id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.658 Rolnummer: A. 232654/VII-40995 Zaak: Arrest 257658 - Jacht - Vergunningen - 19/10/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-10-24 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-06-10 14:06 Fiche Arrest nr 257.658 van 19 oktober 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Jacht - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 257.658 van 19 oktober 2023 in de zaak A. 232.654/VII-40.995 In zake : 1. de VZW WILDBEHEEREENHEID DE REYNAERT 2. Herman VAN ACKER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten An-Sofie Debersaques en Sven Boullart kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jannick Poets kantoor houdend te 3600 Genk Jaarbeurslaan 19, bus 31 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris De Pauw kantoor houdend te 2800 Mechelen Schaliënhoevedreef 20 T -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 28 december 2020, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos van 23 oktober 2020 waarbij de jacht op de kleinwildsoorten fazant, haas en patrijs vanaf 23 oktober 2020 wordt verboden op alle jachtterreinen van de wildbeheereenheid De Reynaert, tijdens het jachtseizoen 2020-2021 dat aanvangt op 1 juli 2020 en eindigt op 30 juni 2021. Tweede verzoeker heeft tevens een verzoekschrift tot schadevergoeding tot herstel ingediend. VII-40.995-1/50 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft op 9 november 2021 een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 mei 2023. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sven Boullart, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Jannick Poets, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De eerste verzoekende partij is een, op grond van artikel 12, eerste lid, van het Jachtdecreet van 24 juli 1991, erkende wildbeheereenheid VII-40.995-2/50 (hierna: WBE) waarvan het werkingsgebied jachtterreinen in Gent, Lochristi, Lokeren, Wachtebeke en Zelzate omvat. 3.2. Artikel 29 van het Jachtdecreet bepaalt dat het te allen tijde verboden is wild uit te zetten tenzij de Vlaamse regering hierop met het oog op het behoud van wildsoorten uitzonderingen toestaat. Overeenkomstig artikel 23 van het besluit van de Vlaamse regering van 25 april 2014 ‘houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de jacht kan worden uitgeoefend’ (hierna: Jachtvoorwaardenbesluit) kan het Agentschap voor Natuur en Bos beslissen om de jacht op een kleinwildsoort te sluiten in het volledige werkingsgebied van een bepaalde WBE, onder meer - in het eerste lid, 3° - “als wordt vastgesteld dat in het afgelopen jaar kleinwildsoorten werden uitgezet in de desbetreffende WBE”. 3.3. Op 14 oktober 2020 stelt de natuurinspectie van het Agentschap voor Natuur en Bos vast dat Roy Raemdonck in zijn bestelwagen 100 fazanten en 25 patrijzen vervoert. Betrokkene verklaart dat hij de bedoeling had om de fazanten en patrijzen uit te zetten op het jachtterrein waarvan zijn vader Joeri Raemdonck, lid van de eerste verzoekende partij, jachtrechthouder is. 3.4. Op 23 oktober 2020 neemt de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos de thans bestreden beslissing waarbij op alle jachtterreinen van de WBE De Reynaert tijdens het jachtseizoen 2020-2021 de jacht op de kleinwildsoorten fazant, haas en patrijs wordt verboden vanaf 23 oktober 2020. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 4. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van “artikel 23, eerste lid, 3° van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de jacht kan worden uitgeoefend, artikel van het besluit van de Vlaamse Regering VII-40.995-3/50 van 23 december 2005 tot oprichting van het interne verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Agentschap voor Natuur en Bos, de artikelen 17, eerste lid, 6° en 20 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen en van de intern verzelfstandigde agentschappen, alsook van artikel 6 van het ministerieel besluit van 13 november 2006 tot regeling van specifieke en aanvullende delegatie van beslissingsbevoegdheden aan het hoofd van het intern verzelfstandigd Agentschap voor Natuur en Bos”. De verzoekende partijen lichten het middel als volgt toe: “[…] De bestreden beslissing werd genomen door de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos, mevr. Marleen Evenepoel. Zij is daartoe echter niet bevoegd. […] Immers, overeenkomstig artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2005 tot oprichting van het interne verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Agentschap voor Natuur en Bos is het hoofd van het Agentschap voor Natuur en Bos belast met de algemene leiding, de werking en de vertegenwoordiging van dit agentschap en onverminderd de mogelijkheid tot delegatie en subdelegatie van die bevoegdheid […]. De Vlaamse Regering heeft met die bepaling dus bepaalde bevoegdheden gedelegeerd aan het hoofd van het Agentschap voor Natuur en Bos. Dergelijke delegaties moeten dan wel beperkend worden geïnterpreteerd als uitzondering op de regel van de algemene bevoegdheid van de Vlaamse regering. In die zin kan verwezen worden naar de problematiek destijds waarbij de Raad van State heeft geoordeeld dat de ontheffing tot ontbossen niet gelijk te stellen was met een ‘vergunning’ in de zin van artikel 16, eerste lid, 4° van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003 tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofde van de intern verzelfstandigde agentschappen, dat de hoofden van de agentschappen bevoegd maakte voor: ‘het verlenen en intrekken van vergunningen’[…]. Het is niet anders in onderhavige zaak. Het opleggen van de sanctie met de bestreden beslissing op grond van artikel 23, eerste lid, 3° van voornoemd besluit van 25 april 2014 valt daar niet onder. Deze beslissing ‘bestraft’; zij legt een handhavingsmaatregel op. Bestraffen/het opleggen van een handhavingsmaatregel valt duidelijk niet onder de categorie ‘leiding geven’, evenmin onder ‘werking’ en al helemaal niet onder ‘vertegenwoordigen’. Er anders over oordelen zou ertoe leiden dat die bepaling zou volstaan voor alle mogelijke bevoegdheden inzake natuur en bos, zodat geen algemene en specifieke delegatieregeling (zoals het hieronder vernoemd besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 […] en het hieronder vernoemd VII-40.995-4/50 ministerieel Besluit van 13 november 2006), meer zouden moeten genomen worden, quod non natuurlijk. De bevoegdheid om de bestreden beslissing te nemen vloeit dus niet voort uit artikel 7 van het besluit van 23 december 2005. […] Een dergelijke bevoegdheid is evenmin terug te vinden in het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen en van de intern verzelfstandigde agentschappen. De aanhef van de bestreden beslissing verwijst weliswaar naar artikel 20 van dit besluit, maar die bepaling heeft louter betrekking op de mogelijkheid van het ‘hoofd van het (...) agentschap’ om ‘een deel van de gedelegeerde aangelegenheden verder (
- te)subdelegeren aan personeelsleden van het (...) agentschap die onder zijn hiërarchisch gezag staan, tot op het meest functionele niveau’. Die bepaling is hier niet van toepassing omdat het de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos is die de bestreden beslissing heeft genomen en niet een personeelslid van het Agentschap voor Natuur en Bos die een bepaalde bevoegdheid vanwege de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos zou gedelegeerd hebben gekregen. Het gaat dus om de mogelijkheid van subdelegatie van bevoegdheden, maar dan moet men wel over die bevoegdheden beschikken om deze verder door te kunnen delegeren, quod non in casu! Artikel 17, eerste lid, 6° van het besluit van 30 oktober 2015, kan evenmin worden aangewend als rechtsgrond voor de bevoegdheid van de steller van de bestreden beslissing. […] Immers, dergelijke delegaties moeten beperkend worden geïnterpreteerd als uitzondering op de regel van de algemene bevoegdheid van de Vlaamse regering. In die zin kan eveneens verwezen worden naar de problematiek destijds waarbij de Raad van State heeft geoordeeld dat de ontheffing tot ontbossen niet gelijk te stellen was met een ‘vergunning’ in de zin van artikel 16, eerste lid, 4° van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003 tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofde van de intern verzelfstandigde agentschappen, dat de hoofden van de agentschappen bevoegd maakte voor: ‘het verlenen en intrekken van vergunningen’.[…] Het is niet anders in onderhavige zaak. Ook hier kan redelijkerwijs niet gesteld worden dat het opleggen van een sanctie, zijnde een handhavingsmaatregel, zou kunnen kwalificeren als een toezichtstaak, een controletaak of een inspectietaak. […] De bevoegdheid tot het nemen van de bestreden beslissing werd evenmin gedelegeerd in het toepasselijke agentschapsspecifieke delegatiebesluit. Immers, het ministerieel besluit van 13 november 2006 tot regeling van specifieke en aanvullende delegatie van beslissingsbevoegdheden aan het hoofd van het intern verzelfstandigd Agentschap voor Natuur en Bos […] bevat een ‘Hoofdstuk II - Delegaties inzake jachtregeling’ waarbij verschillende bevoegdheden inzake jacht worden gedelegeerd aan de VII-40.995-5/50 administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos, met name artikel 6 […]. Bij lezing van die bepaling is het overduidelijk dat de bevoegdheid tot het nemen van de bestreden beslissing op grond van artikel 23, eerste lid, 3° van het besluit van 25 april 2014, niet werd gedelegeerd aan de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos. Volledigheidshalve dient er ook op gewezen te worden dat de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos ter zake ook geen bevoegdheid kan putten uit artikel 37 van het Jachtdecreet van 24 juli 1991[…]. Immers, de bij de bestreden beslissing opgelegde sanctie werd opgelegd op grond van de autonome bepaling van artikel 23, eerste lid, 3° van het besluit van 25 april 2014 en men zal vruchteloos moeten speuren in het bedoelde decreet van 5 april 1995 naar een bevoegdheidsgrondslag om een dergelijke beslissing te nemen. […] Slotsom is dan ook dat de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos geen bevoegdheid heeft gekregen om beslissingen te nemen op grond van artikel 23, eerste lid, 3° van het besluit van 25 april 2014. De Vlaamse Regering heeft haar bevoegdheid ter zake enkel en alleen gedelegeerd aan het Agentschap voor Natuur en Bos, zonder daarbij in verdere delegatie te voorzien aan haar hoofd, zijnde de administrateur-generaal. Door de bestreden beslissing toch te nemen, ondanks het gebrek aan bevoegdheid daartoe, heeft de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos als steller van de handeling een bevoegdheid uitgeoefend die haar niet toekomt en heeft zij de eigen bevoegdheden geschonden, zodat de bestreden beslissing genomen is met schending van de in de aanhef van onderhavig middel aangegeven bepalingen”. 5. De verwerende partij antwoordt: “[…] Verzoekende partijen steunen zich op een verkeerd uitgangspunt waar zij stellen dat de Administrateur-Generaal van het ANB niet bevoegd zou zijn. Zij menen uit artikel 7 van het BVR van 23 december 2005 met betrekking tot de oprichting van ANB dat bepaalt dat het hoofd van het ANB belast is met de ‘algemene leiding’, de ‘werking’ en de ‘vertegenwoordiging van het agentschap’ te kunnen afleiden dat het hoofd van het ANB niet de mogelijkheid zou hebben om een beslissing te nemen op grond van artikel 23, eerste lid, 3° van het Jachtvoorwaardenbesluit omdat de bestreden beslissing een bestraffend karakter zou hebben. Hiermee gaan verzoekende partijen in eerste instantie voorbij aan artikel 17, 6° van het BVR van 30 oktober 2015. Integendeel heeft de bestreden beslissing betrekking op het uitvoeren van een controletaak, nl. het handhaven van het jachtverbod in geval van uitzetting van wildsoorten hetgeen expliciet is gedelegeerd aan het hoofd van het ANB. Verder gaan verzoekende partijen […] er verkeerdelijk van uit dat ‘bestraffen’ niet zou kunnen vallen onder de algemene termen algemene VII-40.995-6/50 leiding, werking en vertegenwoordiging van het ANB, minstens tonen zij dit redelijkerwijze niet aan. Ten overvloede merken we op dat de bestreden beslissing niet enkel een bestraffend maar ook, zelfs voornamelijk, een beschermend karakter kent voor de betrokken kleinwildsoorten. In die zin kan de maatregel, in de stelling van verzoekende partijen, ook worden geplaatst onder algemene leiding, werking en vertegenwoordiging van het ANB. Immers, het in stand houden, beschermen en verder ontwikkelen van de huidige aanwezige natuur in Vlaanderen valt onder de algemene doelstelling van het ANB. […] Ook de verwijzing van verzoekende partijen naar een ‘problematiek destijds’ in verband met de ontheffing tot ontbossen die niet gelijk was te stellen met een vergunning, kan niet worden gevolgd. In dit kader verwijst verwerende partij naar arrest [nr. 246.967 van 6 februari 2020] […]. Bijgevolg valt naar analogie niet in te zien om welke redenen de Administrateur-Generaal van het ANB de bestreden beslissing, die een beslissing inhoudt m.b.t. de controle volgend op overtredingen op grond van het jachtvoorwaardenbesluit, niet zou mogen nemen. De bestreden beslissing werd aldus terecht genomen door de Administrateur-Generaal van het ANB. De argumentatie van verzoekende partijen is bijgevolg manifest onjuist. […] Ook de mening van verzoekende partijen, waarbij zij stellen dat een delegatie vanwege de Vlaamse Regering restrictief dient te worden geïnterpreteerd, kan niet worden gevolgd. Artikel 4 van het BVR van 30 oktober 2015 bepaalt immers dat als de beslissingsbevoegdheid voor bepaalde aangelegenheden expliciet wordt gedelegeerd, de delegatie zich ook uitstrekt tot: 1) de beslissingen die moeten worden genomen in het kader van de voorbereiding en de uitvoering van de bedoelde aangelegenheden; 2) de beslissingen van ondergeschikt belang of aanvullende aard die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de bevoegdheid of er inherent deel van uitmaken; 3) het sluiten van overeenkomsten. In tegenstelling tot hetgeen verzoekende partijen voorhouden, is er aldus geen sprake van een restrictieve interpretatie van taken waarover de Administrateur-Generaal van het ANB beschikt. Bovendien behoren beslissingen die worden genomen in het kader van de vaststelling van een schending van de toepasselijke regelgeving in essentie tot de controletaak van het hoofd van het agentschap […]. […] Verzoekende partijen verwijzen verder nog naar het delegatiebesluit van 13 november 2006 waaruit zij ten onrechte afleiden dat er een specifieke delegatie nodig zou zijn aan het ANB en aan de Administrateur-Generaal van het ANB. Gelet op artikel 17, 6° van het BVR van 30 oktober 2015 is een specifieke delegatie op grond van het BVR van 13 november 2006 overbodig. De bestreden beslissing vindt bijgevolg terecht geen steun in artikel 6 van het BVR van 13 november 2006. […] Ten overvloede merkt verwerende partij nog op dat verzoekende partijen […] expliciet erkennen dat de Vlaamse Regering haar bevoegdheid delegeerde aan het ANB. Volgens verzoekende partijen zou daarbij echter VII-40.995-7/50 zijn nagelaten aan te geven wie binnen het ANB bevoegd zou moeten zijn om de bestreden beslissing te nemen. Het spreekt voor zich dat een delegatie van de Vlaamse Regering aan het ANB zonder verdere specificatie wie binnen het ANB bevoegd zou zijn om hieromtrent beslissingen te nemen, inhoudt dat het hoofd van het ANB in dat geval beslissingen mag nemen die aan het ANB zijn toegekend. Hier anders over oordelen en hieruit afleiden dat de AG van het ANB geen bevoegdheid zou hebben, zou betekenen dat de bevoegdheden van de hiërarchisch hoogst geplaatste ambtenaar beperkter zou zijn dan hiërarchisch lager geplaatste ambtenaren hetgeen niet de bedoeling kan zijn”. 