id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.639 Rolnummer: A. 234615/XIV-38815 Zaak: Arrest 257639 - Tucht (openbaar ambt) - 17/10/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-10-26 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-06-10 13:55 Fiche Arrest nr 257.639 van 17 oktober 2023 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : heropening debatten Depersonalisatie Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 257.639 van 17 oktober 2023 in de zaak A. 234.615/XIV-38.815 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mario Van Essche kantoor houdend te 2018 Antwerpen Korte Lozanastraat 20-26 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5339 BRUSSEL HOOFDSTAD - ELSENE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frédéric Van de Gejuchte kantoor houdend te 1030 Brussel de Jamblinne de Meuxplein 41 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 18 september 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het politiecollege van de politiezone Brussel Hoofstad – Elsene van 19 juli 2021 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- Verzoeker heeft een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-38.815-1/17 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 september
- Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Mario Van Essche, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Adrien Neyrinck, die loco advocaat Frédéric Van de Gejuchte verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is hoofdinspecteur van politie bij de politiezone Brussel-Hoofdstad-Elsene
(5339). 3.2. Op 22 oktober 2015 stelt commissaris van politie H.P. van de dienst interne zaken van de politiezone Brussel-Hoofdstad-Elsene
(5339)de korpschef in kennis van het feit dat verzoeker het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk dossier wegens openbare dronkenschap. 3.
- Op 3 november 2015 gelast de korpschef een voorafgaand onderzoek lastens verzoeker inzake de feiten betreffende het voornoemde gerechtelijk dossier. XIV-38.815-2/17 3.
- Op 30 november 2015 stelt commissaris van politie H.P. de korpschef in kennis van het feit dat verzoeker het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk dossier wegens discriminatie of ontzegging op willekeurige wijze van de uitoefening van een recht of van een vrijheid door een ambtenaar of drager van het openbaar gezag in de uitoefening van zijn ambt. 3.
- Op 2 december 2015 gelast de korpschef een voorafgaand onderzoek lastens verzoeker inzake de feiten betreffende het voornoemde gerechtelijk dossier. 3.
- Op respectievelijk 2 december 2015 en 12 januari 2016 beslist de tuchtoverheid tot toepassing van artikel 56, tweede lid, van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet). 3.
- Bij vonnis van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, van 26 april 2019, wordt verzoeker veroordeeld voor de volgende feiten: “[T]e Geraardsbergen en bij samenhang te Brussel en/of elders in het Rijk, op 16 oktober 2015, de eerste en de tweede inbreuk op de artikelen 4,4° en 20,2° van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden (zoals gewijzigd bij de wet van 10 mei 2007) waarin onder discriminatie verstaan wordt elke vorm van opzettelijke directe discriminatie, opzettelijk indirecte discriminatie, opdracht tot discrimineren en intimidatie op grond van de beschermde criteria in een van de in artikel 444 van het strafwetboek bedoelde omstandigheden aangezet te hebben tot haat of geweld jegens een persoon, wegens een van de beschermde criteria, zijnde nationaliteit, een zogenaamd ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstammingen dit, zelfs buiten de in artikel 5 bedoelde domeinen, namelijk, door ten aanzien van I.O. en O.N. en hun kinderen meermaals in het openbaar en in aanwezigheid van meerdere personen, B.1 op de trein racistische uitlatingen te hebben gedaan (o.a. ‘vuile zwarten, ik ga jullie terug naar je land van herkomst sturen, ik ga jullie terugsturen en ik weet wel hoe Afrikanen zijn, zwarten hebben mij niets te zeggen en ik zal jullie indien nodig terugsturen vanwaar jullie komen’) en te hebben aangezet om I.O. en O.N. en hun kinderen van de trein te laten verwijderen, B.2 op het perron te Geraardsbergen racistische uitlatingen te hebben gedaan (o.a. ‘vuile zwarten, zwart gespuis’)” XIV-38.815-3/17 Bij brief van 13 mei 2019 geeft het openbaar ministerie kennis van dit vonnis aan de dienst interne zaken van de politiezone Brussel Hoofdstad - Elsene, die deze brief op 16 mei 2019 ontving. In de brief deelt het Openbaar Ministerie mee dat het hoger beroep heeft ingesteld wat betreft verzoeker met betrekking tot de strafmaat. 3.
