id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.662 Rolnummer: A. 230370/XIV-38298 Zaak: Arrest 257662 - Tucht (openbaar ambt) - 19/10/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-10-31 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-06-10 14:08 Fiche Arrest nr 257.662 van 19 oktober 2023 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 257.662 van 19 oktober 2023 in de zaak A. 230.370/XIV-38.298 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dimitri Dedecker kantoor houdend te 8000 Brugge Maria Van Bourgondiëlaan 33A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5433 KRUIBEKE-TEMSE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kris Maes kantoor houdend te 3001 Leuven Philipssite 5 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 5 maart 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het politiecollege van de politiezone Kruibeke-Temse van 20 januari 2020 waarbij aan verzoeker de lichte tuchtstraf van de waarschuwing is opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-38.298-1/16 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 31 mei
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Flore Aerens, die loco advocaat Dimitri Dedecker verschijnt voor verzoeker, en advocaat Tina Merckx, die loco advocaat Kris Maes verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is eerste hoofdinspecteur van politie bij de politiezone Kruibeke-Temse
(5433). 3.
- Op 22 juli 2019 stelt de korpschef een voorafgaand onderzoeker aan, die op 13 september 20219 haar verslag verleent, met een opvolgend verslag op 9 oktober
- 3.
- De korpschef beslist op 14 oktober 2019 om het tuchtdossier aanhangig te maken bij het politiecollege als hogere tuchtoverheid. XIV-38.298-2/16 Het politiecollege beslist op 15 oktober 2019 tot aanvullend voorafgaand onderzoek, dit met het oog op het verhoren van verzoeker. Aangezien dat niet mogelijk blijkt, stelt de voorafgaand verzoeker op 13 november 2019 haar eindverslag op zonder verzoeker te hebben verhoord. 3.
- Op 19 november 2019 stelt het politiecollege het inleidend verslag op, met daarin het voornemen om de zware tuchtstraf van inhouding van wedde van 8 % gedurende twee maanden op te leggen. Verzoeker dient hiertegen een verweerschrift in en vraagt mondeling te worden gehoord, hetgeen gebeurt op 30 december
- Verzoeker vraagt onder meer bijkomende getuigen te horen. Een aantal worden naderhand gehoord, waarna aan verzoeker de mogelijkheid wordt geboden aanvullend verweer in te dienen, hetgeen gebeurt op 15 januari
- 3.
- De hogere tuchtoverheid legt op 20 januari 2020 aan verzoeker de lichte tuchtstraf van de waarschuwing op. Dit is de bestreden beslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord bij exceptie op dat het verzoekschrift nietig is omdat het strijdt met artikel 65 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Als zij in het auditoraatsverslag daarover kan lezen dat deze exceptie ongegrond is en zij daarin geen reden ziet om vervolgens in haar laatste memorie hierop te antwoorden, begrijpt de Raad van State uit die proceshouding dat de verwerende partij zich niet langer tegen de ontvankelijkheid van het beroep verzet. XIV-38.298-3/16
- De exceptie wordt verworpen. V. Ontvankelijkheid van het beroep
- De verwerende partij betwist in de memorie van antwoord het belang van verzoeker bij het beroep. Als zij in het auditoraatsverslag daarover kan lezen dat deze exceptie ongegrond is en zij daarin geen reden ziet om vervolgens in haar laatste memorie hierop te antwoorden, begrijpt de Raad van State uit die proceshouding dat de verwerende partij zich niet langer tegen de ontvankelijkheid van het beroep verzet.
