id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.690 Rolnummer: A. 240227/IX-10350 Zaak: Arrest 257690 - Examens (onderwijs) - 19/10/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-10-20 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-06-18 20:00 Fiche Arrest nr 257.690 van 19 oktober 2023 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 257.690 van 19 oktober 2023 in de zaak A. 240.227/IX-10.350 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rafaël Mommen kantoor houdend te 3500 Hasselt Minderbroedersstraat 52 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW SECUNDAIR ONDERWIJS SINT-QUINTINUS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hugo Lamon kantoor houdend te 3500 Hasselt de Schiervellaan 23 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 6 oktober 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van het Virga Jessecollege Hasselt van 25 september 2023 waarbij deze heeft beslist om de beslissing van de delibererende klassenraad (en bijgevolg het studiebewijs ‘oriënteringsattest C’) te handhaven. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-10.350-1/34 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2023, om 11.00 uur. Staatsraad Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Rafaël Mommen, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Hugo Lamon, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is tijdens het schooljaar 2022-2023 als regelmatig leerling ingeschreven in het eerste jaar van de derde graad ASO studierichting economie-wiskunde, in het Virga Jessecollege te Hasselt, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. Op het einde van het schooljaar laat verzoeker jaartekorten optekenen voor Frans (48%), wiskunde (46%) en chemie (44,5%). De klassenraad beslist op 30 juni 2023 om aan verzoeker een oriënteringsattest C toe te kennen, op grond van de volgende motivering: “De jaartekorten voor het richtingsvak wiskunde (46%) en de tekorten voor Frans (48%) en chemie (44,5%) voor een totaal van 10 jaaruren tonen aan dat de leerplandoelen op onvoldoende wijze bereikt zijn. Bijgevolg slaag je niet in het vijfde jaar.” IX-10.350-2/34 De klassenraad adviseert om over te zitten in de studierichting Economie-wiskunde DOD mits voldoende inzet vanaf de eerste schooldag. 3.
- Het overleg met de directeur op 30 juni 2023 leidt niet tot een nieuwe samenkomst van de delibererende klassenraad. De motivering dienaangaande luidt als volgt: “Tijdens het overleg dat in onze school plaatsvond op 30 juni 2023, heeft u de redenen van uw betwisting van de evaluatiebeslissing van de delibererende klassenraad t.a.v. XXXX kenbaar gemaakt. In bijlage vindt u een schriftelijke neerslag van dit overleg. Ik ben van mening dat de elementen die u heeft aangebracht, geen nieuwe bijeenkomst van de delibererende klassenraad rechtvaardigen.” 3.
- Middels beroepschrift van 11 juli 2023 stelt verzoeker bezwaar in tegen de beslissing van de delibererende klassenraad bij het schoolbestuur, waarin de hiernavolgende duiding wordt gegeven bij de jaartekorten. “ Jaartotaal /200 Jaartotaal % Wiskunde
(6u): 96/200 48% Duiding Opmerkelijke vooruitgang in het tweede semester. Geslaagd op het eindexamen EX 2 (62%!). De leerplandoelen werden minstens voor het volledige tweede semester behaald. De vakcommentaar luidt: ‘Je behaalde de volgende resultaten op het eindexamen: Deel 1 (exponentiële en logaritmische functies, limieten van rijen): 25/42; Deel 2 (limieten van functies, afgeleiden): 25,5/43; Deel 3 (matrices, stelsels, determinanten): 27,5/41; Vaststelling De leerplandoelen voor deel 1, 2 en 3 werden minstens op voldoende wijze behaald. Het lichte jaartekort is toe te schrijven aan de mindere resultaten behaald op tussentijdse toetsen dagelijks werk. Dan nog hoofdzakelijk deze van het eerste trimester. Deze tekorten tonen op zich niet aan dat XXXX de tekorten uit het eerste trimester niet zou kunnen wegwerken in het volgende studiejaar. Chemie
(1u): 89/200 46% (afronding volgens gebruikelijke regels in onderwijs) Duiding Opmerkelijke vooruitgang in het tweede semester. Geslaagd voor Kerst EX 1 (55%) én eindexamen Ex 2 (50%). Vaststelling IX-10.350-3/34 De getoetste leerplandoelen voor zowel Kerst EX 1 als het eindexamen Ex 2 werden in voldoende mate bereikt. Het lichte jaartekort is toe te schrijven aan de mindere resultaten behaald op tussentijdse toetsen dagelijks werk. Deze tekorten tonen op zich niet aan dat de leerplandoelen niet op voldoende wijze werden behaald. Frans
(3u): 96/200 48% Duiding Opmerkelijke vooruitgang in het tweede semester (na Kerstvakantie). De vakleerkracht erkent bovendien dat de slechte resultaten in het eerste trimester te wijten zijn aan een klassikaal probleem, met name dat XXXX net zoals zovele leerlingen van de klas, begonnen is met een grote achterstand voor Frans. XXXX heeft daarna, zo bevestigt de vakleerkracht zich goed ingezet en ‘een enorme’ (sic) vooruitgang gemaakt voor het vak Frans. Op het eind van semester 2 (grootste aandeel leerstof) behaalde XXXX 54% en scoorde hij goede punten op grammaire en vocabulaire. Vaststelling De vakleerkracht spreekt zich weliswaar niet uit over de deliberatie, maar geeft minstens impliciet aan dat het tekort van het eerste trimester niet van aard is om een rol van betekenis te spelen in de globale eindevaluatie. Te meer daar sprake is van een klassikale achterstand bij aanvang van het schooljaar. Tevens wordt de beroepscommissie attent gemaakt op de positieve evolutie. De positieve evolutie van de cijfers doorheen schooljaar 2022-2023 is bovendien opmerkelijk voor alle vakken, uitgezonderd Nederlands, waar zich uiteraard gezien het slaagcijfer geen enkel probleem stelt. Een overzicht: Esthetica 57,5% 75% Geschiedenis 56% 63,5% Godsdienst 44,5% 56% Engels 54% 57% Frans 42% 54% + 12% Wiskunde 36,5% 55,5% + 20% Aardrijkskunde 59,5% 63% Biologie 40,5% 59,5% + 19% Chemie 41,5% 47,5% + 6% Fysica 56% 62% + 6% Economie 54,5% 56% .” Daarnaast worden in hoofdorde de volgende overwegingen en grieven opgenomen in het beroepschrift: “Een cijfermatige benadering IX-10.350-4/34 Zoals hierboven in de feiten uiteengezet tonen de jaartekorten op zich in deze zaak geenszins aan dat de leerplandoelen op onvoldoende wijze bereikt zijn. Vooreerst springt in het oog dat XXXX voor het richtingsvak wiskunde op het eindexamen 62 % behaalt. Hoewel de school tot op heden niet is ingegaan op het verzoek van de ouders tot inzage en kopiename van de proefwerken voor DW en EX 1 en 2, kan redelijkerwijze gesteld worden dat door het significant positieve resultaat op het eindexamen in juni, de leerplandoelen, die voordien mogelijk nog onvoldoende bereikt waren in het dagelijks werk, finaal wel op voldoende wijze bereikt zijn. Het onderpresteren gedurende het eerste trimester blijft een gegeven, maar de vraag stelt zich of daar redelijkerwijze kan uit afgeleid worden dat de tekorten niet kunnen worden weggewerkt in de verdere loop van de graadsopleiding. Het antwoord lijkt alleszins negatief indien, zoals hierna zal blijken, naar de positieve evolutie wordt gekeken en de aandachtsproblematiek mee in overweging wordt genomen. Voor het vak chemie, dat als éénuursvak overigens niet doorslaggevend kan zijn, valt bij nader onderzoek onmiddellijk op dat XXXX, naast een positieve evolutie, ook voor beide examens (zowel Ex 1 als eindexamen EX 2) geslaagd is. Het valt dan ook op het eerste zicht niet in te zien dat op basis van deze resultaten, behaald nota