6. In hun memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen toe: “[…] Verwerende partij meent ten onrechte dat de bestreden beslissing betrekking heeft op de uitvoering van een controletaak, nl. het handhaven van het jachtverbod in geval van uitzetting van wildsoorten hetgeen expliciet is gedelegeerd aan het hoofd van het Agentschap voor Natuur en Bos. Verzoekende partijen stellen evenwel vast dat verwerende partij onterecht meent dat het handhaven van het jachtverbod in geval van uitzetting van wildsoorten expliciet is gedelegeerd aan het hoofd van het Agentschap voor Natuur en Bos. Artikel 23, eerste lid, 3° van het Jachtvoorwaardenbesluit omschrijft enkel dat ‘het agentschap’ bevoegd is om deze beslissing te nemen, niet het hoofd van het agentschap. Dit betreft aldus geen controletaak van een bevoegdheid die aan het hoofd van het Agentschap voor Natuur en Bos werd toegekend. […] Verder stelt de verwerende partij dat de bestreden beslissing voornamelijk een beschermend karakter heeft waardoor dit kan worden geplaatst onder een activiteit van algemene leiding. Verwerende partij gaat er echter aan voorbij dat het opleggen van de sanctie met de bestreden beslissing op grond van artikel 23, eerste lid, 3° van Jachtvoorwaardenbesluit daar niet onder valt. Deze beslissing ‘bestraft’; zij legt een handhavingsmaatregel op. Bestraffen/het opleggen van een handhavingsmaatregel valt duidelijk niet onder de categorie ‘leiding geven’, evenmin onder ‘werking’ en al helemaal niet onder ‘vertegenwoordigen’. Er anders over oordelen zou ertoe leiden dat die bepaling zou volstaan voor alle mogelijke bevoegdheden inzake natuur en bos, zodat geen algemene en specifieke delegatieregeling (zoals het hieronder vernoemd besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015[…] en het hieronder vernoemd ministerieel besluit van 13 november 2006), meer zou moeten genomen worden, quod non natuurlijk. Verder verwijst de verwerende partij nog naar een arrest van Uw Raad van 6 februari 2020 met nr. 246.967.[…] VII-40.995-8/50 Dit arrest kan evenwel in casu niet worden gehanteerd gezien dit een compleet andere situatie betreft. Allereerst gaat het hier om een bevoegdheid die behoort aan het departement omgeving en niet aan het Agentschap voor Natuur en Bos. Bovendien haalt de bevoegde overheid haar bevoegdheid rechtstreeks Verordening nr. 1099/2009. Tot slot ging het in dit arrest om een bevoegdheid die nog maar sinds 2014 werd toegewezen aan het Vlaamse Gewest, terwijl de jacht reeds sinds 1980 een bevoegdheid van het Vlaamse Gewest betreft en in onderhavige zaak de specifieke bepaling met bevoegdheid van artikel 23, eerste lid, 3° van het Jachtvoorwaardenbesluit bestaat (wat niet het geval was in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot voornoemd arrest van uw Raad). […] Tot slot stelt verwerende partij dat een delegatie van de Vlaamse Regering niet restrictief moet worden geïnterpreteerd. Zij steunt zich hiervoor op artikel 4 van besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen en van de intern verzelfstandigde agentschappen. Bij nazicht van dit artikel 4 blijkt evenwel niet dat de delegatie niet restrictief mag worden geïnterpreteerd. […] De delegatie moet aldus voldoen aan één van deze drie punten. Zo niet, dan is er nog steeds geen geldige delegatie, zoals in casu. De administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos als steller van de handeling heeft wel degelijk een bevoegdheid uitgeoefend die haar niet toekomt en heeft de eigen bevoegdheden geschonden, zodat de bestreden beslissing genomen is met schending van de in de aanhef van onderhavig middel aangegeven bepalingen”. 7. In hun laatste memorie wijzen de verzoekende partijen erop dat artikel 23, eerste lid, 3°, van het Jachtvoorwaardenbesluit een specifieke bepaling is die rechtsgrond vindt in artikel 29 van het Jachtdecreet, in samenlezing met artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’, en dat die bepaling geen uitstaans heeft met het natuurbehoud. Beoordeling 8. Artikel 23 van het Jachtvoorwaardenbesluit bepaalt: “Het agentschap kan bij beslissing de jacht op een kleinwildsoort sluiten in het volledige werkingsgebied van een bepaalde WBE, in een deel van het werkingsgebied van een bepaalde WBE of in het jachtterrein van een onafhankelijke jachtrechthouder in elk van de volgende gevallen: 1° als het wildbestand voor de kleinwildsoort in kwestie ongunstig is binnen het werkingsgebied van de desbetreffende WBE of in het jachtterrein van de onafhankelijke jachtrechthouder; VII-40.995-9/50 2° als er door de desbetreffende WBE of door de onafhankelijke jachtrechthouder onvoldoende maatregelen genomen worden met het oog op de verbetering van dat bestand, en als dat in aangrenzende WBE’s of jachtterreinen van onafhankelijke jachtrechthouders wel in voldoende mate het geval is; 3° als wordt vastgesteld dat in het afgelopen jaar kleinwildsoorten werden uitgezet in de desbetreffende WBE of in het jachtterrein van de betrokken onafhankelijke jachtrechthouder. Het agentschap baseert zich bij het nemen van de beslissing op het wildrapport, het faunabeheerplan voor de desbetreffende WBE en eventueel op andere stukken die de beslissing kunnen onderbouwen. Voor de gevallen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, vraagt het agentschap het advies van de wildbeheercommissie en het instituut”. 9. Artikel 14 van het besluit van de Vlaamse regering van 25 juli 2014 ‘tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering’ luidt: “De leden van de Vlaamse Regering kunnen hun bevoegdheden, gedelegeerd overeenkomstig hoofdstuk 2, delegeren aan personeelsleden van de diensten van de Vlaamse Regering en de instellingen en rechtspersonen die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest. Ze kunnen die personeelsleden machtigen om, als ze daarvan kennis geven, die bevoegdheden verder te delegeren en te laten subdelegeren aan personeelsleden die onderworpen zijn aan hun hiërarchisch gezag. […] De delegaties die aan personeelsleden zijn verleend in aangelegenheden die aan de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest zijn overgedragen, blijven gelden tot ze gewijzigd of opgeheven worden, binnen de grenzen bepaald door dit besluit”. Ter uitvoering van voornoemde bepaling werd het besluit van de Vlaamse regering van 30 oktober 2015 ‘tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen en van de intern verzelfstandigde agentschappen’ genomen, dat in zijn artikel 17 bepaalt dat het hoofd van het departement of agentschap delegatie heeft om beslissingen te nemen over onder meer “toezichts-, controle- en inspectietaken”. 10. Artikel 17, eerste lid, 6°, van het besluit van de Vlaamse regering van 30 oktober 2015 verleent aan de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos delegatie om op grond van artikel 23, eerste lid, VII-40.995-10/50 3°, van het Jachtvoorwaardenbesluit een beslissing tot sluiting van de jacht op kleinwildsoorten te nemen na de vaststelling van uitzetting van kleinwildsoorten in de betrokken WBE. 11. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 12. In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van “artikel 21bis, § 1, derde lid Sv., van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, alsook van de materiële motiveringsplicht”. Als toelichting bij het middel zetten de verzoekende partijen uiteen: “[…] Het administratief dossier dat aan de bestreden beslissing ten grondslag ligt, werd in het kader van de UDN-procedure ter griffie van de Raad neergelegd en aan eerste verzoekende partij overgemaakt. Dat administratief dossier is flinterdun en bevat enkel volgende stukken: • Bestreden beslissing van 23 oktober 2020; • Kennisgevingsberichten van 23 oktober 2020; • E-mail van dhr. Van Laecken aan Vlaams Minister Demir van 19 oktober 2020 en e-mail van Vlaams Minister Demir van 27 oktober 2020; • Voorstel van decreet tot wijziging van het Jachtdecreet van 24 juli 1991, wat de schrapping van de patrijs als bejaagbare soort betreft. […] Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt ontegensprekelijk dat de motieven van de bestreden beslissing steun vinden in het proces-verbaal met nr. OU.63A.H2.160206/2020. Verwerende partij heeft dit ook met zoveel woorden bevestigd tijdens de terechtzitting in het kader van de UDN-procedure van 9 november 2020. Nog tijdens die zitting stelde verwerende partij dat dit proces-verbaal niet aan het administratief dossier werd gevoegd omwille van het geheim van het strafonderzoek. […] De mededeling van dossierstukken in strafzaken werd voorheen geregeld in artikel 125, eerste lid van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken: VII-40.995-11/50 ‘In criminele, correctionele en politiezaken en in tuchtzaken mag geen uitgifte of afschrift der akten van onderzoek en rechtspleging worden afgeleverd zonder uitdrukkelijke machtiging van de procureur-generaal bij het Hof van beroep. Op haar verzoek echter wordt aan partijen een uitgifte van de klacht, de aangifte, de bevelschriften en de vonnissen verstrekt.’ Artikel 125 van voornoemd koninklijk besluit werd opgeheven bij artikel 43 van het Koninklijk Besluit van 15 december 2019 tot vaststelling van de organisatie van de arrondissementele bureaus gerechtskosten en de procedure volgens dewelke gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten worden toegekend, geverifieerd, betaald en teruggevorderd. Laatstgenoemd koninklijk besluit is genomen ter uitvoering van de Wet van 23 maart 2019 betreffende gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten en tot invoeging van een artikel 648 in het Wetboek van Strafvordering. Blijkens de parlementaire voorbereidingen van die wet is het de bedoeling van de wetgever geweest om artikel 125, eerste lid van voornoemd koninklijk besluit van 28 december 1950 niet te hernemen, gelet op artikel 21bis Sv.: ‘De inhoud van het eerste lid van artikel 125 van het Tarief in Strafzaken staat reeds in artikel 21bis van het Wetboek. Die moet dan ook niet worden hernomen’ Artikel 21bis, § 1, derde lid Sv. luidt als volgt: ‘In alle andere gevallen wordt de beslissing over het verlenen van inzage van het dossier of het verkrijgen van een afschrift ervan genomen door het openbaar ministerie, zelfs tijdens het gerechtelijk onderzoek.’ Die machtigingsvereiste geldt zonder enige uitzondering voor alle besturen. […] Verwerende partij heeft geen machtiging bekomen om afschrift van het proces-verbaal met nr. OU.63A.H2.160206/2020 te bekomen. Bovendien blijkt ook niet dat het openbaar ministerie een dergelijk afschrift vrijwillig heeft overgemaakt aan verwerende partij. Gelet op het ontbreken van een dergelijke machtiging, dan wel gelet op het gegeven dat het openbaar ministerie niet vrijwillig is overgegaan tot het overmaken van een dergelijk afschrift, schendt de bestreden beslissing artikel 21bis, § 1, eerste lid Sv. […] Rest dan de vraag of de bestreden beslissing na weglating van het onwettig verkregen stuk uit het strafdossier, met name het proces-verbaal met nr. OU.63A.H2.160206/2020, nog geschraagd is door afdoende wettige motieven die in feite en in rechte aanvaardbaar zijn. Immers, indien de procedure uitsluitend steunt op dergelijk onwettig verkregen stuk uit het strafdossier, dan moet de bestreden beslissing worden vernietigd. […] Blijkens de motivering van de bestreden beslissing is deze geschraagd door motieven die enkel terug te brengen zijn tot het betrokken het proces-verbaal met nr. OU.63A.H2.160206/2020. De stukken uit het administratieve dossier bieden daartoe hoegenaamd geen grondslag: • De bestreden beslissing: zij kan niet voor zichzelf dienen als grondslag voor de motieven; • De kennisgeving ervan: de kennisgeving van een bestreden beslissing bevat evident geen grondslag voor de motieven van de beslissing; VII-40.995-12/50 • De e-mail van dhr. Van Laecken en het antwoord van de Vlaams Minister van na de bestreden beslissing, vormen evident evenmin een grondslag voor de motieven van de bestreden beslissing; • Het voorstel van decreet bevat evenmin enige houvast, laat staan een grondslag voor de motieven van de bestreden beslissing. In geen enkel van deze stukken zijn de gemaakte vaststellingen in hoofde van dhr. Roy Raemdonck terug te vinden; zijn verklaringen al evenmin. Door zich te steunen op het proces-verbaal met nr. OU.63A.H2.160206/2020, schendt de bestreden beslissing artikel 21bis, § 1, derde lid Sv., bevat het vervolgens geen afdoende motivering, zodat de bestreden beslissing eveneens de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, alsook de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, schendt”. 