- De exceptie wordt verworpen. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het eerste middel in het verzoekschrift de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel. Het lid van het auditoraat vat de essentie van het middel als volgt samen in zijn verslag: “In het verslag van het voorafgaand onderzoek van 13 september 2019 neemt de voorafgaand onderzoeker duidelijk stelling in en wordt het vermoeden van onschuld geschonden door te vermelden: ‘negeren van een direct bevel op 9 juli 2019 i.h.k.v. een opsporingsonderzoek naar aanleiding van een verdacht overlijden. ’De voorafgaand onderzoeker geeft op die manier richting aan de tenlastelegging aangezien er niet in de voorwaardelijke wijs wordt gesproken. Dit wordt nogmaals bevestigd in de eerste vraag aan de getuigen om verduidelijking te geven. In het verslag weerhoudt de voorafgaand onderzoeker nog louter elementen ‘à charge’ van verzoeker en spreekt zij zich duidelijk uit over ‘het tuchtvergrijp’: XIV-38.298-4/16 ‘De drie getuigen die in dezelfde ruimte als CP [XX] en [verzoeker] waren op het moment dat CP [XX] het bevel aan [verzoeker] gaf om naar aanleiding van een verdacht overlijden ter plaatse te gaan, bevestigen de negatie van dit bevel door [verzoeker]’ Het onpartijdigheidsbeginsel is ook van toepassing tijdens de fase van het samenstellen van het tuchtdossier, en dus ook tijdens het vooronderzoek. De voorafgaand onderzoeker heeft de plicht tot onpartijdigheid en dit principe is van openbare orde […]. Het wordt algemeen aanvaard dat het verslag van het voorafgaand onderzoek geen eigen mening/advies dat de feiten een tuchtvergrijp uitmaken mag bevatten, noch subjectieve gegevens die minstens de schijn van partijdigheid doen ontstaan. De beoordeling of een feit een tuchtvergrijp uitmaakt behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de tuchtoverheid. Wanneer de vooronderzoeker vooringenomen is, is dit dan ook problematisch, zoals ook gebleken is uit het arrest nr.172.121 van 11 juni 2017, BRONCKART: ‘que l’enque te préalable est un élément essentiel de la procédure puisque, selon l’article 32 de la loi du 13 mai 1999 portant le statut disciplinaire des membres du personnel des services de police, elle entre en ligne de compte lorsqu’il s’agit de décider si une procédure disciplinaire sera entamée ou non; qu’elle donne de l’agent poursuivi une perception qui est susceptible de se maintenir pendant la suite de la procédure; que les vices dont elle est entachée ne peuvent e tre couverts par l’audition ultérieure de l’agent, que ce soit par l’autorité hiérarchique ou par le conseil de discipline; qu’en tant qu’il est pris de la violation du principe d’impartialité, le moyen est sérieux; qu’au stade actuel de la procédure, il n’y a pas lieu d’examiner les autres moyens;’. […] Verzoeker meent verder dat het onpartijdigheidsbeginsel geschonden is doordat dezelfde voorafgaand onderzoeker werd aangesteld door de hogere tuchtoverheid (nadat deze gevat was): de premisses die werden gehanteerd vóór de adiëring beïnvloeden het verder verloop van het tuchtonderzoek.”
- In de memorie van wederantwoord herneemt verzoeker zijn argumenten uit het verzoekschrift en vult die aan met andere, die het auditoraat als volgt samenvat in het verslag: “- dat de hogere tuchtoverheid zich een mening gevormd heeft op grond van een onvolledige feitengaring doordat zij geen volledig eigen onderzoek heeft uitgevoerd en zich gebaseerd heeft op de verslagen van de voorafgaand onderzoeker in opdracht van de gewone tuchtoverheid; - de vooringenomenheid van de voorafgaand onderzoeker blijkt uit zijn taakomschrijving (door de hogere tuchtoverheid), met name een laatste poging ondernemen om verzoeker alsnog te verhoren; - dat de reden waarom hij niet verhoord kon worden, verantwoord wordt op medische gronden; - dat hij in zijn verweerschrift en aanvullend verweerschrift bijkomende administratieve verhoren heeft gevraagd, en dat deze niet uitgevoerd werden; - dat hij het standpunt van de tuchtoverheid dat de opgegeven getuigen bij naam en toenaam moeten genoemd worden om te kunnen ondervraagd worden nooit heeft bijgetreden.” XIV-38.298-5/16 In zijn laatste memorie volhardt verzoeker in het middel. Hij valt het standpunt van het auditoraat niet bij – minstens in de mate dat gesteld wordt dat het woord “tuchtvergrijp” (noch “tuchtfeit”) in het verslag van het vooronderzoek niet wordt gebruikt – maar betoogt dat “op basis van de weerhouden elementen” in het eindverslag, “de voorafgaand onderzoeker wel degelijk een beoordeling maakt van de feiten (in casu tuchtfeiten)”, nu de voorafgaand onderzoeker onder punt 4 van zijn verslag schrijft: “
(6)het door ons gevoerde onderzoek doet ons inziens besluiten dat de feiten kunnen toegeschreven worden aan betrokkene…”. Beoordeling
- Het auditoraat heeft het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift en zoals aangevuld in de memorie van wederantwoord weergegeven in de zin als hiervoor (zie supra, punten 8 en 9) is aangehaald. Partijen hadden in hun navolgende processtukken geen kritiek op deze analyse. De beoordeling van het middel wordt daarom aan de hand van deze samenvatting verricht.