bene op een examen van grotere lesonderdelen, de beoordeling dat de leerling op onvoldoende wijze de leerplandoelen heeft bereikt staande kan blijven. Geslaagd is geslaagd. Indien de leerling finaal zijn kennis aantoont op examens waarbij grotere lesgehelen worden getoetst, compenseert dit alleszins de eventuele tussentijdse tekorten op dagelijks werk. Minstens toont de delibererende klassenraad het niet anders aan. Voor het vak Frans tenslotte werd reeds hoger verwezen naar de erkenning door de vakleerkracht dat er sprake was van een klassikale achterstand bij aanvang van het schooljaar en de enorme vooruitgang die XXXX heeft geboekt. Het aanvankelijk tekort is gelet op de omstandigheden alleszins niet van aard om een dermate strenge evaluatiebeslissing (C-attest) mede op te schragen. De positieve evolutie Toegespitst op het richtingsvak wiskunde blijkt uit de commentaren van de vakleerkracht dat XXXX een goed eindexamen maakte. De leerkracht geeft wel aan dat het jammer is dat XXXX zo lang gewacht heeft om zijn capaciteiten te tonen op toetsen/examens. Hieruit blijkt alleszins dat de leerkracht ook de capaciteiten van de leerling erkent en dat XXXX minstens de doelstellingen voor deze leerplanonderdelen voldoende heeft bereikt. Daarbij komt dat uit de e-mail van 27 juni 2023 niets anders kan afgeleid worden dan dat de leerkracht van oordeel is dat XXXX de richting IX-10.350-5/34 Economie-wiskunde aankan. Hij stelt expliciet dat XXXX voor wiskunde het nodige inzicht heeft. De hierboven op schematische wijze voorgestelde positieve evolutie is daarenboven dermate significant dat niet begrepen kan worden dat een delibererende klassenraad dit niet mee in overweging neemt in het voordeel van de leerling. Ten slotte kan nog opgemerkt worden dat, hoewel op de eindexamens van semester 2 grotere lesonderdelen werden bevraagd dan bij het eerste examen voor Kerst, hieraan klaarblijkelijk geen groter cijfermatig gewicht wordt toegekend. Mocht dit -zoals in vele andere scholen in derde graad- wel het geval zijn, zouden de jaartekorten verhoudingsgewijs nog minder doorwegen. De impact van de aandachtsproblematiek (…) XXXX heeft desalniettemin op eigen kracht een slechte start weten om te buigen. De eerste observaties - meldingen van ADD gebeuren tijdens het OC bij Kerstmis via de leerkracht economie en chemie. Zij spreken over speelsheid – gebrek aan concentratie. Dit wordt bevestigd via mailverkeer. Verzoekers hebben deze meldingen ter harte genomen en hebben afspraak gemaakt bij een psychiater voor een diagnostisch onderzoek. Wegens de lange wachtlijsten kon het onderzoek niet onmiddellijk uitgevoerd worden. In afwachting schreef de arts het medicijn ‘Rilatine’ voor. (Zie stuk 8). Het is zeer aannemelijk dat het concentratievermogen van XXXX sterk verbeterd is ten gevolge van de medicatie. Dit verklaart enerzijds de positieve evolutie die zich uit in veel betere resultaten maar anderzijds ook het onderpresteren in het eerste trimester. Op die wijze kan ook de commentaar van de leerkracht wiskunde worden begrepen wanneer die stelt dat het jammer is dat XXXX zolang gewacht heeft om zijn capaciteiten te tonen. Kort toegelicht kunnen de kenmerken van ADD als volgt worden beschreven: ‘Leerlingen met ADD vertonen een gebrek aan concentratie en volgehouden aandacht. Hun denken verloopt chaotisch. Dit verklaart mede waarom remediëringen of deadlines vaak niet gehaald worden zonder gerichte sturing van de vakleerkracht. Bovendien merken zij op dat er een moeizame kennisopbouw is voor de vakken wiskunde en Frans.’ (https://eurekaleuven.be/add/) Dit alles komt ook duidelijk tot uiting in het leerproces van XXXX. Verzoekers hebben de school van een vastgestelde diagnose niet in kennis kunnen stellen om de eenvoudige reden dat deze diagnose nog niet officieel gesteld kon worden gelet op de lange wachtlijsten voor psychomedische zorgen. Wel werd de school in kennis gesteld van de aandachtsproblematiek en het feit dat sedert de medisch voorgeschreven inname van het medicijn ‘Rilatine’ significante verbetering werd vastgesteld in het concentratievermogen van XXXX. Het is evident dat de school dergelijke informatie wel degelijk moet betrekken in de evaluatieprocedure zeker indien zij er te nuttiger tijde IX-10.350-6/34 kennis van heeft gekregen zoals in dit dossier. Minstens tijdens het overleg na kennisname van de deliberatiebeslissing is deze problematiek uitvoerig besproken en had de directeur de klassenraad hiervan alsnog in kennis kunnen stellen door deze na het overleg bijeen te roepen. Er anders over oordelen zou o.m. in strijd zijn met art. 5 §5 van het Organisatiebesluit secundair onderwijs dat bepaalt dat de delibererende klassenraad zich bij zijn beslissingen zal laten leiden door de concrete gegevens uit het dossier van de leerling. Bovendien zou de manifeste weigering om dergelijke belangrijke psychomedische elementen mee in overweging te nemen (weze het op grond van een onregelmatige bepaling in het schoolreglement) strijden met het principe van de discretionaire volheid van bevoegdheid van een klassenraad en bij uitbreiding een beroepscommissie.” 3.
- Op 22 augustus 2023 beslist de beroepscommissie het C-attest te handhaven, op grond van de volgende motivering: “De beroepscommissie sluit zich aan bij de motivering van de klassenraad. Een cijfermatige benadering is op zichzelf niet fout. De cijfers zijn representatief voor de beoordeling en zijn gebaseerd op een vermoeden van deskundigheid in hoofde van de leerkrachten. De beoordeling van de klassenraad gaat over de globaliteit. De mails die worden bijgebracht van een aantal leerkrachten spreken nergens de beslissing van de klassenraad tegen. De beroepscommissie neemt akte van het bijgebrachte argument m.b.t. de ‘aandachtsstoornis’ en houdt hiermee rekening, onafgezien van de bepalingen van het schoolreglement desbetreffende. Desondanks moet de beroepscommissie tot het besluit komen dat de tekorten niet zijn weggewerkt en dat de basiskennis en vaardigheden onvoldoende zijn om verder te gaan naar een zesde jaar. Hierbij werd ook rekening gehouden met de evolutie van de cijfers. De beslissing is gebaseerd op een globale beoordeling.” 3.
- Op 6 september 2023 dient verzoeker een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in bij de Raad van State tegen de beslissing van de beroepscommissie van 22 augustus
- Bij arrest nr. 257.378 van 20 september 2023 wordt de voornoemde beslissing geschorst. IX-10.350-7/34 3.
- Op 25 september 2023 trekt de beroepscommissie haar beslissing van 22 augustus 2023 in en kent opnieuw een C-attest toe, op grond van de volgende overwegingen: “Beslissing van de beroepscommissie Inzake de beslissing van de delibererende klassenraad dd. 30/6/2023 t.a.v. XXXX, leerling van het 5de leerjaar DO Economie - wiskunde. Dat inzake beroep werd aangetekend bij deze commissie. Dat door XXXX op 6/9/2023 een vordering tot schorsing werd ingesteld bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 22/08/2023 van deze beroepscommissie van het Virga Jessecollege. Dat door de Raad van State de schorsing werd bevolen van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van voormelde beslissing bij arrest van de Raad van State nummer 257.378 op 20/09/2023 in de zaak A. 239.971/IX-10.
- Dat heden 25 september 2023 om 12u30 de beroepscommissie in dezelfde samenstelling opnieuw is samengekomen en tot het volgende besluit komt:
- De vorige beroepsbeslissing dd. 22/8/2023 wordt ingetrokken.
