van of voor de woningen uit de nieuwe wijk en uit de rest van de Kruipstraat wordt omgeleid via de P.P. Rubensstraat en de G. Geleynstraat. Deze straten zijn breder. Door de bochten in het traject kan hier niet snel gereden worden. De gemeente heeft de taak haar wegen te onderhouden zodat zij veilig zijn voor het toegelaten verkeer. De staat van de Keienberglaan zal nagekeken worden. De alternatieve maatregelen (eenrichting, bijkomende knip,…) zullen pas onderzocht worden indien zou blijken dat de voorgestelde maatregelen niet zouden volstaan; dit zou gebeuren na tellingen, via proefopstellingen en in samenspraak met de buurtbewoners. We gaan ervan uit dat deze maatregelen niet nodig zullen zijn. […] De fietsstraat loopt vanaf de Armand Preud’hommelaan tot aan de Keienberg. Matexi heeft voor fase 2 van de verkaveling een inrichting uitgewerkt met een aaneengesloten parkzone van circa 7.100m², waardoor veel beter wordt tegemoetgekomen aan de vereisten van het RUP. Dit had tot gevolg dat de kwadranten gewijzigd werden en dat er veel meer woningen zouden afwikkelen via zuidwest dan in het oorspronkelijke voorstel van oktober
  45. Dit werd uiteindelijk teruggebracht met 12, zodat een meer evenwichtige verdeling tot stand kwam. In het nieuwe voorstel wikkelen alle appartementen af via kwadrant
  46. Hierdoor zullen er in het noordelijke deel van de fietsstraat minder auto’s rijden (nog enkel deze van 39 eengezinswoningen). De fietsstraat wordt dus minder zwaar belast dan in het oorspronkelijke voorstel en dan in het tussenvoorstel van augustus
  47. Daarnaast vergeet de bezwaarindiener te vermelden dat er bij kwadrant ZW rekening moet gehouden worden met de overheveling van 22 bestaande woningen van Pellenbergveld naar kwadrant ZO. Daardoor is de toename van dit kwadrant beperkt tot 31 wagens (37 in de eerste fase). Ook deze overheveling is in het voordeel van de fietsstraat. […] 1.De cijfers van kwadrant ZO kloppen wel degelijk. Er is immers een kavel weggevallen vlakbij Pellenbergveld, zodat er nog 31 van de 32 overblijven. X-18.066-33/37 De andere kwadranten hebben in de definitieve versie resp. 53 woningen, 39 en
  48. In het noorden zijn er 6 woningen die buiten de kwadranten vallen. Samen maakt dat 191 woningen. 2.De 22 woningen van Pellenbergveld werden inderdaad overgeheveld van kwadrant 4 naar
  49. Hierdoor zullen er in dit kwadrant na realisatie van de tweede fase (31 + 22=) 53 woningen afwikkelen naar ZO. Wanneer de 10 open kavels bebouwd worden, zal het om 63 woningen gaan. Via kwadrant 4 zullen na realisatie van de 2de fase 53 nieuwe woningen afwikkelen. Daarnaast zijn er in dit deel van de Kruipstraat nog 12 bestaande woningen die op dezelfde wijze afwikkelen. In totaal dus 65 woningen. ZO en ZW zijn hiermee in evenwicht.[…] De mobiliteitsstudie reikt verschillende oplossingen aan om deze trage verbinding veiliger te maken: • Inzake de ontsluiting van het langzaam verkeer op de Kruipstraat wordt aanbevolen voldoende aandacht te vestigen op de mogelijke conflictsituatie met het gemotoriseerd verkeer door het aanbrengen van de nodige bebording en wegmarkering om de voorrangssituatie duidelijk te maken. Daarnaast wordt hier verkeersmenging op het kruispunt zelf aanbevolen. • Het zuidwest deel van de Kruipstraat zal omgevormd worden tot een fietsstraat. De gemotoriseerde voertuigen zullen de fietsers niet langer mogen inhalen. • In de Kruipstraat ter hoogte van het Boterwegje zullen de auto’s maximum 30 kilometer per uur mogen rijden. • Bijkomend zal