- Wat de ontwikkeling van de aanvullende argumenten in de memorie van wederantwoord betreft, besluit het auditoraat dat – de vraag daargelaten of de in de memorie van wederantwoord opgesomde aanvullende argumenten de schending van het onpartijdigheidsbeginsel zouden kunnen aantonen –, het in ieder geval nieuwe argumenten zijn die aan het tegensprekelijk debat zijn onttrokken, zodat zij niet in aanmerking genomen kunnen worden vermits deze argumenten ook reeds in het verzoekschrift hadden kunnen/moeten worden aangevoerd. Verzoeker betwist deze conclusie niet in zijn laatste memorie. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit, aldus de XIV-38.298-6/16 redenering van het auditoraat bijvallend, dat de in de memorie van wederantwoord aangevoerde nieuwe argumenten niet ontvankelijk zijn.
- Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het eerste middel op grond van de volgende overwegingen: “1.3.3 In zoverre de verzoeker het onpartijdigheidsbeginsel geschonden acht doordat de voorafgaand onderzoeker met betrekking tot het ‘negeren van het bevel’ niet in de voorwaardelijke wijs spreekt (waardoor ook het vermoeden van onschuld geschonden is), kan hij niet bijgevallen worden. Het informatieverslag met betrekking tot de feiten (opgesteld door CP [XX]) vermeldt het ‘negeren van een direct bevel in een opsporingsonderzoek n.a.v. een verdacht overlijden’. Met betrekking tot dit feit moest de voorafgaand onderzoeker een onderzoek voeren. Dat zij daarbij in haar taalgebruik de tegenwoordige tijd, en niet in de voorwaardelijke wijs, hanteert, laat op zich niet toe te besluiten dat zij vooringenomen en niet onpartijdig geweest zou zijn. Dit moet eerder blijken uit de onderzoeksverrichtingen en het verslag daarover. 1.3.4 De verzoeker meent dat de voorafgaand onderzoeker enkel elementen ‘à charge’ aanhoudt en opneemt in het verslag. In het verslag van 13 september 2019 geeft de voorafgaand onderzoeker vooreerst een opsomming van de verrichte onderzoeksdaden en redenen voor het niet uitvoeren van bepaalde onderzoeksdaden. Daarbij vermeldt zij dat zij de afspraak van verzoeker bij de arbeidsgeneesheer op de betrokken dag heeft opgevraagd en dat zij de bevestiging gekregen heeft dat verzoeker om 14.40 u een afspraak had. Tevens vermeldt zij de verschillende pogingen die zij ondernomen heeft om verzoeker te verhoren, hetgeen telkens om medisch (verantwoorde) redenen niet mogelijk was. In het verslag wordt met betrekking tot de feiten het volgende gesteld: ‘De drie getuigen die in dezelfde ruimte als CP [XX] en [verzoeker] waren op het moment dat CP [XX] het bevel aan [verzoeker] gaf om naar aanleiding van een verdacht overlijden ter plaatse te gaan, bevestigen de negatie van dit bevel door [verzoeker].’ Hierop volgend geeft de voorafgaand onderzoeker nog enige duiding met betrekking tot de uiteenlopende verklaringen over wat er daarna gebeurd is. Uit deze vermeldingen blijkt dat de verzoeker niet kan bijgevallen worden dat de voorafgaand onderzoeker het onderzoek uitsluitend ‘à charge’ zou gevoerd hebben: De voorafgaand onderzoeker heeft nagegaan of de door verzoeker opgegeven reden om geen gevolg te geven aan het bevel overeenstemde met de werkelijkheid en heeft vastgesteld dat verzoeker om 14.40 u een afspraak bij de arbeidsgeneesheer had. De voorafgaand onderzoeker zet uiteen dat zij verschillende pogingen ondernomen heeft om verzoeker te verhoren, hetgeen om medische redenen telkens onmogelijk was. Dit stemt overeen met de werkelijkheid en het valt niet goed in te zien hoe deze vaststellingen een schending van het onpartijdigheidsbeginsel zouden kunnen aantonen. Met betrekking tot de feiten blijken de verklaringen van de getuigen tot een bepaald punt vrij gelijklopend te zijn, maar lopen deze nadien uiteen, waarbij één verklaring duidelijk ‘à décharge’ is, met name dat CP [XX], nadat zij een andere [officier van Gerechtelijke politie] gevonden had om ter plaatse te gaan, is komen XIV-38.298-7/16 melden dat de inzet van verzoeker niet meer nodig was. In zoverre het de schending van het onpartijdigheidsbeginsel gesteund wordt op de vaststelling dat het verslag alleen elementen ‘à charge’ bevat, mist het grondslag. 1.3.5 In zoverre de verzoeker in het middel stelt dat de voorafgaand onderzoeker zich in het verslag duidelijk zou uitspreken over ‘het tuchtvergrijp’ mist het middel evenzeer grondslag aangezien het woord ‘tuchtvergrijp’ (noch ‘tuchtfeit’) in dit verslag niet gebruikt wordt. 1.3.6 In zoverre de verzoeker het onpartijdigheidsbeginsel geschonden acht doordat de hogere tuchtoverheid dezelfde voorafgaand onderzoeker heeft aangesteld als de gewone tuchtoverheid, en dat die voorafgaand onderzoeker heeft verder gebouwd op de premisses van het voorafgaand onderzoek bevolen door de gewone tuchtoverheid, kan hij evenmin bijgevallen worden. Vooreerst valt niet meteen in te zien dat bevindingen die aan het licht gekomen zijn tijdens het voorafgaand onderzoek, bevolen door de gewone tuchtoverheid, niet in aanmerking genomen zouden mogen worden in een verdere fase van de tuchtprocedure voor hogere tuchtoverheid, indien niet aangetoond wordt dat dit voorafgaand onderzoek onregelmatig is gevoerd. Zoals uit de beoordeling van het middel blijkt toont de verzoeker de onregelmatigheid van dat voorafgaand onderzoek niet aan. Evenmin schrijft enige regel voor dat de hogere tuchtoverheid zich enkel op de bevindingen van een zelf bevolen voorafgaand onderzoek zou mogen steunen. De hogere tuchtoverheid heeft hier enkel nog een (aanvullend) voorafgaand onderzoek bevolen om een poging te ondernemen verzoeker alsnog te verhoren vooraleer de tuchtprocedure in te leiden, hetgeen tot dan toe onmogelijk was gebleken omwille van medisch verantwoorde redenen.”
