← België

Arrest 257634 - Examens (onderwijs) - 13/10/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.634 Rolnummer: A. 240214/IX-10349 Zaak: Arrest 257634 - Examens (onderwijs) - 13/10/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-10-18 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-06-10 13:51 Fiche Arrest nr 257.634 van 13 oktober 2023 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 257.634 van 13 oktober 2023 in de zaak A. 240.214/IX-10.349 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW KATHOLIEK ONDERWIJS BRUSSEL ANNUNTIATEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47 bus 001 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 5 oktober 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 28 september 2023 van de beroepscommissie van de vzw Katholiek Onderwijs Brussel Annuntiaten waarbij aan XXXX een oriënteringsattest B wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. IX-10.349- 1/23 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2023, om 11.00 uur. Staatsraad Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Kristien Vanderheiden, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2022-2023 als regelmatig leerling ingeschreven in het tweede leerjaar van de tweede graad, technisch secundair onderwijs, studierichting Bedrijfswetenschappen, aan het Mater Dei- Instituut te Sint-Pieters-Woluwe, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. 3.
  5. Op 20 juni 2023, tijdens het examen fysica, treft de toezichthoudende leerkracht een USB-stick aan in de laptop van verzoeker, met daarop drie mappen ‘economie’, ‘aardrijkskunde’ en ‘fysica’, dewelke vermoedelijk door verzoeker tijdens de respectievelijke examens zijn geopend waardoor er een vermoeden van fraude in zijnen hoofde bestaat en hij hierdoor een 0-quotering krijgt voor de examens van de vakken aardrijkskunde, economie en fysica. IX-10.349- 2/23 3.
  6. Over het schooljaar heen beschouwd behaalt verzoeker vijf jaartekorten. Op 30 juni 2023 kent de delibererende klassenraad aan verzoeker een oriënteringsattest B toe, met clausulering voor de doorstroomfinaliteit Bedrijfswetenschappen TSO, op grond van de volgende motivering: “Advies: Gezien je zwakke resultaten raden we je aan een studierichting te kiezen in de dubbele finaliteit die meer aansluit bij je interesses en capaciteiten. Motivering: De leerling verliest veel punten door het niet nakomen van afspraken (niet maken of niet afgeven van taken, niet ingaan op aanbod inhaalso’s, enz.). De klassenraad heeft aanwijzingen dat de capaciteiten van de leerling meer tot hun recht zullen komen in een andere studierichting. De klassenraad heeft aanwijzingen dat de leerling problemen heeft met het verwerken van grotere leerstofgehelen. Ondanks herhaalde opmerkingen, aansporingen of nota’s op rapporten en in de agenda is er geen merkbare verbetering in de studiehouding vastgesteld. De klassenraad heeft duidelijke indicaties van een onvoldoende studie-inzet doorheen het hele jaar. Er werden in de loop van het jaar voldoende leertips en remediërende maatregelen meegegeven. De geboden kansen tot remediëring zijn onvoldoende benut door de leerling. Ouders en leerlingen werden tijdig verwittigd dat de tussentijdse resultaten en de vastgestelde studie-inzet dreigden tot een onvoldoende studieresultaat te leiden.” 3.
  7. Het overleg met de directrice leidt tot een nieuwe samenkomst van de delibererende klassenraad, waarbij kennis wordt genomen van verzoekers argumenten. De klassenraad bevestigt de eerste deliberatiebeslissing en gaat niet in op verzoekers vraag om bijkomende proeven toe te staan. 3.
  8. Met een brief van 5 juli 2023 dient verzoeker bezwaar in bij de beroepscommissie. IX-10.349- 3/23 3.
  9. Op 22 augustus 2023 beslist de beroepscommissie, verzoeker gehoord, dat er door verzoeker uitgestelde proeven mogen worden afgelegd voor de vakken chemie, fysica, aardrijkskunde en economie en dat de beroepscommissie daarna opnieuw zal samenkomen om het attest te beoordelen. Verzoeker behaalt een slaagcijfer voor elke bijkomende proef, behoudens voor chemie. 3.
  10. Op 1 september 2023 beslist de beroepscommissie aan verzoeker een B-attest toe te kennen met clausulering voor de doorstroomfinaliteit en met een gunstig advies voor overzitten, op grond van de volgende motivering: “De beroepscommissie overloopt de resultaten van de bijkomende proeven en het globaal jaarbeeld. Er is nog steeds een zwaar tekort voor chemie. Bovendien zijn de resultaten voor meerdere andere vakken (waaronder het richting vak economie) te laag om de doorstroom finaliteit goed voorbereid aan te vatten. Het studeren van grotere gehelen vormt duidelijk een probleem.” 3.