- Er wordt een nieuwe beslissing genomen door deze beroepscommissie. Aangezien de beroepscommissie wel degelijk rekening heeft gehouden met de ‘stoornis’ die door de leerling wordt ingeroepen. In het beroepsschrift dd. 11 juli 2023 wordt melding gemaakt van een ‘concentratieproblematiek’. In het verzoekschrift tot schorsing bij de Raad van State wordt dan weer gesproken over een ‘aandachtsproblematiek’. Men bereidde zich voor om geen rekening te moeten houden met de tekst van het schoolreglement dat op pag.34 vermeldt: ‘Leerstoornissen kunnen enkel in de bezwaren opgenomen worden indien er een attest op school is binnengebracht voor de maand mei.’ Door te stellen dat ‘aandachtsstoornissen’ geen leerstoornissen zijn, leek voor verzoeker dit reglement niet te kunnen worden ingeroepen, zoals door de raadsman uiteengezet (zie verslag beroepscommissie). In zijn beroepsschrift verwijst deze raadsman ook naar de website van ‘Eureka Leuven’. Op de website https://www.adibib.be/eureka-letop/leerstoornissen worden echter ADD en ADHD wel benoemd als leerstoornissen. In het beroepsschrift spreekt de raadsman over ADD en in het verzoekschrift tot schorsing voor de Raad van State spreekt hij over ADHD. Men gaat hier voorbij aan het feit dat bij ADHD er sprake is van een hyperactief gedrag, terwijl volgens de site van ‘Eureka’ waarnaar de raadsman zelf verwijst, de leerling met ADD wordt beschouwd als ‘stille prutsers die niet altijd opvallen in de klas’. Het valt dan ook op dat verzoeker zelf niet uitblinkt in duidelijkheid. Pas bij het overleg op 30 juni stelden de ouders dat er onderzoeken zijn opgestart in de loop van het tweede semester en pas op 23 augustus (dag na de beroepscommissie) werd een schrijven afgeleverd van een klinisch IX-10.350-8/34 psycholoog, bij brief van de raadsman, met verwijzing naar een diagnostisch onderzoek van 10 augustus dat werd ter kennis gebracht op de beroepscommissie. Niet in het minst geïnspireerd door de toch wel enigszins misleidende uiteenzetting over ‘leerstoornissen’ versus ‘aandachtsstoornissen’ heeft de beroepscommissie geen rekening gehouden met het schoolreglement dat stelt dat ingeval van een ‘attest van leerstoornissen’, verzoeker dit had moeten binnenbrengen voor 1 mei. De zogenaamde ‘observaties – meldingen’ van ADD tijdens het oudercontact bij Kerstmis van de leerkrachten economie en wiskunde, konden zeker niet leiden tot de vaststelling ADD of ADHD. Een oproep om aandachtiger en rustiger te zijn, is geen vaststelling van ADHD. Het later aangebrachte stuk van de huisarts, consultatie op 14 april, geeft aan dat er van hyperactiviteit geen sprake is. Er was klaarblijkelijk ‘een vraag naar diagnose ADD’. De beroepscommissie heeft ook nota genomen van de verklaring van de raadsman van verzoeker in het beroepsschrift waarin hij stelt dat door het nemen van ‘rilatine’ sedert mei 2023 als medicatie er een positieve evolutie zich heeft voorgedaan. De beroepscommissie heeft deze bewering afgetoetst aan de evolutie van de resultaten. De beroepscommissie heeft echter moeten vaststellen dat er niet alleen een positieve evolutie heeft plaatsgevonden. Alwaar verzoeker vooral verwijst naar de positieve evolutie van de examenresultaten, tijdens de bespreking met de directie, door de invloed van rilatine, komt de beroeps[s]commissie ook tot de volgende vaststellingen. Negatieve evolutie van de examenresultaten -Chemie (1 uur/week): 1e semester 33/60 2e semester 30/60 -Economie (4 uren/week): 1e semester 39,5/60 2e semester 34,5/60 -Nederlands (4 uren/week): 1e semester 12/25 2e semester 9,5/25 -Aardrijkskunde (1 uur/week) 1e semester 33/60 2e semester 31/60 Voor de vakken met gespreide evaluatie was er ook een achteruitgang. Al deze resultaten moeten samen met de tekorten in globo worden beoordeeld. Daar er drie jaartekorten zijn voor in totaal 10 jaaruren, aangezien de tekorten van het eerste semester niet zijn weggewerkt. Door verzoeker wordt dit ook niet ontkend. Dat de vraag om inzage van examens en ‘proefwerken’ (de school hanteert voor de naam ‘proefwerken’ de term ‘toetsen’) DW dan ook geenszins van belang is. Dat de beroepscommissie heeft moeten vaststellen dat lopende het jaar vanaf oktober er talrijke schriftelijke waarschuwingen werden gegeven: 1e semester 2e semester Economie X IX-10.350-9/34 Wiskunde X X Chemie X X Fysica X Nederlands X Biologie X Godsdienst X Terloops doet de beroepscommissie opmerken dat ook de eindbeslissing voor IV01 EC WI een waarschuwing inhield waarbij werd gesteld dat hij de stof goed moest bijhouden en extra oefeningen moest maken. Dat de houding van de leerling tijdens het schooljaar niet getuigde van een positieve respons op de diverse waarschuwingen. De leerkracht chemie vermeldt dat op een bijkomende extra uitleg met betrekking tot ‘reactiesnelheid’ op 30/5 de leerling niet aanwezig was. Dat de klassenraad haar bezorgdheid heeft uitgedrukt in: - Oktober 2022: tekorten voor economie, wiskunde, Frans, chemie en fysica - December 2022: 5 examentekorten 5 trimestertekorten - Maart 2023: tekorten nog niet weggewerkt Dat vervolgens de eerste melding van een stoornis pas kwam na de melding van de evaluatiebeslissing van de klassenraad bij de rapportbespreking. Dat verzoeker voorhoudt dat de slechte resultaten te wijten waren aan ADHD/ADD. Dat hij dit afleidt uit de vaststelling dat na het nemen van rilatine naar het einde van het jaar toe de examenresultaten beter waren. Dat de beroepscommissie van deze stellingname kennis neemt en een uitgebreid onderzoek heeft gedaan van de globale situatie. Dat de weerslag van dit onderzoek hierboven werd aangegeven. Dat de beroepscommissie dan ook van oordeel blijft dat de beoordeling die oorspronkelijk door de klassenraad werd uitgesproken, dient behouden te blijven daar de basiskennis en vaardigheden onvoldoende zijn om verder te gaan naar het tweede jaar van de derde graad. Dat ook wordt ingegaan op de opmerking over de graadleerplannen: graadleerplannen zijn leerplannen waarin de leerplandoelen van de hele graad zijn opgenomen. Er wordt verwacht dat elke leerling deze leerplandoelen heeft bereikt op het eind van de graad. De school beslist sommige leerplandoelen van het graadplan te behandelen in het vijfde jaar en andere doelen in het zesde jaar. Als deze doelen in het vijfde jaar niet voldoende gerealiseerd zijn, zijn ze ook niet in de graad gerealiseerd. Hieruit kan de delibererende klassenraad of de beroepscommissie concluderen dat de leerling de doelen niet heeft bereikt. In het zesde jaar wordt verder gewerkt op de doelen van het vijfde jaar. Als deze doelen niet bereikt zijn, is er onvoldoende basis om over te gaan naar het zesde jaar. Dat gezien de talrijke waarschuwingen en het gebrek aan reactie tot mei 2023 (start met medicatie) niet van die aard is om de beroepscommissie ervan te overtuigen dat het toekennen van een oriënteringsattest A zelfs met bijkomende remediëringsmaatregelen en/of een waarschuwing kan worden toegekend. IX-10.350-10/34 Dat de beslissing van de delibererende klassenraad dient te worden gehandhaafd.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
- Verzoeker beroept zich terecht op de vaste rechtspraak van de Raad van State die stelt dat het dreigend verlies van een schooljaar een nadeel uitmaakt dat binnen een gewone schorsingsprocedure niet tijdig zal kunnen worden gekeerd. De verwerende partij betwist dit ook niet. VI. Ernst van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van artikel 123/17, § 2, tweede lid, 3°, van de Codex Secundair Onderwijs, van artikel 2.3.3.6 van het schoolreglement, van de hoorplicht en het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat het recht inhoudt om op nuttige wijze zijn IX-10.350-11/34 standpunt te doen kennen, van artikel 2.3.2.5 van het schoolreglement en het ‘patere legem’-beginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker betoogt vooreerst dat op grond van artikel 123/17 §2, tweede lid, 3° van de Codex Secundair Onderwijs op de beroepscommissie de verplichting rust om "de betrokken personen en de leerling in kwestie” te horen en dat deze wettelijke verplichting eveneens is opgenomen in het schoolreglement van het Virga Jessecollege onder artikel 2.3.3.