- Verzoeker betwist deze conclusie. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft hij evenwel niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij laat immers na om op de bespreking van het middel in het auditoraatsverslag nog inhoudelijk te reageren en beperkt zich tot het volharden in het middel en doen gelden van de eigen mening dat hij het standpunt van het auditoraat “minstens onder punt 1.3.5.” niet bijvalt. Zijn beperkte argumentatie ter zake is vooreerst laattijdig nu niets hem heeft belet het citaat waar hij in de laatste memorie naar verwijst, ook reeds in het verzoekschrift aan te halen, maar vooral doet zijn argument geen afbreuk aan het hiervoor gegeven standpunt dat er in het verslag van de voorafgaand onderzoeker geen sprake is van het begrip “tuchtvergrijp,” noch doet het in de laatste memorie aangehaalde citaat op zich blijken dat de voorafgaand onderzoeker een partijdige beoordeling van de feiten heeft gemaakt. XIV-38.298-8/16 In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit, aldus de redenering van het auditoraat bijvallend, dat het eerste middel ongegrond is. XIV-38.298-9/16 B. Tweede middel Standpunt van de partijen
- Verzoeker voert in het tweede middel in het verzoekschrift de schending aan van de motiveringsplicht. Het lid van het auditoraat vat de essentie van het middel als volgt samen in zijn verslag: “De feiten betreffen de ‘weigering van een bevel van een hiërarchische meerdere’ zoals nader omschreven in artikel 8 van de tuchtwet. Luidens die bepaling moeten dergelijke feiten bestraft worden met een zware tuchtstraf. De tuchtoverheid gaat hier uit van het vaststaan van het tuchtvergrijp (weigering bevel van een overste), zodat zij onverkort toepassing diende te maken van artikel 8 van de tuchtwet, en bijgevolg een zware tuchtstraf moest opleggen, en dus zeker niet de lichte tuchtstraf van de ‘waarschuwing’. De bestreden beslissing is in die zin onvoldoende gemotiveerd wat betreft de strafmaat. Door aan verzoeker een lichte tuchtstraf op te leggen heeft de tuchtoverheid haar discretionaire bevoegdheid misbruikt aangezien zij slechts over een gebonden bevoegdheid beschikte tot het opleggen van een zware tuchtstraf. Een bestuurshandeling dient zowel vanuit inhoudelijk als formeel oogpunt wettig te zijn.”
- De verwerende partij stelt in de memorie van antwoord dat het tweede middel niet ontvankelijk is wegens gebrek aan het vereiste belang in hoofde van verzoeker. Het gegeven dat de bestreden beslissing verzoeker een lichte in plaats van een zware tuchtsanctie oplegt strekt immers tot zijn voordeel.
- In de memorie van wederantwoord verwijst verzoeker, wat zijn belang betreft, naar zijn uiteenzetting inzake zijn belang bij het beroep. Voorts herneemt verzoeker het middel en gaat hij breedvoerig in op de bevelsweigering als grondslag van de tuchtzaak. Volgens hem kon de hogere tuchtoverheid enkel een zware tuchtsanctie opleggen en al zeker niet de lichte van de waarschuwing. De bestreden beslissing is in die zin onvoldoende gemotiveerd. Verzoeker oordeelt dat de tuchtoverheid hetzij gedurende de gehele tuchtprocedure de bevelsweigering diende aan te houden, hetzij de omschrijving van de XIV-38.298-10/16 tenlastelegging diende te herformuleren. Aldus miskent de tuchtoverheid ook haar discretionaire bevoegdheid. In de laatste memorie betoogt verzoeker dat hij weldegelijk een belang heeft om dat ook in een arrest bevestigd te zien, zodat hij de voortzetting vraagt. Beoordeling - Exceptie inzake de ontvankelijkheid van het middel
- Verzoeker voert in het middel in essentie aan dat de bestreden beslissing de (formele- en materiële)motiveringsplicht schendt doordat de hogere tuchtoverheid voor vaststaand aanneemt dat verzoeker een bevel van een overste heeft geweigerd, hetgeen een tuchtvergrijp is dat overeenkomstig artikel 8 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet) slechts gesanctioneerd kan worden met een zware tuchtstraf, terwijl te dezen de lichte tuchtstraf van de waarschuwing werd opgelegd. Een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing op deze grond kan verzoeker echter geen voordeel verschaffen. In de lezing die verzoeker aan artikel 8 van de tuchtwet geeft – en daargelaten de vraag of deze interpretatie in rechte kan worden bijgevallen – zou bij een eventuele vernietiging op grond van die interpretatie, de tuchtoverheid bij de herneming van de procedure niet kunnen afzien van het opleggen van een tuchtsanctie en zou zij bovendien een zware tuchtstraf moeten opleggen. Bij een dergelijk gevolg van de nietigverklaring heeft verzoeker evenwel geen belang bij het gegrond bevinden van het middel. Het argument van verzoeker in de memorie van wederantwoord en in zijn laatste memorie leidt niet tot een andere conclusie. Het gegeven dat een verzoeker een belang heeft bij een beroep, houdt niet op zich in dat verzoeker een XIV-38.298-11/16 belang heeft bij elk in dat beroep aangevoerd middel. Evenmin is een belang beperkt tot het bevestigd zien in een arrest van de aangevoerde onwettigheid, een grond om belang bij het middel te hebben.