  11. Op 18 september 2023 stelt verzoeker een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in bij de Raad van State tegen de beslissing van de beroepscommissie van 1 september
  12. Bij arrest nr. 257.483 van 29 september 2023 wordt de voornoemde beslissing geschorst. 3.
  13. Op 28 september 2023 trekt de beroepscommissie haar beslissing van 1 september 2023 in en kent opnieuw een B-attest toe, met uitsluiting van de doorstroomrichtingen, op grond van de volgende overwegingen: “Vanuit de uitgebreide analyses van de leerkrachten (in bijlage) blijkt, samenvattend per vak, het volgende dat verantwoordt om de doorstroomrichtingen te clausuleren ten voordele van een doorlopende verderzetting van de economisch gerichte studies in de dubbele finaliteit: IX-10.349- 4/23 – Inzake het richtingvak Economie ° De leerling haalt gedurende het hele jaar betere resultaten op meer praktisch gerichte zaken dan op het inzichtelijke. ° Hij haalt een nipte voldoende op de bijkomende proef. Bij de vragen die meer inzicht vereisten scoorde XXXX globaal onvoldoende, wat hij deels kon compenseren met de reproductievragen wat hem een nipte voldoende (50,5%) opleverde. Op zich is dit een zeer laag resultaat voor een richtingvak bij een bijkomende proef die slechts de leerstof van het tweede semester omvatte. Ter vergelijking: De klasgenoot die dezelfde bijkomende proef aflegde op dezelfde dag haalde meer dan 78%. ° Het deel dat onvoldoende is, vereiste meer kennis en inzicht dan het deel met een nipte voldoende. Het voldoende deel wordt sterk beïnvloed qua resultaat door de onderdelen boekhouden. Dit is een typisch onderdeel dat in de richting Bedrijfsorganisatie verhoudingsgewijze ten opzichte van de inzichtelijke en kennisdelen een grotere plaats gaat innemen dan in Bedrijfswetenschappen. Hier toont de leerling dat zijn relatieve sterktes eerder in de praktische toepassing liggen, wat het advies dubbele finaliteit bevestigt. Bij de richting Bedrijfswetenschappen is er bovendien minder ruimte voor het inoefenen, iets waar deze leerling blijkbaar echt nood aan heeft om tot goede resultaten te komen. – Inzake het belangrijke ondersteunende vak wiskunde: ° De leerling toont zich individueel en binnen de groep zeer zwak op belangrijke onderdelen van de wiskunde die nodig zijn in het 5de jaar doorstroom. ° Zeker het inzichtelijke werk bij deze belangrijke onderdelen beheerst hij niet. ° Op het praktische, het toepassen, kan hij wel beter presteren en ligt zijn kans op een meer succesvolle verderzetting zonder vertraging van de studieloopbaan. ° De inzichtelijke kennis van deze onderdelen is immers minder tot niet aan de orde in de dubbele finaliteit in de derde graad, vandaar het advies dubbele finaliteit. – Inzake het vak Chemie, dat als onderdeel van het vak Natuurwetenschappen in de derde graad terugkomt: ° Voor dit vak is er een consistent globaal, over het gehele jaar, zeer zwak resultaat. ° Er werd door de leerling niet ingegaan op het aanbod remediëringsoefeningen te maken en er feedback over te krijgen, en het aanbod om bijgewerkt te worden. ° Een aantal basisdoelen van chemie 3de jaar (die tevens van belang zijn bij Fysica) bleken einde 4de jaar nog steeds niet verworven te zijn. De leerling toont een gebrek aan voorkennis van basisbegrippen, kennis die eigenlijk al in het 3de jaar had moeten verworven zijn. Over dat jaar beschikt de school enkel als informatie dat XXXX een B attest kreeg op de vorige school (SJB college) met uitsluiting ASO. Er zijn geen slaagkansen voor het vak Natuurwetenschappen in het 5de jaar Bedrijfswetenschappen gezien het gebrek aan basiskennis voor het vak chemie (en de andere wetenschappelijke vakken). – Inzake het vak Fysica, dat als onderdeel van het vak Natuurwetenschappen in de derde graad terugkomt: ° Voor Fysica is het globaal resultaat van de leerling ook zeer nipt. IX-10.349- 5/23 ° Binnen het vak is het zo dat de gebrekkige kennis van basisbegrippen die in het 3de jaar hadden verworven moeten zijn de leerling zullen hinderden bij het verwerven van de leerstof verderop in het curriculum doorstroom. Dit liet zich al meteen in het eerste trimester in het 4de jaar zien: alle cijfers kleuren rood. Het tweede semester is er beperkte verbetering in het dagelijks werk en examen, maar ook hier blijven de cijfers erg laag. ° Dat de leerling een aantal basiszaken van Wiskunde onvoldoende beheerst zal hem zeker parten spelen in de fysica onderdelen van het leerplan natuurwetenschappen in de derde graad doorstroom, waar deze basiszaken noodzakelijk zijn. Zie ook analyse Wiskunde. In de dubbele finaliteit speelt dit minder. – Inzake het vak Biologie, dat als onderdeel van het vak Natuurwetenschappen in de derde graad terugkomt: ° Hoewel de leerling geslaagd is voor het vak met een nipte 51%, behaalt hij slechts 3 van de 8 leerplandoelen. ° In de derde graad Bedrijfswetenschappen (doorstroom, domeingebonden) bouwen 6 van de 12 doelen verder op kennis opgedaan in het tweede jaar van de tweede graad. Dat deze leerling zo weinig doelen echt bereikt heeft aan het einde van de