13. De verwerende partij antwoordt: “[…] Omwille van de zwaarwichtigheid van de feiten werd het dossier overgemaakt aan het Openbaar Ministerie. Artikel 21bis Sv. bepaalt dat rechtstreeks belanghebbenden te allen tijde, naargelang de stand van de procedure, de Procureur des Konings of de onderzoeksrechter tot inzage kunnen verzoeken van het dossier in een opsporingsonderzoek, of er een afschrift van kunnen verkrijgen. Verder stelt artikel 21bis, § 1, derde lid Sv. dat, buiten de gevallen opgenomen in artikel 21bis, § 1, tweede lid Sv., deze beslissing wordt genomen door het openbaar ministerie, ook wanneer het opsporingsonderzoek nog lopende is. Een dergelijk verzoek tot inzage verplicht de bevoegde parketmagistraat niet om de inzage ook toe te staan, gezien deze op discretionaire wijze oordeelt over het verzoek aan de hand van criteria, opgesteld door het college van procureurs-generaal. […] In het kader van een lopend opsporingsonderzoek kunnen aldus niet zonder meer onderdelen van het strafdossier worden vrijgegeven (artikel 28quinquies, § 1 van het Wetboek van Strafvordering). Het vooronderzoek in strafzaken wordt gekenmerkt door haar geheim karakter. Zolang het strafdossier niet is afgesloten, kan slechts uitzonderlijk inzage worden verleend in het lopende dossier. Bijgevolg kunnen stukken die deel uitmaken van het strafonderzoek vanzelfsprekend niet aan het administratief dossier worden toegevoegd. Hier anders over oordelen, zou het opsporingsonderzoek ondermijnen. Zoals eerder uiteengezet wordt een verzoek tot inzage of afschrift beoordeeld door de bevoegde parketmagistraat, die het verzoek kan inwilligen of afwijzen. In deze werd het geheim karakter van het vooronderzoek door de bevoegde parketmagistraat bevestigd en uitdrukkelijk gesteld dat het PV niet aan het administratief dossier mag worden toegevoegd […]. Bijgevolg valt niet in te zien op welke wijze de bestreden beslissing artikel 21bis Sv. zou schenden. VII-40.995-13/50 […] Verzoekende partijen gaan er bovendien verkeerdelijk van uit dat de bestreden beslissing steun zou vinden in het proces-verbaal met nr. OU.63A.H2.160206/2020. In tegenstelling tot wat verzoekende partijen voorhouden, steunt de bestreden beslissing geenszins op dit proces-verbaal, maar op de feiten, vaststellingen door Natuurinspectie van het ANB en het verhoor dat aan het proces-verbaal vooraf gaan en zoals beschreven in de bestreden beslissing zelf […]: […] De motieven waarom de bestreden beslissing werd genomen, zijn terug te vinden in de beslissing zelf […]. Ten overvloede valt op te merken dat verzoekende partijen de feiten niet betwisten, hetgeen eens te meer blijkt dat dhr. Joeri Raemdonck op verzoek van het bestuur van eerste verzoekende partij ontslag heeft genomen uit de WBE. In tegenstelling tot wat verzoekende partijen trachten voor te houden, steunt de bestreden beslissing niet op het proces-verbaal met nr. OU.63A.H2.160206/2020. In de bestreden beslissing wordt louter vermeld dat deze vaststellingen en verklaringen deel uitmaken van het PV en werd in de bestreden beslissing aanvullend ook het PV nummer vermeld. De redenering van verzoekende partijen dat verwerende partij geen machtiging zou hebben bekomen om het PV te verkrijgen zodat zij op basis hiervan een beslissing zou kunnen nemen, is manifest onjuist en getuigt van een verkeerd begrip van de gang van zaken. Het is immers Natuurinspectie die de nodige vaststellingen heeft gedaan van het uitzetten van de fazanten en de patrijzen, vervolgens heeft een verhoor plaatsgevonden van de betrokken partij en op basis van deze elementen werd de bestreden beslissing genomen. Parallel hiermee werd het dossier vervolgens overgemaakt aan het parket. In tegenstelling tot hetgeen verzoekende partijen voorhouden, dient verwerende partij dan ook geenszins het PV te bekomen vooraleer zij de bestreden beslissing zou kunnen nemen. Het niet opnemen van het PV in het administratief dossier omwille van het geheim karakter van het strafrechtelijk onderzoek, kan dus geen afbreuk doen aan de mogelijkheid om het dossier te behandelen en te beoordelen”. 14. De verzoekende partijen dupliceren: “[…] Allereerst kunnen de verwerende partijen zich niet zonder meer verschuilen achter het geheim van vooronderzoek om het proces-verbaal niet neer te leggen in het administratief dossier. De regelgeving op de Raad van State voorziet immers in een bijzondere regeling om de vertrouwelijkheid van een stuk te garanderen. Overeenkomstig artikel 87, § 2, van de Algemene Procedureregeling mag een partij die een stuk indient immers vragen om het niet ter kennis te brengen van de overige partijen. Luidens artikel 87, § 3, van de Algemene Procedureregeling wordt het bedoelde stuk ‘voorlopig afzonderlijk in het dossier van de zaak opgenomen’ en paragraaf 4 van dezelfde bepaling leert VII-40.995-14/50 dat de overige partijen van het stuk kennis mogen nemen ‘als het verzoek om vertrouwelijke behandeling bij arrest wordt afgewezen’. Het proces-verbaal kan dus wel degelijk worden neergelegd zonder dat het geheim van het vooronderzoek geschonden wordt. Uw raad oordeelde in het verleden bovendien reeds dat ‘het vertrouwelijk karakter van een (onder)deel van een neergelegd stuk evenwel op geen enkele wijze de verwerende partij vrij[stelt] van haar verplichting om het gehele administratief dossier aan de Raad van State voor te leggen’. Verwerende partij is dus wel degelijk in de mogelijkheid om het proces-verbaal neer te leggen. […] Voor zover zou worden geoordeeld dat het proces-verbaal niet zou mogen neergelegd, dan kan uw Raad niets anders dan oordelen dat de verwerende partij eveneens geen kennis had mogen nemen van dit proces-verbaal gezien zij eveneens een derde is in dit strafrechtelijk onderzoek. Het geheim van het vooronderzoek geldt evenzeer voor hen als voor de verzoekende partijen. Vooraleer verwerende partij zich had kunnen beroepen op dit proces-verbaal en zich hierop had kunnen steunen, had zij hiervoor evenzeer machtiging moeten vragen aan de parketmagistraat. Ook hiervan ligt geen enkel bewijs voor. Dit betekent dan ook dat de verwerende partij op een onwettige wijze de bestreden beslissing steunt op het proces-verbaal. Het valt dan ook niet te betwisten dat er een schending voorligt van artikel 21, § 1, derde lid Sv. […] In zoverre verwerende partij voorhoudt dat de bestreden beslissing zich steunt op de feiten, vaststellingen die werden gedaan door de Natuurinspectie van het Agentschap voor Natuur en Bos en het verhoor dat aan het proces-verbaal voorafgaat, merken verzoekende partijen op dat hiervan geen enkel stuk is neergelegd in het administratief dossier. Verwerende partij verwijst daartoe echter enkel naar hetgeen is gesteld in de bestreden beslissing. […] Er wordt enkel maar een samenvatting gegeven van het verhoor. De volledige weerslag van het verhoor zelf wordt niet geciteerd. Het is dan ook zowel voor de verzoekende partijen en voor uw Raad onmogelijk om na te gaan wat er werkelijk tijdens het verhoor van dhr. Roy Raemdonck werd verklaard. Gezien hiervan aldus geen enkel stuk wordt neergelegd kan daarmee evenmin rekening worden gehouden bij de beoordeling van de wettigheid van de bestreden beslissing. Verwerende partij probeert dan ook niets anders dan post factum een motivering van de bestreden beslissing te geven. […] Tot slot tracht de verwerende partij haar beslissing nog te redden door te stellen dat de verzoekende partijen de feiten niet betwisten. Dit is echter manifest onjuist. Verzoekende partijen betwisten niet de vaststelling dat dhr. Roy Raemdonck werd aangetroffen op het ogenblik dat hij 100 fazanten en 25 patrijzen had aangekocht. Verzoekende partijen hebben (en betwisten nog) steeds met klem betwist dat zij daar op enige wijze in betrokken zijn. Verzoekende partijen hebben VII-40.995-15/50 steeds betwist dat de fazanten en patrijzen dienden om uitgezet op de terreinen van hun WBE. Deze laatste verwoede poging van verwerende partij om haar gebrek aan enig stuk om de bestreden beslissing toch nog recht te trekken, kan de onwettigheid van de bestreden beslissing niet ongedaan maken”. 15. In hun laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen nog dat uit het administratief dossier niet blijkt dat het proces-verbaal nr. OU.63A.H2.160206/2020 werd opgesteld door het Agentschap voor Natuur en Bos. Beoordeling 16. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de vaststellingen die de natuurinspectie van het Agentschap voor Natuur en Bos op 14 oktober 2020 heeft verricht en de verklaringen die een persoon daaromtrent heeft afgelegd, de verwerende partij hebben doen overgaan tot de sluiting van de jacht in de betrokken WBE. Tevens wordt in de bestreden beslissing vermeld dat deze vaststellingen en verklaringen deel uitmaken van een proces-verbaal met nr. OU.63A.H2.160206/2020 lastens Roy Raemdonck wegens het uitzetten van wild. 17. De vaststellingen en verklaringen waarvan gewag wordt gemaakt in de bestreden beslissing moeten worden aangemerkt als “andere stukken” in de zin van artikel 23, tweede lid, van het Jachtvoorwaardenbesluit op grond waarvan het Agentschap voor Natuur en Bos regelmatig kon overgaan tot het sluiten van de jacht op een kleinwildsoort. De omstandigheid dat de vaststellingen betrekking hebben op feiten die gekwalificeerd kunnen worden als een misdrijf, waarvan proces-verbaal moet worden opgemaakt met het oog op de mogelijke uitoefening van een strafvordering, impliceert niet dat het Agentschap voor Natuur en Bos zich ervan moet onthouden om op basis van dezelfde vaststellingen een onmiddellijke maatregel te nemen overeenkomstig artikel 23 van het Jachtvoorwaardenbesluit. Aangezien het Agentschap voor Natuur en Bos die maatregel zelfstandig kon VII-40.995-16/50 nemen op basis van de vaststellingen die zijzelf heeft verricht, kan de schending van artikel 21bis van het wetboek van strafvordering te dezen niet dienstig worden ingeroepen. In zoverre de verdere ontwikkeling van het middel gebaseerd is op de veronderstelling dat de bestreden beslissing steunt op een onwettig verkregen proces-verbaal, mist het feitelijke en juridische grondslag. 18. Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Standpunt van de partijen 19. Een derde middel wordt genomen uit “de schending van artikel 23, tweede lid, eerste volzin van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de jacht kan worden uitgeoefend, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, alsook van de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. De verzoekende partijen laten het volgende gelden: “[…] Bij het nemen van een beslissing zoals de bestreden beslissing, moet de steller van dusdanige handeling zich baseren op een aantal stukken. […] Uit [artikel 23, tweede lid, eerste volzin, van het Jachtvoorwaardenbesluit] volgt, dat de beslissing minstens moet gebaseerd zijn op het wildrapport én het faunabeheerplan van de WBE. Dit is het minimum. Indien andere stukken voorhanden zijn die de beslissing zouden kunnen onderbouwen, dan baseert de beslissing zich daar ook op. […] In de motieven van de bestreden beslissing wordt nergens gewag gemaakt van het wildrapport van eerste verzoekende partij, zodat niet blijkt dat de bestreden beslissing gebaseerd is op dat wildrapport, laat staan dat dit wildrapport betrokken werd in de zorgvuldige beoordeling en vervolgens voorbereiding van de bestreden beslissing. Alleen reeds om die reden schendt de bestreden beslissing de in de aanhef van onderhavig middel aangegeven bepalingen. VII-40.995-17/50 […] Bovendien blijkt ook geenszins uit de motieven van de bestreden beslissing dat deze gebaseerd is op het faunabeheerplan van eerste verzoekende partij. Het enige wat aangaande dat faunabeheerplan terug te vinden is in de motieven van de bestreden beslissing, is het motief ‘Een jachtverbod opgelegd op grond van artikel 23, 3° van voormeld besluit betreft een sanctiemaatregel en doorkruist de doelstellingen van het faunabeheerplan op kleinwild niet’. Een dergelijk motief houdt een loutere affirmatie in; een dergelijk motief is hoogstens als stijlformule aan te merken omdat het in zijn algemeenheid kan gelden voor eender welke beslissing en kan zodoende bij gebreke aan een concrete toetsing van de voorgenomen maatregel aan het betrokken faunabeheerplan, niet beschouwd worden als een afdoende motivering, laat staan dat dit zou doen blijken van een zorgvuldige beoordeling en vervolgens voorbereiding van de bestreden beslissing. Immers, een dergelijk motief laat niet toe te begrijpen waarom de opgelegde sanctiemaatregel de doelstellingen van het faunabeheerplan op kleinwild niet zou doorkruisen. Verzoekende partijen hebben er derhalve het raden naar. Nochtans is dit belangrijk om te kunnen begrijpen, want het faunabeheerplan van eerste verzoekende partij bevat een belangrijk en omvangrijk luik inzake doelstellingen aangaande kleinwild […]. […] Door zich niet te baseren op het wildrapport en het faunabeheerplan van eerste verzoekende partij, is de bestreden beslissing niet afdoende en materieel gemotiveerd, alsook niet zorgvuldig tot stand gekomen omdat niet alle relevante gegevens mee werden afgewogen, zodat deze beslissing de in de aanhef van onderhavig middel aangegeven bepaling en algemene beginselen van behoorlijk bestuur schendt”. 20. De verwerende partij antwoordt: “De bestreden beslissing werd genomen op grond van 3° van artikel 23. Artikel 23, eerste lid, 3° van het Jachtvoorwaardenbesluit heeft enerzijds een bestraffend karakter en anderzijds een beschermend karakter. Dit artikel strekt er immers toe om bescherming te bieden aan de betrokken kleinwildsoorten en wanpraktijken met betrekking tot het illegaal uitzetten van wild aan banden te leggen. […] De bestreden beslissing is genomen in navolging van de vaststellingen door Natuurinspectie op 14 oktober 2020 en het verhoor van dhr. Roy Raemdonck […]. De motieven in rechte en in feite die aanleiding hebben gegeven tot het nemen van de bestreden beslissing zijn wel degelijk in de bestreden beslissing opgenomen. In casu werd de bestreden beslissing genomen na vaststelling van een overtreding met betrekking tot het uitzetten van kleinwildsoorten. De wildrapporten of de faunabeheerplannen voor de desbetreffende WBE hebben hiermee geen uitstaans. Dit werd ook zo opgenomen in de bestreden beslissing […]. VII-40.995-18/50 Het nemen van een maatregel die verband houdt met het schenden van het Jachtdecreet en het Jachtvoorwaardenbesluit strekt er net toe om kleinwildsoorten te beschermen en het illegaal uitzetten van wild - dat overigens niet strookt met wildbeheer of faunabeheer - te sanctioneren. Het wildrapport en het faunabeheerplan zijn in dat kader niet van belang. Het is duidelijk dat een overtreding, bestaande uit het uitzetten van kleinwildsoorten met het oog op bejaging, per definitie in strijd is met het faunabeheerplan van een WBE. Verder zoekt de bestreden beslissing ook geen rechtsgrond in artikel 23, eerste lid, 1° of 2° waardoor geen advies moet worden gevraagd aan de wildbeheercommissie en het instituut. Bijgevolg is er geen sprake van een schending van de artikelen 2 en 3 van de Formele Motiveringswet, het materieel motiveringsbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bovendien tonen verzoekende partijen op geen enkele wijze aan dat het faunabeheerplan of het wildrapport ernstig in het gedrang zou worden gebracht door de bestreden beslissing”. 