- Het tweede middel is niet ontvankelijk. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het derde middel in het verzoekschrift de schending aan van de motiveringsplicht. Het lid van het auditoraat vat de essentie van het middel als volgt samen in zijn verslag: “(Eerste onderdeel) De feiten betreffen onmiskenbaar een opdracht van gerechtelijke politie (als officier van gerechtelijke politie ter plaatse gaan naar aanleiding van een verdacht overlijden), zodat overeenkomstig artikel 24 van de tuchtwet het advies van de procureur des Konings moest ingewonnen worden, hetgeen niet gebeurd is. Dit advies dient verstrekt te worden op basis van het voorstel van zware tuchtstraf dat aan verzoeker wordt toegestuurd op grond van artikel 38sexies van de tuchtwet. (Tweede onderdeel) Bij de uitgevoerde verhoren in het kader van het voorafgaand onderzoek werden enkel de rechten conform artikel 47bis SV, die in tuchtzaken niet van toepassing zijn, vermeld. De verhoorde personeelsleden kregen geen kennis van het loyauteitsprincipe, zoals bepaald in artikel 25, eerste lid van de tuchtwet (“Elk personeelslid is er toe gehouden loyaal mee te werken aan de tuchtonderzoeken waarvan het het voorwerp niet uitmaakt.”). Ten aanzien van de door de hogere tuchtoverheid op vraag van verzoeker uitgevoerde verhoren geldt dezelfde vaststelling. De waarde van de uitgevoerde verhoren kan dan ook betwijfeld worden. Contradictorisch is de enige letterlijke verwijzing naar artikel 25 van de tuchtwet opgenomen in het verhoor van verzoeker door de hogere tuchtoverheid, terwijl dit daar niet eens toepasselijk is.”
- In de memorie van wederantwoord herneemt verzoeker het middel en gaat hij, wat het eerste onderdeel betreft, omstandig in op de draagwijdte van het geschonden geachte artikel 24 van de wet, de link met wat is bepaald in artikel 38sexies van die wet en het vereiste belang bij het middel XIV-38.298-12/16 gesteund op artikel 24 van de tuchtwet. Hij beklemtoont dat de feiten rechtstreeks verband houden met een opdracht van gerechtelijke politie. Verzoeker herneemt voorts het tweede onderdeel van het middel en betwist de zienswijze dat personen die administratief worden verhoord, niet expliciet in kennis moeten worden gesteld van de bepalingen van artikel 25 van de tuchtwet. In de laatste memorie beperkt verzoeker zich tot het volharden in het middel, “mede gezien de samenhang met wat in de overige twee middelen werd aangevoerd.” Beoordeling
- Het auditoraat heeft het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift weergegeven in de zin als hiervoor is aangehaald (zie supra, punt 19). Partijen hadden in hun navolgende processtukken geen kritiek op deze analyse. De beoordeling van het middel wordt daarom aan de hand van deze samenvatting verricht.
- Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het derde middel op grond van de volgende overwegingen: “3.3.1 In het eerste onderdeel wordt in essentie aangevoerd dat de hogere tuchtoverheid onzorgvuldig heeft gehandeld door het overeenkomstig artikel 24 van de tuchtwet vereiste advies van de procureur des konings niet in te winnen. In artikel 24, tweede en derde lid van de tuchtwet wordt onder meer bepaald: ‘Wanneer feiten werden gepleegd die rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie kan een zware tuchtstraf slechts worden opgelegd na het advies van de procureur des Konings tot wiens ambtsgebied de lokale politie of de op arrondissementeel niveau gedeconcentreerde directie of dienst van de federale politie waarvan het betrokken personeelslid deel uitmaakt, behoort. (…) De in het eerste en tweede lid bedoelde adviezen moeten gemotiveerd zijn en worden verleend binnen een termijn van twintig dagen te rekenen van de dag waarop het voorstel tot straf aan de betrokken overheid wordt toegestuurd (…).’ De adviesverplichting bedoeld in artikel 24, tweede lid van de tuchtwet, geldt aldus enkel indien voorgesteld wordt een zware tuchtstraf op te leggen. Dit voorstel van straf is het in artikel 38sexies, eerste lid van de tuchtwet bedoelde voorstel van tuchtstraf (RvS, 30 oktober 2018, nr. 242.827, XX). Hier werd in het inleidend verslag weliswaar voorgesteld aan de verzoeker een XIV-38.298-13/16 zware tuchtstraf op te leggen, maar na kennisname van het verweer heeft de hogere tuchtoverheid […] gemeend een lichte tuchtstraf te kunnen opleggen. Er is aldus geen voorstel van (zware) tuchtstraf in de zin van artikel 38sexies van de tuchtwet geformuleerd, zodat ook geen advies van de procureur des Konings met betrekking tot het voornemen om een zware tuchtstraf op te leggen moest gevraagd worden. Het eerste onderdeel mist grondslag. 3.3.2 In het tweede onderdeel wordt in essentie aangevoerd dat het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden werd doordat bij de verhoren door de voorafgaand onderzoeker en naderhand door de tuchtoverheid enkel melding werd gemaakt van de rechten op grond van artikel 47bis Sv, die in tuchtzaken niet van toepassing zijn, terwijl geen melding gemaakt werd van het loyauteitsprincipe, zoals vervat in artikel 25, eerste lid van de tuchtwet, zodat de waarde van de getuigenverklaringen betwijfelbaar is. Met betrekking tot de verhoren afgenomen door de voorafgaand onderzoeker wordt vastgesteld dat vooraf de rechten/gevolgen van een verhoor van een getuige bedoeld in artikel 47bis SV worden vermeld (zonder expliciet naar die wetsbepaling te verwijzen). Daarbij wordt onder meer meegedeeld dat de afgelegde verklaringen als bewijs in rechte kunnen worden gebruikt en tevens dat men als getuige gehoord wordt in het kader van een voorafgaand onderzoek inzake feiten die mogelijk een tuchtvergrijp uitmaken. De verhoorde getuigen waren aldus behoorlijk ingelicht over het doel van het verhoor. In zoverre de verzoeker meent dat tevens expliciet op de loyauteitsplicht vervat in artikel 25 van de tuchtwet moest worden gewezen, duidt hij geen regel aan op grond waarvan dit verplicht zou zijn. In zoverre verzoeker nog aanvoert dat het contradictorisch is dat enkel bij zijn verhoor door de hogere tuchtoverheid artikel 25 van de tuchtwet werd vermeld, terwijl dit daar niet eens van toepassing is, kan hij overigens evenmin gevolgd worden. Artikel 25 van de tuchtwet is wel degelijk van toepassing bij het verhoor van verzoeker als tuchtrechtelijk vervolgde. In dat artikel 25 wordt immers bepaald dat ieder personeelslid loyaal moet meewerken aan tuchtonderzoeken waarvan het personeelslid het voorwerp niet uitmaakt. Uit deze bepaling volgt derhalve a contrario dat, zoals in casu, een personeelslid dat het voorwerp uitmaakt van een tuchtonderzoek verhoord wordt, niet verplicht is loyaal mee te werken aan dit onderzoek (vermits men niet verplicht kan worden zichzelf te incrimineren). De verwijzing naar artikel 25 van de tuchtwet bij het verhoor van de verzoeker door de tuchtoverheid was aldus wel degelijk gepast, en zelfs noodzakelijk om te voorkomen dat verzoeker ertoe gebracht zou worden zichzelf te beschuldigen. Wat betreft de naderhand door de hogere tuchtoverheid afgenomen verhoren wordt vastgesteld dat deze getuigen wel gewezen werden op hun loyauteitsplicht (zonder expliciete verwijzing naar artikel 25 van de tuchtwet weliswaar), zodat het onderdeel op dit punt grondslag mist.”
- Verzoeker betwist deze conclusie. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft hij evenwel niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij laat immers na om op de bespreking van het middel XIV-38.298-14/16 in het auditoraatsverslag nog inhoudelijk te reageren en beperkt zich tot het volharden in zijn standpunt. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit, aldus de redenering van het auditoraat bijvallend, dat het derde middel ongegrond is. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien oktober tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter XIV-38.298-15/16 Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.298-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.662 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div