id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.694 Rolnummer: A. 233703/X-17942 Zaak: Arrest 257694 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 20/10/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-10-27 Raadplegingen: 131 - laatst gezien 2026-06-10 14:25 Fiche Arrest nr 257.694 van 20 oktober 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 257.694 van 20 oktober 2023 in de zaak A. é.703/X-17.942 In zake : de NV AJINOMOTO OMNICHEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Colin De Beir kantoor houdend te 9500 Geraardsbergen Pastorijstraat 19 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann- Sophie Claus kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV DE VLAAMSE WATERWEG bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Vernaillen kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 mei 2021, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 26 februari 2021 houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Zeeschelde Gent-Brugge-Melle en Bastenakkers-Ham’. X-17.942-1/29 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 19 juli
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 oktober
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Daan Lernout, die loco advocaat Colin De Beir verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Anne-Sophie Claus, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Maarten van den Nieuwenhuijzen, die loco advocaat Sven Vernaillen verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- X-17.942-2/29 III. Feiten 3.
- De planprocedure die geleid heeft tot het bestreden besluit, heeft betrekking op, enerzijds, de site van een voormalige zandwinningsput langs de Schelde op het grondgebied van Melle (‘Voormalige zandwinningsput Melle’) en, anderzijds, de deelgebieden ‘Bastenakkers’ en ‘Ham’, gelegen stroomafwaarts langs diezelfde Schelde bij Wetteren: ‘Voormalige zandwinningsput Melle’ gebied gebied ‘Bastenakkers’ ‘Ham’ 3.
- Het deelgebied ‘Bastenakkers’ is door het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan Gentse en Kanaalzone bestemd tot ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’, met grotendeels de overdruk ‘valleigebied’. Het deelgebied ‘Ham’ is deels bestemd tot ‘natuurgebied’, deels tot ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’ met overdruk ‘valleigebied’: X-17.942-3/29 gebied ‘Ham’ gebied ‘Bastenakkers’ 3.
- De verzoekende partij baat onmiddellijk naast de deelgebieden ‘Bastenakkers’ en ‘Ham’ een chemisch bedrijf, tevens een hoge drempel Seveso-inrichting, uit. Daarnaast bevindt zich het bedrijf Recticel, evenzeer een hoge drempel Seveso-inrichting: Recticel verzoekende partij X-17.942-4/29 3.
- De verwerende partij wil de deelgebieden ‘Bastenakkers’ en ‘Ham’ inschakelen in het plan om het overstromingsrisico in het Zeescheldebekken te beheersen. De beide deelgebieden zullen fungeren als gecontroleerd overstromingsgebied (GOG), waarbij in het deelgebied ‘Bastenakkers’ landbouw mogelijk moet blijven, terwijl het deelgebied ‘Ham’ zal worden ingericht als gereduceerd getijdengebied (GGG) met getijdennatuur (slikken en schorren). De huidige dijk langs de Schelde zal ter hoogte van de beide deelgebieden met een halve meter worden verlaagd en tegelijk worden verstevigd om te kunnen dienen als overloop- of overstroombare dijk. Om het achterland te beschermen moet er aan de buitenrand van de beide deelgebieden ook een nieuwe ringdijk komen. Tenslotte blijven de beide deelgebieden mede bestemd voor plattelandsrecreatie, en wordt op de bestaande heuvel in het oosten van het deelgebied ‘Ham’ de aanleg van een speelbos voorzien. 3.
