← België

Arrest 257660 - Milieuvergunningen - 19/10/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.660 Rolnummer: A. 233119/VII-41042 Zaak: Arrest 257660 - Milieuvergunningen - 19/10/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-10-24 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-06-10 14:07 Fiche Arrest nr 257.660 van 19 oktober 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 257.660 van 19 oktober 2023 in de zaak A. é.119/VII-41.042 In zake :

  1. Johan JOCHEMS
  2. de LV RYVERS R.J. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Niels Vansimpsen kantoor houdend te 2470 Retie Bosstraat 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Anne-Sophie Claus kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen:
  3. Jan KETELEER
  4. Corné VAN OPSTAL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marco Schoups, Elisa Fernandez en Kristof Hectors kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 127A, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  5. Het beroep, ingesteld op 5 maart 2021, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 24 december 2020 waarbij het bestuurlijk beroep ingesteld tegen de beslissing van de burgemeester van de stad Hoogstraten van 8 oktober 2020 houdende afwijzing van het verzoek tot het VII-41.042-1/9 opleggen van bestuurlijke maatregelen met betrekking tot de exploitatie van een jongveestal, gelegen Heieinde 31, bus A te Hoogstraten, gegrond wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
  6. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Jan Keteleer en Corné Van Opstal hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 10 mei
  7. De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 30 juni 2022 een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 juni
  8. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Niels Vansimpsen, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Anne-Sophie Claus, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Laurine Gillot, die loco advocaten Marco Schoups, Elisa Fernandez en Kristof Hectors verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-41.042-2/9 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  9. III. Feiten 3.
  10. Op een perceel, gelegen aan de Heieinde 31, bus A te Hoogstraten, wordt een jongveestal voor 148 runderen geëxploiteerd. 3.
  11. Op 26 augustus 2020 wordt bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Hoogstraten een nieuw verzoek ingediend om ten aanzien van het landbouwbedrijf bestuurlijke maatregelen op te leggen. 3.
  12. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Hoogstraten beslist op 8 oktober 2020 om geen bestuurlijke maatregelen op te leggen. 3.
  13. Tegen deze afwijzende beslissing stellen de tussenkomende partijen bestuurlijk beroep in bij de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme. 3.
  14. Met het thans bestreden ministerieel besluit van 24 december 2020 wordt het bestuurlijk beroep tegen de in eerste aanleg genomen beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Hoogstraten van 8 oktober 2020 gegrond verklaard. Artikel 2 van dit besluit beschikt dat aan de thans verzoekende partijen een bestuurlijke maatregel moet worden opgelegd “houdende de stopzetting van de exploitatie van de (jongvee)stal […] waarbij deze maatregel slechts ingaat indien binnen een termijn van één jaar na de inwerkingtreding van deze bestuurlijke maatregel geen omgevingsvergunning waartegen geen administratief beroep (meer) kan worden ingesteld, wordt bekomen […]”. VII-41.042-3/9 3.
  15. In arrest nr. 251.781 van 7 oktober 2021 heeft de Raad van State met betrekking tot de betrokken inrichting het volgende vastgesteld: “[…] Bij arrest nr. RvVb-A-1920-0594 van 25 februari 2020 heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) de overeenstemmende stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een veestal, een vaalt en het aanleggen van verhardingen voor een nieuw op te richten landbouwbedrijf, vernietigd. Met toepassing van artikel 37 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ heeft de RvVb vervolgens zijn arrest in de plaats gesteld van de bestreden beslissing en de gevraagde stedenbouwkundige vergunning geweigerd. Bij arrest nr. 249.898 van 24 februari 2021 heeft de Raad van State het cassatieberoep tegen voormeld arrest van de RvVb verworpen. Ingevolge de definitieve weigering van de overeenstemmende stedenbouwkundige vergunning bij arrest van de RvVb, is de thans bestreden milieuvergunning van rechtswege vervallen”. IV. Ontvankelijkheid van de tussenkomst