- Bij brief van 24 september 2020 deelt het Openbaar Ministerie aan de korpschef mee dat het hof van beroep te Gent bij arrest van 18 september 2020 een uitspraak heeft gedaan. De korpschef neemt op 1 oktober 2020 kennis van dit schrijven en ontvangt op 13 oktober 2020 een afschrift van het arrest. 3.
- De korpschef beslist op 27 november 2020 om het tuchtdossier aanhangig te maken bij het politiecollege als hogere tuchtoverheid. 3.
- Op 30 november 2020 stelt het politiecollege het inleidend verslag op, met daarin het voornemen om de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. 3.
- Op 18 januari 2021 stelt de hogere tuchtoverheid voor de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege uit te spreken. Als datum van kennisneming van de feiten is vermeld: “De feiten bedoeld in punt 2 werden ter kennis gebracht van de gewone tuchtoverheid op 22 oktober 2015 en op 30 november
- Er werd toepassing gemaakt van artikel 56, 2° lid van de tuchtwet. De tuchtoverheid heeft op 24 september 2020 een afschrift ontvangen van het arrest van 18 september 2020 – met kracht van gewijsde – van het hof van beroep te Gent.” Tegen dat voorstel dient verzoeker een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. XIV-38.815-4/17 3.
- Op 9 juni 2021 adviseert de Tuchtraad “in hoofdorde: dat de tuchtvordering vervallen is; in ondergeschikte orde: dat de ten laste gelegde, feiten, zoals omschreven in punt 5.1., bewezen zijn en aan verzoeker dienen te worden toegerekend; dat de feiten een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van art. 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten; dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege een gepaste straf is.” In dit advies wordt over de opgeworpen schending van artikel 56 van de tuchtwet onder meer het volgende gesteld: “[…] De Tuchtraad is van oordeel dat de tuchtoverheid terecht toepassing maakte van art. 56, tweede lid van de tuchtwet en oorspronkelijk niet over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen zeker nu de verzoeker de ten laste gelegde tuchtfeiten in zijn administratief verhoor betwiste en deze tevens het voorwerp uitmaakten van de ten laste gelegde misdrijven. Ten onrechte verwijt de verzoeker de tuchtoverheid de passieve en afwachtende houding te hebben aangenomen omdat zij gedurende de strafvervolging het parket niet één keer zou aangeschreven hebben noch naar de stand van zaken in de strafprocedure zou hebben geïnformeerd. Uit de voorgebrachte stukken van het tuchtdossier blijkt dat de korpschef van verzoeker vanaf 18 januari 2016 ( na de toepassing van art. 56, tweede lid van de tuchtwet) tot en met december 2018 elke maand (met uitzondering van één maand per jaar) geïnformeerd heeft bij de procureur des Konings naar de stand van zaken. In 2019 heeft de korpschef dit herhaald bij schrijven van 12 april 2019 waarop dan de brief van de procureur des Konings van 13 mei 2019 is gekomen met een afschrift van het vonnis van 26 april 2019 in bijlage. De tuchtoverheid had tevens een vooronderzoeker aangesteld en de verzoeker administratief laten verhoren doch deze ontkende de feiten. De tuchtoverheid beschikte alsdan nog steeds niet over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens om de tuchtprocedure in te leiden. Aldus volgt uit het voorgaande, meer bepaald dat de voorwaarden om toepassing te maken van artikel 56, tweede lid van de tuchtwet vervuld waren en dat de tuchtoverheid het arrest van 18 september 2020 heeft afgewacht om de tuchtvordering in te stellen, dat de beoordeling van het beginsel van de redelijke termijn zich aandient. Op 16 mei 2019 kreeg de gewone tuchtoverheid kennis van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde van 26 april
