id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.659 Rolnummer: A. 235264/VII-41267 Zaak: Arrest 257659 - Milieuvergunningen - 19/10/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-10-24 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-06-10 14:07 Fiche Arrest nr 257.659 van 19 oktober 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 257.659 van 19 oktober 2023 in de zaak A. 235.264/VII-41.267 In zake : de BV BUKA 2000 (in staat van faillissement) bijgestaan en vertegenwoordigd door curator Thomas Debaene kantoor houdend te 2600 Antwerpen-Berchem Koninklijkelaan 60 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Met een verzoek, ingediend op 20 december 2021, vraagt de verzoekende partij haar bij wijze van arrest een schadevergoeding tot herstel toe te kennen naar aanleiding van arrest nr. 251.843 van de Raad van State van 14 oktober
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 28 oktober 2022 een verslag opgesteld. VII-41.267-1/12 De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 mei
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thomas Debaene, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Matthias Boydens, die loco advocaat Gitte Laenen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Met een besluit van 21 december 2017 weigert de deputatie van de provincieraad van Antwerpen de milieuvergunning voor het verder exploiteren van een discotheek, gelegen aan de Lange Brilstraat 10-12 te Antwerpen. 3.
- Bij arrest nr. 251.843 van 14 oktober 2021 vernietigt de Raad van State op vordering van de verzoekende partij voornoemde vergunningsweigering op grond van de volgende redenen: “De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dit op een afdoende wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen VII-41.267-2/12 moeten volstaan om de beslissing te dragen. […] De redengeving van een beslissing over een milieuvergunningsaanvraag moet des te concreter en preciezer zijn wanneer die beslissing afwijkt van een voorafgaand advies, ook al is dit niet bindend, dat op duidelijke en concrete elementen is gesteund. In een dergelijk geval mag de overheid zich niet beperken tot een niet gemotiveerd tegenspreken van het advies, maar moet zij integendeel duidelijk maken waarom zij van oordeel is de argumenten waarop de adviesverlenende instantie steunt, niet te kunnen volgen. […] De bestreden vergunningsweigering steunt op de volgende motieven: ‘Overwegende dat bij de sluiting van het openbaar onderzoek werd vastgesteld dat er 84 bezwaren werden ingediend; dat de bezwaarschriften zonder uitzondering handelen over diverse vormen van afgeleide hinder ten gevolge van de exploitatie van de inrichting als lokaal met muziekactiviteiten; dat het gaat om nachtlawaai door wachtende klanten, wildplassen, braaksel, glasbreuk, schade aan voertuigen, agressief gedrag van dronken bezoekers, achterlaten van afval, vechtpartijen, verstoring van de openbare orde en nachtrust; Overwegende dat ook doordat de ‘reguliere’ uitgaansuren in de loop der jaren steeds meer na middernacht zijn te situeren, de problemen en klachten rond afgeleide hinder de laatste tijd sterk toegenomen zijn; dat deze verschuiving in de uitgaanscultuur en de beperkte capaciteit van de inrichting maken dat er zeer regelmatig klanten buiten de inrichting moeten wachten (aanschuiven) alvorens met mondjesmaat in de inrichting te worden toegelaten; dat dit onder meer te maken heeft met de ruime schaal, waarop de inrichting via sociale media haar promotie voert, tenslotte is de capaciteit van de dancing beperkt tot een driehonderdtal bezoekers; Overwegende dat ondanks het toezicht en optreden van de politie en de maatregelen die de exploitant zelf heeft genomen (al dan niet opgelegd in de lopende milieuvergunning), zoals het werken met stewards en security-personeel, de afgeleide hinder nog steeds aanwezig is en zelfs in toenemende mate; dat de afgeleide hinder dermate toegenomen is dat er in tegenstelling tot de vorige exploitatieperiode niet langer een lokaal draagvlak bestaat voor een inrichting die enkel open is tijdens de nachtelijke uren en die meer klanten trekt dan ze aankan, waardoor de hoger beschreven vormen van overlast voor de inkomdeur en de directe omgeving van de inrichting zich blijven voordoen; dat de overlast en hinder dan ook als buitenproportioneel moeten worden gekenmerkt, gezien de buurt en plaatselijke omstandigheden; Overwegende dat op basis van de evaluatie van de gevolgen van de exploitatie voor de directe woonomgeving moet worden besloten dat de exploitant niet in staat is voldoende mitigerende maatregelen te nemen om de veroorzaakte hinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken en dat een louter op nachtleven gerichte exploitatie op deze locatie niet langer mogelijk is; dat de inrichting niet verenigbaar is met de directe omgeving’. […] Ter voorbereiding