- Hij wijst er vervolgens op dat niettegenstaande de concrete regeling van hoe de hoorplicht moet worden ingevuld niet gedetailleerd beschreven staat, de Raad van State in eerdere arresten reeds gemotiveerd heeft dat bij gebrek aan nadere regeling in de voormelde bepaling van de Codex Secundair Onderwijs en in het schoolreglement van de betrokken school aan deze hoorplicht dezelfde invulling lijkt te moeten worden gegeven als aan het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat het recht inhoudt om op nuttige wijze zijn standpunt te doen kennen. Dienaangaande benadrukt verzoeker dat hij na kennisname van het schorsingsarrest nr. 257.378 van 20 september 2023 via zijn raadsman aan de verwerende partij heeft gevraagd de intenties te willen meedelen met betrekking tot de organisatie van een hoorzitting en de voortzetting van de interne beroepsprocedure; dat de verwerende partij hieraan geen gevolg heeft gegeven en zonder tegenberichten de beroepscommissie in dezelfde samenstelling opnieuw liet samenkomen en beslissen zonder verzoeker uit te nodigen om zijn verweermiddelen en standpunten te laten kennen; dat de verwerende partij hierdoor de hoger vermelde rechtsregels en beginselen heeft geschonden en minstens onzorgvuldig heeft gehandeld; dat de beroepscommissie niet is willen ingaan op zijn vraag tot het overmaken van de verbeterde examenkopijen (EX1 en EX2) van de vakken wiskunde, chemie en Frans en dat de verwerende partij daarbij niet kan ontkennen dat zij herhaaldelijk - en op een nuttig tijdstip - geen gevolg heeft gegeven aan zijn vraag naar een kopie van de verbeterde toetsen en examens. IX-10.350-12/34 In casu blijkt volgens verzoeker bovendien dat de beroepscommissie ook in de thans bestreden beslissing de bevestiging van het C-attest op determinerende wijze schraagt op haar conclusie dat de leerling de ‘doelen’ niet heeft bereikt in het vijfde jaar die zij noodzakelijk acht om over te kunnen gaan naar het zesde jaar; dat zij stelt dat in het zesde jaar verder gewerkt wordt op die doelen en ‘als deze doelen niet bereikt zijn, is er onvoldoende basis om over te gaan naar het zesde jaar’ en dat de beroepscommissie daarbij verwijst naar de jaartekorten maar evenwel wederom nalaat te specifiëren welke leerplandoelen van welke vakken zij dan in gedachten heeft. In de veronderstelling dat de beroepscommissie inmiddels heeft begrepen dat hij de representativiteit of betrouwbaarheid van resultaten betwist, valt volgens verzoeker al helemaal niet te begrijpen dat de beroepscommissie expliciet stelt dat de vraag ‘om inzage van de examens en ‘proefwerken’ (…) DW dan ook ‘geenszins’ van belang is.’, nu hij immers enkel door een onderzoek van de tijdens het schooljaar getoetste leerplandoelen niet alleen de betrouwbaarheid van de cijfers (gelet op de externe factor ADHD), maar ook de validiteit ervan kan beoordelen en indien de beroepscommissie dit onderzoek niet meent te moeten doen, dit gegeven niet zijn recht ontneemt om desnoods zelf op basis van deze stukken op nuttige wijze standpunt te doen kennen over de conclusie dat er ‘onvoldoende basis is om over te gaan naar het zesde jaar’. Dit geldt volgens verzoeker eens te meer omdat één van zijn grieven betrekking heeft op het gegeven dat voor het vak wiskunde de leerplandoelen van januari tot juni op het eerste zicht ruimschoots behaald zijn gezien het examenresultaat van 62%, voor het vak chemie de leerplandoelen van het hele schooljaar namelijk zowel EX 1 (leerstof september -december) als EX 2 (leerstof januari-juni) op het eerste zicht behaald zijn gezien het examenresultaat van respectievelijk 52% en 50% en tevens voor het vak Frans een ‘enorme inhaalbeweging’ werd gerealiseerd met een slaagcijfer voor de periode van januari tot juni, terwijl de beroepscommissie in de jaartekorten een decisief motief zien voor een C-attest. IX-10.350-13/34 Tot slot benadrukt verzoeker dat om de hierboven uiteengezette redenen hij zijn recht om te worden gehoord niet op nuttige wijze heeft kunnen uitoefenen; dat horen immers slechts nuttig kan zijn, wanneer voorafgaandelijk kennis kan genomen worden van het volledige dossier; dat de verwerende partij -door haar weigering de gevraagde afschriften van de verbeterde examenkopijen over te maken - het voor hem onmogelijk maakt om inhoudelijke bezwaren te formuleren tegen de toegekende cijfers en de hieruit getrokken conclusies; dat het hierdoor quasi onmogelijk wordt om de materiële motivering van de evaluatiebeslissing inhoudelijk en ten gronde te bekritiseren en dat door hem niet uit te nodigen voor de hoorzitting van 25 september 2023, minstens door de gevraagde afschriften van de examenkopijen niet over te maken, de verwerende partij de hierboven aangehaalde wettelijke bepalingen en rechtsbeginsels schendt.
- In de nota wijst de verwerende partij er vooreerst op dat de beroepscommissie verzoeker op 22 augustus 2023 heeft gehoord; dat van die hoorzitting een verslag werd opgesteld, dat ook door de ouders, de leerling en hun raadsman is ondertekend; dat na verzoeker te hebben gehoord de beroepscommissie een beslissing heeft genomen, die ingevolge het arrest nr. 257.378 van 20 september 2023 werd geschorst; dat hierop de beroepscommissie op 25 september 2023 opnieuw is samengekomen, waarbij haar eerdere besluit wordt ingetrokken; dat het de beroepscommissie vrij stond om de procedure te hernemen vanaf het punt waarop deze strandde en dus de ingetrokken beslissing te vervangen door een andere; dat verzoeker reeds was gehoord en er dus geen enkele noodzaak was om tot een nieuwe hoorzitting te beslissen; dat verzoeker middelen heeft doen gelden tijdens het verhoor op 22 augustus 2023 en bij die gelegenheid ook een beroepschrift heeft neergelegd; dat hij bijkomend heeft geargumenteerd in het verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dat geleid heeft tot het voormelde schorsingsarrest van 20 september 2023; dat naar luid van art. 123/17, § 2, tweede lid, 3° van de Codex Secundair Onderwijs op de beroepscommissie de verplichting rust om de “betrokken personen” en de leerling te horen; dat bij gebrek aan nadere regeling in de voormelde bepaling van de Codex Secundair Onderwijs en in het schoolreglement kan worden aangenomen IX-10.350-14/34 dat aan de hoorplicht dezelfde invulling moet worden gegeven als aan het beginsel van behoorlijk bestuur dat het recht inhoudt om op nuttige wijze zijn standpunt te doen kennen en dat hieraan is voldaan door de hoorzitting van 22 augustus
- In zoverre verzoeker stelt dat niet aan de hoorplicht zou voldaan zijn en de beroepscommissie “minstens onzorgvuldig” zou hebben gehandeld omdat geen gevolg zou zijn gegeven aan zijn vraag om “een kopie van de verbeterde toetsen en examens”, benadrukt de verwerende partij dat tijdens de hoorzitting van 22 augustus 2023 die vraag niet is herhaald, noch tijdens de mondelinge behandeling (en zoals dat blijkt uit het door iedereen ondertekende verslag) noch in het beroepschrift dat de schriftelijke grieven bevat van verzoeker; dat in zoverre die vraag al eerder was gesteld (in een e-mail van 3 juli 2023 en een bericht van 11 juli 2023 van de raadsman) zij er redelijkerwijze vanuit kon gaan dat hierop niet werd aangedrongen; dat tijdens de hoorzitting (en in het beroepschrift) er door verzoeker werd op gewezen dat de cijfers in een globale context diende te worden gezien en de resultaten in de loop van het schooljaar zouden verbeterd zijn na de inname van een geneesmiddel. De materialiteit van de behaalde cijfers zelf werd in het beroepschrift niet betwist, zodat zij – afgaand op de behandeling van de zaak tijdens de hoorzitting – er redelijkerwijze kon van uitgaan dat er geen vraag meer was naar de examenkopijen, temeer nu in het beroepschrift immers vooral wordt verwezen naar de positieve evolutie van de cijfers zonder de cijfers zelf ter discussie te stellen en op de impact van de “aandachtsproblematiek” waarin gesteld wordt dat het “zeer aannemelijk is dat het concentratievermogen van [verzoeker] sterk verbeterd is ten gevolge van de medicatie”, waarbij de cijfers zelf evenmin worden betwist. De verwerende partij is dan ook de mening toegedaan dat aangezien de procedure werd hernomen vanaf het punt waarop werd overgegaan tot schorsing, de beroepscommissie de voorafgaande handelingen vermocht te behouden en er geen noodzaak was om een nieuwe hoorzitting te organiseren, temeer nu tijdens de hoorzitting de vraag tot het afleveren van examenkopijen niet werd herhaald, zodat in de thans bestreden beslissing hieruit mocht worden afgeleid dat de vraag om inzage van de examens en proefwerken DW dan ook IX-10.350-15/34 geenszins van belang is, zodat niet valt in te zien hoe die vaststelling ertoe zou kunnen leiden dat de beroepscommissie onzorgvuldig zou gehandeld hebben. In zoverre verzoeker verder stelt dat de beoordeling van het bereiken van de leerplandoelen enkel zou mogelijk zijn door een nazicht van de geëxamineerde vragen, beklemtoont de verwerende partij dat de Raad van State als wettigheidsrechter niet vermag de verbetering van de examens over te doen en evenmin, op zicht van de behaalde goede en minder goede resultaten, zich een eigen oordeel te vormen over het al dan niet slagen van een leerling, nu het de Raad enkel toekomt om na te gaan of de beroepscommissie, binnen de grenzen van haar beoordelingsvrijheid, regelmatig tot haar besluit is gekomen