tweede graad verkleint zijn slaagkansen in de doorstroomrichting derde graad daarom zeer sterk. ° Het programma in de dubbele finaliteit is minder zwaar en geeft de leerling meer kans op slagen. ° De onregelmatige inzet en de hiaten in zijn kennis geven de leerling een extra handicap om de derde graad doorstroom met een redelijke kans op succes aan te vatten. Beter zet hij de relatieve sterkte van zijn praktische gerichtheid in de dubbele finaliteit in. ° Een leerling met tekorten/hiaten die zich wil verbeteren gaat normaal gretig in op een aanbod voor remediëring en extra oefeningen teneinde de hiaten weg te werken. XXXX ging niet in op het aanbod. In de dubbele finaliteit zit dit inoefenen in de lessen ingebouwd. – Inzake het algemene vak Godsdienst (tevens analyse van de klastitularis die overzicht houdt op alle vakken en de studeerattitude) blijkt verder: ° Het vak Godsdienst wordt in 4de jaar via gespreide evaluatie beoordeeld. Hierbij behaalde de leerling de leerplandoelstellingen. ° Wat echter opvalt is dat de leerling bij oefeningen die zelfstandigheid en inzicht vergden, meermaals niet tot een voldoende resultaat kan komen. Deze vaardigheden zijn belangrijk voor succes in de derde graad. Vanuit de bezorgdheid voor een voortzetting van het studieverloop zonder vertraging is de beroepscommissie van mening dat het beter is om voor de start van de derde graad te heroriënteren, gezien de derde graad als geheel binnen dezelfde studierichting moet worden voltooid. De slaagkansen van XXXX in de derde graag doorstroomfinaliteit zijn uitermate beperkt gezien zijn geringe basiskennis voor verschillende basisvakken.” IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  14. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele IX-10.349- 6/23 voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. IX-10.349- 7/23 V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  15. Verzoeker beroept zich terecht op de vaste rechtspraak van de Raad van State die stelt dat het dreigend verlies van een schooljaar een nadeel uitmaakt dat binnen een gewone schorsingsprocedure niet tijdig zal kunnen worden gekeerd. De verwerende partij betwist dit ook niet. VI. Ernst van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  16. Verzoeker voert in een eerste (lees: enig) middel de schending aan van de artikelen 60 en 61 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2022 ‘over de organisatie van het secundair onderwijs, wat leerlingen betreft’ (hierna: organisatiebesluit 2022), van de motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat hij mocht verwachten dat er een correct en afdoende antwoord zou volgen op zijn ernstige grieven zoals deze werden geformuleerd in het kader van het intern beroep en hij mocht verwachten dat een beslissing wordt gebaseerd op correcte en redelijke overwegingen en doordat artikel 61 van het organisatiebesluit 2022 voorziet dat studiekeuzes niet vroegtijdig mogen worden verengd, terwijl de bestreden beslissing de door hem aangevoerde grieven negeert en bijgevolg niet afdoende beantwoordt, waardoor de bestreden beslissing kennelijk onredelijk is en de motivering strijdig is met het dossier, waardoor deze bovendien onzorgvuldig is, temeer nu de studiekeuze vroegtijdig wordt verengd zonder redelijke verantwoording. Ter adstructie van het aangevoerde middel betoogt verzoeker in essentie dat, verwijzend naar de artikelen 60 en 61 van het organisatiebesluit van 2022, het aanvechten van het B-attest in de administratieve beroepsprocedure de beroepscommissie ertoe verplicht om in de veruitwendigde motieven de clausulering in het B-attest zorgvuldig te verantwoorden en een “prospectief” IX-10.349- 8/23 onderzoek te verrichten; dat hij, niettegenstaande hij slechts één tekort en voor de overige vakken voldoende tot mooie resultaten behaalt, toch een clausulering krijgt die het hem onmogelijk maakt zijn studies verder te zetten in een richting die aanleunt bij zijn interesses; dat nergens enige gerechtvaardigde motivering voor deze verregaande clausulering terug te vinden is en dat de verwerende partij er compleet aan voorbijgaat dat er slechts een tekort voorligt voor een vak dat volgend jaar niet in die hoedanigheid terugkomt, zodat alle overige resultaten op geen enkele wijze kunnen worden aangewend om een B-attest te motiveren. Verzoeker wijst erop dat de motivering van het al dan niet slagen van een leerling in de eerste plaats besloten ligt in de behaalde punten, die nog steeds de meest gebruikelijke manier van beoordelen vormen in het onderwijs en die de leerling in principe zal terugvinden op zijn rapport; dat die punten worden geacht een representatief beeld te geven van de kennis, de vaardigheden en, voor zover opgenomen in het leerplan, de attitudes van de leerling; dat uitgaande van het vermoeden van deskundigheid dat tot weerlegging ervan kleeft aan de hoedanigheid van leerkracht, ervan wordt uitgegaan dat de leerkrachten tijdens het schooljaar de aan de eindtermen gerelateerde en door het leerplan vereiste leerstof - kennisinhouden, vaardigheden en attitudes - volledig en bekwaam hebben onderwezen; dat zij de vorderingen van de leerling correct hebben geobserveerd en geëvalueerd tijden het ‘dagelijks werk’ of de permanente evaluatie; dat zij examens hebben opgesteld die niet eenzijdig maar representatief zijn voor de effectief onderwezen leerstof en voor de moeilijkheidsgraad; dat zij de examens objectief en vakkundig hebben verbeterd en aan de hand van een valide puntenspreiding over de leeronderdelen hebben gequoteerd teneinde over de bereikte kennis en vaardigheden (en eventueel attitudes) van de leerling te rapporteren en dat de relatieve waarde van de punten voor dagelijks werk en de proefwerken - in voorkomend geval, voor de permanente evaluatie - weloverwogen het leerproces van de leerling tijdens het jaar en zijn of haar capaciteit tot verwerking van afgewerkte en grotere gehelen weergeeft. IX-10.349- 9/23 Verzoeker onderstreept vervolgens dat een slaagcijfer een slaagcijfer is; dat daar, in principe, uit volgt dat de leerling die een voldoende jaarresultaat behaalt, voor dat vak de leerplandoelstellingen op voldoende wijze heeft bereikt en om die reden ook geslaagd wordt verklaard; dat er niet kan worden verwezen naar een slaagcijfer of onderdelen daarvan om de clausulering te rechtvaardigen; dat een klassenraad of een beroepscommissie op basis van de zwakke studieresultaten of delen daarvan wel een onderbouwd advies kan geven om een richting te ontraden, of zelfs een formele waarschuwing, of vakantietaken kan opleggen, maar de uiteindelijke verantwoordelijkheid bij de leerling die geslaagd is verklaard dient te laten en dat een beroepscommissie haar ‘prospectieve’ beslissing om een B-attest uit te reiken moet steunen op de concrete en objectieve gegevens van het individuele dossier en van de betrokken leerling. Dienaangaande licht verzoeker toe dat hij een nieuwe leerling was in de school en voor een aanzienlijke uitdaging stond bij de overgang naar deze school; dat de complexiteit van deze verandering, te midden van een nieuwe omgeving, tijd en begrip vereist; dat hij in het eerste semester acht tekorten had, grotendeels toe te schrijven aan het inschatten van het niveau, de aanpassing aan het schoolsysteem en het opbouwen van nieuwe relaties; dat deze aanpassingsperiode cruciaal was voor zijn integratie en prestaties en een adequate erkenning verdient bij de beoordeling van het afgelopen schooljaar; dat hij in het tweede semester aanzienlijke verbeteringen heeft laten zien door al zijn tekorten weg te werken; dat zijn buitengewone inzet heeft geleid tot een opmerkelijke stijging van zijn cijfers, namelijk voor de vakken aardrijkskunde (een stijging van 49,3% naar 70,9%, zijnde 43,75% evolutie), biologie (een stijging van 45,9% naar 55,2%, zijnde 20,96% evolutie), fysica (een indrukwekkende stijging van 38,8% naar 60,1%, zijnde 54,12% evolutie), geschiedenis (een stijging van 49,9% naar 56,4%, zijnde 13,03% evolutie) en wiskunde (een stijging van 44,2% naar 54,1%, zijnde 22,17% evolutie) en dat deze cijfers zijn competenties en zijn vermogen weerspiegelen om aanzienlijke vooruitgang te boeken en aldus de negatieve prospectieve blik tegenspreken. IX-10.349- 10/23 In zoverre de bestreden beslissing de vakken economie, wiskunde en godsdienst bespreekt waarbij wordt geponeerd dat er een gebrek zou zijn aan inzichtelijke kennis en zelfstandigheid, worden deze beweringen volgens verzoeker niet gestaafd voor de vakken economie, godsdienst en wiskunde, noch gerelateerd aan resultaten die het voor hem of de Raad van State mogelijk maken dit te verifiëren. Er kan worden beweerd dat er – gelet op dat vermeend gebrek aan inzicht – meer kans op succes is in een andere richting, maar die motivering toont volgens verzoeker daarmee nog niet aan dat er geen kans op slagen is in de huidige richting in een volgend jaar. Het gegeven dat bepaalde vaardigheden belangrijk zijn, is geen afdoende motivering. Als een leerling absoluut deze vaardigheden zou dienen te verwerven om naar een volgend jaar over te gaan, had hij geen slaagcijfer kunnen/mogen bekomen, wat in casu wel het geval is. Bovendien is verzoeker ervan overtuigd dat zijn vastberadenheid en inzet niet alleen hebben geleid tot groei, maar ook zijn bekwaamheid en potentieel voor verdere ontwikkeling aantonen; dat hij nog steeds in evolutie is en dat met voortdurende ondersteuning nog meer successen binnen handbereik liggen. Deze positieve evolutie blijft volgens verzoeker volstrekt onbesproken en wordt genegeerd, hetgeen opnieuw wijst op de onzorgvuldigheid van de beroepscommissie, terwijl elke zorgvuldig handelende beroepscommissie deze positieve evolutie evident zou hebben opgemerkt, temeer nu deze evolutie ook bijzonder relevant is, aangezien het tweede semester over grote(re) hoeveelheden leerstof gaat en de leerstof daar volgend jaar op ook verder bouwt. Als een leerling een dergelijke positieve evolutie laat zien, kan volgens verzoeker niet worden begrepen waarom hij deze evolutie het volgende jaar niet zou kunnen verderzetten en de bestreden beslissing toont dat dan ook niet op