van de bestreden beslissing hebben zowel de afdeling Milieuvergunningen, de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar als de PMVC een gunstig advies uitgebracht over de vergunningsaanvraag. In het advies van de PMVC wordt geconcludeerd dat de gevraagde milieuvergunning verleend kan worden voor een termijn van VII-41.267-3/12 vijf jaar -termijn die afgesteld is op ‘gelijkaardige inrichtingen gelegen op het grondgebied van de stad Antwerpen’ en niet ingegeven is door ‘andere motieven’- op voorwaarde dat, uitgezonderd de maanden september en oktober die de start van het academiejaar markeren, drie vaste sluitingsdagen per week in acht worden genomen, het aantal exploitatiedagen per jaar begrensd wordt op maximaal 110, de inrichting vanaf 5u00 wordt gesloten en de exploitant binnen een maand na het verlenen van de vergunning een klachtenmeldpunt voor de buurtbewoners opricht. In dat advies wordt ook uitdrukkelijk aangegeven dat de inrichting ‘milieutechnisch aan de toepasselijke voorwaarden kan voldoen’ en dat de afgeleide hinder, waarvan gewag wordt gemaakt tijdens het openbaar onderzoek, ‘zich voordoet op het openbaar domein’ en ‘er moeilijk kan worden uitgemaakt of de afgeleide hinder afkomstig is van deze inrichting, gegeven het feit dat er zich in de nabije omgeving nog andere inrichtingen bevinden’. […] In de zelfstandige motieven van de bestreden beslissing wordt niet ingegaan op het genuanceerde advies van de PMVC. De verwerende partij blijkt bij het nemen van de bestreden vergunningsweigering in hoofdzaak oog te hebben gehad voor het feit dat er ‘84 bezwaren werden ingediend’ over ‘diverse vormen van afgeleide hinder’, zoals ‘nachtlawaai door wachtende klanten, wildplassen, braaksel, glasbreuk, schade aan voertuigen, agressief gedrag van dronken bezoekers, achterlaten van afval, vechtpartijen, verstoring van de openbare orde en nachtrust’. Echter laat de bestreden beslissing in het midden of die afgeleide hinder, behalve wat betreft de hinder die rechtstreeks verband houdt met het feit dat bezoekers ‘zeer regelmatig’ buiten de inrichting met ‘beperkte capaciteit’ moeten wachten of aanschuiven, specifiek toegeschreven kan worden aan de betrokken discotheek. Dit klemt nog meer aangezien niet tegengesproken wordt dat de inrichting gelegen is in een uitgaansbuurt en een deskundige tijdens de zitting van de PMVC heeft verklaard dat het ‘bij afgeleide hinder moeilijk is om de juiste oorzaak te vinden’. Daarenboven wordt vastgesteld dat de in de bestreden beslissing uitgedrukte motieven dat ‘afgeleide hinder nog steeds aanwezig is en zelfs in toenemende mate’ en er ‘niet langer een lokaal draagvlak bestaat voor een inrichting die enkel open is tijdens de nachtelijke uren en die meer klanten trekt dan ze aankan’, geen steun vinden in de adviezen die in het kader van het heronderzoek van de zaak in graad van beroep, werden uitgebracht. De motieven van de bestreden weigeringsbeslissing brengen bijgevolg onvoldoende tot uiting waarom het advies van de PMVC om de gevraagde milieuvergunning te verlenen voor een beperkte termijn van vijf jaar, onder naleving van bijzondere voorwaarden die de activiteiten direct en zonder omwegen beperken, niet kon worden bijgetreden”. VII-41.267-4/12 IV. Gegrondheid van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel Standpunt van de verzoekende partij
- In het verzoekschrift onderbouwt de verzoekende partij haar vordering als volgt: “[…] Ingevolge de vastgestelde onwettige beslissing werd het verzoekende partij onmogelijk gemaakt haar discotheek verder te exploiteren […]. De exploitatie van discotheek Publik was de enige activiteit van verzoekende partij. Door het stilvallen van haar activiteiten ingevolge de weigering van de hernieuwing van haar milieuvergunning, zag verzoekende partij zich genoodzaakt op 27 februari 2018 aangifte van staking van betaling te doen. Bij vonnis van 1 maart 2018 van de Rechtbank van Koophandel van Antwerpen (Afdeling Antwerpen) werd verzoekende partij failliet verklaard […]. Het weigeren van de hernieuwing van de milieuvergunning was de rechtstreekse aanleiding voor het faillissement van verzoekende partij en impliceerde dat verzoekende partij geen handelsactiviteiten meer kon uitvoeren, derhalve ook geen omzetten meer kon draaien en derhalve ook geen passiva meer kon aanzuiveren. De onwettigheid staat dan ook in rechtstreeks causaal verband met het geleden nadeel, zijnde het gehele nettopassief. Zoals blijkt uit het derde proces-verbaal van verificatie der schuldvorderingen beloopt het passief 292.293,53 euro (voorlopig aanvaard passief € 110.256,09 en nog te behandelen betwist passief € 182.037,44) […]. Het gerealiseerde netto-actief bedraagt 6.393,89 euro. Het nettopassief, toe te schrijven aan het door de onwettige beslissing veroorzaakte faillissement van verzoekende partij, bedraagt dan ook 285.899,64 euro”.
