id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.657 Rolnummer: A. 236733/VII-41569 Zaak: Arrest 257657 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/10/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-10-24 Raadplegingen: 103 - laatst gezien 2026-06-18 03:51 Fiche Arrest nr 257.657 van 19 oktober 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 257.657 van 19 oktober 2023 in de zaak A. 236.733/VII-41.569 In zake :
- Alfons COREMANS
- Rutger ANDRIES
- Dirk GEENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Flamey en Glenn Declercq kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE ANTWERPEN Tussenkomende partijen :
- de BV STARPACK
- de NV PETROVA PLANTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Yves Loix en Fatema Hosseini kantoor houdend te 2600 Antwerpen - Berchem Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen
- de PROVINCIALE ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gregory Verhelst en Bert D’Hondt kantoor houdend te 2000 Antwerpen Bouwmeestersstraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 2 juli 2022, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2122-0787 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 2 juni 2022 in de zaak 2021-RvVb-0460-SA. VII-41.569-1/16 II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 1 september
- De verzoekers hebben een toelichtende memorie ingediend. De bv Starpack, de nv Petrova Plants en de Provinciale Ontwikkelingsmaatschappij Antwerpen hebben verzoekschriften tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikking van 25 oktober
- De tussenkomende partijen hebben memories ingediend. Auditeur Benny De Sutter heeft op 9 maart 2023 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekers hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 juni
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Glenn Declercq, die verschijnt voor de verzoekers, advocaat Anton Rombaut, die loco advocaten Yves Loix en Fatema Hosseini verschijnt voor de eerste twee tussenkomende partijen en advocaat Gregory Verhelst, die verschijnt voor de derde tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. VII-41.569-2/16 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De verwerende partij verleent op 14 januari 2021 aan de bv Starpack en de nv Petrova Plants een omgevingsvergunning voor het uitbreiden van een bedrijf voor opslag en overslag van groenten en fruit.
- Het bestreden arrest: - verklaart de niet-betwiste tussenkomst van de bv Starpack en de nv Petrova Plants ontvankelijk; - verwerpt de ontvankelijkheidsexceptie van Coremans cons. wegens gebrek aan belang en verklaart de tussenkomst van de Provinciale Ontwikkelingsmaatschappij Antwerpen (hierna: POM Antwerpen) ontvankelijk; - verklaart de ontvankelijkheidsexceptie van POM Antwerpen gegrond wegens gebrek aan belang van Coremans cons. en verwerpt bijgevolg het beroep van laatstgenoemden. IV. Ontvankelijkheid van de tussenkomst POM Antwerpen Standpunt Coremans cons.
- Coremans cons. betwisten de ontvankelijkheid van de tussenkomst van de POM Antwerpen die “niet op ontvankelijke wijze kon tussenkomen in de procedure voor de [RvVb]”. Ze “verwijzen hiervoor integraal naar hun eerste middel, hetwelk hier als integraal hernomen moet beschouwd worden”. VII-41.569-3/16 Beoordeling
- Hierna wordt het eerste middel van Coremans cons. verworpen. De exceptie is bijgevolg ongegrond. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt Coremans cons.
- Coremans cons. voeren de schending aan van de artikelen 2.5, 6 en 9.2 van het verdrag van 25 juni 1998 ‘betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden’ (hierna: verdrag van Aarhus), artikel 20, eerste en tweede lid, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC), de artikelen 2, 1° en 105, § 4 gelezen samen met artikel 105, § 2, 2°, van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: OVD). In een eerste middelonderdeel betogen Coremans cons.: “
- In zoverre het arrest deze exceptie wegens gebrek aan belang, dewelke uitsluitend was opgeworpen door een tussenkomende partij in de procedure voor de RvVb, ontmoet en inwilligt, om vervolgens het beroep integraal onontvankelijk te verklaren, moet vastgesteld worden dat er een schending voorligt van de in titel 3.1.1 opgeworpen bepalingen. Artikel 20, lid 1 DBRC-decreet laat immers enkel de tussenkomst toe in een hangende procedure; niet in een procedure waarvan het beroep ab initio (van in het begin) als onontvankelijk moest verklaard worden, precies op de exceptie van een partij die niet kon tussenkomen.