overtuigende wijze aan. Het verwijzen naar een vermeend gebrek aan inzicht is dan ook geen deugdelijk motief voor de clausulering. Vervolgens merkt verzoeker op dat de voorliggende clausulering volledig tegenstrijdig is met de motivering die de verwerende partij IX-10.349- 11/23 naar voren brengt; dat het compleet onredelijk is om examens te splitsen en een onderscheid te maken tussen praktische vaardigheden en theoretisch inzicht, aangezien hij hiervoor geslaagd is; dat dit willekeur creëert en de geloofwaardigheid ondermijnt van het evaluatiesysteem; dat duidelijke normen en uniforme beoordelingscriteria essentieel zijn voor een eerlijke beoordeling; dat in het rapport voornamelijk opmerkingen over zijn gebrek aan inzet werden gemaakt; dat de opmerkingen die in de bestreden beslissing zijn aangehaald tijdens het jaar nooit aan hem of zijn ouders zijn meegedeeld; dat het verrassend is dat deze kwesties nu pas worden aangehaald in de beslissing, zonder eerdere communicatie hierover en dat de inconsistenties in de communicatie vragen oproepen over de schoolbegeleiding en het proces van informatieoverdracht aan hem en zijn ouders. Dienaangaande benadrukt hij dat zijn cijfers voor de vakken biologie en fysica fors zijn gestegen zodat niet in te zien valt waarom hij geen kans op slagen heeft voor natuurwetenschappen; dat er geen ondersteuning is geweest door de school; dat niettegenstaande voor het vak economie evenmin een aanbod werd gedaan om de hiaten in kennis en begrip aan te pakken, hij toch geslaagd is voor het vak; dat de vergelijking van de verwerende partij met een medeleerling niet representatief is; dat hij ook voor het vak wiskunde ondanks de vastgestelde moeilijkheden is geslaagd en een significante groei is aangetoond; dat het vak godsdienst, niettegenstaande hij voor dat vak steeds een hoge score heeft gehaald, toch wordt aangewend om ongegronde tekortkomingen te bewijzen; dat er niet duidelijk wordt gemaakt welk verband er zou bestaan tussen zijn specifieke tekort voor het vak chemie en de door hem geambieerde richting of de andere categoriek uitgesloten richtingen; dat het vak chemie als dusdanig zelfs niet meer zal bestaan; dat evenmin wordt uitgelegd op welke wijze dit huidige tekort een volstrekte onmogelijkheid uitmaakt om in het volgende jaar te slagen (in de richting Bedrijfswetenschappen); dat zelfs een mogelijk toekomstig tekort binnen natuurwetenschappen op geen enkele manier aantoont dat hij geen enkele kans op slagen kan hebben in de geambieerde richting; dat bovendien dit tekort op een onbegrijpelijke en selectieve wijze wordt aangewend en dat ook de IX-10.349- 12/23 andere motieven van de bestreden beslissing – die vertrekken vanuit slaagcijfers – enkel meer succes in een andere richting aangeven, maar allerminst ervan kunnen overtuigen dat zijn kansen zo miniem zijn dat hij nu al zou kunnen worden tegengehouden. Tot slot toont de bestreden beslissing volgens verzoeker niet aan op welke manier de opgesomde – niet behaalde – leerplandoelstellingen een – problematisch – verband houden met deze van een volgend jaar, noch wordt aannemelijk gemaakt op welke wijze dit zou aantonen dat hij voor het geheel van de richting niet zou kunnen slagen in dat bewuste jaar, temeer daar hij met dit B- attest voor dit jaar wel als geslaagd dient te worden beschouwd, temeer daar het aantal uren voor het vak met een tekort op geen enkele wijze kunnen opwegen tegen de uren waarvoor slaagcijfers voorliggen, zodat op geen enkele wijze kan worden aangetoond dat hij op basis van dit tekort niet zou kunnen slagen voor de opleiding die hij wenst te volgen, terwijl een dergelijk overtuigend motief conform de rechtspraak van de Raad van State nochtans vereist is. Beoordeling
  17. Aan verzoeker is een oriënteringsattest B toegekend. Verzoeker heeft derhalve, naar luid van artikel 70, eerste lid, 2°, van het organisatiebesluit van 2022, het tweede leerjaar van de tweede graad “met vrucht en met clausulering” beëindigd. Clausulering betekent, aldus artikel 61, eerste lid, van het organisatiebesluit van 2022, dat “aan de overstap naar een hoger leerjaar beperkingen worden opgelegd”. In het tweede leerjaar van de tweede graad zijn de mogelijke clausuleringen “de uitsluiting van een of meer finaliteiten, onderwijsvormen of afzonderlijke structuuronderdelen” (artikel 61, tweede lid, 2°, van het organisatiebesluit van 2022). IX-10.349- 13/23