- In haar memorie van wederantwoord laat de verzoekende partij, in reactie op het gevoerde verweer, het volgende gelden: “[…] De zogenaamde onbestaande kans dat de milieuvergunning zou hernieuwd worden Hoe verwerende partij hiertoe komt, is voor verzoekende partij een absoluut raadsel. Het druist ook in tegen alle neutrale stukken in het dossier. Vooreerst waren er de eensluidend positieve adviezen van de provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar, het departement omgeving - afdeling milieuvergunningen Vlaamse Overheid en de provinciale milieuvergunningscommissie. Daarnaast is er het helder verslag van de auditeur, waarvan de inhoud voor zich spreekt. Maar tenslotte is er natuurlijk ook de inhoud van het arrest van Uw Zetel VII-41.267-5/12 van 14 oktober 2021, waarbij terecht werd onderlijnd wat verzoekende partij nu reeds jaren meedeelt aan zowel de Stad als aan de Deputatie, nl. dat de verwerende partij bij het nemen van de bestreden vergunningsweigering quasi uitsluitend de 84 bezwaren in ogenschouw heeft genomen, zonder daarbij ook maar enig antwoord te bieden op de terechte opmerking dat Buka 2000 zich bevond in het midden van een bruisende uitgaansbuurt (Ossenmarkt, Stadswaag,...) met talloze cafés, discotheken, studentenkoten, enz. en het dus volstrekt onduidelijk was waarom het advies van de PMVC niet kon worden bijgetreden. Dat een hernieuwing onbestaande was, snijdt dus geen hout en druist volledig in tegen de rest van het dossier. […] De zogenaamde eerdere bestaande staat van faillissement en zogenaamd uitsluitende mogelijkheid tot het creëren van hoger passief in de latere jaren Verwerende partij brengt als stuk 16 een verslag bij dat werd opgesteld door bedrijfsrevisoren BV D. De Voogt (die overigens nooit de curator heeft geraadpleegd voor het bestuderen van boekhoudkundige stukken). Deze bedrijfsrevisor heeft blijkens dat stuk 16 op basis van de gepubliceerde jaarrekeningen van de BV Buka 2000 en een aantal vaag omschreven stukken die toebehoren aan het administratief dossier gemeend tot een besluit te kunnen komen dat: - Er weinig tijd was tussen de beslissing van de provincie en het neerleggen van de boeken (wat dit dan ook moge toevoegen aan het debat); - Dat de uitbating ‘een zaak was die geen zinnig mens, na lang proberen, nog wil verderzetten’; - Dat er in toenemende mate verliezen waren, zodat een verderzetting van de activiteit ‘uiteraard’ geen optie was; - Dat het faillissement zogenaamd al een feit was eind 2014; Hoe de bedrijfsrevisor op basis van een aantal externe jaarrekeningen dergelijke conclusies kan trekken, is uitermate vreemd. De bedenkingen zijn ook gewoon fout. Vooreerst valt natuurlijk reeds op dat de middelen die verwerende partij thans aanhaalt om te beargumenteren dat BUKA 2000 financieel volstrekt niet levensvatbaar was, tegenstrijdig zijn met de argumenten die de provincie en de stad destijds aanhaalden om de vergunning te weigeren. In de memories van de provincie en in de eerdere stukken van de Stad Antwerpen blijkt immers zeer duidelijk dat zij verwijzen naar de gekleurde bezwaren van de buren, die gebaseerd zijn op een grote klandizie van de BV Buka
- Of zoals de Stad het zelf omschreef: ‘Je kan stellen dat de inrichting hier het slachtoffer is van het eigen succes.’ […] Maar ook het vennootschapsdossier en de cijfers spreken de provincie en de bedrijfsrevisor vollédig tegen. De vennootschap Buka 2000 BV werd opgericht in 1999 en heeft gedurende 26 jaar de discotheek aan de Lange Brilstraat in Antwerpen uitgebaat. Er waren geen beslagberichten op naam van Buka 2000 […] en er lag voor datum faling geen enkele dagvaarding voor van de RSZ of van andere vaak voorkomende eisende partijen. […] VII-41.267-6/12 De vennootschap had inderdaad een negatief eigen vermogen, maar dit werd volledig afgedekt door de aandeelhouders, die eveneens via een andere vennootschap het onroerend goed verhuurden. De vennootschap legde elk jaar keurig haar jaarrekeningen neer en