- Bij dit vonnis werd de verzoeker schuldig bevonden aan het misdrijf: te hebben aangezet tot haat of geweld door jegens I.O. en O.N. in het openbaar en in aanwezigheid van meerdere personen: B.1 op de trein racistische uitlatingen te hebben gedaan (o.a. ‘vuile zwarten, ik ga jullie terug naar je land van herkomst sturen, ik ga jullie terugsturen en ik weet wel hoe Afrikanen zijn, zwarten hebben mij niets te zeggen en ik zal jullie indien XIV-38.815-5/17 nodig terugsturen vanwaar jullie komen’) en te hebben aangezet om I.O. en O.N. en hun kinderen van de trein te laten verwijderen, B.2 op het perron te Geraardsbergen racistische uitlatingen te hebben gedaan (o.a. ‘vuile zwarten, zwart gespuis’). In het begeleidend schrijven d.d. 13 mei 2019 deelde de procureur des Konings mede dat het openbaar ministerie beroep had ingesteld tegen de beslissing met betrekking tot de strafmaat. Op dat ogenblik kon de procureur des Konings nog niet weten wat de houding van de verzoeker zelf zou zijn op strafrechtelijk gebied meer bepaald of deze zou berusten in het vonnis of niet vermits op 13 mei 2019 de beroepstermijn van dertig dagen nog niet verstreken was. Na deze beroepstermijn (vanaf 27 mei 2019) was de houding van verzoeker achterhaalbaar door de tuchtoverheid en dient er toch op gewezen te worden dat, indien de verzoeker geen hoger beroep had aangetekend tegen dit vonnis, dit laatste in kracht van gewijsde was wat het bewijs van de feiten en de schuldbekwaamheid betreft, gegevens die constitutieve elementen uitmaken van het tuchtvergrijp en de enige elementen zijn waarbij de tuchtoverheid gebonden is door de vaststellingen van de strafrechter. Dit laatste impliceert dat het vonnis kracht van gewijsde had op 27 mei 2019 wat de feiten betreft en de toerekeningsvatbaarheid van de verzoeker eens de beroepstermijn was verstreken en de verzoeker geen hoger beroep had ingesteld. Uit het arrest van 18 september 2020 blijkt duidelijk dat verzoeker geen beroep had ingesteld tegen het vonnis van 26 april
- In tegenstelling met hetgeen de Inspecteur-generaal in het deskundigenverslag van 26 april 2021 voorhoudt, was het dan wel relevant dat de tuchtoverheid zich had geïnformeerd nopens dit laatste aspect bij de procureur des konings na het verstrijken van de beroepstermijn. De tuchtoverheid moet de strafuitspraak niet afwachten […]. Het feit dat het vonnis geen kracht van gewijsde had wat de strafmaat betreft heeft geen enkele incidentie op deze tuchtzaak. Vooreerst houdt de tuchtoverheid in het algemeen voor dat de strafrechter de feiten eventueel nog had kunnen herkwalificeren zonder echter in concreto aan te duiden in wat die herkwalificatie had kunnen bestaan noch geeft ze enige aanduiding wat de incidentie van deze eventuele herkwalificatie van het feit op strafgebied op de in deze tuchtzaak ten laste gelegde tuchtvergrijpen had kunnen zijn. De Tuchtraad wijst bovendien op het feit dat, in tegenstelling met wat de tuchtoverheid voorhoudt meer bepaald dat er nog steeds een herkwalificatie van strafrechtelijke tenlastelegging door het hof van beroep had kunnen plaatsvinden, deze vermeende herkwalificatie geen incidentie op de ten laste gelegde tuchtfeiten kon hebben nu de tuchtoverheid, ingevolge de autonomie van het tuchtrecht, vrij oordeelt over de kwalificatie van de feiten. Derhalve heeft de tuchtoverheid, door de gerechtelijke eindbeslissing (arrest van het hof van beroep van 18 september 2020) wat de strafmaat betreft te hebben afgewacht, afbreuk gedaan aan haar plicht om binnen een redelijke termijn klaarheid te brengen in de tuchtrechtelijke situatie van het betrokken personeelslid nu zij nagelaten heeft om zich te informeren over een eventueel hoger beroep van de verzoeker nopens de schuld en het bewijs van de feiten tegen het vonnis van 26 april 2019 waarover zij zich vanaf 27 mei 2019 had kunnen informeren bij de procureur des Konings of de procureur-generaal en een week tot een tiental dagen later over alle nodige middelen had kunnen beschikken om de tuchtvervolging aan te vatten. XIV-38.815-6/17 In de inventaris van het tuchtdossier wordt verwezen naar de met de procureur-generaal vanaf 1 juli 2019 (dit is na het vonnis) gevoerde briefwisseling doch deze wordt niet voorgebracht door de tuchtoverheid. Uitgaande van het standpunt dat de tuchtoverheid op 5 juni 2019 van dit gegeven, meer bepaald dat verzoeker geen hoger beroep had ingesteld, kennis had kunnen krijgen diende zij het inleidend verslag dat er betrekking op heeft binnen de zes maanden en dus uiterlijk op 5 november 2019 aan de verzoeker te betekenen. Dit gebeurde pas op 8 december
- De tuchtvordering is komen te vervallen wegens schending van de redelijke termijn.” 3.