en een antwoord heeft gegeven op de opgeworpen grieven, temeer nu het decretaal verankerde vermoeden van deskundigheid van de leerkrachten en de door hen vastgestelde concrete resultaten niet worden betwist en verzoeker in de vorige schorsingsprocedure, die geleid heeft tot het arrest nr. 257.378, in het inleidend verzoekschrift zelf aangaf dat de leerkrachten het best geplaatst zijn om na te gaan of de leerdoelstellingen bereikt zijn. In zoverre verzoeker verwijst naar “het gegeven dat voor het vak wiskunde de leerplandoelen van januari tot juni op het eerste zicht ruimschoots behaald zijn”, wordt deze kritiek volgens de verwerende partij in de bestreden beslissing als volgt weerlegd: “Dat ook wordt ingegaan op de opmerking over de graadleerplannen: graadleerplannen zijn leerplannen waarin de leerplandoelen van de hele graad zijn opgenomen. Er wordt verwacht dat elke leerling deze leerplandoelen heeft bereikt op het eind van de graad. De school beslist sommige leerplandoelen van het graadplan te behandelen in het vijfde jaar en andere doelen in het zesde jaar. Als deze doelen in het vijfde jaar niet voldoende gerealiseerd zijn, zijn ze ook niet in de graad gerealiseerd. Hieruit kan de delibererende klassenraad of de beroepscommissie concluderen dat de leerling de doelen niet heeft bereikt. In het zesde jaar wordt verder gewerkt op de doelen van het vijfde jaar. Als deze doelen niet bereikt zijn, is er onvoldoende basis om over te gaan naar het zesde jaar. Dat gezien de talrijke waarschuwingen en het gebrek aan reactie tot mei 2023 (start met medicatie) niet van die aard is om de beroepscommissie ervan te overtuigen dat het toekennen van een oriënteringsattest A zelfs met IX-10.350-16/34 bijkomende remediëringsmaatregelen en/of een waarschuwing kan worden toegekend.” en volstaat deze motivering om te kunnen nagaan dat de beroepscommissie op regelmatige wijze tot haar besluit is gekomen. Beoordeling
- In zoverre verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van de ‘hoorplicht’, dient te worden opgemerkt dat naar luid van artikel 123/17, § 2, tweede lid, 3°, van de Codex Secundair Onderwijs, op de beroepscommissie de verplichting rust om “de betrokken personen” en de leerling in kwestie te horen. Zoals de Raad van State immers al in verschillende arresten heeft overwogen, lijkt, bij gebrek aan nadere regeling in de voormelde bepaling van de Codex Secundair Onderwijs en in het schoolreglement van de betrokken school, aan deze hoorplicht dezelfde invulling te moeten worden gegeven als aan het beginsel van behoorlijk bestuur dat het recht inhoudt om op nuttige wijze zijn standpunt te doen kennen. Aldus kan verzoeker, zo lijkt, de schending van dit beginsel wel degelijk nuttig aanvoeren. Voor de leerling die een beroepsprocedure voert tegen een on-gunstige evaluatiebeslissing betekent dit op het eerste gezicht, bijvoorbeeld, dat hij – en eventueel de “betrokken personen”, indien de leerling minderjarig is – be-hoorlijk moet worden uitgenodigd om zijn standpunt kenbaar te maken en dat hij, zeker wanneer hij daarom verzoekt, op een nuttig tijdstip inzage in of een kopie moet krijgen van het volledige dossier waarop de beroepscommissie haar oordeel zal steunen. Dat dossier bevat, zo leert het, op het ogenblik van het nemen door de delibererende klassenraad van de beslissing van 30 juni 2023, nog van toepassing zijnde artikel 5, § 5, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’ IX-10.350-17/34 (hierna: het organisatiebesluit 2002), onder meer de resultaten van proeven, toetsen of examens die door de leraars van de leerling werden afgenomen en de beslissingen, vaststellingen en de adviezen van de begeleidende klassenraad. Hoewel in artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit 2002 enkel gewag wordt gemaakt van de delibererende klassenraad en formeel een overeenstemmende bepaling voor de beroepscommissie ontbreekt, kan bezwaarlijk van de beroepscommissie worden aanvaard dat zij een beslissing zou nemen zonder minstens ook te steunen op het in die bepaling bedoelde dossier van de leerling.
- Ter adstructie van de aangevoerde schending betoogt verzoeker dat niet aan de hoorplicht is voldaan en de beroepscommissie minstens onzorgvuldig heeft gehandeld, onder meer omdat zij niet is willen ingaan op zijn vraag tot het overmaken van de verbeterde examenkopijen (EX1 en EX2) van de vakken wiskunde, chemie en Frans, terwijl hij hiertoe herhaaldelijk de vraag heeft gesteld, een eerste keer op 3 juli 2023, vervolgens op 11 juli 2023 en een laatste keer op 22 september 2023 na kennisname van het schorsingsarrest, zodat hij om deze redenen niet in de mogelijkheid is geweest op nuttige wijze zijn standpunt te doen kennen.
- De (verbeterde) examenkopijen van de vakken wiskunde, chemie en Frans maken onbetwistbaar deel uit van het dossier van verzoeker. In dat geval moest, vanwege het voornoemde recht om op nuttige wijze zijn standpunt te doen kennen, aan verzoeker de gelegenheid worden geboden om de (verbeterde) examenkopijen van de voornoemde vakken op een nuttig tijdstip in te zien of er zelfs een afschrift van te krijgen. Er anders over oordelen, zou het voor de leerling immers onmogelijk maken bezwaren te uiten tegen de hem toegekende cijfers en dus de materiële motivering van de evaluatiebeslissing te bekritiseren. IX-10.350-18/34 De stelling van de verwerende partij in haar nota met opmerkingen dat gezien verzoeker tijdens de hoorzitting van 22 augustus 2023 noch in zijn beroepschrift deze vraag heeft herhaald, zij er redelijkerwijze mocht van uitgaan dat verzoeker hierop niet verder aandrong, kan niet worden bijgetreden. Op deze wijze wordt immers voorbijgegaan aan de door verzoeker op 22 september 2023 aan de raadsman van de verwerende partij gerichte expliciete vraag, waarvan de ontvangst door de verwerende partij op het eerste gezicht niet in twijfel kan worden getrokken, nu een afschrift van deze per e-mail verzonden vraag is opgenomen in het administratief dossier. Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat aan verzoeker hoe dan ook en ondanks zijn vraag daartoe, de mogelijkheid is ontzegd om de betrokken (verbeterde) examenkopijen van de vakken wiskunde, chemie en Frans aan een nader onderzoek te onderwerpen en daarover desgevallend zijn bezwaren aan de beroepscommissie voor te leggen. Gelet op het gegeven dat de beroepscommissie nog steeds van oordeel is dat verzoeker sommige leerplandoelen van het vijfde jaar niet heeft behaald, diende aan verzoeker de gelegenheid te worden geboden om inhoudelijke bezwaren te formuleren tegen de toegekende cijfers en dus de materiële motivering van de evaluatiebeslissing te bekritiseren. De beroepscommissie houdt dan ook ten onrechte voor dat “de vraag om inzage van examens en proefwerken (…) DW dan ook geenszins van belang is”.
- Uit het voorgaande volgt dat het eerste middel in de aangegeven mate ernstig is. B. Tweede middel Standpunt van de partijen IX-10.350-19/34
- Verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: formelemotiveringswet), van artikel 123/17, §2, tweede lid, 6°, van de Codex Secundair Onderwijs, van de artikelen 5, §§ 5 en 8, 38, 1° en 57 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’ ( hierna: het organisatiebesluit 2002), van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het motiveringsbeginsel (de formele- en materiëlemotiveringsplicht), het beginsel patere legem quam ipsi fecisti, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel. Verzoeker betoogt vooreerst dat op grond van de hogervermelde wetsbepalingen van het organisatiebesluit het oordeel van een delibererende klassenraad (en bij uitbreiding een beroepscommissie) geen louter mathematische optelling is van cijfers per vak, maar dat een dergelijk oordeel een globale appreciatie of de leerling de leerplandoelstellingen in hun geheel genomen en in voldoende mate heeft bereikt vereist en vermits in casu artikel 38, 1°, van het organisatiebesluit van toepassing is wat onder meer inhoudt dat de beroepscommissie zelfs wanneer zij zoals te dezen meent te mogen vaststellen dat de leerling in kwestie op dit ogenblik mogelijks niet voldoende leerplandoelstellingen heeft bereikt, zij dan nog steeds gehouden is een prospectief onderzoek te voeren om na te gaan of de niet behaalde doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen ertoe leiden dat hij onbekwaam is om zijn studies voort te zetten, temeer nu desgevallend de nog niet behaalde leerplandoelstellingen mogelijk immers nog kunnen bijgewerkt en opgehaald worden tegen het einde van de derde graad. Verzoeker benadrukt vervolgens dat de beroepscommissie aangeeft dat zij wel degelijk rekening heeft gehouden met de aandachtstoornis die door de leerling wordt ingeroepen; dat zij terzake stelt dat zij kennisneemt van de stellingname van de leerling dat de slechte resultaten te wijten waren aan ADHD/ADD en dat zij ‘een uitgebreid onderzoek heeft gedaan van de globale IX-10.350-20/34 situatie’; dat het ‘uitgebreid onderzoek’ bestaat uit de vaststelling dat er volgens de beroepscommissie een negatieve evolutie is van de examenresultaten voor de vakken chemie, economie, Nederlands en aardrijkskunde en voor de vakken met gespreide evaluatie (NB: lichamelijke opvoeding en seminarie film- en verhaaltechniek) er ook achteruitgang was; dat uit deze vaststelling de beroepscommissie besluit dat er drie jaartekorten