men kan toch bezwaarlijk stellen dat de cijfers dermate slecht waren dat e.e.a. uitsluitend tot een faillissement kon leiden. Dat zogenaamd de vennootschap reeds in 2014 haar boeken had moeten neerleggen, is volstrekt tegen de bepalingen van het Wetboek Economisch Recht in alsook tegen de vaststaande rechtspraak van de Ondernemingsrechtbank Antwerpen afdeling Antwerpen dat men slechts in staat van faillissement verkeert (en mutatis mutandis de datum van staking van betaling kan terugstellen) wanneer er sprake is van: - Veroordelende vonnissen; - Bewarende of uitvoerende beslagen; - Effectieve executie; - Minstens ingebrekestellingen waaruit zou blijken dat leveranciers geen krediet meer wensen te verlenen; […] Van géén van die 4 premisses is in casu sprake, maar dan uiteraard enkel binnen een verhaal van continuïteit, dat werd ontnomen door de provincie! De bedrijfsrevisor en de Deputatie verkijken zich ook volledig op de hoegrootheid van het passief. Men moet niet enkel kijken naar de hoegrootheid van het passief, maar ook naar de hoedanigheid van de schuldeisers en de oorzaak van de schuldvorderingen. Zo is de vordering van de NV Crimy t.b.v. € 140.300,00 […] de vordering van de verhuurder, van wie de achterliggende partijen de aandeelhouders waren van Buka 2000 BV zelf. Deze verleenden dus krediet en hadden geen enkele reden om dat krediet op te zeggen. Integendeel; zij zouden de huur gewoon verder hebben laten lopen indien de vergunning zou zijn uitgereikt. […] Het is maar door de weigering van de vergunning dat er geen exploitatiemogelijkheden meer waren voor Buka 2000 BV, zodat ook geen huurgelden meer konden worden betaald en/of achterstallen konden worden vereffend. De tweede grootste schuldvordering betreft die van dhr. Tom Williame, een voormalige werknemer van de BV Buka
- A.h.v. stuk 16, de berekening van de ingediende schuldvordering voor dhr. Tom Williame blijkt zeer duidelijk dat het overgrote deel van diens vordering de verbrekingsvergoeding betreft die gecreëerd is door het feit dat de curator hem diende te ontslagen wegens een gebrek aan handelsactiviteiten ingevolge het faillissement. Een verbrekingsvergoeding ontstaat uiteraard slechts dóór het faillissement, en niet andersom... A.h.v. deze schuldvordering van dhr. Tom Williame blijkt ook heel duidelijk dat alle lonen perfect werden betaald tot november 2017, zijnde maanden na de laatste activiteiten van de vennootschap. Hetzelfde geldt voor wat betreft de schuldvordering van voormalig werkneemster Els Williame, die wordt gevoegd als stuk
- Dan is er vervolgens de schuldvordering van de RSZ. Daaruit blijkt ook zéér duidelijk dat er geen oude achterstallen waren. De aangifte heeft betrekking op kwartaal 3 van 2017 e.v. en op een aantal minimale ambtshalve gewijzigde bedragen uit het verleden. VII-41.267-7/12 De curatele herhaalt : er waren geen dagvaardingen betekend door de RSZ, geen dwangbevelen of dergelijke meer […]. Vervolgens is er dan een aangifte van schuldvordering van de Stad Antwerpen, maar ook a.h.v. dat stuk blijkt glashelder dat daar in principe geen problemen waren. Het betreffen belastingen voor het jaar 2017 en voor het jaar 2018 die evident nog niet opeisbaar waren op datum van faling. […] T.a.v. externe leveranciers tenslotte waren er überhaupt quasi geen passiva. M.a.w.: het staat juridisch vast dat deze vennootschap geenszins in staat van faillissement verkeerde en al zeker niet sinds 2014 zoals de bedrijfsrevisor komt voor te houden. De aandeelhouders en de bestuurders hebben integendeel mordicus gevochten voor het hernieuwen van hun vergunning, maar zijn uiteindelijk gestoten - ondanks éénsluidende gunstige adviezen - op onwettige beslissingen van de Stad Antwerpen en de provincie tot weigering van die vergunning gebaseerd op een aantal subjectieve - niet bewezen - bezwaren. Dat men dan vervolgens Buka 2000 BV en haar bestuur nog komt te verwijten dat de boeken werden neergelegd, is uiterst vreemd. Er kon geen verderzetting