- Op 21 juni 2021 formuleert de hogere tuchtoverheid haar intentie om van het advies van de Tuchtraad af te wijken. 3.
- Op 19 juli 2021 beslist het politiecollege aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging 4.
- De verwerende partij heeft haar memorie van antwoord niet tijdig ingediend. De vaststelling hiervan in het auditoraatsverslag wordt door de verwerende partij in haar laatste memorie niet betwist. Met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt de memorie van antwoord ambtshalve uit het debat geweerd. 4.
- In de mate dat de laatste memorie van de verwerende partij louter het verweer herhaalt dat in de onregelmatig ingediende memorie van antwoord werd gevoerd, wordt ze niet in aanmerking genomen. De laatste memorie, die wezenlijk ertoe strekt de partijen de kans te bieden te reageren op het auditoraatsverslag, zou immers oneigenlijk worden gebruikt en het normale verloop van de rechtsgang verstoren indien zou worden aangenomen dat ze kan worden aangewend om de inhoud van een eerder niet-regelmatig ingediend XIV-38.815-7/17 processtuk, dat de auditeur-verslaggever niet in zijn onderzoek van de zaak heeft mogen betrekken, alsnog mede tot voorwerp van het tegensprekelijke debat te maken. V. Onderzoek van het tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In het tweede middel voert verzoeker in het verzoekschrift de schending aan van de redelijke termijn en van artikel 56 van de tuchtwet. Hij zet uiteen dat de vermeende feiten werden gepleegd op 19 november 2015 en dat met het vonnis van 26 april 2019 de strafrechtelijke kwalificatie definitief werd nu hij geen beroep aantekende. Het tweede lid van artikel 56 tuchtwet voorziet in een uitzondering voor het opstarten van de tuchtprocedure bij strafrechtelijke vervolging in de vorm van opschorting van de termijn. Deze opschorting eindigde aldus met de communicatie van het vonnis van 26 april
- Het vonnis werd minstens bezorgd op 13 mei
- Niet alleen de wettelijke termijn is aldus verstreken, maar tevens is de redelijke termijn om nog een tuchtsanctie op te leggen verstreken, mede gelet op de passieve houding van de tuchtoverheid terzake. Gedurende het verloop van deze termijn was er immers geen enkele communicatie met verzoeker hieromtrent. Hierdoor ontstond de redelijke indruk van het feit dat er geen tuchtsanctie meer werd nagestreefd. Bovendien werd de desbetreffende communicatie achtergehouden bij het dossier van de voorlopige schorsing, hetgeen deze redelijke indruk versterkt. Verzoeker doet voorts gelden dat de hogere tuchtoverheid, verwijzend naar het arrest van het Grondwettelijk Hof van 20 november 2019 – dat volgens verzoeker te dezen niet toepasselijk is, gelet op het feit dat hij geen beroep instelde – ten onrechte de tuchtsanctie ziet als het gevolg van een volledige strafrechtelijke procedure, daar waar slechts de zekerheid omtrent de tuchtfeiten relevant is. XIV-38.815-8/17 Verzoeker concludeert dat de tuchtvordering zes maanden volgend op 29 april 2019 is verjaard, minstens is de redelijke termijn verstreken.