  18. De jaarresultaten die verzoeker liet optekenen waren voor de beroepscommissie reden om te besluiten dat hij het leerjaar “met vrucht en met clausulering” heeft beëindigd en om hem een daarmee overeenstemmend B-attest toe te kennen. Het doet aannemen, zo lijkt, dat bij de toekenning van een B-attest, de redenen kenbaar moeten worden gemaakt waarom de leerling die het leerjaar met vrucht heeft beëindigd, toch de toegang tot welbepaalde finaliteiten, onderwijsvormen of afzonderlijke structuuronderdelen moet worden ontzegd. Het toekennen van een B-attest vereist een zogenaamd prospectief onderzoek, dit wil zeggen: een vooruitziend en de toekomst verkennend onderzoek. De leerling is immers geslaagd, want heeft “rekening houdend met het pedagogisch project van de school […] in voldoende mate de doelstellingen, vastgelegd door of krachtens decreet- of regelgeving en opgenomen in het curriculumdossier en in de leerplannen, […] bereikt of nagestreefd” (artikel 60, eerste lid, van het organisatiebesluit van 2022). Toch oordeelt de beroepscommissie dat de betrokken leerling in het volgende schooljaar bepaalde studierichtingen niet aankan. Met dit oordeel substitueert de beroepscommissie zich als het ware aan de delibererende klassenraad van het volgende schooljaar, tot wiens autonomie het immers behoort om over het al dan niet slagen voor dat schooljaar te oordelen. De clausulering beperkt ook de principiële vrijheid van studiekeuze van de leerling of van zijn ouders. Een klassenraad of beroepscommissie kan op basis van zwakke studieresultaten een onderbouwd advies geven om een bepaalde studiekeuze te ontraden, of zelfs een formele waarschuwing, maar de uiteindelijke verantwoordelijkheid laten bij de leerling die, het weze herhaald, het leerjaar met vrucht heeft beëindigd. De beroepscommissie die een clausulering toevoegt aan het oriënteringsattest, verkiest echter om in de plaats van die leerling de schoolloopbaan gedeeltelijk te bepalen. IX-10.349- 14/23 Een inschatting van de toekomstige studies van een leerling is geen nattevingerwerk. Een beroepscommissie moet haar ‘prospectieve’ beslissing om een B-attest uit te reiken des te meer steunen op de concrete en objectieve gegevens van het individuele dossier van de betrokken leerling. Een beroepscommissie die haar noodzakelijk ook deels subjectieve vooruitblik over het gebrek aan redelijke slaagkansen van een leerling in een volgend jaar niet kan relateren aan de beschikbare objectieve gegevens van het dossier – in het bijzonder de bagage waarover de leerling thans beschikt – zou de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid overschrijden.
  19. Terwijl de objectieve gegevens van het leerlingendossier, in voorkomend geval aangevuld middels de eigen onderzoeksmogelijkheden waarover de beroepscommissie beschikt, de materiële grondslag moeten vormen waarop de beroepscommissie haar overtuiging steunt – namelijk dat de betrokken leerling geen redelijke slaagkansen heeft in welbepaalde richtingen – dient de commissie die overtuiging ook uitdrukkelijk te motiveren, zonder dat daartoe de verplichting wordt opgelegd om alle grieven of middelen die door de betrokkene worden aangevoerd één voor één van antwoord te dienen. Het volstaat dat in de beslissing van de beroepscommissie de motieven worden opgenomen die de beslissing kunnen dragen. Waar de regelgeving, zoals in casu, in een administratieve beroepsprocedure heeft voorzien, moet diegene die het beroep heeft ingesteld, er wel op kunnen rekenen dat zijn beroepschrift door de beroepsinstantie zorgvuldig wordt onderzocht en dat deze instantie, indien zij tot hetzelfde oordeel komt als de beslissing waartegen het beroep werd ingesteld, goede redenen heeft voor de verwerping van de aangevoerde beroepsargumenten. In casu heeft verzoeker gebruikgemaakt van de mogelijkheid die de artikelen 123/15 en 123/17 van de Codex Secundair Onderwijs hem bieden om een beroep in te stellen tegen een ongunstige evaluatiebeslissing van de over hem delibererende klassenraad. Hieruit volgt dat, wanneer verzoeker aldus een IX-10.349- 15/23 samenkomst van de beroepscommissie uitlokt, deze commissie dient kennis te nemen van de door hem aangevoerde grieven, ze dient te beoordelen en te beantwoorden. Bij dit alles mag evenwel niet uit het oog worden verloren dat de beroepscommissie beschikt over een autonome, eigen beslissingsbevoegdheid. De beroepscommissie, zoals die in de artikelen 123/15 en volgende van de Codex Secundair Onderwijs door de decreetgever is geconcipieerd, “heeft volheid van bevoegdheid, i.c. het evaluatieresultaat wordt bevestigd of door een ander vervangen op grond van inhoudelijke of procedurele aspecten” (Parl.St. Vl.Parl. 2013-14, nr. 2421/1, 27). Zoals in elke administratieve beroepsprocedure waarbij aan het beroepsorgaan de volle hervormingsbevoegdheid wordt opgedragen om in laatste aanleg te beslissen, betekent deze zogenaamde devolutieve werking dat de beroepen beslissing uit het rechtsverkeer verdwijnt en dat een nieuwe beslissing in de plaats daarvan komt, op grond van een autonome, eigen beoordeling van de zaak door het beroepsorgaan. De beroepscommissie heeft aldus beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de delibererende klassenraad. Zij plaatst haar eigen beoordeling van de voorliggende gegevens in de plaats van de beslissing van de klassenraad en dit op grond van eigen, autonome motieven. In dat verband moet worden benadrukt, dat het de Raad van State niet toevalt om zijn oordeel over het slagen van de leerling in de plaats te stellen van de evaluatiebeslissing van de beroepscommissie. Het ligt ook niet op zijn weg om in de plaats van de beroepscommissie aan verzoeker opheldering te geven over de ingeroepen bezwaren.