gebeuren van de activiteiten van de BV Buka 2000 door de onwettigheid afkomstig van verwerende partij, ingevolge waarvan het bestuur diende vast te stellen dat er geen inkomsten meer konden worden gegenereerd, zodat er DAARDOOR inderdaad staking van betaling was. Dit ligt uitsluitend aan verwerende partij en aan niemand anders. Zoals blijkt uit het derde proces-verbaal van verificatie der schuldvorderingen beloopt het passief op 292.293,53 euro (voorlopig aanvaard passief € 110.256,09 en nog te behandelen betwist passief € 182.037,44) […]. Het gerealiseerde netto-actief bedraagt 6.393,89 euro. Het nettopassief, toe te schrijven aan het door de onwettige beslissing veroorzaakte faillissement van verzoekende partij, bedraagt dan ook 285.899,64 euro. Dit passief vormt het nadeel dat verzoekende partij ingevolgde het (onwettig) weigeren van de hernieuwing van haar milieuvergunning heeft geleden. Dit door verzoekende partij geleden nadeel wordt niet weggenomen door de verwijdering ab initio van de vernietigde weigeringsbeslissing uit de rechtsorde, en komt dan ook in aanmerking voor vergoeding in het kader van de procedure tot schadevergoeding tot herstel. Het kan niet redelijkerwijs worden betwist dat, indien de onwettigheid niet zou hebben plaatsgevonden, de schade zich ook niet zou hebben voorgedaan. Het is tegenstrijdig te oordelen, enerzijds, dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de bewezen verklaarde feiten en het faillissement en, anderzijds, dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen die feiten en de door verzoekende partij gevorderde schadevergoeding in haar totaliteit. (Cass. 18 juni 2013, Arr. Cass. 2013, Afl. 6-7-8, 1533) De schade - het nadeel - dat in oorzakelijk verband staat met de onwettigheid, is dan ook gelijk aan - minstens - het nettopassief van het faillissement. […] Verwerende partij vraagt tenslotte om bepaalde omstandigheden in rekening te brengen bij de toekenning van de schadevergoeding, maar VII-41.267-8/12 verzoekende partij ziet niet in hoe die zouden kunnen leiden tot een lagere schadevergoeding. Het bestuur van Buka 2000 diende maanden na het verloop van haar eerdere vergunning, vast te stellen dat de Stad Antwerpen en de provincie op onterechte wijze uitsluitend rekening hielden met een aantal niet objectief verifieerbare bezwaren en vocht tegen de bierkaai. Het feit dat er geen inkomsten meer konden worden gegenereerd leidde tot de kennis in hoofde van het bestuur van de vennootschap dat de schulden niet meer konden worden afbetaald, ingevolge waarvan zij gelet op de wettelijke bepalingen desbetreffend verplicht waren om de boeken neer te leggen. Dat kan men uiteraard aan Buka 2000, noch haar bestuurders, verwijten. Het betreft immers een wettelijke verplichting om de boeken neer te leggen binnen de maand na het vaststellen van de staking van betaling, dit op risico van strafrechtelijke aansprakelijkheid. Maar nogmaals: de faillissementsvoorwaarden werden slechts gecreëerd door de onwettigheid en waren niet voordien aanwezig. […] Tenslotte verwijst verwerende partij dan naar de theorie van de verlies van een kans, waarbij naar haar oordeel de kans dat aan verzoekende partij een hernieuwing van de milieuvergunning zou worden toegestaan ‘onbestaande, minstens bijzonder klein’ was. Dat werd hierboven reeds ontkracht. Uiterst ondergeschikt zou in het kader van de verlies van een kans - theorie de schadevergoeding tot herstel minstens moeten worden begroot op 90% van het passief, zijnde een bedrag van € 257.309,68”. Beoordeling van het causaal verband tussen de bij arrest nr. 251.843 van 14 oktober 2021 vastgestelde onwettigheid en de aangevoerde schade