- In de toelichtende memorie repliceert verzoeker op de (laattijdige) memorie van antwoord. Verzoeker beklemtoont dat de tuchtoverheid enkel de mogelijkheid heeft om de tuchtvordering uit te stellen wanneer de tuchtoverheid er op basis van een eigen onderzoek niet in slaagt om alle gegevens die van wezenlijk belang kunnen zijn voor het tuchtrechtelijk optreden, te achterhalen. Alleen onduidelijkheid over de feiten kan er bij uitzondering toe leiden dat de tuchtvordering wordt uitgesteld. Uit het door de verwerende partij geciteerde arrest kan volgens verzoeker niet worden afgeleid dat de definitieve strafmaat gekend moet zijn en de verwerende partij toont volgens verzoeker niet aan dat de (strafrechtelijke) strafmaat bepalend is voor het nemen van de tuchtbeslissing. Dit geldt volgens verzoeker des te meer nu hij geen beroep had ingesteld. Anders oordelen zou volgens verzoeker het tuchtrecht volledig ondergeschikt maken aan het strafrecht. Volgens verzoeker verklaart de verwerende partij niet waarom er pas klaarheid kwam met het arrest van het hof van beroep van 18 september
- Verder betwist verzoeker het standpunt dat, gelet op het hoger beroep van het Openbaar Ministerie, het hof van beroep nog een andere kwalificatie aan de feiten kon geven. Hij beklemtoont dat de feiten en de strafmaat voldoende gekend waren. Beoordeling Eerste grief: schending van artikel 56 van de tuchtwet
- Verzoeker voert vooreerst de schending aan van artikel 56 van de tuchtwet, door op te werpen dat de tuchtfeiten verjaard zijn.
- Artikel 56, eerste en tweede lid, van de tuchtwet luiden: “Art.
- De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten XIV-38.815-9/17 door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld. In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is.” Artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet verplicht de tuchtoverheid om binnen een bepaalde termijn de tuchtprocedure op te starten, hetgeen gebeurt met de kennisgeving van het inleidend verslag aan de betrokkene. Het gaat om een vervaltermijn waarna geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Deze bepaling garandeert de politieambtenaar dat hij korte tijd nadat de tuchtoverheid op de in de wet bepaalde wijze kennis heeft van de feiten, uitsluitsel krijgt over zijn onzekere situatie. Van een kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet is slechts sprake op het ogenblik dat de tuchtoverheid met betrekking tot die feiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Het is ook pas dan dat deze verjaringstermijn ingaat. Artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet biedt de tuchtoverheid de mogelijkheid - maar niet de verplichting - om de tuchtrechtelijke vervolging uit te stellen tot de gerechtelijke overheden hun onderzoek hebben beëindigd. Het maakt het de tuchtoverheid mogelijk om, wanneer zij twijfels heeft over de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn - het bewijs van de feiten die de betrokkene gepleegd heeft, de ernst van de feiten en schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst -, een definitieve uitspraak van de strafrechter af te wachten. De verwijzing naar artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet kan evenwel slechts deugdelijk het uitstel van de tuchtvordering verantwoorden wanneer de tuchtoverheid op grond van een eigen onderzoek geen voldoende klaarheid in de zaak heeft kunnen brengen. De tuchtoverheid heeft immers de verplichting om een tuchtzaak binnen een redelijke termijn af te handelen en het bestaan van een strafonderzoek is op zich geen deugdelijke reden om de tuchtvordering niet op te starten. Er is slechts reden om de tuchtvordering uit te stellen wanneer de tuchtoverheid er niet in slaagt XIV-38.815-10/17 om met een eigen onderzoek een duidelijk zicht te krijgen op het bestaan en de ernst van de feiten en om zich aldus een beeld te vormen van de noodzaak van een tuchtrechtelijke vervolging. De mogelijkheid om de tuchtvordering uit te stellen moet derhalve worden opgevat als een uitzondering op de regel, waarvan slechts gebruik mag worden gemaakt wanneer de tuchtoverheid op basis van een eigen onderzoek er niet in slaagt om alle gegevens die van wezenlijk belang kunnen zijn voor het tuchtrechtelijk optreden te achterhalen. Een en ander heeft tot gevolg dat de Raad van State, wanneer een verzoeker aanvoert dat de tuchtvordering ten onrechte gekoppeld is aan de afloop van de gerechtelijke procedure, desgevraagd nagaat of de tuchtoverheid niet op grond van het eigen onderzoek over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen en of zij wel voldoende inspanningen heeft geleverd om zelf klaarheid in de zaak te brengen. Bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover de (hogere) tuchtoverheid beschikt, volstaan om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden wanneer de tuchtoverheid zich een duidelijk beeld kan vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de politieambtenaar, beschikt deze overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid. De Raad van State is bij de beoordeling hiervan enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Het voorgaande sluit aan bij de leer van het arrest van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak nr. 190.728 van 20 februari 2009, dat weliswaar geen betrekking heeft op de in de tuchtwet vervatte regeling, maar die ook in de arresten nr. 197.017 van 19 oktober 2009 en nr. 201.862 van 15 maart 2010 inzake tuchtprocedures tegen politieambtenaren is gevolgd. XIV-38.815-11/17
- Het is voorts aan verzoeker, die de schending van artikel 56 van de tuchtwet aanvoert, om het bewijs te leveren dat de door die bepaling voorgeschreven verjaringstermijn niet werd nageleefd.