zijn en de tekorten van het eerste semester (september- december) niet zijn weggewerkt; dat de beroepscommissie in wezen stelt - zonder het met zoveel woorden te zeggen - dat uit de resultaten van ‘een uitgebreid onderzoek van de globale situatie’ blijkt dat de opstart van medicatie geen verbeterend effect heeft gehad op de resultaten en dat bijgevolg de slechte resultaten niet te wijten zijn aan ADHD; dat deze motivering allesbehalve berust op een uitgebreid onderzoek en bovendien op het eerste zicht geen steun vindt in het dossier; dat de beroepscommissie vooreerst expliciet uit het dossier een positieve evolutie van de resultaten erkent, maar vervolgens stelt dat er ‘niet alleen een positieve evolutie heeft plaatsgevonden’; dat de negatieve evolutie voor de vakken chemie, economie, Nederlands en aardrijkskunde, niet terzake dienend is, nu verzoeker voor deze vakken slaagcijfers behaalde en het een niet-significante (negatieve) evolutie betreft die wellicht verklaard kan worden door het feit dat hij zich bij de eindexamens vooral gefocust heeft op vakken waarvoor hij grotere tekorten moest trachten weg te werken zoals bv. esthetica, wiskunde en biologie; dat de door hem reeds in zijn intern beroepschrift gegeven duiding bij de jaartekorten en de verwijzing naar de opmerkelijke overwegend positieve evolutie van de resultaten volgens hem aantonen dat de jaartekorten wel degelijk beïnvloed zijn door de aandachtstoornis waarvoor tijdens een groot deel van het schooljaar wel empirische aanwijzingen waren, maar nog geen diagnose was gesteld en waarvoor de medicatie nog niet was opgestart; dat ook de verwijzing naar de zogenaamde achteruitgang voor de vakken met gespreide evaluatie moeilijk ernstig te nemen is, nu het gaat over het vak lichamelijke opvoeding waarvoor een slaagcijfer van 81,5 % en het seminarie film- en verhaaltechnieken waarvoor een slaagcijfer van 82% werd behaald, zodat de zogenaamde negatieve evolutie waarnaar de beroepscommissie verwijst geen deugdelijke basis kan vormen voor IX-10.350-21/34 het besluit dat de behaalde jaartekorten niet beïnvloed werden door ADHD en bijgevolg wel representatief zijn. Verzoeker merkt vervolgens op dat de beroepscommissie voor het eerst motieven betrekt uit het gegeven dat ‘talrijke’ schriftelijke waarschuwingen werden gegeven waarop de houding van de leerling (beweerdelijk) niet zou hebben getuigd van een positieve respons en dat de klassenraad haar bezorgdheid heeft geuit. Hoewel het niet duidelijk is of dit motief schragend bedoeld is, dan wel eerder aanvullend, biedt het motief gehaald uit zijn studiehouding volgens hem geen inzicht noch antwoord op de centrale vraag of de bijzondere omstandigheden (gediagnosticeerde ADHD en slechts medicinale behandeling vanaf mei) de representativiteit van de resultaten (in casu de 3 lichte jaartekorten en daaruit afgeleid het gebrek aan basiskennis en vaardigheden om verder te gaan naar het zesde jaar) aantasten. Ook de vaststelling van de beroepscommissie dat de eerste melding van een stoornis pas kwam na de melding van de evaluatiebeslissing van de klassenraad bij de rapportbespreking (lees: het overleg met de directeur) kan in de gegeven omstandigheden hem moeilijk verweten worden. Bovendien is het een vaststaand gegeven dat hij precies omwille van het feit dat de klassenraad wellicht geen kennis had van het feit dat hij in een diagnostisch traject zat en in afwachting van de diagnose vanaf mei medicinaal behandeld werd met duidelijk merkbaar gunstig effect, hij tijdens het overleg gepleit heeft om de klassenraad opnieuw te laten samenkomen. Hoe dan ook is het tijdstip van de melding volgens verzoeker vreemd aan de vraag of de jaartekorten voldoende representatief zijn om te besluiten tot een C-attest zonder zelfs de in ondergeschikte orde gevraagde mildere evaluatiebeslissing ernstig te onderzoeken, nu het niet langer ter discussie staat dat hij lijdt aan de aandachtstoornis ADHD, wat inmiddels blijkt uit een diagnostisch onderzoeksverslag en een aanvullend attest met het besluit van de diagnose en reeds in het intern beroepschrift de impact van de aandachtstoornis in het licht werd gesteld. De geuite waarschuwingen tonen volgens hem veeleer aan dat ook de leerkrachten een problematiek van aandacht en concentratie hebben vastgesteld en dat de waarschuwingen zich overigens niet toevallig hoofdzakelijk in het eerste semester situeren. IX-10.350-22/34 In de mate dat een ‘gebrek aan positieve respons’ een doorslaggevend motief zou zijn, benadrukt verzoeker dat de aanname van een negatieve houding geen steun vindt in het dossier en overigens flagrant strijd met de feiten; dat zijn ouders betrokken waren bij de oudercontacten en de waarschuwingen wel degelijk ter harte hebben genomen; dat hij studiebegeleiding en bijlessen wiskunde heeft gevolgd; dat tijdens het schooljaar de aanmelding voor diagnostisch onderzoek werd gedaan en uiteindelijk op grond van de empirische vaststellingen (van onder meer leerkrachten) medicinale behandeling werd opgestart; dat de verwijzing naar de niet deelname aan de ‘bijkomende extra uitleg’ van de leerkracht chemie op 30 mei 2023 niet terzake dienend is omdat hij via zelfstudie een slaagresultaat van 7,5/13 behaalde op dit onderdeel zoals blijkt uit het bericht van de leerkracht chemie; dat de bedenkingen van de beroepscommissie in verband met een algemeen gebrekkige studiehouding geen steun vinden in het dossier en - voor zover zij enige grond van waarheid zouden hebben - eerder een gevolg zijn van de bewezen aandachtstoornis dan dat zij een oorzaak zijn voor de jaartekorten. In zoverre de beroepscommissie beknopt en op zeer algemene wijze aangeeft dat de school beslist ‘sommige’ leerplandoelen van het graadplan te behandelen in het vijfde jaar en andere doelen in het zesde jaar, zodat in het zesde jaar verder wordt gewerkt op de doelen van het vijfde jaar en het niet behalen van deze doelen ziet als een onvoldoende basis om verder te gaan naar het tweede jaar van de derde graad, ziet verzoeker een cirkelredenering die bij gebrek aan concretisering bovendien niet veel meer is dan een holle frase. Alleszins is dit volgens hem geen deugdelijke motivering die - zelfs aangenomen dat ADHD geen invloed heeft gehad op de jaartekorten, quod non -, het besluit kan schragen dat zijn behaalde cijfers zonder meer valide zouden zijn. Dienaangaande benadrukt verzoeker dat de beroepscommissie zijn vraag negeert om aan te tonen dat de resultaten valide zijn, wat betekent dat de evaluatie representatief is geweest voor en conform de leerplandoelen; dat zij zelfs IX-10.350-23/34 expliciet weigert dit onderzoek te doen nu zij zelfs geen inzage wil verschaffen in de verbeterde kopijen; dat in de hypothese dat de beroepscommissie op gedragen wijze zou hebben aangetoond dat de behaalde cijfers betrouwbaar en dus representatief zouden zijn, quod non, van haar mag verwacht worden dat zij zijn grieven onderzoekt en vervolgens beantwoordt vooraleer te besluiten dat hij over onvoldoende basiskennis en vaardigheden beschikt om het tweede leerjaar van de derde graad aan te vatten; dat een dergelijk besluit minstens een concreet voorafgaand onderzoek naar de behaalde en niet behaalde leerplandoelen veronderstelt waaruit moet blijken in welke mate de niet behaalde leerplandoelen het voor hem onmogelijk zouden maken met kans op succes het volgende schooljaar aan te vatten, desnoods met bijkomende remediëringsmaatregelen; dat de beroepscommissie ook in haar nieuwe beslissing enkel blijft verwijzen naar de jaartekorten en daaraan gekoppeld de vaststelling dat de leerplandoelen niet zijn bereikt en de basiskennis en vaardigheden onvoldoende zijn om verder te gaan naar het zesde jaar; dat zij alleszins nalaat dit te duiden en de vaststelling herhaalt dat ‘de tekorten niet zijn weggewerkt en dat de basiskennis en vaardigheden onvoldoende zijn om verder te gaan naar een zesde jaar’; dat zij hiermee geen antwoord geeft op de door verzoeker reeds in het intern beroepschrift uitgewerkte grieven; dat hij nochtans zeer uitdrukkelijk en op specifieke wijze heeft verzocht om de jaartekorten af te zetten tegen de resultaten behaald op de examens vermits bijvoorbeeld het jaartekort voor chemie louter het gevolg is van tekorten op het dagelijks werk; dat het de beroepscommissie toekomt om deze argumenten te ontmoeten, te onderzoeken en indien zij motieven heeft, om deze argumenten niet voldoende overtuigend te achten om de beslissing van de klassenraad te hervormen, deze vervolgens ook te expliciteren en dat het de leerplandoelen zijn die het uitgangspunt vormen van een evaluatie en het op het pad van de beroepscommissie ligt om desbetreffend met de nodige precisie aan te tonen welke leerplandoelen werden getoetst en welke van de niet behaalde leerplandoelen niet kunnen worden bijgewerkt en derhalve voor hem een onoverkomelijk beletsel zullen vormen om met kans op slagen over te gaan. IX-10.350-24/34 In ondergeschikte orde betoogt verzoeker dat de beroepscommissie met de bevestiging van het C-attest en gezien de uiteengezette middelen een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon van een in dezelfde omstandigheden geplaatste beroepscommissie, dat niet te begrijpen valt hoe deze zelfs binnen de ruim geachte discretionaire bevoegdheid tot stand is kunnen komen en bijgevolg als zijnde in strijd met het redelijkheidsbeginsel voorkomt.