- Het bestreden arrest dat de tussenkomst ontvankelijk verklaart in een niet-ontvankelijke vernietigingsprocedure spant de kar voor de paarden, aldus artikel 20, eerste lid DBRC-decreet en artikel 105, § 4 OVD schendend. Het eerste onderdeel van het eerste cassatiemiddel is bijgevolg gegrond. Het bestreden arrest dat de POM Antwerpen ontvankelijk laat tussenkomen in het geding om vervolgens op exclusieve exceptie van die tussengekomen partij het beroep onontvankelijk te verklaren miskent de wettelijke VII-41.569-4/16 draagwijdte van het begrip ‘hangend geding’ (art. 20 DBRC-decreet) en het begrip ‘zaak’ (art. 105, §§ 4 juncto 2, eerste lid OVD), nu het hangend geding en de zaak door de RvVb ontvankelijk moeten verklaard zijn alvorens te oordelen over de tussenkomst in het hangende geding en de zaak. Het arrest dat de tussenkomst van de POM Antwerpen ontvangt zonder vooraf het beroep te ontvangen is niet naar recht verantwoord”. Zij voegen toe: “
- Met betrekking tot het eerste onderdeel moet vastgesteld worden dat geen enkele tussenkomende partij stilstaat bij de werkelijke draagwijdte van het eerste middelonderdeel van het eerste cassatiemiddel, zoals ontwikkeld door verzoekers. Tussenkomende partijen stellen in essentie dat artikel 20 DBRC-decreet uitdrukkelijk melding maakt van een mogelijkheid tot tussenkomst in een ‘hangende’ procedure, terwijl de ‘zaak’ pas op het einde van de procedure al dan niet (on)ontvankelijk verklaard wordt. Zij stellen dit voor alsof dit de gang van zaken zou zijn, maar houden geen rekening met alle door verzoekers aangevoerde juridische elementen in het eerste middelonderdeel van het eerste cassatiemiddel ter schending van de betrokken bepalingen. Verzoekers wezen immers op het gegeven dat de ontvankelijkheidsexceptie bij het beroep uitsluitend ingesteld werd door de POM Antwerpen, een tussenkomende partij voor de administratieve bodemrechter, zoals kan geverifieerd worden door Uw Raad. Noch de aanvragers, noch de deputatie Antwerpen, noch de RvVb hebben het belang in hoofde van verzoekers (ambtshalve) betwist. Het ontmoeten én beoordelen van een vernietigingsberoep door de administratieve bodemrechter noopt immers eerst en vooral tot het nagaan van en het onderzoek naar de ontvankelijkheid van het vernietigingsberoep alvorens de tussenkomst(en) kunnen worden beoordeeld. Dit laatste geldt eens te meer wanneer het een tussenkomst betreft, zoals kan nagegaan worden door Uw Raad, van een partij die zich voordien niet in de procedure heeft gemanifesteerd. Enige andere interpretatie raakt immers aan de rechtsmacht van de administratieve bodemrechter, die geen beoordeling meer heeft bij om verder over de zaak te oordelen indien hij van mening zou zijn dat er een onontvankelijk beroep voorligt en vice versa zijn rechtsmacht reeds heeft uitgeput eenmaal hij oordeelt over de tussenkomst van een derde-belanghebbenden die niet ab initio doen blijken van een rechtstreeks of onrechtstreeks belang. Dit betreft ook de precieze reden waarom verzoekers de schending hebben aangevoerd van het begrip ‘hangend geding’ en het begrip ‘zaak’ in het eerste middelonderdeel, maar waar geen van de tussenkomende partijen nader op ingaat.