21. De verzoekende partijen wederantwoorden als volgt: “[…] Uit artikel 23 van het Jachtvoorwaardenbesluit blijkt […] uitdrukkelijk dat het agentschap zich, bij het nemen van een beslissing tot het sluiten van de jacht op een kleinwildsoort in het volledige werkingsgebied van een bepaalde WBE, als wordt vastgesteld dat in het afgelopen jaar kleinwildsoorten werden uitgezet in de desbetreffende WBE, verplicht moet baseren op het wildrapport én het faunabeheerplan van de desbetreffende WBE. Zoals reeds in het verzoekschrift werd uiteengezet, werd door verwerende partij op geen enkel ogenblik rekening gehouden met het faunabeheerplan en het wildrapport van eerste verzoekende partij. Beide documenten worden als basis van de bestreden beslissing niet betrokken in de motivering ervan! Verwerende partij kan thans dan ook niet dienstig voorhouden dat het wildrapport en het faunabeheerplan in dit kader niet van belang zijn omdat het uitzetten van kleinwildsoorten met het oog op bejaging, per definitie in strijd is met het faunabeheerplan van een WBE. Deze redenering wordt wel al te eenvoudig naar voor geschoven door de verwerende partij, zonder op enig ogenblik maar rekening te houden met de wettelijke en feitelijke elementen van het dossier. Allereerst dient te worden vastgesteld dat deze redenering van verwerende partij in strijd is met de letterlijke vereisten van artikel 23 van het Jachtvoorwaardenbesluit. Zelfs indien de situatie zo vanzelfsprekend zou zijn, quod in casu non, dan nog ontslaat dit verwerende partij niet van haar verplichting om dit te motiveren in de bestreden beslissing. Bovendien zijn er in casu geen fazanten en patrijzen uitgezet waardoor dit jachtverbod wel degelijk een impact heeft op het wildrapport en het faunabeheerplan van eerste verzoekende partij. VII-40.995-19/50 Verwerende partij had aldus wel degelijk rekening moeten houden met het wildrapport én het faunabeheerplan van eerste verzoekende partij bij het nemen van de bestreden beslissing. […] Waar verwerende partij nog voorhoudt dat verzoekende partijen op geen enkele wijze zouden aantonen dat het faunabeheerplan of het wildrapport ernstig in het gedrang zou worden gebracht door de bestreden beslissing slaat zij opnieuw de bal volledig mis. Het is niet aan verzoekende partijen om dit aan te tonen. Op grond van artikel 23 van het Jachtvoorwaardenbesluit moet de verwerende partij net aantonen dat de beslissing geen impact zal hebben op het faunabeheerplan of het wildrapport. Verzoekende partijen moeten dit niet aantonen. […] Door zich aldus niet te baseren op het wildrapport en het faunabeheerplan van eerste verzoekende partij, is de bestreden beslissing niet afdoende en materieel gemotiveerd, alsook niet zorgvuldig tot stand gekomen omdat niet alle relevante gegevens mee werden afgewogen, zodat deze beslissing de in de aanhef van onderhavig middel aangegeven bepaling en algemene beginselen van behoorlijk bestuur schendt”. 22. In hun laatste memorie vestigen de verzoekende partijen er in het bijzonder de aandacht op dat in de drie leden van artikel 23, tweede lid, van het Jachtvoorwaardenbesluit geen onderscheid wordt gemaakt en dat er niet aan kan worden voorbijgegaan dat de bestreden beslissing moest steunen op het wildrapport of het faunabeheerplan van de WBE. Beoordeling 23. Naar luid van artikel 23, tweede lid, van het Jachtvoorwaardenbesluit moet het Agentschap voor Natuur en Bos zich bij het nemen van een beslissing tot sluiting van de jacht op een kleinwildsoort baseren op “het wildrapport, het faunabeheerplan voor de desbetreffende WBE en eventueel op andere stukken die de beslissing kunnen onderbouwen”. De vaststelling door de natuurinspectie van het uitzetten van een kleinwildsoort - hetgeen door artikel 29 van het Jachtdecreet principieel verboden is tenzij de Vlaamse regering een specifieke uitzondering heeft toegestaan met het oog op het behoud van de betrokken wildsoort(
- en)- brengt mee dat de verwerende partij niet onwettig handelt door op grond van die enkele vaststelling de jacht op kleinwildsoorten in de betrokken WBE te verbieden met toepassing van artikel 23, VII-40.995-20/50 eerste lid, 3°, van het Jachtvoorwaardenbesluit. Dergelijke beslissing houdt immers geen verband met de in artikel 23, eerste lid, 1° en 2°, van het Jachtvoorwaardenbesluit bepaalde gevallen die aanleiding kunnen geven tot de sluiting van de jacht, namelijk de ongunstige evolutie van het wildbestand voor de kleinwildsoorten in kwestie of het ontbreken van voldoende maatregelen met het oog op de verbetering van dat bestand. Het uitzetten van wild, in dit geval van fazanten en patrijzen, wordt door artikel 29, eerste lid, van het Jachtdecreet verboden precies met het oog op “het verstandig gebruik van wildsoorten en hun leefgebieden”, zoals vooropgesteld door artikel 2 van hetzelfde decreet. Het standpunt van de verzoekende partijen dat erop neerkomt dat het Agentschap voor Natuur en Bos in geval van een gunstig wildrapport en faunabeheerplan, niet langer op grond van artikel 23, eerste lid, 3°, van het Jachtvoorwaardenbesluit zou kunnen optreden tegen uitzettingen in strijd met het Jachtdecreet, zou leiden tot de onwerkbaarheid van voormelde bepaling en zelfs een gevaar inhouden voor het natuurbeheer. Het Agentschap voor Natuur en Bos kon derhalve met de bestreden beslissing de jacht op bepaalde kleinwildsoorten verbieden zonder acht te slaan op het wildrapport en het faunabeheerplan voor de betrokken WBE. 24. Het derde middel is ongegrond. D. Vierde middel Standpunt van de partijen 25. In het vierde middel voeren de verzoekende partijen aan dat hun rechten van verdediging, waaronder het recht om gehoord te worden, werden geschonden. Ter zake zetten zij het volgende uiteen: “Eerste onderdeel […] Het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van verdediging houdt onder meer in dat een straf maar kan worden opgelegd nadat de betrokkene gelegenheid heeft gekregen om te worden gehoord in zijn middelen van verdediging over alle aantijgingen of feiten die hem ten laste worden gelegd.[…] VII-40.995-21/50 Dit geldt eveneens bij maatregelen die beogen te bestraffen omwille van een gedrag, waardoor de maatregel een uitgesproken repressief karakter krijgt doordat ze vooral leed wil toebrengen. Daardoor heeft die maatregel niet als voornaamste doel om als beschermings- of veiligheidsmaatregel te fungeren.[…] […] Het is niet anders in onderhavige zaak. De aard van de opgelegde maatregel gaat veel verder dan het beschermen of beveiligen van een situatie. Er valt niet te betwisten dat de bestreden beslissing een maatregel betreft die beoogt te bestraffen en vooral leed wil toebrengen. […] Het is dan ook overduidelijk dat de bestreden beslissing beoogt de leden van eerste verzoekende partij (en waaronder dus de tweede verzoekende partij) te bestraffen omwille van een gedraging bestaande uit het vervoeren van 100 fazanten en 25 patrijzen die klaarblijkelijk te Lierde werden aangekocht door een persoon die onbekend is aan verzoekende partijen. Deze maatregel heeft een repressief karakter doordat hij leed wil toevoegen aan alle leden van eerste verzoekende partij, m.n. dat niemand die lid is van eerste verzoekende partij tijdens het jachtseizoen 2020-2021 nog kan jagen op klein wild op jachtterreinen gelegen binnen het werkingsgebied van eerste verzoekende partij. Ook in haar e-mail aan één van de leden van verzoekende partij stelt Vlaams Minister Zuhal Demir uitdrukkelijk dat zij (sic) met de bestreden beslissing de bedoeling had om eerste verzoekende partij en al haar leden te raken. […] Gelet op het voorgaande staat het dan ook ontegensprekelijk vast dat de bestreden beslissing een bestraffende administratieve maatregel betreft en aldus het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van verdediging van toepassing is. […] In casu werd de bestreden sanctiemaatregel ten aanzien van verzoekende partijen enkel en alleen genomen op basis van een verklaring die werd afgelegd door dhr. Roy Raemdonck, die nota bene geen lid is van eerste verzoekende partij. Noch eerste verzoekende partij, noch één van de leden van eerste verzoekende partij zoals tweede verzoekende partij, werden in de mogelijkheid gesteld om enig verweer te doen gelden aangaande de weerhouden feiten en de voorgenomen maatregel ten aanzien van verwerende partij voorafgaand aan het nemen van de bestreden beslissing. Deze bestreden beslissing is enkel en alleen genomen op basis van een eenzijdige bewering van dhr. Roy Raemdonck, zonder dat eerste verzoekende partij of haar leden (zoals tweede verzoekende partij) gehoord zijn geworden in hun middelen van verdediging over alle feiten die hun ten laste werden gelegd, laat staan dat hen die mogelijkheid werd geboden. Minstens had verwerende partij kunnen navraag doen of verzoekende partijen weet hadden van deze praktijken en hadden verzoekende partijen kunnen verduidelijken dat zij desgevallend onmiddellijk maatregelen zouden nemen ten aanzien van het lid, dhr. Joeri Raemdonck indien en voor zover deze effectief van plan was om de aangetroffen fazanten en patrijzen VII-40.995-22/50 uit te zetten op zijn jachtterrein die deel uitmaakt van het werkingsgebied van eerste verzoekende partij. Al deze kansen werden verzoekende partijen ontnomen en er werd hen zonder meer enkel een dermate verstrekkende maatregel met bestraffend karakter opgelegd. Het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van verdediging werd dan ook manifest geschonden door de bestreden beslissing. […] Tweede onderdeel […] Voor zover uw Raad van oordeel zou zijn dat er in casu geen sanctiemaatregel voorligt met de bestreden beslissing, quod certe non, en er aldus geen beroep kan worden gedaan op de rechten van verdediging als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, dan is er minstens sprake van een schending van de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. […] Noch eerste verzoekende partij, noch de leden van eerste verzoekende partij (en dus ook niet de tweede verzoekende partij) werden gehoord door verwerende partij. Enkel dhr. Roy Raemdonck werd gehoord, maar niet in functie van de te nemen bestreden beslissing, doch enkel in het kader van de vaststellingen gedaan door de Natuurinspectie van het Agentschap voor Natuur en Bos, wat zich dan op het niveau van het strafrechtelijke afspeelt - getuige de opmaak van het vermelde proces-verbaal met nummer OU.63A.H2.160206/2020. Bovendien is dhr. Roy Raemdonck zelfs geen lid van eerste verzoekende partij. Vooraleer verwerende partij de bestreden beslissing ook maar had kunnen nemen, was zij minstens verplicht om eerste verzoekende partij en haar leden, waaronder tweede verzoekende partij, te horen en hen daartoe uit te nodigen. De hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is immers in casu zonder twijfel van toepassing. Het betreft namelijk een zeer ernstige maatregel die is gebaseerd op een persoonlijk gedrag of die minstens een nadeel veroorzaakt en zonder twijfel eerste verzoekende partij, tweede verzoekende partij en de andere leden van eerste verzoekende partij, op een meer dan geringe wijze raakt in hun belangen, met name de beoefening van de jacht binnen het werkingsgebied gedurende het seizoen 2020-2021 en het streven naar de realisatie van de doelstellingen van het faunabeheerplan van eerste verzoekende partij. Bovendien raakt dit ook de belangen van de verzoekende partijen gezien zij immers vaste kosten dienen te dragen voor het onderhoud en de instandhouding van de jachtterreinen binnen het werkingsgebied van eerste verzoekende partij. Men zou ook niet ernstig kunnen voorhouden dat de e-mailuitwisseling met dhr. Van Laecken het bewijs zou vormen dat verwerende partij is overgegaan tot het horen van de betrokkenen. Immers, in de eerste plaats betreft dit enkel een lid van eerste verzoekende partij en hij is geen bestuurslid van eerste verzoekende partij, laat staan dat hij overige enige wettelijke of statutaire bevoegdheid zou beschikken om eerste verzoekende partij te binden. Hetzelfde geldt ten aanzien van tweede verzoekende partij: dhr. Van Laecken heeft niet de bevoegdheid om in naam en voor rekening VII-40.995-23/50 van tweede verzoekende partij te spreken. Bovendien bevat de bestreden beslissing niet de minste motivering waaruit zou moeten blijken dat het resultaat van het ‘horen’ van dhr. Van Laecken in de voorbereiding van de bestreden beslissing, laat staan de afweging daartoe, werd betrokken. […] De uitzonderingen op de hoorplicht kunnen hier niet toegepast worden. Het is vaste rechtspraak van uw Raad dat de verplichting tot horen niet bestaat wanneer een dringend optreden vereist is of wanneer de voorgenomen maatregel wordt overwogen op grond van feiten die voor directe eenvoudige constatatie vatbaar zijn. Immers, er is zeker geen sprake van enige noodzaak tot dringend optreden. De interceptie van dhr. Roy Raemdonck vond namelijk plaats op 14 oktober 2020 en verwerende partij heeft dan maar liefst 9 dagen nodig om 23 oktober 2020 de bestreden beslissing te nemen - beslissing die nauwelijks 1,5 pagina’s beslaat en genomen werd op basis van een administratief dossier van nauwelijks 3 stukken - zodat dergelijk tijdsverloop de negatie vormt van enige noodzaak tot dringend optreden. Gedurende die 9 dagen had verwerende partij perfect verzoekende partijen en de leden van eerste verzoekende partijen kunnen horen. De feiten zijn bovendien ook niet voor directe eenvoudige constatatie vatbaar. Getuige daarvan de verschillende middelen van verzoekende partijen en in het bijzonder het eerste onderdeel van het hiernavolgend vijfde middel waarbij wordt betwist dat aan de constitutieve voorwaarden van de inbreuk werd voldaan. Het valt dan ook niet te betwisten dat de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur manifest werd geschonden door de bestreden beslissing”. 26. De verwerende partij antwoordt: “