- In de nota benadrukt de verwerende partij dat in zoverre verzoeker voorhoudt dat de bestreden beslissing niet zou voldoen aan de vereisten van de formele motivering en dat bij de beoordeling moet worden onderzocht of bij een globale appreciatie “de leerplandoelstellingen in hun geheel genomen in voldoende mate” werden bereikt, het middel feitelijke grondslag mist, nu de bestreden beslissing uitgebreid werd gemotiveerd. Evenmin ligt volgens de verwerende partij een schending van artikel 38,1°, van het organisatiebesluit van 2002 voor, nu de bestreden beslissing, niettegenstaande zij het oordeel van de delibererende klassenraad handhaaft, die vaststelt dat “de jaartekorten voor het richtingvak wiskunde (46 %) en de tekorten voor Frans (48 %) en chemie (44,5 %) voor een totaal van 10 jaaruren (aan)tonen dat de leerplandoelen op onvoldoende wijze bereikt zijn”, bovendien ook uitgebreid ingaat op de vraag of met die resultaten ook de leerplandoelen kunnen worden bereikt bij het einde van de graad en uit de motivering afdoende blijkt dat verzoekers opmerkingen betrokken werden in de beoordeling en uit het geheel van de elementen blijkt dat hij onvoldoende cijfers heeft om de studies in het volgende leerjaar voort te zetten. Volgens de verwerende partij heeft de thans bestreden beslissing uitgebreid aandacht besteed aan de problematiek van de aandachtstoornis en worden er onder meer volgende punten aangehaald: i) dat de eerste melding van een stoornis er pas na de melding van de evaluatiebeslissing van de klassenraad bij de rapportbespreking kwam; ii) dat verzoeker voorhoudt dat de slechte resultaten te wijten waren aan ADHD/ADD; dat hij dit afleidt uit de vaststelling dat na het nemen van rilatine naar het einde van het jaar toe de examenresultaten beter waren IX-10.350-25/34 en dat de beroepscommissie stelt te hebben kennis genomen van deze stellingname en “een uitgebreid onderzoek heeft gedaan van de globale situatie” en iii) dat in het beroepschrift er sprake is van de diagnose ADD, terwijl in de procedure bij de Raad van State, verzoeker argumenteert op grond van de diagnose ADHD. De verwerende partij beklemtoont dat uit de geciteerde passage van de bestreden beslissing blijkt dat de door verzoeker in het beroepschrift gemaakte opmerkingen en de stukken die na de hoorzitting werden overgemaakt betrokken werden in de beoordeling van de beroepscommissie, zodat door loutere lectuur van de bestreden beslissing verzoeker de motieven kan achterhalen op grond waarvan de beroepscommissie tot haar oordeel komt; dat de bestreden beslissing niet enkel op grond van de jaartekorten voor 10 jaaruren tot het besluit komt dat een C-oriënteringsattest zich opdringt, maar in een globale beoordeling ook verwijst naar de negatieve evolutie van de examenresultaten, de schriftelijke waarschuwingen die de leerling ontving en de uitgedrukte bezorgdheden. De verwerende partij betoogt vervolgens dat in zoverre verzoeker in zijn verzoekschrift stelt dat de negatieve evoluties “niet ter zake dienend zouden zijn”, zonder de materialiteit van die cijfers in vraag te stellen of aan kritiek te onderwerpen en dat enkel rekening mag worden gehouden met de “opmerkelijk overwegend positieve evolutie van de resultaten” waardoor de jaartekorten het uitsluitende gevolg zouden zijn van de aandachtstoornis waarvoor gedurende het grootste deel van het schooljaar geen medicatie zou zijn opgestart, de bestreden beslissing dienaangaande argumenteert dat er niet enkel een positieve evolutie is, maar er ook achteruitgang bij sommige andere vakken valt waar te nemen; dat die vaststelling maakt dat niet is aangetoond dat het loutere feit dat hij met rilatine behandeld werd ertoe moet leiden dat hij betere resultaten heeft en dat verzoekers stelling dat sinds de medicale behandeling van de aandachtstoornis alle resultaten positief evolueerden geen steun vindt in het dossier en derhalve feitelijke grondslag mist. IX-10.350-26/34 Daarnaast benadrukt de verwerende partij het gegeven dat de bestreden beslissing verwijst naar de, op zichzelf door verzoeker, niet betwiste vaststelling dat in het lopende leerjaar vanaf oktober aan hem verschillende waarschuwingen werden gegeven; dat verzoeker voorhoudt dat het tijdstip waarop die waarschuwingen zijn geformuleerd niet relevant zou zijn omdat ze dateren van voor de diagnose van ADHD, terwijl de bestreden beslissing echter ook naar waarschuwingen in het tweede trimester (en dus ook op het ogenblik dat de betrokken leerling naar eigen zeggen al de medicatie nam) verwijst voor het richtingvak wiskunde en voor chemie, zodat de bestreden beslissing dan ook in alle redelijkheid die waarschuwingen kon betrekken in de besluitvorming. In zoverre verzoeker aanvoert dat hij de leerplandoelen had kunnen bereiken in het tweede jaar van de graad en erkent dat niet alle leerplandoelen werden behaald tijdens het eerste semester en dit gegeven omschrijft als zijnde “aannemelijk”, maar vindt dat de bestreden beslissing verdere duiding had moeten verstrekken hoe er tot het besluit wordt gekomen dat de basiskennis onvoldoende is om verder te gaan naar het zesde leerjaar, verwijst de verwerende partij naar de hiernavolgende passage uit de bestreden beslissing: “Dat ook wordt ingegaan op de opmerking over de graadleerplannen: graadleerplannen zijn leerplannen waarin de leerplandoelen van de hele graad zijn opgenomen. Er wordt verwacht dat elke leerling deze leerplandoelen heeft bereikt op het eind van de graad. De school beslist sommige leerplandoelen van het graadplan te behandelen in het vijfde jaar en andere doelen in het zesde jaar. Als deze doelen in het vijfde jaar niet voldoende gerealiseerd zijn, zijn ze ook niet in de graad gerealiseerd. Hieruit kan de delibererende klassenraad of de beroepscommissie concluderen dat de leerling de doelen niet heeft bereikt. In het zesde jaar wordt verder gewerkt op de doelen van het vijfde jaar. Als deze doelen niet bereikt zijn, is er onvoldoende basis om over te gaan naar het zesde jaar. Dat gezien de talrijke waarschuwingen en het gebrek aan reactie tot mei 2023 (start met medicatie) niet van die aard is om de beroepscommissie ervan te overtuigen dat het toekennen van een oriënteringsattest A zelfs met bijkomende remediëringsmaatregelen en/of een waarschuwing kan worden toegekend.” Tot slot benadrukt de verwerende partij dat de beroepscommissie niet verplicht is te antwoorden op alle grieven die in het beroepschrift worden IX-10.350-27/34 aangehaald; dat het vaststaande rechtspraak is van de Raad van State dat in de beslissing motieven worden opgenomen die de beslissing afdoende kunnen dragen; dat het daarbij duidelijk is dat met verzoekers bezwaren daadwerkelijk rekening werd gehouden en deze in de besluitvorming werden betrokken en dat op grond van de bovenstaande motivering het ook voor verzoeker duidelijk is waarom tot een C-oriënteringsattest is besloten. Beoordeling
- In zoverre verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van de formele- en materiëlemotiveringsplicht en van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet, dient vooreerst te worden benadrukt dat noch het algemeen rechtsbeginsel dat een overheidsbeslissing gegrond moet zijn op deugdelijke motieven, dit wil zeggen op motieven die in feite juist en in rechte aanvaardbaar zijn, noch de formelemotiveringswet, aan het bestuur – in dit geval de beroepscommissie – de verplichting opleggen om alle grieven of middelen die door de betrokkene worden aangevoerd één voor één van antwoord te dienen. Het volstaat dat in de beslissing van de beroepscommissie de motieven worden opgenomen die de beslissing kunnen dragen. Waar de regelgeving, zoals in casu, in een administratieve beroepsprocedure heeft voorzien, moet diegene die het beroep heeft ingesteld, er wel op kunnen rekenen dat zijn beroepschrift door de beroepsinstantie zorgvuldig wordt onderzocht en dat deze instantie, indien zij tot hetzelfde oordeel komt als de beslissing waartegen het beroep werd ingesteld, goede redenen heeft voor de verwerping van de aangevoerde beroepsargumenten. Wanneer het gaat om een welomschreven, gewichtige grief van diegene die het beroep heeft ingesteld, dan zullen die redenen uitdrukkelijk in de beslissing van de beroepsinstantie moeten worden weergegeven. Van een zorgvuldig handelende beroepsinstantie mag immers worden verwacht dat zij in haar beslissing formeel aandacht besteedt aan de wezenlijke grieven van diegene die het beroep heeft ingesteld en dat zij hem IX-10.350-28/34 aldus de antwoorden geeft die laten begrijpen waarom zijn beroep wordt verworpen.