- Derde tussenkomende partij stelt zelf in haar toelichtende memorie dat de griffie van de RvVb haar niet heeft aangeschreven op grond van artikel 59 Procedurebesluit, noch dat zij had moeten aangeschreven worden. Hieruit volgt dat zij niet geacht wordt een (directe) belanghebbende te zijn bij het hangend geding en zij niet opnieuw de zaak kan openbreken wat betreft het belangvereiste dat door andere VII-41.569-5/16 procespartijen (die wel geacht worden over een direct belang te beschikken bij de uitkomst van de zaak) niet in vraag werd gesteld”. In een tweede middelonderdeel betogen Coremans cons.: “
- In zoverre het DBRC-decreet onmogelijkerwijze zou impliceren dat een tussenkomende partij zou toegelaten kunnen worden in het geding alvorens de ontvankelijkheid van het gedinginleidend beroep wordt onderzocht en deze tussenkomt uitsluitend de exceptie van gebrek aan belang zou bepalen, dient opgemerkt dat dergelijke handelswijze een disproportionele belemmering van het recht op toegang tot de rechter impliceert, zoals gewaarborgd door het Verdrag van Aarhus. Procedurebepalingen mogen dat recht niet onmogelijk maken of een te hoge drempel bevatten volgens voormeld Verdrag, zodat dergelijke bepalingen door de rechter buiten toepassing dienen verklaard te worden op grond van de voorrang van het EU-recht, waarvan het Verdrag van Aarhus deel uitmaakt. Het arrest dat de tussenkomst eerst ontvangt en vervolgens het beroep op exclusieve exceptie van de ontvangen tussenkomst niet ontvangt, houdt een disproportionele procedurele beperking en formalisme in van het recht op toegang tot de rechter in milieu-aangelegenheden in weerwil van de waarborgen van het Verdrag van Aarhus waarvan reflexwerking uitgaat (RvS 21 april 2022, nr. 253.536, Vlaamse Gewest) en die de Raad van State als cassatierechter vermag te betrekken in zijn beoordeling van het middel dat de schending aanvoert van dat recht”. Zij voegen toe: “
- Verzoekende partijen verwijzen voor wat betreft hun tweede middelonderdeel van het eerste cassatiemiddel naar randnr. 27 van onderhavige memorie, hetwelk hier als integraal hernomen kan beschouwd worden. De tussenkomende partijen halen, elk in hun eigen bewoordingen, aan dat verzoekers hun belang hebben kunnen uiteenzetten en vervolgens hebben kunnen verdedigen voor de administratieve bodemrechter, zodat er van een disproportionele belemmering van dat recht geen sprake zou zijn. Verder stellen zij dat het Verdrag van Aarhus zich er niet tegen zou verzetten dat bepaalde procedureregels het recht op toegang tot de milieu-rechter beperken. Het tweede middelonderdeel van het eerste cassatiemiddel stelt net de disproportionaliteit van zulke procedureregel aan de kaak in het licht van de Aarhuswaarborgen. Precies de disproportionaliteit van zulke regel wordt in onderhavig middelonderdeel aangekaart in het licht van de gevolgen op het vlak van toegang tot de milieurechter. Wanneer eerst de tussenkomst van een zgn. niet rechtstreeks bij de voorliggende besluitvorming betrokken derde-belanghebbende ontmoet wordt alvorens eerst de ontvankelijkheid van het beroep wordt nagegaan en dit vervolgens aanleiding geeft tot de VII-41.569-6/16 onontvankelijkheid van het beroep, moet vastgesteld worden dat er wel degelijk sprake is van een disproportionele beperking van de Aarhuswaarborgen, hetgeen eens te meer geldt daar de onontvankelijkheid van het beroep niet betwist werd door de verwerende partij (tijdens de administratieve beroepsprocedure of hangende het jurisdictioneel beroep), noch door de aanvragers (tijdens de administratieve beroepsprocedure of hangende het jurisdictioneel beroep), noch ambtshalve door de RvVb. Dit zijn elementen die de Raad van State mee in haar beoordeling van de aangevoerde wetsschending kan betrekken. Zulke belemmering is zeer verregaand en derhalve onverenigbaar met de waarborgen zoals opgenomen in en gewaarborgd door het Verdrag van Aarhus. Aldus gaat het bestreden arrest uit van een zeer restrictieve en uiterst formalistische benadering van de regels inzake tussenkomst om daaropvolgend, op basis van de onontvankelijkheidsexceptie van die specifieke tussenkomende partij, het integrale beroep onontvankelijk te verklaren. Zulke interpretatie van de in titel 4.1.1 van onderhavige nota opgenomen bepalingen, moet gekwalificeerd worden als een wetsschending in de zin van 14, § 2 Gec. Wetten op de Raad van State”. In een derde middelonderdeel betogen Coremans cons.: “
- Het arrest dat de tussenkomst en de daarin opgenomen exceptie van gebrek aan belang ontmoet om vervolgens het beroep onontvankelijk te verklaren schendt artikel 105, § 4 OVD, aangezien onder adressaat van ‘belanghebbende’ in de zin van artikel 20, eerste lid DBRC-decreet o.a. het ‘betrokken publiek’ wordt bedoeld in de zin van artikel 105, § 2, 2° OVD juncto art. 2, 1° OVD.