- i)Betreffende het eerste onderdeel van het vierde middel […] Het algemeen beginsel betreffende het recht van verdediging, geldt behoudens andersluidend voorschrift, alleen in straf- en tuchtzaken. Artikel 29 van het Jachtdecreet verbiedt het uitzetten van wild behoudens een uitzonderlijke door de Vlaamse Regering toegekende toelating met het oog op het behoud van de wildsoorten. Er is geen uitzondering voorzien voor de kleinwildsoorten waarvan sprake in de bestreden beslissing. Artikel 23, eerste lid, 3° van het Jachtvoorwaardenbesluit strekt er toe om de jacht op een kleinwildsoort te sluiten in het volledige werkingsgebied van een bepaalde WBE, in een deel van het werkingsgebied van een bepaalde WBE of in het jachtterrein van een onafhankelijke jachtrechthouder als wordt vastgesteld dat in het afgelopen jaar kleinwildsoorten werden uitgezet in de desbetreffende WBE of in het jachtterrein van de betrokken onafhankelijke jachtrechthouder. De bestreden beslissing betreft het sluiten van de jacht op alle kleinwildsoorten in het volledig werkingsgebied van eerste verzoekende partij vanaf 23 oktober 2020 t.e.m. 30 juni 2021, ten gevolge van een schending van artikel 29 van het Jachtdecreet […]. Deze maatregel strekt ertoe kleinwildsoorten te beschermen. De doelstelling van de geschonden regelgeving bestaat erin om kwetsbare VII-40.995-24/50 soorten te beschermen en een goede biodiversiteit na te streven. Het uitzetten van fazanten en patrijzen in de natuur kan een goed wildbeheer en natuurbehoud verstoren. Verder voorziet deze maatregel in een sanctiemechanisme wanneer het verbod op het uitzetten van wild ten behoeve van de jacht niet wordt gerespecteerd. […] De genomen maatregel heeft tot doel om kwetsbare diersoorten en de huidige aanwezige natuur te beschermen. Zo blijkt ook uit de wetsgeschiedenis dat de uitzetting van wild vroeger gebeurde met het oog op jacht, maar dat dit doel vandaag achterhaald is en de uitzetting nu enkel nog kan gebeuren ‘voor het behoud van de soort[…]. […] Met die gedachte werd een sanctiemechanisme ingevoerd om het behoud van de soort te vrijwaren, indien alsnog illegaal kleinwild zou worden uitgezet om te bejagen. Dit sanctiemechanisme heeft dus geen strafrechtelijk karakter an sich maar strekt enkel tot vrijwaring van de doelstelling van artikel 29 van het Jachtdecreet, met name ‘het behoud van de soort’. Bijgevolg kadert de bestreden beslissing niet in een straf- of tuchtzaak en is het recht van verdediging niet van toepassing. Er werd aan verzoekende partijen (onder voorbehoud van verder onderzoek van het dossier door het parket) geen administratieve boete of strafsanctie zoals bedoeld in het strafwetboek opgelegd. De administratieve maatregel tot het sluiten van de jacht op kleinwildsoorten heeft daarentegen betrekking op het feit dat de werkingsprincipes en doelstellingen met betrekking tot een duurzaam wildbeheer onvoldoende werden nageleefd en strekken er in het bijzonder toe om kleinwildsoorten te beschermen. […] Zoals hoger uitvoerig is aangegeven, heeft de maatregel tot doel het in bescherming nemen van kwetsbare diersoorten en voorziet het hierop een sanctiemechanisme. Verzoekende partijen kunnen manifest niet worden gevolgd dat de maatregel ‘vooral leed wil toebrengen’. Ten overvloede merkt verwerende partij op dat de gevolgen van de bestreden beslissing enkel effectieve uitwerking hebben vanaf de datum van de bestreden beslissing (23 oktober 2020) tot aan de sluiting van het jachtseizoen van de betrokken kleinwildsoorten, zijnde: - voor de fazanthen: tot 31 december 2020; - voor de haas: tot 31 december 2020; - voor de fazanthaan: tot 31 januari 2020. De effectieve gevolgen van de bestreden beslissing hebben aldus slechts betrekking op een periode van maximum 3,5 maanden. Momenteel heeft de genomen maatregel geen enkele impact meer. De rechten van de verdediging zijn niet als dusdanig van toepassing op de administratieve beslissing in casu. De overheid moet wel de feiten correct weergeven en haar beslissing met draagkrachtige motieven onderbouwen, zoals ter zake ook is gebeurd […]. […]
- ii)Betreffende het tweede onderdeel van het vierde middel […] De hoorplicht houdt in dat tegen niemand een ernstige maatregel kan getroffen worden, die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag en die van aard VII-40.995-25/50 is om zijn belangen zwaar aan te tasten, zonder dat hij de gelegenheid heeft gehad om op een nuttige wijze zijn standpunt aan het bestuur ter kennis te brengen. In casu heeft de bestreden beslissing betrekking op het gedrag van dhr. Roy Raemdonck. Dhr. Raemdonck werd in het kader van de vaststellingen en het nemen van de bestreden beslissing gehoord […]. In de mate dat verzoekende partijen opwerpen dat zij dienden te worden gehoord, merken we op dat de maatregel in eerste instantie niet is genomen op grond van het persoonlijk gedrag van verzoekende partijen. In die zin is de hoorplicht dan ook niet op hen van toepassing. […] Bovendien heeft de bestreden beslissing enkel betrekking op de uitoefening van een hobby. In dat opzicht is er geen sprake van een ernstige maatregel die verzoekende partijen zwaar zou treffen in zijn materiële belangen. De tijdelijke onmogelijkheid om een hobby of een vrijetijdsbesteding uit te oefenen (in dit geval heeft de bestreden beslissing een beperkte tijdelijke impact) is m.a.w. op zich geen nadeel in de zin van artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State […]. Dat het in casu een hobby of een vrijetijdsbesteding betreft, is niet voor discussie vatbaar. Er worden geenszins economische, financiële of landbouwkundige motieven aangebracht. […] Artikel 23, eerste lid 3° van het Jachtvoorwaardenbesluit voorziet bovendien niet in een hoorrecht voor de gehele WBE. Vanuit het beschermingsoogpunt voor kleinwildsoorten is het niet onredelijk dat verwerende partij onmiddellijk actie heeft ondernomen na de vaststelling dat er sprake was van een schending van artikel 29 Jachtdecreet. Het onmiddellijk raadplegen van verzoekende partijen alvorens het nemen van de bestreden beslissing, zou elk nut van de bestreden beslissing hebben ontnomen. In het kader hiervan verwijst verwerende partij naar het arrest nr. 245.927 van Uw Raad van 25 oktober 2019, waarbij de risico’s van een massale uitzetting van broedvogels zoals begrepen in artikel 29 jachtdecreet werden bevestigd: […]. Rekening houdend met de volksgezondheid en het beperken van risico’s met betrekking tot de aanwezige fauna, is het niet onrechtmatig dat onmiddellijk werd gehandeld en dat verwerende partij een jachtverbod oplegt. […] In tegenstelling tot wat verzoekende partijen stellen, hebben zij, zo het hoorrecht alsnog van toepassing zou zijn (quod non), bovendien geen belang meer bij dit middel. Verzoekende partijen hebben immers op 19 oktober 2020 in meerdere e-mails schriftelijk hun argumenten en reactie te kennen gegeven [aan de bevoegde Vlaamse minister, die hierop op 27 oktober 2020 heeft geantwoord]. Een schriftelijke weerslag volstaat om te voldoen aan de hoorplicht”. VII-40.995-26/50 27. In de memorie van wederantwoord laten de verzoekende partijen het volgende gelden: “Eerste onderdeel […] Verwerende partij kan evenwel niet gevolgd worden daar waar zij stelt dat de rechten van verdediging enkel maar gelden in straf- en tuchtzaken. […] Verwerende partij blijft beweren dat deze bestreden beslissing enkel een beschermende factor functie heeft en geen bestraffende. Zij toont dit echter met geen enkel element aan en gaat volledig voorbij aan het feit dat zij zelf meermaals uitdrukkelijk stelde dat er sprake is van een ‘sanctie’: […]. Zelfs in de bewering dat deze maatregel het gevolg is van een schending van artikel 29 van het Jachtdecreet, dan nog had verwerende partij minstens moeten verduidelijken waarom zij deze maatregel oplegt aan de hele WBE en niet enkel aan de betrokken persoon, als zij enkel de kwetsbare diersoorten en de huidig aanwezige natuur wenste te beschermen. Met de bestreden beslissing heeft zij alle leden van de WBE (waaronder tweede verzoekende partij) gestraft, terwijl deze niets met de feiten te zien hadden; er ligt immers geen enkel stuk voor waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de WBE op enige wijze betrokken was bij deze feiten. Bovendien werden de fazanten en de patrijzen niet uitgezet, zodat de aanwezige natuur op geen enkel ogenblik verstoord is geweest. Verwerende partij kan dan ook niet dienstig voorhouden dat deze maatregel enkel beschermend en niet bestraffend was, zeker wat betreft de WBE en haar leden. […] Tot slot wijdt verwerende partij nog een passage aan het gegeven dat de bestreden beslissing slechts effectieve gevolgen heeft gedurende een periode van maximum 3,5 maand. Verzoekende partijen zien niet in wat dit argument te zien heeft met de rechten van verdediging. […] Tweede onderdeel […] Het valt niet te betwisten dat [door] het jachtverbod [de verzoekende partijen] aanzienlijk getroffen [zijn] in hun morele en materiële belangen omdat er niet meer mocht gejaagd worden op fazanten, hazen en patrijzen en bovendien werd het voornemen tot uitzetten hen persoonlijk mede toegerekend. […] Verwerende partij meent dat de bestreden beslissing de materiële belangen van de verzoekende partijen niet schaadt omdat het slechts een hobby betreft. Zij meent dat de tijdelijke onmogelijkheid om een hobby te beoefenen geen nadeel is in de zin van artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Deze bewering van verwerende partij mist echter elke grondslag. Verwerende partij haar bewering is immers volledig gesteund op de grondvoorwaarde die geldt binnen de schorsingsprocedure bedoeld bij artikel 17 RvS-wet. Dit betreft een uitzonderingsprocedure die de gewone werking van uw Raad doorkruist en dus met voorzichtigheid moet worden ingesteld. VII-40.995-27/50 Er zijn daarom strenge criteria ingevoerd. Deze criteria hebben echter niets te zien met de vereisten die gelden opdat de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur van toepassing is. De hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur geldt voor iedere administratieve overheid en kan zeker worden getoetst in een procedure tot nietigverklaring die is voorzien in artikel 14 RvS-Wet. De materiële belangen van verzoekende partijen worden in casu wel degelijk geschaad. Bovendien is de Raad van State de laatste jaren soepeler geworden in de toepassing van de hoorplicht. Zo verklaart hij de hoorplicht zelfs van toepassing wanneer de betrokkene op een ‘meer dan geringe wijze’ wordt geraakt in zijn belangen. […] Ook de bewering dat het niet onredelijk is dat de verwerende partij onmiddellijk actie heeft ondernomen na de vaststelling dat er sprake was van een schending van artikel 29 Jachtdecreet is manifest onjuist. Dit ontslaat de verwerende partij trouwens niet van haar hoorplicht. Het door verwerende partij voorgeschreven gebrek aan onredelijkheid en onrechtmatigheid doet daar geen afbreuk aan. Daarenboven moet de bewering van de verwerende partij dat zij onmiddellijk actie heeft ondernomen met een serieuze korrel zout worden genomen. […] Verder verwijst verwerende partij in haar memorie van antwoord naar een arrest van Uw Raad van 25 oktober 2019 met nr. 245.927.[…] Dit arrest stelt echter niets over de hoorplicht. Verzoekende partijen zien dan ook niet in wat verwerende partij hiermee wil bereiken. In tegenstelling tot wat verwerende partij beweert, is het wel degelijk onrechtmatig om in deze 9 dagen te doen verstrijken en verzoekende partijen toch niet te horen. […] Tot slot meent de verwerende partij dat verzoekende partijen wel degelijk werden gehoord. Zij verwijst naar een e-mail van een jachtrechthouder van eerste verzoekende partij van 19 oktober 2020 en een e-mail van Minister Zuhal Demir van 27 oktober 2020. In tegenstelling tot wat verwerende partij beweert, is hiermee niet voldaan aan de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Allereerst dient te worden benadrukt dat deze e-mail niet uitgaat van eerste en tweede verzoekende partij. Het gaat slecht om één lid van eerste verzoekende partij. Bovendien is dhr. J. VAN LAEKEN geen lid van de Raad van Bestuur van de WBE. Hij kan aldus niet rechtsgeldig optreden namens de eerste verzoekende partij. Het louter gegeven dat slechts één lid van de eerste verzoekende partij zijn mening heeft gegeven, betekent overigens niet dat verwerende partij aan de hoorplicht heeft voldaan. Louter ten overvloede merken verzoekende partijen nog op dat dhr. J. VAN LAEKEN deze e-mail pas heeft gestuurd nadat hij in de krant had vernomen dat Minister Demir had verklaard dat er een jachtverbod werd opgelegd aan de volledige WBE De Reynaert. VII-40.995-28/50 Hij heeft deze e-mail dus enkel maar gestuurd op basis van wat hij heeft vernomen in de krant en dus niet op basis van de werkelijke gegevens van het dossier. Bovendien kan men zich ook de vraag stellen bij de praktijken van Minister Demir, die al vooraf aan het nemen van de bestreden beslissing in de nationale pers verklaart dat een volledig jachtverbod wordt opgelegd aan de leden van de WBE De Reynaert terwijl de beslissing op dat ogenblik nog niet was genomen en de leden zelfs nog van niets wisten. Het valt dan ook niet te betwisten dat de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur manifest werd geschonden door de bestreden beslissing”. 28. In hun laatste memorie beklemtonen de verzoekende partijen dat de bestreden beslissing wel degelijk een bestraffend oogmerk heeft en dat er geen sprake is van het nemen van een maatregel die gericht is op een duurzaam faunabeheer. Voorts menen zij dat er wordt aan voorbijgegaan dat door de bestreden beslissing aan alle leden van de WBE een jachtverbod wordt opgelegd en het horen van de WBE aan het licht zou hebben gebracht dat zij niet op de hoogte was van het uitzetten van kleinwild. Tot slot werd door de interceptie van de uitzetting van het kleinwild een dringend gevaar voor de volksgezondheid voorkomen. Beoordeling Eerste onderdeel 29. De bestreden beslissing, die rechtsgrond vindt in artikel 23, eerste lid, 3°, van het Jachtvoorwaardenbesluit, bevat een maatregel die strekt tot de bescherming van kleinwildsoorten en die in functie staat van de vrijwaring van een zaak van algemeen belang, met name het duurzaam faunabeheer. De rechten van verdediging, als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, zijn slechts van toepassing ten aanzien van bestraffende maatregelen. De bestreden beslissing bevat geen dergelijke maatregel. De rechten van verdediging als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur kunnen dan ook niet geschonden zijn door de bestreden beslissing. VII-40.995-29/50 Tweede onderdeel 30. In voorliggende zaak heeft de natuurinspectie zelf vastgesteld dat in de bestelwagen die Roy Raemdonck bestuurde 100 fazanten en 25 patrijzen aanwezig waren en dat voornoemde persoon naar aanleiding van de onderschepping van het vervoer heeft verklaard dat hij onderweg was om de fazanten en patrijzen uit te zetten op een terrein dat behoort tot de jachtterreinen van de WBE De Reynaert waarvan zijn vader lid is. Uit de betrokken vaststellingen en verklaringen heeft het Agentschap voor Natuur en Bos op goede gronden kunnen afleiden dat het opzet bestond om kleinwildsoorten uit te zetten in de betrokken wildbeheereenheid. Bovendien werd door de betrokken natuurlijk persoon niet ontkend dat de uitzetting van patrijzen en fazanten specifiek ten behoeve van de jacht zou plaatsvinden. 