- In casu heeft verzoeker gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de artikelen 123/15 en 123/17 van de Codex Secundair Onderwijs hem bieden om een beroep in te stellen tegen een ongunstige evaluatiebeslissing van de over hem delibererende klassenraad. Hieruit volgt dat, wanneer verzoeker aldus een samenkomst van de beroepscommissie uitlokt, deze commissie dient kennis te nemen van zijn aangevoerde grieven, ze dient te beoordelen en te beantwoorden.
- In zijn schorsingsarrest van 20 september 2023 kwam de Raad van State tot de conclusie dat, in de huidige stand van de rechtspleging, moest worden besloten dat de beroepscommissie, na bezwaar daaromtrent van verzoeker, niet deugdelijk tot het besluit was gekomen dat de cijfers van verzoeker representatief zijn en het de bestreden beslissing ontbrak aan een schragend motief, nu het op het eerste gezicht het alleen de niet deugdelijk bevonden jaartekorten waren die de beslissing van de beroepscommissie leken te dragen. Meer in het bijzonder had verzoeker de deugdelijkheid van de jaartekorten betwist, nu hij van mening was dat de cijfers voor die vakken niet representatief waren en hij hiervoor had verwezen naar zijn aandachtstoornis waaronder hij te lijden had en waarvoor pas in de loop van het schooljaar medicatie werd opstart. Tevens doelde hij erop dat zijn aandoening in de periode vóór de opstart van de medicatie zijn cijfers in negatieve zin hebben beïnvloed. Volgens de Raad van State was de enkele vermelding in de bestreden beslissing dat met de aandachtstoornis is rekening gehouden, op het eerste gezicht niet meer dan een stijlformule zonder dat de beroepscommissie daarmee deed blijken van een concreet en individueel onderzoek.
- De beroepscommissie tracht met de huidige bestreden beslissing tegemoet te komen aan de bezwaren van de Raad van State in zijn schorsingsarrest. De motieven hiervoor worden door de verzoeker opnieuw niet deugdelijk IX-10.350-29/34 bevonden, zodat hij de materiëlemotiveringsplicht geschonden acht.
- In de thans bestreden beslissing stelt de beroepscommissie dat zij wel degelijk heeft rekening gehouden met de “stoornis” die door de leerling is ingeroepen. Ook heeft zij nota genomen van de verklaring van de raadsman waarin hij stelt dat door het nemen van “rilatine” sedert mei 2023 als medicatie er zich een positieve evolutie heeft voorgedaan. Hierbij dient in herinnering te worden gebracht dat verzoeker in zijn beroepschrift onder meer wees op de opmerkelijke vooruitgang in het tweede semester en het slaagcijfer op het eindexamen voor het richtingvak wiskunde, naast de positieve evolutie voor het vak chemie. De beroepscommissie overweegt dat zij de bewering van de raadsman heeft afgetoetst aan de evolutie van de resultaten. Zij stelt hierbij vast dat er niet alleen een positieve evolutie heeft plaatsgevonden maar er voor bepaalde vakken, onder meer chemie, economie, Nederlands en aardrijkskunde, een negatieve evolutie is in de examenresultaten en er ook voor de vakken met gespreide evaluatie een achteruitgang is. Ook heeft zij moeten vaststellen dat er lopende het jaar vanaf oktober talrijke schriftelijke waarschuwingen werden gegeven, dat ook de eindbeslissing voor IVO1 EC WI een waarschuwing inhield waarbij werd gesteld dat hij de stof goed moest bijhouden en extra oefeningen moest maken, dat de houding van de leerling tijdens het schooljaar niet getuigde van een positieve respons op de diverse waarschuwingen en dat de leerkracht chemie vermeldt dat op een bijkomende extra uitleg op 30 mei 2023 verzoeker niet aanwezig was. Dat verzoeker voor de examenresultaten van bepaalde vakken in het tweede semester een negatieve evolutie kende, alsook een achteruitgang voor vakken met gespreide evaluatie, is op het eerste gezicht niet relevant. Vastgesteld wordt immers dat voor al deze examens slaagcijfers - met uitzondering van het vak Nederlands waarvoor verzoeker op jaarbasis is geslaagd - en voor de vakken met gespreide evaluatie jaarslaagcijfers voorliggen. Bovendien kan dit antwoord niet in verband worden gebracht met verzoekers grief dat na de medicatie voor de IX-10.350-30/34 aandachtstoornis er een positieve evolutie voor het richtingbepalend vak wiskunde en voor het vak chemie was en zijn aandoening bijgevolg een impact heeft gehad op zijn resultaten.
- Het motief dat er in de loop van het schooljaar talrijke waarschuwingen aan verzoeker zijn gegeven en de klassenraad zijn bezorgdheid heeft uitgedrukt, gaat er aan voorbij dat verzoeker deze waarschuwingen voor de meeste vakken heeft kunnen ombuigen naar slaagcijfers. De overweging van de beroepscommissie dat de houding van verzoeker niet getuigde van een positieve respons op diverse waarschuwingen, lijkt dan ook onjuist, temeer nu de representativiteit van de cijfers voor de vakken wiskunde en chemie, waarvoor verzoeker in het tweede semester ook een waarschuwing heeft gekregen, door hem wordt betwist en de omstandigheid dat verzoeker éénmalig niet aanwezig was op de bijkomende extra uitleg van de leerkracht chemie, op het eerste gezicht niet terzake dienend lijkt omdat hij via zelfstudie een slaagresultaat van 7,5/13 behaalde op dit onderdeel zoals blijkt uit het bericht van de leerkracht chemie. De motivering van de beroepscommissie waardoor zou zijn tegemoetgekomen aan de bezwaren van de Raad van State, kan bijgevolg opnieuw niet deugdelijk worden bevonden.
- De beroepscommissie is ook ingegaan op verzoekers grief dat de leerplannen van de derde graad graadleerplannen zijn, wat wil zeggen dat de omschreven leerplandoelen in voldoende mate bereikt moeten zijn op het einde van de graad, en het daarom geen vereiste is, om geslaagd te worden verklaard, dat de leerling voor elk opleidingsonderdeel afzonderlijk is geslaagd. Zij antwoordt dat de school heeft beslist sommige leerplandoelen te behandelen in het vijfde jaar en andere doelen in het zesde jaar en dat als de doelen in het vijfde jaar niet voldoende gerealiseerd zijn ze ook niet in de graad gerealiseerd zijn, zodat de klassenraad of de beroepscommissie kan concluderen dat de leerling de doelen niet heeft bereikt en er onvoldoende basis is om naar het zesde jaar te gaan. IX-10.350-31/34 Dergelijke algemene formulering omtrent de graadleerplannen, laten verzoeker evenwel niet toe inzicht te krijgen in de concrete motieven die aan de basis liggen van de beslissing van de beroepscommissie om te stellen dat de basiskennis en vaardigheden onvoldoende zijn om over te gaan naar het tweede jaar van de derde graad. Deze algemene stelling wordt niet getoetst aan de situatie van verzoeker. Zo licht de beroepscommissie op geen enkele wijze toe welke leerplandoelstellingen verzoeker in het vijfde jaar niet in voldoende mate heeft behaald en evenmin wordt aannemelijk gemaakt waarom deze niet behaalde leerplandoelen nu al een reden vormen om verzoeker het vijfde jaar opnieuw te laten overdoen, ondanks het feit dat de leerplandoelen in de derde graad in beginsel graadleerplannen zijn.
- Bijgevolg dient, in de huidige stand van de rechtspleging, andermaal te worden besloten dat de beroepscommissie, na bezwaar daaromtrent van verzoeker, evenmin deugdelijk tot het besluit is gekomen dat de cijfers van verzoeker representatief zijn, zodat het de bestreden beslissing nogmaals ontbreekt aan een schragend motief, nu het op het eerste gezicht het alleen de niet deugdelijk bevonden jaartekorten zijn die de beslissing van de beroepscommissie lijken te dragen. Het tweede middel is in de aangegeven mate ernstig. VII. Conclusie
- Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING IX-10.350-32/34
- De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de beroepscommissie van het Virga Jessecollege Hasselt van 25 september 2023 waarbij deze heeft beslist om de beslissing van de delibererende klassenraad (en bijgevolg het studiebewijs ‘oriënteringsattest C’) te handhaven.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.350-33/34 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien oktober tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, wnd. kamervoorzitter, staatsraad bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Chantal Bamps IX-10.350-34/34 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.690 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.721 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div