- Het bestreden arrest dat de POM Antwerpen, oftewel de tussenkomende partij in de procedure voor de RvVb, toelaat tussen te komen in een hangende procedure bezit immers, zoals betwist door verzoekende partijen noch de hoedanigheid van verondersteld belanghebbende partij. De POM Antwerpen is in deze geen niet-gouvernementele organisatie die zich voor de milieubescherming inzet. Evenmin is de POM Antwerpen een natuurlijke of rechtspersoon die gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt, zoals bevestigd in het bestreden arrest […]. In het bestreden arrest wordt geoordeeld dat ‘naar het oordeel van de Raad in redelijkheid niet [kan] worden betwist dat de POM Antwerpen] belang heeft bij de besluitvorming over de bestreden beslissing en derhalve blijk geeft van het vereiste belang om in de procedure tussen te komen’ […], ofschoon al deze vermeende hoedanigheden uitdrukkelijk voor de rechter door de verzoekers werd betwist […].
- Het arrest dat de POM Antwerpen, enkel omwille van
(1)haar ‘rol als ontwikkelaar van het industrieterrein’, waarbij verzoekers hun betoog ook enten op de omgevingsinrichting (door de POM Antwerpen aangelegd) en op de aanknopingen uit het MER (waarvan de POM Antwerpen opdrachtgeefster is), alsmede van
(2)haar zakelijke rechten ten opzichte van het industrieterrein, belang toedicht bij de besluitvorming, zonder dat VII-41.569-7/16 belang concreet te onderzoeken ten opzichte van de bestreden besluitvorming, dat belang aanvaardt om de tussenkomst in te willigen en vervolgens, middels tussenkomt, de daarin vervatte exceptie van gebrek aan belang inwilligt en het beroep onontvankelijk verklaart, is niet naar recht verantwoord. Het arrest dat de tussenkomst van de POM Antwerpen ontvangt om vervolgens op de exclusieve exceptie van die partij het rechterlijk beroep niet te ontvangen zonder op de exceptie van verzoekende partijen in concreto te onderzoeken om welke wijze POM Antwerpen belang heeft bij de besluitvorming is niet naar recht verantwoord”. Zij voegen toe: “
- In tegenstelling tot wat de tussenkomende partijen beweren, strekt het derde middelonderdeel van het eerste cassatiemiddel zich niet tot een feitelijke herbeoordeling van het belang van de POM Antwerpen om in de procedure tussen te komen. Tussenkomende partijen nemen zulke beweringen (doorheen hun memories) maar al te graag op, teneinde Uw Raad af te leiden van de werkelijke draagwijdte van het eerste cassatiemiddel. In tegenstelling tot wat wordt voorgehouden in de memories van de tussenkomende partijen, hebben de verzoekende partijen in het derde middelonderdeel opgeworpen dat er een wetsschending voorligt van artikel 105, § 4 OVD juncto artikel 105, § 2, 2° OVD en artikel 2,1° OVD doordat het bestreden arrest geenszins acht slaat op de gevolgen die de POM Antwerpen ondervindt of waarschijnlijk zal ondervinden van de afgifte van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden; nog minder wordt ingegaan op het belang bij de besluitvorming, niettegenstaande dit laatste net determinerend is conform voormelde bepalingen. Bovenvermelde artikelen worden immers geschonden doordat de wettelijke voorwaarden buiten beschouwing zijn gelaten en impliciet maar zeker geoordeeld wordt dat de derde tussenkomende partij een belang van rechtswege lijkt te hebben (quod certe non). Zulke opvatting van de betrokken bepalingen faalt naar recht. Hierbij geven verzoekende partijen nog aan dat het bestreden arrest aldus een schending begaat door tussenkomst te verlenen aan de POM Antwerpen, abstractie makend van de uitdrukkelijke decretale eis dat de gevolgen/belangen toegespitst dienen te zijn op de afgifte van de omgevingsvergunning of de vergunningsvoorwaarden. Hieruit volgt dat er wel degelijk sprake is van een ontvankelijk en gegrond middel. De exceptie is omwille van voormelde redenen ongegrond. Het eerste cassatiemiddel is bijgevolg in al haar onderdelen ontvankelijk en gegrond”. VII-41.569-8/16 Beoordeling
- Het middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van de ontvankelijkheidsexceptie van Coremans cons. wegens gebrek aan belang van de POM Antwerpen om in de procedure tussen te komen.