  16. De verzoekende partijen werpen op dat de tussenkomende partijen niet over het in rechte vereiste belang beschikken omdat zij niet aantonen dat de landbouwinrichting in kwestie onaanvaardbare geur- of geluidshinder zou teweegbrengen. Er zou enkel sprake zijn van hinder die normaal is voor een agrarisch gebied. Bijgevolg zou de tussenkomst enkel gericht zijn op de naleving van de vergunningsplicht, hetgeen echter het algemeen belang en dus enkel de bevoegdheid van de verwerende partij aanbelangt. Beoordeling
  17. De tussenkomende partijen hebben een verzoek tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen ingediend dat uiteindelijk heeft geleid tot de thans bestreden beslissing van 24 december 2020 waarbij het verzoek in laatste administratieve aanleg gegrond wordt verklaard. Alleen al uit deze vaststelling volgt dat zij er belang bij hebben dat deze beslissing in het rechtsverkeer behouden blijft. Daaruit volgt dat zij moeten worden toegelaten om voor hun belangen op te komen in voorliggend VII-41.042-4/9 geding waarbij de verzoekende partijen de nietigverklaring nastreven van het ministerieel besluit van 24 december
  18. Het verzoek tot tussenkomst is ontvankelijk. V. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
  19. De verwerende partij betwist dat de verzoekende partijen zich kunnen beroepen op een wettig belang: “[…] Anders dan verzoekende partijen het zien, is het loutere feit dat aan hen een bestuurlijke maatregel wordt opgelegd, niet voldoende om over het vereiste belang te beschikken teneinde een annulatieberoep voor Uw Raad te kunnen instellen. Het nadeel dat verzoekende partijen door de bestuurlijke maatregel lijden, moet immers wettig zijn. Het staat vast dat de milieuvergunning ‘voor de exploitatie van een jongveestal voor het plaatsen van 148 runderen en het opslaan van 1.700m² mest’ op een terrein gelegen te 2121 Hoogstraten, Heieinde 31 A, van rechtswege vervallen is. Met het arrest van 25 februari 2020 met nr. RvVb-A-1920-0594 vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen immers de stedenbouwkundige vergunning, verleend door de Deputatie van de Provincie Antwerpen dd. 24 mei 2018, en weigert deze definitief. Sinds 25 februari 2020 beschikken verzoekende partijen noch over een milieuvergunning voor de exploitatie van de bedoelde inrichting waarop de bestuurlijke maatregel betrekking heeft, noch over de stedenbouwkundige vergunning. Zowel de exploitatie, als de stedenbouwkundige handelingen, zijn compleet illegaal. Verwerende partij is zeer redelijk en gunt verzoekende partijen nog een jaar teneinde de nodige omgevingsvergunningen te kunnen verkrijgen. Indien de exploitatie van de jongveestal na een jaar na de inwerkingtreding van de bestuurlijke maatregel nog steeds niet vergund is, wordt de stopzetting ervan bevolen. Verzoekende partijen trachten middels voorliggende procedure de vernietiging van de bestuurlijke maatregel te bekomen, waarbij zij een onwettige toestand nastreven. Immers, een eventuele vernietiging van de bestuurlijke maatregel zou het op onwettige wijze uitbaten van de betreffende inrichting alleen maar bestendigen. Een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing kan verzoekende partijen niet eens tot voordeel strekken. Verzoekende partijen beschikken derhalve niet over het wettig vereiste belang bij hun vordering. […] VII-41.042-5/9 De omstandigheid dat verzoekende partijen thans een nieuwe omgevingsvergunning hebben aangevraagd, kan hier geen afbreuk aan doen. Het beschikken over een omgevingsvergunning kan immers enkel gelden voor de toekomst”.