31. In de geschetste omstandigheden heeft het Agentschap voor Natuur en Bos, aan wie het toezicht op de naleving van artikel 29 van het Jachtdecreet is opgedragen, niet onwettig gehandeld door een dringende maatregel te nemen in het belang van een duurzaam faunabeheer, die in wezen tot doelstelling heeft om kwetsbare kleinwildsoorten te beschermen. Conclusie 32. Het vierde middel is in geen van zijn onderdelen gegrond. E. Vijfde middel Standpunt van de partijen 33. In een vijfde middel wordt de schending aangevoerd van “artikel 23, eerste lid, 3° van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de jacht kan worden uitgeoefend, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de VII-40.995-30/50 uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, alsook van de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het proportionaliteitsbeginsel”. Bij het middel verstrekken de verzoekende partijen de volgende toelichting: “Eerste onderdeel “[…] De bestreden beslissing werd genomen op grond van artikel 23, eerste lid, 3° van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de jacht kan worden uitgeoefend: […]. Uit de analyse van deze bepaling blijkt dat de volgende materiële bestanddelen moeten verenigd zijn alvorens voldaan is aan artikel 23, eerste lid, 3° van het besluit van 25 april 2014: 1° het betreft ‘kleinwildsoorten’; 2° het betreft de gedraging van het ‘uitzetten’; 3° dit uitzetten gebeurde in het afgelopen jaar; 4° het uitzetten moet ratione loci zijn gebeurd ‘in de desbetreffende WBE’; 5° de voorgaande bestanddelen moeten vastgesteld zijn geworden. Deze bestanddelen zijn in casu niet allemaal voorhanden. […] Verzoekende partijen werpen op dat het eerste materieel bestanddeel voorhanden lijkt te zijn. Hoewel ze niet in het bezit werden gesteld van het opgestelde proces-verbaal, blijkt uit de motieven van de bestreden beslissing dat de aangetroffen dieren fazanten en patrijzen betroffen. Deze dieren kwalificeren als ‘kleinwild’ zoals gedefinieerd in artikel 3, tweede lid,
- b)van het […] Jachtdecreet van 24 juli 1991[…]. Klaarblijkelijk is ook het derde materieel bestanddeel voorhanden. Blijkens de motieven van de bestreden beslissing heeft de tijdsaanduiding betrekking op 14 oktober 2020, wat neerkomt op een tijdsaanduiding in het ‘afgelopen jaar’. […] Daarentegen is het tweede materieel bestanddeel van de gedraging (of handeling) van het ‘uitzetten’ niet onomstotelijk voorhanden. Het besluit van 25 april 2014 omschrijft deze gedraging niet. Hetzelfde begrip wordt gehanteerd in artikel 29 van het Jachtdecreet van 24 juli 1991 […]. Noch het Jachtdecreet van 24 juli 1991, noch het besluit van 25 april 2014 bepalen derhalve wat precies moet worden begrepen onder ‘uitzetten’. Wel blijkt uit de parlementaire voorbereidingen m.b.t. het uiteindelijke artikel 29 van het Jachtdecreet van 24 juli 1991 dat het met die bepaling de bedoeling was van de decreetgever om ‘een nieuw artikel in te lassen over het vrijlaten van wild.’ Dit voorstel werd gunstig onthaald en de term ‘vrijlaten’ werd vervangen door het woord ‘uitzetten’, ‘omdat dit aansluit bij een algemeen gangbaar woordgebruik in de betrokken kringen’, waarbij wordt opgemerkt dat ‘uitzetten’ tot interpretatiemoeilijkheden kan leiden. ‘Vrijlaten’ en ‘uitzetten’ kunnen immers verschillende betekenissen hebben.[…] VII-40.995-31/50 Onder uitzetten wordt spraakgebruikelijk bedoeld het over een zekere oppervlakte verspreiden. Volgens het van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal betekent ‘uitzetten’ onder meer: ‘[…] over zekere oppervlakte verspreid zetten: schildwachten uitzetten doen postvatten; (vis)netten uitzetten; pootvis uitzetten in de rivieren of beken loslaten om ze te kweken; aardappelen uitzetten’ Het begrip ‘uitzetten’ houdt derhalve een actieve daad in, want het veronderstelt dat iets over een zekere oppervlakte effectief verspreid wordt gezet. Het louter voornemen of zelfs verklaren om fazanten en patrijzen uit te zetten, volstaat niet om onder de omschrijving van het ‘uitzetten’ te vallen, noch in de zin van het voornoemde artikel 23, eerste lid, 3° van het besluit van 25 april 2014, noch in de zin van artikel 29 van het Jachtdecreet van 24 juli 1991. Vereist is immers dat dit voornemen zich veruitwendigt in een effectieve gedraging die met het begrip ‘uitzetten’ overeenkomt. De gedraging van het uitzetten moet zich derhalve veruitwendigen op de wijze zoals bepaald in artikel 23, eerste lid, 3° van het besluit van 25 april 2014.[…] Een ‘poging’ of zelfs ‘voornemen’ tot uitzetten voldoet derhalve niet aan dit materieel bestanddeel. Bovendien en niet onbelangrijk: er werd niet vastgesteld dat er effectief fazanten en patrijzen werden uitgezet binnen het werkingsgebied van eerste verzoekende partij of m.a.w. dat er op die oppervlakten effectief fazanten en patrijzen verspreid werden. Uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt enkel en alleen dat dhr. Roy Raemdonck fazanten en patrijzen zou hebben aangekocht te Lierde en deze had ingeladen in zijn bestelwagen aldaar, alsook dat dhr. Roy Ramendonck verklaarde ‘dat de betrokken fazanten en patrijzen zouden bestemd waren om uit te zetten’. Het betrokken materieel bestanddeel is derhalve in casu niet voorhanden, omdat er binnen het werkingsgebied van eerste verzoekende partij niet effectief fazanten en patrijzen werden uitgezet. Op zich volstaat dit reeds om vast te stellen dat de bestreden beslissing artikel 23, eerste lid, 3° van het besluit van 25 april 2014 schendt. […] Als vierde materieel bestanddeel moet vaststaan dat het uitzetten ratione loci moet zijn gebeurd ‘in de desbetreffende WBE’, dus in casu het werkingsgebied van eerste verzoekende partij. Ook hier moet opgeworpen worden dat geenszins vaststaat, laat staan vastgesteld, dat er effectief fazanten en patrijzen werden uitgezet binnen het werkingsgebied van eerste verzoekende partij, zoals hierboven aangetoond op grond van de vermelde betekenis van het begrip ‘uitzetten’. Dhr. Roy Raemdonck werd klaarblijkelijk uitsluitend staande gehouden, nota bene op de openbare weg en op bijna meer dan 40 km verwijderd van het werkingsgebied van eerste verzoekende partij en het jachtterrein van tweede verzoekende partij. Bovendien waren de 100 fazanten en de 25 patrijzen blijkens de motieven van de bestreden beslissing nog maar net ingeladen in zijn bestelwagen en waren deze zeker niet ‘uitgezet’. Uit geen enkel motief blijkt dat effectief vaststaat dat de ingeladen fazanten en patrijzen werden aangetroffen binnen het werkingsgebied van eerste verzoekende partij of op het jachtterrein van tweede verzoekende partij. VII-40.995-32/50 Het vervoeren van fazanten en patrijzen in een bestelwagen kan derhalve niet worden aangemerkt als ‘uitzetten’. Dit alles klemt des te meer daar dhr. Roy Raemdonck te Lierde zou zijn aangetroffen, met name een locatie die niet ver van de grens met Wallonië is gelegen alwaar dhr. Joeri Raemdonck over jachtterreinen zou beschikken. Bovendien hebben verzoekende partijen inmiddels vernomen dat dhr. Joeri Raemdonck ook nog jachtrechthouder zou zijn van een jachtterrein in WBE Moervaart-Noord, zodat het maar al te zeer de vraag is of de verklaring waarvan melding in de bestreden beslissing, om de aangetroffen fazanten en patrijzen uit te zetten in het werkingsgebied van eerste verzoekende partij, niet eerder een smoes zou zijn geweest om te verhullen dat deze in werkelijkheid zouden uitgezet worden op de jachtterreinen van dhr. Joeri Raemdonck gelegen buiten het werkingsgebied van eerste verzoekende partij. Op zich volstaat ook dit reeds om vast te stellen dat de bestreden beslissing artikel 23, eerste lid, 3° van het besluit van 25 april 2014 schendt. […] Als vijfde bestanddeel geldt bovendien dan dat bovenvermelde materiële bestanddelen moeten ‘vastgesteld worden’. Aangezien zoals hiervoor werd uiteengezet dat de tweede en vierde materiële bestanddelen hoegenaamd niet voorhanden zijn, staat meteen ook vast dat het voorhanden zijn van deze beide materiële bestanddelen niet ‘vastgesteld’ is geworden, zoals artikel 23, eerste lid, 3° van het besluit van 25 april 2014 het nochtans vereist. Ook dit volstaat om te besluiten dat de bestreden beslissing artikel 23, eerste lid, 3° van het Besluit van 25 april 2014 schendt. […] Er is echter meer. Door alsnog de bestreden beslissing te nemen, schendt de bestreden beslissing de artikelen 2 en 3 van de […] wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, alsook de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. […] Verwerende partij is met het nemen van de bestreden beslissing niet zorgvuldig opgetreden, gezien zij niet is nagegaan of de diverse bestanddelen vermeld in artikel 23, eerste lid, 3° van het besluit van 25 april 2014 voorhanden waren om te kunnen besluiten tot het opleggen van de uiteindelijke sanctie. Bovendien diende dergelijk onderzoek te blijken uit de motivering van de bestreden beslissing, zoals vereist door de formelemotiveringsplicht uit de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 en door de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Door dat onderzoek niet uit te voeren en daarvan geen melding te maken in de motieven van de bestreden beslissing en vervolgens toch de bestreden beslissing te nemen, terwijl elke voorzichtige en zorgvuldige administratieve overheid dergelijk onderzoek wel zou voeren en doen veruitwendigen in de motivering, schendt de bestreden beslissing artikel 23, eerste lid, 3° van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de jacht kan worden uitgeoefend, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, alsook de materiële VII-40.995-33/50 motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. […] Tweede onderdeel […] Voor zover uw Raad van oordeel zou zijn dat verwerende partij wel degelijk kon uitgaan van het verenigd zijn van de diverse bestanddelen voorzien bij artikel 23, eerste lid, 3° van het besluit van 25 april 2014 en dienvolgens op grond van die bepaling de bestreden beslissing vermocht te nemen, quod certe non, dan nog staat vast dat er sprake is van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, gezien zij niet ervan doet blijken, laat staan verduidelijkt waarom zij dit verbod aan de volledige WBE oplegt en niet enkel aan dhr. Joeri Raemdonck een verbod oplegt om op zijn jachtterrein tijdens het lopende jachtseizoen te jagen op de kleinwildsoorten fazant, haas en patrijs. De bestreden beslissing stelt enkel ‘Door de zwaarwichtigheid van de feiten wordt de sanctiemaatregel dat door middel van dit besluit wordt opgelegd voor alle jachtterreinen van de WBE De Reynaert als noodzakelijk geacht’. […] [Uit] [a]rtikel 23, eerste lid, 3° van het besluit van 25 april 2014 […] blijkt dat verwerende partij wel degelijk de mogelijkheid had om enkel het verbod op te leggen op een deel van het werkingsgebied van eerste verzoekende partij (en dus niet het ganse werkingsgebied, waaronder het jachtterrein van tweede verzoekende partij), meer bepaald het jachtterrein van dhr. Joeri Raemdonck. Zij heeft dit echter onterecht nagelaten, minstens had zij als zorgvuldige overheid die mogelijkheid moeten onderzoeken en dienaangaande motiveren, quod non. Van een zorgvuldige overheid kan immers verwacht worden dat zij minstens verduidelijkt waarom de eerste verzoekende partij in haar geheel dient te worden gesanctioneerd (m.i.v. tweede verzoekende partij). Dit wringt des te meer gezien verzoekende partijen niet op de hoogte waren van deze feiten, alsook omdat verwerende partij na de datum van de vaststelling zoals verwoord in de motieven van de bestreden beslissing (met name 14 oktober 2020), maar liefst 9 dagen nodig had om tot de bestreden beslissing van 23 oktober 2020 te komen. Van een zorgvuldig handelende overheid mag bovendien ook verlangd worden dat zij nagaat of de eerste verzoekende partij niet de mogelijkheid moet krijgen om zelf te kunnen optreden tegen een bepaald lid dat een inbreuk pleegt op de regels van het Jachtdecreet van 24 juli 1991 en van het Besluit van 25 april 2014, zoals het overgaan tot het uitsluiten van het betrokken lid uit de organisatie van eerste verzoekende partij. Minstens diende die mogelijkheid of het uitsluiten van die mogelijkheid, veruitwendigd te worden in de motieven van de bestreden beslissing. Dat had dan eerste verzoekende partij moeten toelaten om in de navolgende toekomst een algemene vergadering te organiseren met het oog op het uitsluiten van een lid dat zou toelaten dat er kleinwild zou worden uitgezet op zijn jachtterrein, wat een manifest inbreuk zou inhouden op artikel 7 van VII-40.995-34/50 de statuten van eerste verzoekende partij dat vereist dat iedere jachtrechthouder zich aan de regels inzake jacht dient te houden. De bestreden beslissing houdt ook een té algemene formulering in daar waar gewag wordt gemaakt van ‘de zwaarwichtigheid van de feiten’. Uit die motivering blijkt immers niet waarom de feiten zwaarwichtig zijn, zodat de motivering de verzoekende partij niet toelaat te begrijpen waarom de bestreden beslissing werd genomen en deze uw Raad niet toelaat zijn wettigheidscontrole op dat punt te verrichten. Door eerste verzoekende partij (m.i.v. tweede verzoekende partij) alsnog in haar geheel te bestraffen en door niet de mogelijkheid te voorzien, dan wel na te gaan om het aan eerste verzoekende partij over te laten om over te gaan tot het uitsluiten van het betrokken lid uit de organisatie van eerste verzoekende partij, schendt de bestreden beslissing het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Bovendien schendt de bestreden beslissing eveneens de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen én de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, omdat uit de motieven van de bestreden beslissing niet blijkt dat zo'n onderzoek werd gevoerd. […] Derde onderdeel […] Indien uw Raad zou oordelen dat de bestreden beslissing terecht op grond van artikel 23, eerste lid, 3° van het besluit van 25 april 2014 een sanctie mocht opleggen gelet op de feitenvergaring, quod certe non, dan nog moet minstens van verwerende partij verwacht worden dat zij in functie van de motieven inzake de weerhouden inbreuk, zin voor maat aan de dag legt en geen disproportioneel leed toebrengt met de genomen beslissing. Verwerende partij heeft bij het nemen van de bestreden beslissing echter manifest een schending begaan van het evenredigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, omdat zij op onevenredige wijze is overgegaan tot verbod van jacht op de kleinwildsoorten fazant, haas en patrijs op alle jachtterreinen binnen het werkingsgebied van eerste verzoekende partij (en dus inclusief het jachtterrein van tweede verzoekende partij). Immers, er valt niet in te zien waarom een dergelijk vergaande maatregel met dergelijke vergaande leedtoebrenging moet genomen worden in functie van wat bij de feitenvergaring werd vastgesteld. Dit klemt des te meer gezien verzoekende partijen moeten vaststellen dat inzake een andere WBE binnen wiens werkingsgebied effectief fazanten werden uitgezet, enkel een jachtverbod werd opgelegd jegens de betrokken jachtrechthouder en niet jegens de ganse WBE […]. Door toch dermate verstrekkende beslissing te nemen, schendt de verwerende partij met de bestreden beslissing het evenredigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en minstens het proportionaliteitsbeginsel”. 34. De verwerende partij weerlegt het middel als volgt: VII-40.995-35/50 “