- Het bestreden arrest besluit dat de POM Antwerpen “blijk geeft van het vereiste belang om in de procedure tussen te komen” omdat “[g]egeven voorgaande vaststellingen […] in redelijkheid niet [kan] worden betwist dat de [POM Antwerpen] belang heeft bij de besluitvorming over de bestreden beslissing”. Deze vaststellingen van de RvVb zijn: “De derde tussenkomende partij dient zich aan als ‘betrokken publiek’. Ze geeft aan dat ze de gegrondheid van de door de verzoekende partij ingeroepen middelen betwist, ze daarom ook wenst te weerleggen en de wettigheid van de bestreden beslissing ondersteunt. Ze beoogt aldus de verwerping van het beroep mee te benaarstigen, zodat de omgevingsvergunning als onderdeel van de ruimere context, gericht op de verdere ontwikkeling van het bedrijventerrein ‘Veiling Zuid’ haar beslag kan krijgen. De derde tussenkomende partij heeft meerdere decretaal vastgelegde doelstellingen waaronder het realiseren van ‘projecten gericht op de versterking van de infrastructuur tot vestiging van het bedrijfsleven en ontwikkeling van de ruimtelijk-economische infrastructuur;’. In dat kader vormt zij als ontwikkelaar van het bedrijventerrein ‘Veiling Zuid’ de ‘spilfiguur’ in het realisatieproces. Uit de uiteenzetting blijkt dat zij in eerste instantie gezorgd heeft voor de verwering van de nodige gronden, vervolgens betrokken is bij de opmaak van de verdere ordening en inrichting van deze bedrijvenzone, nadien een aantal vergunningen (onder andere voor de aanleg van de groenbuffers) heeft aangevraagd en verkregen, waarna ze is overgegaan tot verkoop van een deel van de bedrijfsloten. De derde tussenkomende partij heeft gelet op haar ‘rol’ als ontwikkelaar van deze bedrijvenzone dus wel degelijk belang bij de uitkomst van de omgevingsvergunning voor de uitbreiding van het bedrijf van de eerste en tweede tussenkomende partij dat gelegen is binnen deze bedrijvenzone en hier mee uitvoering aan geeft. Een en ander geldt des te meer nu de omgevingsinrichting (waaronder harde infrastructuur en groenbuffers), zoals aangelegd door de derde tussenkomende partij door de verzoekende partijen mee betrokken wordt in hun betoog. Hetzelfde geldt wat betreft de kritiek die gericht is op de MER-plichten van de bestreden beslissing in relatie tot de gehele bedrijvenzone, waarover de derde tussenkomende partij stelt dat zij de opdrachtgever is van de MER. VII-41.569-9/16 Tevens geeft de derde tussenkomende partij aan dat ze nog steeds eigenaar is van een aantal loten, gelegen binnen de perimeter van de bedrijvenzone, die in de toekomst nog zullen ontwikkeld of verkocht worden. Ze verwijst hiervoor naar haar stuk 6, dat onder meer een ‘verkoopplan’ bevat met de gronden (voor een totaal van ongeveer 30ha) die te koop aangeboden worden en waarvan meerdere loten gelegen zijn onmiddellijk palend aan het voorwerp van de bestreden beslissing. De opmerking van de verzoekende partijen dat uit dit stuk onvoldoende concreet de grondposities kunnen afgeleid worden is niet alleen niet correct maar is zelfs niet relevant, aangezien hiervoor reeds is vastgesteld dat de derde tussenkomende partij als ontwikkelaar van het nieuwe bedrijventerrein belang heeft om tussen te komen in de voorliggende procedure”.
- Artikel 20, eerste lid, DBRC bepaalt dat elke belanghebbende kan tussenkomen in een hangende procedure. Onder een hangende procedure moet worden begrepen een procedure die werd ingeleid maar waarin nog geen einduitspraak over het ingestelde beroep werd gedaan door de RvVb.