het bestuur optreden tegen afsluitingen in de voor- en zijtuin die te hoog zijn en daardoor de zichtbaarheid van en op de gebruikers van de voetweg hinderen. Ook binnen het projectgebied zal er een trage verbinding gerealiseerd worden. Het voorgenomen project gaat uit van 4 kwadranten waarbij de noord-zuidrelatie doorheen het projectgebied enkel voor zacht verkeer wordt weerhouden. Hierbij wordt er een autovrije verbinding tussen de kwadranten voorzien, centraal binnen het projectgebied in de vorm van een exclusieve fiets- en voetgangersverbinding. Door de ligging tussen de kwadranten wordt deze verbinding niet gekruist door gemotoriseerd verkeer, waardoor er een optimale veiligheid gegarandeerd kan worden. Deze verbinding wordt aangevuld met een alternatieve noordzuidverbinding via het Boterwegje aan de oostzijde van het projectgebied. Het voorgenomen project gaat uit van vier kwadranten waarbij de noordzuidrelatie doorheen het projectgebied enkel voor zacht verkeer wordt weerhouden. Hierbij wordt er een autovrije verbinding tussen de kwadranten voorzien, centraal binnen het projectgebied in de vorm van een exclusieve fiets- en voetgangersverbinding. De noord-zuid fietsverbinding loopt tussen de kwadranten waardoor deze verbinding niet gekruist wordt door het gemotoriseerd verkeer. Hierdoor kan er een optimale veiligheid gegarandeerd worden. Enkel voor een beperkte afstand wordt deze noord-zuid verbinding ook gebruikt door het gemotoriseerd verkeer. Maar ook hiervoor werd er een verkeersveilige oplossing gezocht, met name door deze as om te vormen naar een fietsstraat. X-18.066-34/37 In een fietsstraat mogen fietsers de volledige breedte van de rijbaan (eenrichtingsverkeer) of de helft van de rijbaan langs de rechterzijde (tweerichtingsverkeer) gebruiken. Gemotoriseerde voertuigen mogen fietsers niet inhalen en maximum 30 kilometer per uur rijden. Via dit kwadrant ZW gaat de fietsstraat richting Keienberglaan. Daarnaast wordt de noord-zuid fietsverbinding ook aangevuld met een autovrije alternatieve noord-zuidverbinding via het Boterwegje aan de oostzijde van het projectgebied, die ook gebruikt kan worden door de trage weggebruikers. Een fietsstraat en autoverkeer sluiten mekaar zeker niet uit. Van de nieuwe wijk zullen 59 woningen ontsloten worden via kwadrant 4 (ZW) in fase 1 waarvoor een vergunning werd aangevraagd. Eenmaal het volledige project is aangelegd zullen dit 53 woningen zijn. Uit de mobiliteitsstudie (p20 en p29) blijkt dat er maximaal zo’n 15 bijkomende auto’s in/uit kwadrant 4 verwacht worden, ervan uitgaande dat het aantal woningen gelijk over de kwadranten verdeeld wordt. Rekening houdende met het correcte aantal woningen voor kwadrant 4 worden 18 wagens in/uit kwadrant ZW verwacht op het drukste spitsuur. Tezamen met de 6-tal autobewegingen van de 14 bestaande woningen gelegen langs de Kruipstraat, tussen de in- en uitrit van kwadrant ZW en het Boterwegje, komt dit op zo’n 24 wagens tijdens dat spitsuur. Het drukste moment in één richting wordt verwacht tijdens de ochtendspits waarbij een 20-tal wagens richting Beigemsesteenweg zal rijden tijdens het drukste uur. Qua aantal fietsers worden uit de verkaveling maximaal 5 tot 20 fietsbewegingen op het drukste spitsuur verwacht, rekening houdende met 4,4% tot 15% fietsers in de modal split en 191 woningen. Zelfs indien iedere fietser uit de wijk via de fietsstraat zou rijden en er nog fietsers bijkomen van buiten de wijk, gaat het niet om aantallen die een autovrije baan vereisen. Het verwachte