- i)Betreffende het eerste onderdeel van het vijfde middel […] Artikel 23, 3° Jachtvoorwaardenbesluit bepaalt dat ANB de jacht op een kleinwildsoort kan sluiten als wordt vastgesteld dat in het afgelopen jaar kleinwildsoorten werden uitgezet in de desbetreffende WBE of op het jachtterrein van de betrokken onafhankelijke jachtrechthouder. Dit artikel strekt ertoe om kwetsbare soorten te beschermen en een jachtverbod op te leggen indien deze maatregel niet wordt nageleefd. […] Bij het uitzetten van wild worden doorgaans enkele dieren in hokjes gehouden die vervolgens dienen als lokvogels om uitgezette patrijzen en fazanten in de buurt te houden, zodat deze tijdens een jachtpartij kunnen worden geschoten. Patrijzen zijn bovendien een kwetsbare soort. Ondanks die kwetsbare status is de patrijs tot op de dag van vandaag een bejaagbare soort. Het rapport van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) illustreert via populatiemodellen dat de jachtintensiteit een belangrijke rol speelt in de populatieontwikkeling van de patrijs. Bij te hoge afschotpercentages (overbejaging) zal de stand steeds achteruit gaan, los van het feit of er al dan niet habitatverbetering plaatsvindt. Om die reden ligt er momenteel een voorstel van decreet voor in het Vlaams Parlement om de patrijs te schrappen als bejaagbare soort […]. Artikel 29 van het Jachtdecreet verbiedt uitdrukkelijk het uitzetten van wild. Er is geen uitzondering voorzien voor de patrijs en de fazant. De doelstelling van artikel 29 van het Jachtdecreet en artikel 23, eerste lid, 3° van het Jachtvoorwaardenbesluit is er net in gelegen om diersoorten te beschermen. Uw Raad benadrukte […] dat het uitzetten van wildsoorten aanzienlijke risico’s inhoudt […]. De bestanddelen van artikel 23, eerste lid, 3° van het Jachtvoorwaardenbesluit moeten dan ook in het licht van het voorgaande worden bekeken, nl. als wordt vastgesteld dat: - in het afgelopen jaar, - kleinwildsoorten, - werden uitgezet, - in de desbetreffende WBE of in het jachtterrein van de betrokken onafhankelijke jachtrechthouder. […] Ten eerste hebben de feiten in het kader waarvan de bestreden beslissing werd genomen, betrekking op feiten die werden gepleegd in het afgelopen jaar. Verzoekende partijen betwisten dit niet. […] Ten tweede heeft de uitzetting van wild betrekking op fazant en patrijs en gaat het inderdaad om kleinwildsoorten. Verzoekende partijen betwisten ook dit bestanddeel niet. […] In tegenstelling tot hetgeen verzoekende partijen trachten voor te houden, waren er ten derde voldoende redenen voorhanden om te besluiten dat de aangekochte fazanten en patrijzen bedoeld waren om te worden uitgezet voor de jacht […]. Het feit dat Natuurinspectie niet heeft gewacht totdat de dieren effectief werden uitgezet, doet geen afbreuk aan het feit dat er sprake is van het opstarten van de handelingen die rechtstreeks verband houden met het uitzetten van wild. VII-40.995-36/50 Er werden immers reeds actieve daden gesteld om tot de daadwerkelijke daad van uitzetting over te gaan, nl. het aankopen van fazanten en patrijzen met de expliciete bedoeling om deze uit te zetten op een jachtterrein waarvan het jachtrecht toebehoort aan dhr. Joeri Raemdonck en waarop de betrokkene jaagt. Natuurinspectie mocht wel degelijk ingrijpen alvorens er sprake is van de effectieve uitzetting van de dieren. Hier anders over oordelen zou betekenen dat Natuurinspectie moest dulden dat er een uitzetting gebeurde, hetgeen manifest indruist tegen artikel 29 van het Jachtdecreet. Het is in dat opzicht frappant dat verzoekende partijen insinueren dat Natuurinspectie zou moeten wachten met haar vaststellingen totdat de dieren effectief worden uitgezet waarbij er extra dierenleed wordt veroorzaakt.[…] Bovendien heeft het effectief uitzetten van de dieren ook een impact op de fauna en het wildbeheerplan. Indien Natuurinspectie zou moeten wachten totdat de dieren effectief werden uitgezet terwijl zij de mogelijkheid had om schadebeperkend en diervriendelijk op te treden, schiet deze interpretatie van de betrokken bepalingen het doel ervan volledig voorbij. Eens te meer kan de interpretatie van verzoekende partijen van de bepalingen niet gevolgd worden gezien de plaats van patrijs als kwetsbare soort op de Rode Lijst van het INBO werd bevestigd, met nood aan maatregelen om de populatiegroei te stimuleren. Uitzetting met het oog op jacht heeft hierin geen plaats.[…] Bovendien had Natuurinspectie voldoende aanwijzingen dat de dieren bedoeld waren om te worden uitgezet (ten behoeve van de jacht) en mocht zij onmiddellijk ingrijpen. Verder merken verzoekende partijen in hun verzoekschrift ten onrechte op dat de gedragingen worden gesteld door ‘een aan verzoekende partijen onbekend individu’. Verzoekende partijen kunnen redelijkerwijze niet beweren niet op de hoogte te zijn dat de zoon van de heer Joeri Raemdonck op het jachtterrein van zijn vader zou jagen. De jacht is immers een collectief gebeuren. Ook het aantal in beslag genomen dieren doet vermoeden dat de uit te zetten dieren niet enkel zouden worden bejaagd door de heer Joeri Raemdonck en de heer Roy Raemdonck. Bijgevolg kan er redelijkerwijze niet worden betwist dat er sprake is van het uitzetten van kleinwildsoorten, minstens kan van Natuurinspectie niet worden verwacht dat zij een uitzetting moesten dulden vooraleer te kunnen ingrijpen. Dergelijke zienswijze druist manifest in tegen de geest van artikel 29 van het Jachtdecreet. […] Ten vierde waren de dieren bestemd om te worden uitgezet op de jachtterreinen van de heer Joeri Raemdonck, lid van WBE De Reynaert, zo blijkt duidelijk uit de verklaringen van de heer Roy Raemdonck […]. Dhr. Joeri Raemdonck was lid van eerste verzoekende partij. Verzoekende partijen staven hun bewering dat dhr. Raemdonck ‘naar verluidt’ tevens jachtrechthouder zou zijn van een jachtterrein in Wallonië op geen enkele wijze. Deze verwijzing is er enkel op gericht om twijfel te zaaien bij Uw Raad. Bijgevolg stelt de bestreden beslissing terecht dat de fazanten en patrijzen bestemd waren om te worden uitgezet op de jachtterreinen van de heer VII-40.995-37/50 Joeri Raemdonck, lid van de WBE De Reynaert, en niet op jachtterreinen in Wallonië zoals verzoekende partijen doen uitschijnen. […] Tot slot moet worden besloten dat Natuurinspectie de nodige vaststellingen heeft gedaan waaruit voldoende blijkt dat er sprake is van het uitzetten van kleinwild […]. Uit het voorgaande blijkt dat voldaan is aan alle bestanddelen zoals opgenomen in artikel 23, eerste lid 3° van het Jachtvoorwaardenbesluit en verwerende partij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen bij het nemen van haar beslissing. Verzoekende partijen tonen in hun verzoekschrift niet in concreto aan dat er een schending zou voorliggen van de materiële of het formeel motiveringsplicht. […]
- ii)Betreffende het tweede onderdeel van het vijfde middel […] Verzoekende partijen menen dat er een verantwoording zou moeten worden gegeven waarom het jachtverbod voor alle jachtterreinen binnen de WBE geldt. Uit de bestreden beslissing blijkt duidelijk om welke redenen de jacht op kleinwildsoorten voor alle jachtterreinen binnen de WBE wordt verboden […]. De bestreden beslissing vermeldt duidelijk de redenen waarom een jachtverbod werd opgelegd voor de volledige WBE. Verzoekende partijen kunnen redelijkerwijze niet betwisten dat het uitzetten van wild een ernstige inbreuk vormt op artikel 29 van het Jachtdecreet evenals van de statuten van eerste verzoekende partij, dat er o.a. in bestaat om te werken voor het behoud en de verbetering van de wildstand en zijn leefgebied. De bestreden beslissing heeft specifiek als doel om een duurzaam faunabeheer, de volksgezondheid na te streven en genetische vervuiling te voorkomen. Verzoekende partijen zijn aldus zeer goed op de hoogte waarom de feiten zwaarwichtig zijn en kunnen aldus niet aanvoeren niet te begrijpen waarom de bestreden beslissing werd genomen. Verzoekende partijen tonen niet aan dat verwerende partij kennelijk onzorgvuldig zou hebben gehandeld bij het nemen van de bestreden beslissing. […] Verzoekende partijen halen tot slot nog aan dat zij de mogelijkheid zou moeten hebben gehad om zelf op te treden om het betrokken lid uit de WBE te sluiten. Het is niet kennelijk onzorgvuldig dat verwerende partij gebruik maakt van een verbodsmaatregel op basis van een rechtsgrond die haar uitdrukkelijk wordt toegekend op grond van het Jachtvoorwaardenbesluit. Bovendien zijn verzoekende partijen sinds 19 oktober 2020 op de hoogte dat er mogelijks een jachtverbod zou worden opgelegd […]. De bestreden beslissing werd genomen op 23 oktober 2020 […]. In de periode tussen deze data liet eerste verzoekende partij na enige maatregel te nemen, zoals bijvoorbeeld het neerleggen van een klacht tegen de heer Roy Raemdonck, of het schorsen van het lidmaatschap van de heer Joeri Raemdonck. Pas na het doorlopen van een procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid voor Uw Raad en het aanhoren van het mondeling advies van de Auditeur ter zitting heeft eerste verzoekende partij het ontslag VII-40.995-38/50 gevraagd van de heer Joeri Raemdonck, hoewel zij al geruime tijd op de hoogte waren van de feiten. In de mate […] eerste verzoekende partij nog opwerpt dat verwerende partij haar had moeten toelaten om in de navolgende toekomst een algemene vergadering te organiseren met het oog op het uitsluiten van een lid dat zou toelaten dat er kleinwild zou worden uitgezet op zijn jachtterrein, staat niets eraan in de weg dat eerste verzoekende partij hiertoe de nodige stappen onderneemt. […] iii) Betreffende het derde onderdeel van het vijfde middel […] In het kader van de doelstelling van de maatregel genomen op grond van artikel 29 Jachtdecreet en artikel 23, eerste lid 3° Jachtvoorwaardenbesluit is het niet kennelijk onredelijk om het jachtverbod op te leggen voor de gehele WBE. Het is immers een collectieve verantwoordelijkheid van de gehele WBE dat elk lid zich aan de voorwaarden van het Jachtdecreet houdt (zie ook artikel 7 van de statuten van eerste verzoekende partij). De jacht is immers een collectief gebeuren. Bovendien heeft de bestreden beslissing net tot doel een duurzaam faunabeheer en de volksgezondheid na te streven. Dit blijkt eens te meer omdat de uitzetting van wild een negatieve impact heeft op de volksgezondheid en de genetische diversiteit van de soort.[…] In het licht van het voorgaande is de bestreden beslissing niet onredelijk en is ook een termijn van negen dagen tussen de vaststellingen van de feiten en het nemen van de beslissing niet onredelijk. De verwijzing van verzoekende partijen naar een jachtverbod opgelegd aan een jachtrechthouder van de WBE Donkmeer waarin enkel fazanten werden uitgezet kan niet als dusdanig worden getransponeerd naar huidig dossier waarin zowel fazanten als patrijzen (rode lijst) werden uitgezet. […] Ten overvloede merken we op dat de jacht op patrijzen slechts mag worden uitgeoefend binnen een erkende WBE. Voor de gewone jacht op patrijzen voorziet artikel 22 van het Jachtvoorwaardenbesluit een bijzondere regeling […]. Bovendien werd er een voorstel van decreet ingediend in het Vlaams Parlement dat in de nabije toekomst een verbod zou opleggen op de jacht op patrijs gezien de precaire toestand van de soort. Ook om deze reden is het niet kennelijk onredelijk om een jachtverbod voor de gehele WBE op te leggen”. 