  20. In zijn enig middel doet verzoeker in essentie gelden dat de bestreden beslissing geen draagkrachtige en pertinente motieven bevat die de opgelegde clausulering schragen en dat de bestreden beslissing niet laat begrijpen waarom een B-attest wordt toegekend, waardoor volgens hem de IX-10.349- 16/23 formelemotiveringsplicht is geschonden. Voorts benadrukt verzoeker dat hij behoudens voor het vak chemie slaagcijfers heeft en dat het vak chemie als zodanig volgend jaar niet meer aan bod komt; dat de gegeven motieven geen steun vinden in het administratief dossier; dat er bij hem nooit sprake is geweest van een gebrek aan inzicht en dat de beroepscommissie helemaal voorbijgaat aan de positieve groei in zijn studieresultaten gedurende het schooljaar, waardoor volgens hem de materiëlemotiveringsplicht is geschonden.
  21. Uit het puntenoverzicht opgesteld door de verwerende partij blijkt dat verzoeker enkel voor het vak chemie, met 36%, een jaartekort laat optekenen.
  22. Niettegenstaande verzoeker slechts één jaartekort laat optekenen, dient evenwel te worden opgemerkt dat één enkel tekort reden kan zijn om een leerling te clausuleren. Daarvoor moeten dan wel specifieke redenen voorhanden zijn en die redenen moeten afdoende uiteengezet zijn in de evaluatiebeslissing, in overeenstemming met de versterkte motiveringsplicht die in zo een geval geldt. Aannemen dat zelfs bij één enkel tekort een evaluatiebeslissing negatief mag uitvallen, mits dit extra zorgvuldig en specifiek wordt gemotiveerd, houdt voorts in dat die motivering niet in alle omstandigheden eigen moet zijn aan de aard van het bedoelde vak, maar mogelijk mede gezocht wordt bij de prestaties voor andere, bij definitie met slaagcijfers bekroonde vakken.
  23. Voor haar beslissing om aan verzoeker een B-attest toe te kennen, steunt de beroepscommissie op het motief dat verzoeker voor het richtingvak economie alsook voor het ondersteunend vak wiskunde onvoldoende scoort op de delen die meer kennis en inzicht vereisen en beter scoort op de meer praktisch gerichte materies, op een tekort voor het vak chemie en nipte resultaten voor de vakken fysica en biologie, waaruit een gebrek aan basiskennis blijkt, en IX-10.349- 17/23 op het vak godsdienst, waaruit eveneens zou blijken dat verzoeker niet tot een voldoende resultaat komt bij oefeningen die zelfstandigheid en inzicht vergen. Tot deze bevindingen komende aan de hand van de in het kader van haar onderzoeksbevoegdheden, als bijlage bij de bestreden beslissing gevoegde, opgevraagde bijkomende informatie van de vakleerkrachten, lijkt de beroepscommissie zelf aan te geven dat de attestering niet determinerend voortvloeit uit het jaartekort voor één vak. Het is een vaststelling die de beroepscommissie uit de resultaten voor meerdere vakken heeft menen te kunnen afleiden.
  24. Niet zonder pertinentie werpt verzoeker op dat het vak chemie geen richtingspecifiek vak is en het vak als dusdanig in de door verzoeker geambieerde richting niet meer aan bod komt. Dit wordt in de bestreden beslissing ook niet tegengesproken. Wel wordt er geargumenteerd dat er basisbegrippen zijn die verzoeker, zowel voor wat betreft het vak chemie, als voor wat betreft de vakken biologie en fysica, onvoldoende beheerst en dat verschillende leerplandoelen niet werden bereikt, terwijl in het vak natuurwetenschappen voortgebouwd wordt op die verworven kennis.