- Voor het plangebied wordt een plan-milieueffectrapport (plan-MER), met een passende beoordeling, opgemaakt, dat de dienst Milieueffectrapportage (dienst-Mer) van de Vlaamse overheid op 5 augustus 2014 goedkeurt. In het plan-MER wordt met betrekking tot het deelgebied ‘Ham’ en de situatie van de verzoekende partij het volgende gesteld: “Voor het gebied Ham bestaat een ruimtelijke inrichtingsvisie, opgemaakt door gemeente Wetteren, Scheppersinstituut en chemisch bedrijf Ajinomoto Omnichem. Het overgrote deel van het gebied Ham werd in die bestaande inrichtingsvisie voorzien als natte moerasnatuur. In de inrichtingsvisie van W&Z wordt in het gebied Ham naast de veiligheidsfunctie als gecontroleerd overstromingsgebied (GOG) een inrichting met getijdennatuur voorzien als gereduceerd getijdengebied (GOG-GGG). De toedracht hiervoor vindt haar oorsprong in een natuurcompensatieplan in het kader van de herinrichting van de Zeeschelde tussen Gentbrugge en Melle. Het deelgebied Ham biedt de mogelijkheid om de natuurcompensatie (ca. 23 ha), die vanuit het geïntegreerd plan Zeeschelde Gentbrugge-Melle in het gebied Bastenakkers voorzien wordt, een plaats te geven. Concreet betekent dit dat Ham als GOG met GGG-invulling (getijdennatuur met slikken en schorren) ingericht zal worden. Dit gebied vult daarmee zowel de veiligheids- als natuurlijkheidsdoelstelling in. In het gedeelte van Ham dat binnen de nieuwe ringdijk ligt, zal gecontroleerd een gereduceerd getij toegelaten worden. Het gereduceerde X-17.942-5/29 karakter wijst op een kleiner verschil tussen maximale en minimale waterstand in het gereduceerde getijdengebied in vergelijking met de getijslag op de Schelde. De inrichting als gereduceerd getijdengebied wordt gekenmerkt door een beperkte hoeveelheid Zeescheldewater die elke getijcyclus in- en uit het gebied stroomt. Het instellen van een getij maakt de ontwikkeling en herneming van waardevolle getijdennatuur met slikken en schorren mogelijk.” En: “Voor het gebied Ham bestaat een ruimtelijke inrichtingsvisie, opgemaakt door [de] gemeente Wetteren, Scheppersinstituut en het bedrijf Ajinomoto Omnichem. Het overgrote deel van het gebied Ham werd in die bestaande inrichtingsvisie, (volgens het inrichtingsplan opgemaakt door de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) in 2009), voorzien als natte moerasnatuur. De nu voorziene inrichting van deelgebied Ham van het gecontroleerd overstromingsgebied Bastenakkers, steunt maximaal op de inrichtingsvisie voor Ham opgesteld door de gemeente Wetteren, Ajinomoto Omnichem en het Scheppersinstituut. In het inrichtingsplan van Waterwegen en Zeekanaal NV wordt in het gebied Ham naast de veiligheidsfunctie als gecontroleerd overstromingsgebied (GOG) een inrichting met getijdennatuur (ca. 23 ha) voorzien als gereduceerd getijdengebied (GGG). De toedracht hiervoor vindt haar oorsprong in een natuurcompensatieplan in het kader van de herinrichting van de Zeeschelde tussen Gentbrugge en Melle. Het laten functioneren van deelgebied Ham als een gecontroleerd gereduceerd getijdengebied impliceert de bouw van een ringdijk rondom het gebied (ca. 1.200 m). Het tracé van de ringdijk zoekt een evenwicht tussen het volgen van de topografie (hoogteverschillen) en het vrijwaren van grote landschappelijke gehelen. De ringdijk volgt maximaal de grens tussen hoger en lager gelegen gronden. Enkel noordelijk doorsnijdt de dijk de grote ophoging waarop het speelbos is ingepland. In functie van zicht en waterafvoer wordt er in het oosten een bufferruimte (vrije strook) voorzien. Ruimte voor de door Ajinomoto Omnichem geplande captatiebekkens voor Scheldewater wordt gereserveerd ter hoogte van het westelijk deel van de oude Scheldemeander. Tussen de Zeeschelde en het kasteelpark kunnen 4 bekkens gerealiseerd worden en ontsloten via het terrein van Ajinomoto Omnichem. Hiervoor kan een nieuwe dienstweg gerealiseerd worden, aangrenzend aan de bekkens. De ringdijk bevindt zich onmiddellijk naast de oostelijke rand van de ruimte voor waterbekkens. Het deelgebied Ham zal van de Zeeschelde gescheiden worden door een overloopdijk met niveau 6.80 m TAW (ca. 750 m), waardoor Ham in werking zal treden als GOG vanaf een storm met herhalingstijd van ongeveer 25 jaar. Aan het einde van het oostelijk deel van de oude Scheldemeander wordt één in- en uitwateringssluis gebouwd (niveau inlaat 4,40 m TAW en uitlaat 2,55 m TAW), zodat het gebied kan functioneren als GGG. Het gereduceerde karakter wijst op een kleiner verschil tussen maximale en minimale waterstand in het gereduceerde getijdengebied in vergelijking met de getijslag op de