- Niet wordt betwist dat de hogere tuchtoverheid daadwerkelijk de kennisneming van de gerechtelijke eindbeslissing heeft afgewacht alvorens de tuchtprocedure op te starten. Zij maakte aldus toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. Verzoeker van zijn kant, stelt zich op het standpunt dat de tuchtoverheid reeds vroeger over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen, met name bij de mededeling van het in eerste aanleg gewezen vonnis van 26 april 2019, ter kennis gebracht aan de tuchtoverheid op 13 mei
- Centraal staat aldus de vraag of op het door verzoeker aangehaalde tijdstip de (hogere) tuchtoverheid de vereiste voldoende zekerheid had om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden of de tuchtoverheid zich op dat ogenblik een duidelijk beeld kon of moest vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan verzoeker derwijze dat er op dat ogenblik sprake was van een kennisneming in de zin als hiervoor is gesteld. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de hogere tuchtoverheid de tuchtvervolging steunt op de strafrechtelijke kwalificatie van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten. Het bewijs van die feiten en dus ook het intentioneel element ervan dat immers een constitutief bestanddeel uitmaakt van het misdrijf, valt aldus samen met het bewijs van de strafrechtelijk vervolgde feiten, waarvoor uitsluitend de strafrechter instaat. Dit betekent dat de tuchtoverheid, voor het bewijs van die feiten, afhankelijk is van de uitkomst van het onderzoek van die feiten door de strafrechter. XIV-38.815-12/17 Verzoekers standpunt dat de strafrechtelijke kwalificatie reeds definitief was met het vonnis van 26 april 2019, daar hij de feiten en zijn schuld niet meer betwistte in graad van beroep, wordt niet gevolgd. Anders dan hoe verzoeker het ziet, kon de hogere tuchtoverheid, omwille van haar kennisneming van het hoger beroep door het Openbaar Ministerie tegen “alle beschikkingen op strafgebied” tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis, in redelijkheid oordelen dat het niet uit te sluiten was dat het door het hoger beroep gevatte hof van beroep, een ambtshalve grief in de zin van artikel 210 van het Wetboek van Strafvordering zou inroepen. In weerwil van wat de verzoeker tegenwerpt, belet het feit dat de schuldvraag niet aanhangig werd gemaakt bij het hof van beroep immers op zich niet dat het hof van beroep onder bepaalde voorwaarden ambtshalve een middel kan opwerpen met betrekking tot het gegeven dat de feiten geen misdrijf zijn (GwH 16 mei 2019, nr. 67/2019), dat het hof van beroep ambtshalve de feiten kan (her)kwalificeren of dat het ambtshalve kan vaststellen of de feiten al dan niet vaststaan (GwH 20 november 2019, nr. 185/2019; GwH 20 november 2019, nr. 189/
- Overigens blijkt uit het arrest van het hof van beroep dat dit tot ambtshalve onderzoek is overgegaan, maar hierbij vaststelde dat er geen redenen waren om ambtshalve een grief in de zin van het artikel 210 van het Wetboek van Strafvordering op te werpen. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker, in de mate dat hij uitgaat van een andere rechtsopvatting, deze faalt naar recht. Bijgevolg en gelet op de hiervoor geschetste ruime beoordelingsbevoegdheid van de tuchtoverheid bij de beoordeling van de vraag of zij met betrekking tot de tuchtfeiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt om tuchtrechtelijk op te treden (supra, punt 7), blijft de tuchtoverheid, door te beslissen om de gerechtelijke eindbeslissing in de strafprocedure af te wachten, binnen de perken van haar beoordelingsbevoegdheid. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker het bewijs niet levert dat de door artikel 56 van de tuchtwet voorgeschreven verjaringstermijn niet werd nageleefd. XIV-38.815-13/17
- In zoverre hij voor het eerst in de toelichtende memorie nieuwe argumenten en kritieken aanvoert, toont verzoeker niet aan dat hij die niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Die argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden.