  25. In zoverre verzoeker benadrukt dat hij geslaagd is voor de vakken economie en wiskunde en argumenteert dat in de mate dat de bestreden beslissing de vakken economie en wiskunde bespreekt, waarbij er wordt geponeerd dat er een gebrek zou zijn aan inzichtelijke kennis en zelfstandigheid, deze beweringen niet worden gestaafd, noch gerelateerd aan resultaten die het voor hem of de Raad van State mogelijk maken om dit te verifiëren, kan dit betoog niet worden bijgetreden. Wat het richtingvak economie betreft, behaalt verzoeker een jaarscore van 53%. Hoewel dit een slaagcijfer is, wordt in de bestreden beslissing opgemerkt dat verzoeker op vragen die meer inzicht vereisen globaal onvoldoende scoort, wordt verzoekers slaagcijfer verklaard vanuit de vaststelling IX-10.349- 18/23 dat hij zijn tekorten aan inzicht compenseert door reproductievragen en praktische toepassingen, zoals boekhouden, en wordt benadrukt dat de richting Bedrijfswetenschappen meer focust op het inzichtelijke en kennisdelen en minder ruimte biedt voor het inoefenen, iets waar verzoeker nood aan heeft. Anders dan verzoeker het ziet, vindt deze motivering steun in de “uitgebreide analyses van de leerkrachten”, gevoegd als bijlage bij de bestreden beslissing en opgesteld door de vakleerkrachten, waarin een gedetailleerd overzicht wordt gegeven van de leerplandoelen waarop verzoeker zwak scoort, het belang ervan in het licht van de derde graad wordt toegelicht en waarin diverse voorbeelden worden aangehaald waarom verzoekers resultaten als ontoereikend worden beschouwd om de derde graad in de richting Bedrijfswetenschappen succesvol te starten. Voor het ondersteunend vak wiskunde, waarop verzoeker een nipte 50% scoort, wordt eveneens vermeld dat verzoeker zeer zwak scoort op belangrijke onderdelen die nodig zijn in het vijfde jaar doorstroom. Deze motivering vindt eveneens steun in de in bijlage bij de bestreden beslissing gevoegde analyse van de vakleerkracht waaruit blijkt waar verzoeker tekortschiet en waarin wordt vastgesteld dat onder meer op basis van testen en examens wordt besloten dat verzoeker de basiskennis om stelsels op een correcte manier algebraïsch te kunnen oplossen niet kent, terwijl in de richting Bedrijfswetenschappen de kennis van stelsels de basis vormt voor het oplossen van matrices en dat de cijfers voor functies en ook tweedegraadsfuncties een belangrijk onderdeel in de tweede graad zijn omdat de leerlingen dit nodig hebben als basis voor het vak wiskunde in de derde graad in de richting Bedrijfswetenschappen. Uit het voorgaande dient te worden afgeleid dat de beroepscommissie haar beslissing mede op grond van de in bijlage bij de bestreden beslissing gevoegde “uitgebreide analyses” van de vakleerkrachten heeft genomen. Tot een concrete kritiek op die uitvoerige bijlagen lijkt verzoeker niet te komen: noch spreekt hij de erin opgenomen feitelijke vaststellingen tegen, noch ontkracht hij de zienswijze van de beroepscommissie dat die vaststellingen, IX-10.349- 19/23 in samenhang met de vastgestelde jaarresultaten, de vooropgestelde clausulering vermogen te onderbouwen.
  26. In de mate dat verzoeker het falen in de begeleiding wenst aan te kaarten, kan zijn betoog, in zijn algemeenheid, niet worden bijgevallen. Zoals de Raad van State immers al in tal van arresten heeft overwogen is het, in beginsel, één zaak of een leerling bewezen heeft de van hem verlangde kennis en kunde te bezitten, een andere, als hij die kennis en kunde niet blijkt te bezitten, wie daarvoor de schuld draagt. Zelfs indien een leerling de school terecht zou verwijten niet tijdig over problemen te hebben gecommuniceerd en geïnformeerd, niet in de passende begeleidingsmaatregelen te hebben voorzien of ze niet te hebben toegepast of aangepast, dan kan dat hoogstens betekenen dat de school schuld of mede schuld draagt aan het minder gunstige eindresultaat van die leerling, maar kan zulks dit eindresultaat niet meer zo beïnvloeden dat het gunstiger wordt, laat staan dat een getuigschrift zonder clausulering moet worden toegekend. Om uitzondering te genieten op dit beginsel dat falende begeleiding inroepen geen nuttig rechtsmiddel is omdat dit hoogstens een (mede) schuldige aanwijst maar niet vermag de punten beter te maken dan ze uiteindelijk zijn, is vereist dat de verzoekende partij in staat is om, met de nodige precisie, aan te tonen dat de school tekortgeschoten is in welbepaalde vooraf individueel gemaakte afspraken, waarbij dat feilen daarenboven door de aard van die afspraken in een rechtstreeks oorzakelijk verband gebracht kan worden met de wettigheid van de door haar bestreden beslissing. De Raad van State merkt op, dat verzoeker evenwel slechts een loutere bewering poneert, maar zelfs niet beweert, laat staan bewijst, dat met en over hem enig specifiek en geïndividualiseerd begeleidingsplan is opgesteld. IX-10.349- 20/23 Daargelaten bijgevolg de vraag of het argument betreffende de tekortgeschoten begeleiding in zijn algemeenheid in feite juist is, faalt het in rechte.
  27. Uit het voorgaande dient te worden afgeleid dat verzoeker er met zijn aangevoerde betoog, in deze stand van de procedure, niet in slaagt om ervan te overtuigen dat de beroepscommissie met haar oordeel de formele- en de materiëlemotiveringsplicht, in vermeende samenhang met de artikelen 60 en 61 van het organisatiebesluit van 2022, heeft geschonden. Het enige middel is in de aangegeven mate niet ernstig.
  28. Aan de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het redelijkheidsbeginsel geeft verzoeker op het eerste gezicht dan weer geen andere invulling, naast wat hij reeds heeft uiteengezet onder de noemer van de schending van het motiveringsbeginsel. Het niet-ernstig bevinden van het middel in de mate dat het de schending van de motiveringsplicht betreft, maakt dat het middel evenmin ernstig is ten aanzien van de twee andere voormelde beginselen.
  29. Het enige middel is in zijn geheel niet ernstig. VII. Conclusie
  30. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
  31. De Raad van State verwerpt de vordering. IX-10.349- 21/23
  32. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  33. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.349- 22/23 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien oktober tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Chantal Bamps IX-10.349- 23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.634 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.