- Artikel 105, § 4, OVD bepaalt dat elk van de personen vermeld in artikel 105, § 2, eerste lid, OVD in de zaak kan tussenkomen. Dat is onder meer luidens artikel 105, § 2, eerste lid, 2°, OVD “het betrokken publiek” dat luidens artikel 2, 1°, OVD onder meer elke “rechtspersoon […] die […] belanghebbende is bij de besluitvorming over de afgifte […] van een omgevingsvergunning” kan zijn. Met “de zaak” in artikel 105, § 4, OVD moet de “hangende procedure” in artikel 20, eerste lid, DBRC worden begrepen.
- Het eerste middelonderdeel dat ervan uitgaat dat alvorens de ontvankelijkheid van de tussenkomst in de hangende procedure te beoordelen, de ontvankelijkheid van het ingestelde beroep tot vernietiging van de bestreden vergunningsbeslissing moet worden beslecht, faalt naar recht.
- Uit de artikelen 2.5, 6 en 9.2 van het verdrag van Aarhus volgt dat België en de deelstaten de verplichting op zich hebben genomen om leden van het publiek de toegang tot bestuursrechtelijke of rechterlijke procedures te VII-41.569-10/16 verzekeren ingeval zij met de bepalingen van het nationale milieurecht strijdig handelen en nalaten van privépersonen en overheidsinstanties willen betwisten, voor zover zij daartoe voldoen aan de in het nationale recht neergelegde criteria. Die criteria mogen niet zodanig worden omschreven of uitgelegd dat zij de toegang van de leden van het publiek in dergelijk geval onmogelijk maken. De rechter vermag de in het nationale recht vastgelegde criteria uit te leggen in overeenstemming met de doelstellingen van artikel 9.3 van het verdrag van Aarhus.
- Coremans cons. laten na in het tweede middelonderdeel uiteen te zetten welke in het nationale recht vastgelegde criteria in het bestreden arrest niet in overeenstemming met de doelstellingen van artikel 9.3 van het verdrag van Aarhus worden uitgelegd door de RvVb. Het tweede middelonderdeel kan niet tot cassatie leiden.
- Het derde middelonderdeel dat het belang van de tussenkomende POM Antwerpen niet concreet wordt onderzocht in het licht van artikel 105, § 2, eerste lid, 2° en § 4, OVD en artikel 2, 1°, OVD, mist, gelet op de hiervoor aangehaalde vaststellingen en overwegingen in het bestreden arrest, feitelijke grondslag.
- Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt Coremans cons.
- Coremans cons. voeren de schending aan van de artikelen 2.5, 6 en 9.2 van het verdrag van Aarhus, het algemeen rechtsbeginsel van de normenhiërarchie en van de artikelen 2, 1°en 105, § 2, lid 2°, OVD. VII-41.569-11/16 Zij argumenteren: “
- Verzoekende partijen beroepen zich op de bepalingen van het Verdrag van Aarhus in samenhang met de relevante bepalingen van het OVD ter interpretatie van dit laatste decreet. Verzoekende partijen beogen met andere woorden de verdragsrechtelijke interpretatie van het OVD, hetgeen volgt uit het algemeen rechtsbeginsel van de hiërarchie der normen, nu het Verdrag Europeesrechtelijk verankerd werd (zie verder randnr. 52). […]
- Door te oordelen dat verzoekers geen belang hebben bij het beroep en door te beweren dat verzoekende partijen niet alleen nalaten de aangevoerde nadelen over de gevreesde geluidshinder te concretiseren, maar er ook niet in slagen de aangeklaagde (algemene) nadelen in causaal verband te brengen met de bestreden beslissing, geeft het bestreden arrest een draagwijdte aan de in de aanhef opgenomen bepalingen die het wettelijk niet heeft. Door aldus te beslissen, vereist het bestreden arrest een dermate hoge bewijslast van de belanghebbende die gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt bij de besluitvorming over de afgifte van een omgevingsvergunning of vergunningsvoorwaarden alvorens deze belanghebbende toegang kan hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie. De RvVb legt met andere woorden in het bestreden arrest zulke bewijsstandaard op waardoor een redelijkerwijs aannemelijk gemaakt risico op het ondergaan van de aangevoerde rechtstreekse of onrechtstreekse gevolgen van de bestreden vergunningsbeslissing niet volstaat, aldus een Aarhusconforme lezing van artikel 105, § 2, lid 1, 2° OVD juncto artikel 2, 1° OVD schendend.