35. De verzoekende partijen dupliceren: “Eerste onderdeel […] Zoals verzoekende partijen reeds in hun verzoekschrift hebben uiteengezet, moet onder uitzetten spraakgebruikelijk worden bedoeld: het over een zekere oppervlakte verspreiden. […] De bewering van verwerende partij dat deze interpretatie niet strookt met de doelstelling van het decreet kan niet worden gevolgd. […] VII-40.995-39/50 [Artikel 29 van het Jachtdecreet] had […] duidelijk […] de situatie voor ogen dat het wild daadwerkelijk werd ‘vrijgelaten/ uitgezet’. Verwerende partij kan aldus niet gevolgd worden dat reeds voorafgaand aan het effectief uitzetten kan worden opgetreden. Ook de verwijzing naar het feit dat de patrijs is opgenomen op de Rode Lijst van het INBO doet aldus niet terzake. Bovendien beweert verwerende partij dat het zonder meer duidelijk was dhr. Roy Raemdonck voor ogen had om deze patrijzen en fazanten uit te zetten. Zoals reeds in het tweede middel werd uiteengezet ligt er geen enkel stuk voor waaruit de duidelijke intenties blijken van dhr. Roy Raemdonck om deze fazanten en patrijzen uit te zetten. Bovendien werden de fazanten en de patrijzen niet effectief uitgezet, zoals wordt vereist in artikel 29 van het Jachtdecreet. Wat er met deze dieren is gebeurd, hebben verzoekende partijen zelfs het raden naar. Verwerende partij kan hierin aldus niet worden gevolgd. […] Nergens werden [de] ‘hokjes’ [waarover de verwerende partij het heeft,] aangetroffen, noch op de terreinen van eerste verzoekende partij, noch bij tweede verzoekende partij. Zelfs niet bij dhr. Roy Raemdonck of zijn vader dhr. Joeri Raemdonck. Van uitzetten kan er aldus zeker geen sprake zijn, zelfs niet van een begin van uitvoering want het ‘noodzakelijk’ materiaal was er zelfs niet voor aanwezig. […] Verzoekende partijen zijn geschokt […] lasterlijke en bedrieglijke insinuaties te moeten lezen van verwerende partij. Verwerende partij weet duidelijk niet hoe de jacht en een WBE werkt. Bij de WBE zijn enkel de jachtrechthouders aangesloten. Iedere jachtrechthouder heeft vrijwel steeds een vaste jachtgroep van meerdere jagers die op het jachtterrein van de jachtrechthouder komen jagen. Soms worden ook andere jagers uitgenodigd om deel te nemen aan een jachtdag. Vanzelfsprekend weet een jachtrechthouder niet wie de medejagers zijn van een andere jachtrechthouder of wie daar zou worden uitgenodigd. Jagen is inderdaad een collectief gebeuren maar iedere jachtrechthouder jaagt met zijn eigen medejagers en drijvers op zijn eigen jachtrevier. Jachtrechthouders komen elkaar vrijwel nooit tegen tenzij een toevallige ontmoeting of een vergadering van de WBE. Het is dan ook ongehoord en puur modder gooien van de verwerende partij door te durven beweren dat de WBE op de hoogte zou zijn van de plannen van dhr. Joeri Raemdonck. Ook uit het aantal bestelde dieren kan helemaal niets worden afgeleid, noch dat deze zouden worden uitgezet, noch dat er andere jachtrechthouders bij betrokken zouden zijn geweest. Het is bovendien schrijnend te moeten vaststellen dat verwerende partij met zulke prietpraat komt aandraven. Dergelijke motieven zijn trouwens niet terug te vinden in de motivering van de bestreden beslissing.... […] Verzoekende partijen merken op dat de verwerende partij duidelijk werkt met twee maten en twee gewichten. Zij mag zonder meer lasterlijke VII-40.995-40/50 en bedrieglijke insinuaties opperen maar het zijn dan wel verzoekende partijen die bij uw Raad het doel hebben om twijfel te zaaien. Verzoekende partij heeft deze informatie trouwens vernomen van andere jachtrechthouders die dhr. Joeri Raemdonck kennen en heeft geen enkel ogenblik de bedoeling gehad om bij uw Raad onterecht twijfel te zaaien. In het verzoekschrift werd eveneens nog duidelijk gesteld dat dhr. Joeri Raemdonck eveneens jachtrechthouder is in de WBE Moervaart-Noord. Daarover piept verwerende partij met geen woord! Het is aldus allerminst zeker dat de dieren zouden worden uitgezet op de terreinen van WBE De Reynaert. Dit alles volstaat aldus om te besluiten dat de bestreden beslissing artikel 23, eerste lid, 3° van het Jachtvoorwaardenbesluit schendt. […] Tweede onderdeel […] Verwerende partij tracht nu in haar memorie post factum motivatie een invulling te geven waarom deze feiten zo zwaarwichtig zijn. Er moet evenwel worden benadrukt dat hier geen rekening mee kan worden gehouden. Er kan enkel maar rekening worden gehouden met de gegevens en motieven die werden vermeld in de bestreden beslissing of opgenomen zijn in het administratief dossier. Ten overvloede moet nog worden opgemerkt dat verwerende partij niet dienstig kan verwijzen naar een arrest van uw Raad van 25 oktober 2019 met nr. 245.927[…], om de zwaarwichtigheid te motiveren, aangezien dit arrest niet mutatis mutandis kan worden toegepast nu er in die zaak geen jachtverbod werd opgelegd. […] Waar verwerende partij nog stelt dat verzoekende partijen de tijd hebben gehad om zelf maatregelen te nemen door dhr. Joeri Raemdonck bv. te schorsen, dient te worden benadrukt dat eerste verzoekende partij geen lid kan schorsen! Zij kan enkel het lidmaatschap afnemen van een lid via uitsluiting zoals voorzien in het WVV. Bovendien hebben verzoekende partijen, zodra zij wisten om wie het ging en zodra de geldende coronamaatregelen het toelieten, wel degelijk een algemene vergadering bijeengeroepen om deze situatie te bespreken. Dhr. Joeri Raemdonck heeft overigens inmiddels de WBE vrijwillig verlaten. […] Derde onderdeel […] Ook hier overtuigt de argumentatie van verwerende partij niet. Allereerst moet worden vastgesteld dat verwerende partij deze scheve situatie probeert recht te trekken door in haar memorie bijkomende motieven toe te voegen. Zo stelt verwerende partij nu plots dat ‘de bestreden beslissing net tot doel heeft een duurzaam faunabeheer en de volksgezondheid na te streven. Dit blijkt eens te meer omdat de uitzetting van wild een negatieve impact heeft op de volksgezondheid en de genetische diversiteit van de soort.’ Deze motivering is niet in de bestreden beslissing, noch in het administratief dossier terug te vinden. Het betreft aldus een post-factum motivering. Dit is evenwel onwettig. […] VII-40.995-41/50 Met deze bijkomende motieven mag aldus geen rekening worden gehouden. […] Waar verwerende partij stelt dat het de collectieve verantwoordelijkheid van de gehele WBE is dat elk lid zich aan de voorwaarden van het Jachtdecreet houdt, betreft dit louter een boutade van de verwerende partij. Er blijkt uit geen enkele wettelijke bepaling dat er sprake is van een collectieve verantwoordelijkheid. In tegenstelling tot wat verwerende partij voorhoudt, kan dit ook niet uit de statuten van eerste verzoekende partij worden afgeleid. […] Hieruit volgt geenszins dat er sprake is van een collectieve verantwoordelijkheid. Hieruit volgt enkel in het algemeen dat ieder lid de ‘wet’ zal naleven. Daaruit kan niet worden afgeleid dat iedere jachtrechthouder moet nagaan of zijn ‘collega’ jachtrechthouder zich aan de regels houdt. Verwerende partij tracht hier opnieuw zaken te lezen die er niet te lezen zijn. Bovendien hebben verzoekende partijen, zodra zij op de hoogte waren van de gewraakte aankoop, al het nodige gedaan om dhr. Joeri Raemdonck uit de WBE te kunnen zetten, wat via druk en vrijwillig ontslag uit de WBE is gelukt. […] Tot slot is verwerende partij van mening dat de situatie van de WBE Donkmeer volledig verschillend is aangezien daar enkel fazanten werden aangetroffen terwijl in casu ook patrijzen werden aangetroffen. Zij meent dat in casu strenger mag optreden omdat hier eveneens patrijzen zijn betrokken. Deze diersoort staat op de rode lijst en er zijn plannen om een algemeen verbod op de jacht van patrijs op te leggen. Ook hier betreft dit een post factum motivering. Uit geen enkel stuk blijkt dat dit de reden was waarom de bestreden beslissing werd opgelegd aan de volledige WBE en niet enkel aan dhr. Joeri Raemdonck. Er mag daarmee dus geen rekening mee worden gehouden. Louter ten overvloede merken verwerende partijen nog op dat het verbod op de jacht op patrijs nog niet is aangenomen. Het betreft nog steeds een voorstel van decreet”. 36. In hun laatste memorie herhalen de verzoekende partijen dat niet voldaan is aan de materiële bestanddelen van artikel 23, eerste lid, 3°, van het Jachtvoorwaardenbesluit en dat in de bestreden beslissing moest worden gemotiveerd waarom het jachtverbod moet gelden voor alle jachtterreinen die behoren tot het werkingsgebied van de WBE. VII-40.995-42/50 Beoordeling Eerste onderdeel 37. Artikel 29 van het Jachtdecreet bepaalt dat het te allen tijde verboden is wild uit te zetten tenzij de Vlaamse regering hierop met het oog op het behoud van wildsoorten uitzonderingen toestaat. Met die bepaling wordt als regel een algemeen verbod ingesteld om wild uit te zetten met de bedoeling “om het uitzetten van wild altijd en overal te verbieden” (Parl.St. Vl.Parl. 1990-91, nr. 481/10, 54). Uit de algemene strekking van het verbod om wild uit te zetten volgt dat de verwerende partij, op basis van de vaststelling door de natuurinspectie dat fazanten en patrijzen in een bestelwagen werden aangetroffen en van de verklaring van de persoon die de dieren in zijn bezit had dat de dieren bestemd waren om uitgezet te worden op een bepaald jachtterrein, met toepassing van artikel 23, eerste lid, 3°, van het Jachtvoorwaardenbesluit een beslissing kon nemen omtrent de sluiting van de jacht op dat jachtterrein. Het door artikel 29 van het Jachtdecreet algemeen ingestelde verbod verzet er zich immers niet tegen dat door het toezicht van de natuurinspectie het uitzetten van wild wordt verijdeld en dat het Agentschap voor Natuur en Bos vervolgens voor die mislukte poging tot uitzetting een onmiddellijke maatregel neemt met het oog op de instandhouding van de beschermde diersoorten op de betrokken jachtterreinen. Bijgevolg is het niet relevant dat het vervoer van de fazanten en patrijzen werd onderschept op de openbare weg en dus niet op een jachtterrein van de WBE waarop de beoogde uitzetting zou plaatsvinden. 38. Voorts zijn de redenen op grond waarvan de verwerende partij van oordeel was dat zij met toepassing van artikel 23, eerste lid, 3°, van het Jachtvoorwaardenbesluit een maatregel mocht nemen, in de bestreden beslissing uitdrukkelijk en op afdoende wijze tot uiting gebracht. Het middelonderdeel, dat steunt op de veronderstelling dat voor het nemen van de bestreden maatregel geen in rechte aanvaardbare motieven voorhanden zijn, mist feitelijke grondslag. VII-40.995-43/50 Tweede en derde onderdeel 39. In geval met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat de natuurinspectie een uitzetting van kleinwildsoorten op een jachtterrein van een bepaalde WBE heeft kunnen onderscheppen, handelt het Agentschap voor Natuur en Bos niet onredelijk door met toepassing van artikel 23, eerste lid, 3°, van het Jachtvoorwaardenbesluit de jacht op kleinwildsoorten in de gehele wildbeheereenheid te verbieden. De beslissing die genomen wordt op grond van artikel 23, eerste lid, 3°, van het Jachtvoorwaardenbesluit strekt er immers toe het duurzaam faunbeheer in de betrokken WBE te verzekeren. Het feit dat de verzoekende partijen niet op de hoogte zouden zijn geweest van de miskenning van artikel 29, eerste lid, van het Jachtdecreet, noch het feit dat de bestreden beslissing pas na verloop van enkele dagen na de vaststellingen werd genomen, doen afbreuk aan de bevoegdheid van het Agentschap voor Natuur en Bos om maatregelen te nemen in het kader van het duurzaam faunbeheer. Evenmin legt artikel 23 van het Jachtvoorwaardenbesluit als voorafgaande voorwaarde op dat de betrokken WBE in de gelegenheid moet worden gesteld om een bepaald lid uit te sluiten. Conclusie 40. Het vijfde middel is in al zijn onderdelen ongegrond. F. Zesde middel Standpunt van de partijen 41. Als zesde middel wordt de schending aangevoerd van “de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, alsook van de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. VII-40.995-44/50 In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “Eerste onderdeel […] Blijkens de bewoordingen van artikel 23, eerste lid, 3° van het besluit van 25 april 2014 kan de jacht op ‘een kleinwildsoort’ gesloten worden als sanctie indien kleinwildsoorten werden uitgezet, quod non. […] Het bij de bestreden beslissing opgelegde verbod tot jagen heeft uitdrukkelijk betrekking op niet alleen fazanten en patrijzen, maar ook op hazen.[…] […] Waarom precies het verbod van de jacht op patrijs en fazant maar behoorlijk zou kunnen worden gehandhaafd indien ook het verbod van de jacht op de haas wordt voorzien, blijkt geenszins uit de motivering van de bestreden beslissing. Dit klemt des te meer gezien patrijs en fazant pluimdieren zijn die zelfs tot op een bepaalde hoogte kunnen opvliegen, terwijl haas een pelsdier is dat vanzelfsprekend niet kan vliegen, doch enkel kan rennen. Dergelijk onderscheidend vermogen laat niet toe in te zien waarom de fazant, de patrijs en de haas over dezelfde kam worden geschoren en waarom derhalve een verbod tot jacht op deze drie kleinwildsoorten vereist zou zijn om het uitgevaardigd verbod behoorlijk te kunnen handhaven. Bovendien wordt de betrokken keuze zoals hierboven aangehaald ook niet materieel correct gemotiveerd: het verbod van de jacht op fazant en patrijs kan wel degelijk worden gehandhaafd zonder daarbij de jacht op haas mee te verbieden. Het volstaat daartoe om controles ter plaatse uit te oefenen, terwijl verwerende partij bij een verbod op zowel fazant/patrijs én op haas, het verbod ook dient te handhaven middels controle ter plaatse. Uit niets blijkt derhalve dat verwerende partij een zorgvuldige beoordeling derhalve heeft gemaakt, zodat dergelijk gebrek volstaat om te besluiten dat de bestreden beslissing het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden. Bij gebrek aan nadere motivering van het waarom van de uitbreiding van het jachtverbod tot de jacht op de haas, staat meteen ook vast dat de bestreden beslissing op dat punt niet draagkrachtig is en derhalve niet afdoende blijkt, zodat de bestreden beslissing genomen is met schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, alsook van de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. […] Tweede onderdeel […] Indien uw Raad zou oordelen dat de bestreden beslissing terecht op grond van artikel 23, eerste lid, 3° van het besluit van 25 april 2014 een sanctie mocht opleggen gelet op de feitenvergaring, quod certe non, dan nog moet minstens van verwerende partij verwacht worden dat zij in functie van de motieven inzake de weerhouden inbreuk, zin voor maat aan de dag legt en geen disproportioneel leed toebrengt met de genomen beslissing. Verwerende partij heeft bij het nemen van de bestreden beslissing echter manifest een schending begaan van het evenredigheidsbeginsel als VII-40.995-45/50 algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, omdat zij op onevenredige wijze is overgegaan tot verbod van jacht op niet alleen de kleinwildsoorten fazant en patrijs, maar ook op de kleinwildsoort haas op alle jachtterreinen binnen het werkingsgebied van eerste verzoekende partij (en dus inclusief het jachtterrein van tweede verzoekende partij). Immers, er valt niet in te zien waarom een dergelijk vergaande maatregel met dergelijke vergaande leedtoebrenging moet genomen worden in functie van wat bij de feitenvergaring werd vastgesteld, met name het aan verzoekende partij ontzeggen dat de onder hen ressorterende jachtterreinen niet meer mogen gebruikt worden voor het jagen op haas. Door toch dermate verstrekkende beslissing te nemen, schendt de verwerende partij met de bestreden beslissing het evenredigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur”. 42. De memorie van antwoord van de verwerende partij bevat de volgende repli