  20. De tussenkomende partijen sluiten zich bij deze exceptie aan.
  21. In hun memorie van wederantwoord zetten de verzoekende partijen uiteen dat artikel 16.4.5, eerste lid, van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM) de overheid niet automatisch verplicht tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel bij de vaststelling van een milieumisdrijf. Volgens hun zienswijze behoort enkel de vaststelling van een milieumisdrijf tot de uitoefening van een gebonden bevoegdheid, terwijl het opleggen van een bestuurlijke maatregel de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid veronderstelt waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met de concrete omstandigheden van de zaak. Derhalve verbiedt geen enkele rechtsregel dat de exploitatie van de inrichting kan worden voortgezet totdat definitief komt vast te staan dat geen (omgevings)vergunning verleend kan worden. Het aanwenden van rechtsmiddelen die strekken tot het afwenden van de in hun ogen voortijdige stopzetting van de exploitatie kan niet als onwettig worden aangemerkt, te meer omdat de verwerende partij noch de tussenkomende partijen aantonen dat in de gegeven feitelijke omstandigheden sprake is van bovenmatige hinder ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten. De verzoekende partijen laten tot slot verstaan dat het ontzeggen van het recht op toegang tot de rechter, uitgaat van een te formalistische invulling van de belangvereiste die strijdt met het recht op toegang tot de rechter zoals gewaarborgd door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
  22. In hun laatste memorie herhalen de verzoekende partijen dat het bepalen van de op te leggen bestuurlijke maatregelen neerkomt op de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid door de verwerende partij en dat “op heden allerminst vaststaat of de deputatie wel op wettige wijze de vergunning kon weigeren”. Naar hun inzicht is het voordeel dat zij nastreven “dan ook niet het te allen tijde zonder enige vergunning mogen verder zetten van de exploitatie, maar VII-41.042-6/9 wel om niet onderworpen te moeten worden aan een onwettige uitoefening van de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van verwerende partij”. Beoordeling
  23. Overeenkomstig artikel 16.4.5 DABM kunnen “na de vaststelling van een milieu-inbreuk of milieumisdrijf [...] bestuurlijke maatregelen worden opgelegd”. Volgens artikel 16.1.2, 2°, DABM moet onder milieumisdrijf worden verstaan: “een gedraging, in strijd met een voorschrift dat wordt gehandhaafd met toepassing van deze titel, waarop een straf is gesteld overeenkomstig de bepalingen van deze titel”. De vaststelling door het bevoegde bestuur van het bestaan van een milieumisdrijf in de zin van artikel 16.4.5 DABM, veronderstelt niet dat een discretionaire beoordelingsbevoegdheid wordt uitgeoefend, maar gaat terug op de algemeen gebonden bevoegdheid van het bestuur om de wet te doen naleven.
  24. In de bestreden beslissing wordt vastgesteld dat voor de exploitatie van de stal die het voorwerp is van de bestreden bestuurlijke maatregel geen uitvoerbare (omgevings)vergunning voorhanden is en dat het exploiteren van een inrichting zonder te beschikken over de daartoe vereiste (omgevings)vergunning een inbreuk vormt op artikel 5.2.1, § 6, eerste lid, DABM en artikel 6, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’, naar luid waarvan niemand zonder voorafgaande omgevingsvergunning een project dat bij of krachtens de decreten is onderworpen aan vergunningsplicht mag uitvoeren, exploiteren, verkavelen of een vergunningsplichtige verandering eraan doen. De verzoekende partijen betwisten deze vaststellingen niet. Bijgevolg moet aangenomen worden dat door het in exploitatie houden van de betrokken inrichting een milieumisdrijf wordt begaan.
  25. In het kader van de bestuurlijke handhaving is de verwerende partij er als beroepsinstantie toe gehouden om alle wettelijk beschikbare middelen aan te wenden om een milieumisdrijf te doen beëindigen. Dit is nog meer het geval wanneer de bestuurlijke maatregel ertoe strekt om de miskenning van een VII-41.042-7/9 elementaire decretale verplichting, zoals de voorafgaande vergunningsplicht, te doen naleven. Het annulatieberoep waarmee wordt beoogd de stopzetting af te wenden van de exploitatie van een inrichting waarvan vaststaat dat ze niet vergund is, ook al gaat de maatregel overeenkomstig het beschikkend gedeelde van de bestreden beslissing slechts in “indien binnen een termijn van één jaar na de inwerkingtreding van deze bestuurlijke maatregel geen omgevingsvergunning waartegen geen administratief beroep (meer) kan worden ingesteld, wordt bekomen”, strekt in werkelijkheid tot de instandhouding van een onwettige toestand. De verzoekende partijen beschikken bijgevolg niet over het wettig vereiste belang bij hun beroep. Het afwijzen door de rechter van een voor hem gebrachte zaak die enkel een ongeoorloofd belang kan dienen, doet allerminst blijken van een formalistische of te strikte opvatting van de belangvereiste die op onevenredige wijze afbreuk zou doen aan het recht op toegang tot de rechter.
  26. Het beroep is niet ontvankelijk. BESLISSING
  27. De Raad van State verwerpt het beroep.
  28. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro, elk voor de helft. VII-41.042-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien oktober tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.042-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.660 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.