- Het middel is in die mate ongegrond. Tweede grief: de schending van de redelijketermijneis
- In wat als een tweede grief kan worden beschouwd, voert verzoeker aan dat “tevens […] de redelijke termijn om nog een tuchtsanctie op te leggen [is] verstreken, mede gelet op de passieve houding van de tuchtoverheid ter zake.” Verzoeker verzuimt evenwel in het middel nader uiteen te zetten op welke wijze de (hogere) tuchtoverheid een passieve houding heeft aangenomen. Het komt aan verzoeker toe in concreto aannemelijk te maken dat die passiviteit, in het in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak, maakt dat de behandelingstermijn abnormaal lang is, hetgeen hij niet doet. Een blote verwijzing ter zake naar verschillende arresten van de Raad van State volstaat te dezen immers niet. In de mate dat bij verzoekers kritiek inzake de schending van de redelijke termijn, als relevant kan worden betrokken, de feitelijke bewering dat de tuchtoverheid niet heeft gecommuniceerd aangaande een eventuele tuchtprocedure, toont zulks geen schending van de redelijke termijn aan. Voor de toepassing en werking van het beginsel van de opschorting van de verjaringstermijn in geval van een opsporingsonderzoek of een strafvervolging is geen mededeling aan verzoeker vereist, zodat de vraag of er tijdens de schorsing van de verjaringstermijn al dan niet ter zake werd gecommuniceerd door de (hogere) tuchtoverheid naar verzoeker, over de intentie om al dan niet een tuchtvordering in te stellen of een tuchtsanctie na te streven, op zich niet kan doen besluiten dat de redelijke termijn om tuchtrechtelijk op te treden, hierdoor is XIV-38.815-14/17 verstreken. De tuchtoverheid kon immers niet worden verweten ter zake naar hem niet te hebben gecommuniceerd, omdat zulks uit de tuchtwet zelf volgt. Overigens bemerkt de Raad van State dat verzoeker in zijn kritiek niet het gegeven betrekt dat, ondanks dat hiertoe geen verplichting bestaat, de tuchtoverheid hem niettemin inzake beide gerechtelijke dossiers uitdrukkelijk kennis gaf van het feit dat zij toepassing maakt van de mogelijkheid voorzien in artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. Verzoeker kon er in redelijkheid dan ook niet vanuit gaan dat er geen tuchtprocedure zou worden ingeleid.
- Verzoekers argument dat het feit dat “de desbetreffende communicatie” werd achtergehouden bij het dossier van de voorlopige schorsing de indruk versterkt dat geen tuchtsanctie meer werd nagestreefd, wordt evenmin gevolgd. Daargelaten nog de vaststelling dat verzoeker niet uiteenzet wat hij met de “de desbetreffende communicatie” bedoelt – hij verwijt de tuchtoverheid immers net om niet te hebben gecommuniceerd – valt niet in te zien hoe een (vermeend) gebrek in de samenstelling van het dossier betreffende de voorlopige schorsing tot gevolg kan hebben dat de redelijketermijneis in de tuchtprocedure wordt geschonden, noch hoe verzoeker daaruit zou mogen afleiden dat de tuchtoverheid geen tuchtvervolging zal instellen.
- In zoverre hij voor het eerst in de toelichtende memorie nieuwe argumenten en kritieken aanvoert, toont verzoeker niet aan dat hij die niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Die argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden.
- Het tweede middel is in die mate ongegrond. Conclusie
- Het tweede middel is ongegrond. XIV-38.815-15/17 XIV-38.815-16/17 VI. Aanvullend onderzoek
- Het auditoraat heeft zijn onderzoek over de zaak beperkt tot het onderzoek van het tweede middel, waarvan blijkt dat dit niet leidt tot een definitieve oplossing van het geschil. Er is dan ook reden om het auditoraat te gelasten met een aanvullend verslag over de zaak. BESLISSING
- De Raad van State heropent het debat.
- Het door de Auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt gelast met een aanvullend onderzoek.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zeventien oktober tweeduizend drieëntwintig door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.815-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.639 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.406 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div