- Dat het betrokken publiek immers een ruime decretale omschrijving geniet, zodat die criteria niet zodanig mogen worden omschreven of uitgelegd dat zij de toegang van de leden van het betrokken publiek in dergelijk geval onmogelijk maken (RvS 13 juni 2019, nr. 244.784, CVA Nicole-Claes-Efaous) Een te restrictieve of formalistische toepassing van het belangvereiste bij het beroep is hierbij uitgesloten (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010; GwH 17 juni 2021, nr. 92/2021). Het arrest dat rechterlijk beroep in hoofde van verzoekende partijen verwerpt bij gebrek aan belang enkel omdat de nadelige gevolgen alsmede het causaal verband volgens de RvVb niet voldoende aannemelijk werden gemaakt, zonder acht te slaan op de ‘waarschijnlijke’ dreiging en het ‘waarschijnlijke’ risico van de aangevoerde nadelen als noodzakelijke maar voldoende eis schendt artikel 105, § 2, lid 1, 2° juncto art. 2, 1° OVD , op zich zelf genomen en in samenhang met het Verdrag van Aarhus, op grond waarvan het volstaat dat een verzoeker het ‘risico’ op ingeroepen nadelen en het causaal verband aannemelijk maakt zonder deze nadelen en causaal verband effectief te moeten bewijzen (RvVb 9 juni 2022, nr. A-2122-0825) en zonder dat deze vereisten overdreven beperkend of formalistisch mogen worden toegepast (RvVb 24 juni 2022, nr. S-2122-0910). Het arrest dat het belang aldus toetst aan een bewijsstandaard die niet volgt uit artikel 105, § 2, eerste lid, 2° juncto art. 2,1° OVD noch uit het Verdrag van Aarhus, ofschoon dat reflexwerking heeft, is niet naar recht verantwoord”. VII-41.569-12/16 Zij lichten toe: “
- Verzoekende partijen verwijzen naar de tweede pijler van het Verdrag van Aarhus, welke als richtinggevend verdrag door de lidstaten van de Europese Unie moet worden geïmplementeerd in de nationale procedures. Derhalve zijn de lidstaten gebonden om de doelstellingen/bepalingen van het Verdrag van Aarhus in hun nationale regelgeving op te nemen, en desnoods aan deze doelstellingen/bepalingen aan te passen. Het doel van het Verdrag van Aarhus is ‘bij te dragen aan de bescherming van het recht van elke persoon van de huidige en toekomstige generaties om te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn’. Daartoe verplicht het de verdragsluitende partijen drie ruime categorieën rechten (de drie pijlers) voor burgers en hun verenigingen te waarborgen, namelijk het recht op toegang tot informatie, het recht op inspraak in de besluitvorming en het recht op toegang tot de rechter in milieuaangelegenheden (Mededeling van de Commissie van 28 april 2017, C
(2017)2616, final, Pb.C, nr. 275 van 18 augustus 2017, 1-20). Het komt in elk geval aan de nationale rechter toe om, ter waarborging van de effectieve bescherming, het nationale recht dermate uit te leggen dat het recht zoveel mogelijk met de bij het Verdrag van Aarhus vastgestelde doelstellingen in overeenstemming is (Mededeling van de Commissie van 28 april 2017, C
(2017)2616, final, Pb.C, nr. 275 van 18 augustus 2017, 11)”. Zij voegen toe: “[…] Zoals uitdrukkelijk blijkt uit artikel 2.5 Verdrag van Aarhus volstaat het dat de waarschijnlijk te ondervinden gevolgen ingevolge milieubesluitvorming worden aangeduid. Dit betreft ook de nationaalrechtelijke invulling van het begrip ‘betrokken publiek’ in de zin van artikel 2, 1° OVD. Elke natuurlijke persoon die gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden betreft immers een lid van het betrokken publiek. Het bestreden arrest geeft aan voormelde bepalingen een onwettige interpretatie, precies omdat van deze waarschijnlijkheid aan potentiële gevolgen op het vlak van geluid en visuele hinder abstractie werd gemaakt bij de invulling van het belangvereiste; het bestreden arrest schendt de in titel 4.2.1 opgenomen bepalingen door enkel gevolgen te eisen die afdoende geconcretiseerd en geïndividualiseerd zijn per verzoekende partij en bovendien in rechtstreeks causaal verband staan met de vergunningsbeslissing. Elke waarschijnlijkheid van de aangekaarte gevolgen, is in de rechtsopvatting van de betrokken bepalingen, zoals geïnterpreteerd door de RvVb, afwezig. Dergelijke opvatting van de betrokken bepalingen moet nopen tot een verbreking van het bestreden arrest. VII-41.569-13/16 […]