- Opdat de Raad van State de verzoekende partij een schadevergoeding tot herstel kan toekennen ten laste van de steller van de handeling, dient zij aan te tonen dat zij een nadeel heeft geleden als gevolg van de onwettigheid van de vernietigde akte. Uit artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, artikel 25/2, § 2, 4°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement) dat bepaalt dat het verzoekschrift tot schadevergoeding tot herstel het bedrag van de gevraagde vergoeding bevat, evenals een uiteenzetting die aantoont welk nadeel geleden wordt door de onwettigheid van de akte en, tot slot, artikel 25/2, § 3, van het algemeen procedurereglement dat bepaalt dat de stukken die het verzoek staven, VII-41.267-9/12 samen met een inventaris bij het verzoekschrift worden bijgevoegd, vloeit voort dat de Raad van State bevoegd is om een schadevergoeding tot herstel te verlenen wanneer de verzoekende partij, in dit geval de begunstigde van een vernietigingsarrest, aantoont dat de daarin vastgestelde onwettigheid de rechtstreekse oorzaak is van het door haar geleden nadeel dat niet (volledig) is hersteld door de tussengekomen vernietiging. Een schadevergoeding tot herstel op grond van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan alleen worden toegekend in zoverre de onwettige bestuurshandeling, ondanks de verwijdering ervan ab initio uit de rechtsordening, schade heeft toegebracht die door de vernietiging niet volledig is hersteld. Het komt aan de verzoekende partij toe het bewijs te leveren van het vereiste oorzakelijk verband tussen de vastgestelde onwettigheid en het nadeel dat zij aanvoert waarbij moet blijken dat het nadeel zich niet zou hebben voorgedaan zonder die vastgestelde onwettigheid. Zoals tijdens de parlementaire voorbereiding van artikel 11bis werd verduidelijkt, onderscheidt “de schadevergoeding tot herstel die wordt toegekend met toepassing van deze bepaling [...] zich dus zowel van het herstel van de schade op basis van de artikelen 1382 tot 1386 van het Burgerlijk Wetboek als van de herstelvergoeding ‘naar billijkheid’ van artikel 11 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, hoewel ze gemeenschappelijke punten heeft met deze twee begrippen”. Het gaat “om een autonoom begrip waarvan aan de Raad van State de zorg wordt overgelaten om geleidelijk aan de modaliteiten te bepalen in zijn rechtspraak” (Parl.St. Senaat 2012-2013, nr. 5-2é/1, 7).
- Op grond van de feitelijke omstandigheden van de zaak is de Raad van State van oordeel dat, nadat de individuele kennisgeving van de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 21 december 2017 tot weigering van de milieuvergunning voor het verder exploiteren van de inrichting had plaatsgevonden, de verzoekende partij vanaf dat ogenblik geacht moet worden de nadelige impact van die beslissing te onderkennen, met inbegrip VII-41.267-10/12 van een mogelijk faillissement van de onderneming. Tegelijk wordt vastgesteld dat de verzoekende partij, voor het afwenden van die potentieel onomkeerbare gevolgen, niet de daartoe openstaande wettelijke rechtsmiddelen heeft aangewend, meer bepaald het instellen bij de Raad van State van een gewone vordering tot schorsing en/of een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
- Aangezien de voorzieningen in kort geding niet werden aangewend en de verzoekende partij op 27 februari 2018 prompt is overgegaan tot de aangifte van het faillissement, na verloop van ongeveer twee maanden na de datum van de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen tot weigering van de vereiste vergunning, kan niet worden aangenomen dat de bij arrest nr. 251.843 van 14 oktober 2021 vastgestelde onwettigheid van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 21 december 2017, de directe oorzaak is van het faillissement van de verzoekende partij.
- Het verzoek tot schadevergoeding tot herstel wordt afgewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De failliete boedel van de verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 22 euro. VII-41.267-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien oktober tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.267-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.659 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div