aantal verkeersbewegingen van 59/53 woningen is dus niet van die aard dat de fietsstraat onveilig is. In een fietsstraat zijn auto’s immers te gast en mogen ze fietsers niet inhalen. De breedte per rijbaan is voldoende voor een vlotte en veilige doorgang van het aantal fietsers en ook voor het aantal wagens. […] In de Kruipstraat was er geen sluipverkeer vermits er een tractorsluis aanwezig was. Deze visie wordt verdergezet in de Kruipstraat aan de hand van een knip. […] De invulling van het gebied met wonen zal – na uitvoering van de werken - geen andere functies en zeker geen vrachtverkeergenererende functies (andere dan occasionele hulpdiensten, verhuiswagens, vuilnisophaalwagens) genereren. De beschreven risico’s zijn dan ook niet relevant. Vrachtverkeer in functie van de uit te voeren werken binnen de verkaveling, valt niet te weren. Dit hoort spijtig genoeg bij een nieuwe ontwikkeling. Het bezwaar is dan ook ongegrond aangezien het enkel en alleen betrekking heeft op de tijdelijke werken. Dat neemt niet weg dat de gemeente tijdens de werffase tijdelijke flankerende maatregelen kan opleggen zoals straten voorbehouden voor X-18.066-35/37 plaatselijk verkeer, vrachtverkeer via een specifieke route, venstertijden voor vrachtverkeer bij de uitvoering van de bouwwerken enz… Dit soort maatregelen is gangbaar bij het afleveren van omgevingsvergunningen voor bouwwerken. De deputatie is evenwel de vergunningverlenende overheid in beroep. […]” Ondanks dit uitvoerige antwoord spreken verzoekers louter tegen dat de Kruipstraat in grote mate voldoet aan de criteria voor een fietsstraat. Zij plaatsen hier in hun verzoekschrift enkel tegenover dat “[d]e waarachtigheid van een dergelijke stelling […] echter betwistbaar is” . In wezen doen zij niet meer dan hun eigen visie in de plaats te stellen van die van de plannende overheid. Verzoekers tonen aldus niet aan dat de door deze overheid gemaakte keuze de grenzen van de redelijkheid zou te buiten gaan of anderszins onwettig zou zijn. De eerst in de memorie van wederantwoord verder uitgewerkte kritiek is laattijdig en derhalve onontvankelijk. 11.
  50. Verder hernemen verzoekers de mobiliteitsmaatregelen die de gemeenteraad in het kader van de verleende verkavelingsvergunning heeft genomen. Hun kritiek beperkt zich ertoe te beweren dat “de bijkomende autobewegingen manifest negatieve gevolgen [zullen] hebben op de mobiliteit en de leefbaarheid van de Kruipstraat”, dat de “maatregelen […] niet voldoende [zullen] zijn om de grote stroom aan ‘gemotoriseerd verkeer’ in harmonie met de zwakke weggebruikers gebruik te laten maken van de Kruipstraat” en dat het werfverkeer zal zorgen voor verkeersonveilige situaties. Afgezet tegen de uitvoerige beantwoording van de bezwaren volstaat ook deze kritiek niet om aan te tonen dat de opvatting van de plannende overheid onjuist of onredelijk zou zijn. 11.
  51. Het middel wordt verworpen
  52. De middelen zijn ongegrond gebleken. Het beroep moet hoe dan ook verworpen worden. BESLISSING
  53. De Raad van State verwerpt het beroep. X-18.066-36/37
  54. De verzoekende partijen worden, elk voor een derde, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 600 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van de tussenkomsten, begroot op 300 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien oktober tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-18.066-37/37 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.633 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.