- In het bestreden arrest werd de waarschijnlijkheid van de gevolgen niet betrokken bij het belangvereiste. Dit is strijdig met de in titel 4.2.1 opgenomen bepalingen en beginselen”. Beoordeling
- Luidens artikel 2, 1°, OVD is elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van of belanghebbende is bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden, “betrokken publiek” overeenkomstig artikel 105, § 2, eerste lid, 2°, OVD die een beroep kan instellen bij de RvVb tegen een in laatste aanleg genomen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing betreffende een omgevingsvergunning. De criteria in deze bepalingen moeten in overeenstemming met de doelstellingen van artikel 9.2 van het verdrag van Aarhus worden uitgelegd. Die criteria mogen niet zodanig worden omschreven of uitgelegd dat zij de toegang van de leden van het publiek in dergelijk geval onmogelijk maken. Uit deze bepaling volgt dat de RvVb bij betwisting hoort te onderzoeken of de verzoekende partij gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van de voor hem bestreden vergunningsbeslissing. Het volstaat dat een verzoekende partij aannemelijk maakt dat zij waarschijnlijk gevolgen ondervindt van de afgifte van een omgevingsvergunning. De partij die dit betwist, moet aantonen dat een verzoekende partij die aangevoerde waarschijnlijke gevolgen van de afgifte van een omgevingsvergunning niet ondervindt.
- Het bestreden arrest dat bij de beoordeling van de ontvankelijkheidsexceptie wegens gebrek aan belang van Coremans cons. ervan uitgaat dat een verzoekende partij “die zich aandient als ‘betrokken publiek’ […] minstens voldoende aannemelijk [moet] maken dat zij […] door de bestreden beslissing gevolgen zal ondervinden”, schendt artikel 2, 1°, OVD gelezen samen met artikel 105, § 2, eerste lid, 2°, OVD. VII-41.569-14/16
- Het bestreden arrest schendt deze bepalingen eveneens wanneer het bij de beoordeling van voormelde ontvankelijkheidsexceptie aanneemt dat: - “[u]it die uiteenzetting en de daarbij horende stukken” van Coremans cons. niet zonder meer kan afgeleid worden welke “concrete geluidshinder” Coremans cons. vrezen te ondervinden en dat uit twee akoestische onderzoeken die Coremans cons. bijbrengen, evenmin “enige concrete geluidshinder” ten nadele van Coremans cons. kan worden afgeleid; - Coremans cons. er niet in slagen om het causaal verband te duiden tussen “de beweerde nadelen, die ze overigens niet concretiseren, en de bestreden beslissing”; - Coremans cons. “de aangevoerde hinder en nadelen” op geïndividualiseerde wijze op hun persoonlijke situatie moeten betrekken; - het niet mogelijk is dat alle verzoekende partijen “de aangevoerde nadelen” in dezelfde mate en dezelfde grootteorde vrezen te zullen ondervinden; - “niet aannemelijk [kan] gemaakt worden dat er een zichtlijn ontstaat op de uitbreiding van de bedrijfsgebouwen van [de bv Starpack]”; - Coremans cons. niet uiteenzetten waarom zij van oordeel zijn dat zij als eigenaar en bewoners van in de omgeving van de projectsite gelegen woningen menen te beschikken over “voldoende persoonlijk belang” om de vernietigingsvordering in te leiden.
- Door aldus te beslissen sluit de RvVb personen als lid van het betrokken publiek uit die de gevolgen van de afgifte van de bestreden omgevingsvergunning waarschijnlijk kunnen ondervinden.
- Het middel is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt arrest nr. RvVb-A-2122-0787 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 2 juni 2022 in de zaak 2021-RvVb-0460-SA. VII-41.569-15/16
- Dit arrest dient te worden overgeschreven in de registers van bovenvermelde Raad en melding ervan moet worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing.
- De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde Raad voor Vergunningsbetwistingen.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 600 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekers. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomsten, begroot op 450 euro, elk voor een derde. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien oktober tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.569-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.657 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div