Schelde. Bij hoogwater op de Schelde stroomt een beperkte hoeveelheid water door een inwateringssluis in de X-17.942-6/29 Scheldedijk in het gebied. Wanneer de waterstand in de Schelde opnieuw daalt naar laagwater, trekt het water zich ook uit het gereduceerd getijdengebied terug. Het water stroomt door een uitwateringssluis, in eenzelfde structuur samen met de inwateringssluis voorzien, naar de Schelde. De afmetingen van de uitwateringssluis worden bepaald door de noodzakelijke uitwateringscapaciteit van het deelgebied Ham als GOG. Door het instellen van een getij zal zich binnen het GGG een groot gebied met waardevolle getijdennatuur ontwikkelen. Het oostelijk deel van de oude meander dat binnen het GGG valt, zal als ‘hoofdgeul’ het Zeescheldewater in en uit Ham voeren. De in- en uitwateringssluis in de overloopdijk worden ter hoogte van deze meander voorzien. Als een steeds aanwezig watervlak, begrensd door de oude Scheldedijk, zal de oorspronkelijke loop van de Schelde leesbaar gehouden worden. Deelgebied Ham ligt momenteel op ca. 4-5 m TAW. Voor de ontwikkeling van getijdennatuur wordt enkel de geul verdiept tot ca. 2 m TAW. Verder zijn geen grondwerken noodzakelijk, gezien voldoende oppervlak dagelijks kan overstromen (zie Figuur 4-22). Echter om knijtenoverlast naar de omwonenden te vermijden wordt een schorrug aangelegd, door middel van intern grondverzet (zie Figuur 4-23). Om de afwatering van hemelwater van de omliggende gebieden te herstellen na het realiseren van de ringdijk is een nieuwe ringgracht aan de landzijde van de ringdijk noodzakelijk. De ringdijk zelf wordt een belangrijk structurerend element en is getransformeerd tot een (bos)strip met verschillende functies (naast zijn beschermings-/veiligheidsfunctie). Voor het functionele fietsverkeer ontstaat binnen dit project een interessant traject voor schoolgaande jeugd. Rekening houdend met de plannen voor een geoptimaliseerde fiets-/voetgangersoversteek over de Zeeschelde (cfr. Wetteren aan de Schelde) zal het in de toekomst mogelijk zijn om vanaf het centrum via de Zeescheldedijk (linkeroever) en vervolgens de nieuwe ringdijk van GOG-GGG Ham het Scheppersinstituut te bereiken. Deze route zou volledig gescheiden zijn van de Cooppallaan. Er wordt dan ook een jaagpad gerealiseerd op de ringdijk tussen de huidige Scheldedijk en het kruispunt Voordestraat-Coopallaan. Verder naar het westen wordt een ingezaaid jaagpad voorzien, met een ontoegankelijk uitzicht maar een functionele toegankelijkheid voor dienstvoertuigen. Dit principe, eventueel aangevuld met een fysieke afscherming van de toegang wordt toegepast omwille van controle en veiligheid ter hoogte van de waterbekkens, en beperking van de rustverstoring in het westelijk deel van Ham. Het oostelijk deel van het GGG wordt toegankelijk gemaakt voor recreanten (natuurbeleving, educatie, speelbos). Op de hoger gelegen gronden in de GGG, nabij de ringdijk ter hoogte van de Peperstraat, wordt als een eiland een speelbos voorzien en is voorbehouden als speelzone voor jeugdverenigingen, scholen, buurtbewoners, recreanten. Om dit beeld van een eiland te versterken wordt een deel van de hoge gronden, aan de voet van de ringdijk licht afgegraven en de heuvel zelf (met de afgegraven grond) licht verhoogd. De oude Scheldedijk is behouden en is betreedbaar. Hij maakt het centrale deel van het GGG bereikbaar vanaf de huidige Scheldedijk en de nieuwe ringdijk. De ringdijk, het speelbos en de oude Scheldedijk worden met elkaar verbonden door een nieuw vlonderpad. Het biedt nog meer mogelijkheden om de werking van het GGG sterker te X-17.942-7/29 beleven. Als een zwevend pad doorkruist het de getijdennatuur van slikken en schorren. Aan het vlonderpad wordt een uitkijkplek en een verlaagde steiger gekoppeld.” Op deze uitleg volgt de volgende figuur ‘4-21 Inrichtingsplan deelgebied Ham’ in het plan-MER: Verder staat in het plan-MER: “Ham: De twee grondeigenaars in het gebied, bedrijf Omnichem/Ajinomoto en [de] gemeente Wetteren, willen samen met het Scheppersinstituut (= de school die ten noorden van het gebied is gelegen) het gebied omvormen tot een natuurgebied. De Vlaamse landmaatschappij maakte in 2009 een inrichtingsplan voor dit gebied op. Dit plan voorzag graslanden, moeraszones, een speelbos en enkele amfibieënpoelen. Voor de realisatie van dit plan zou het waterpeil in dit gebied verhoogd worden. Sinds augustus 2009 voert Natuurpunt, afdeling Scheldeland, een verschralingsbeheer uit van de graslanden in eigendom van de gemeente. Verwacht kan worden dat in 2020 het gebied dus bestaat uit botanisch waardevolle overstromingsgraslanden, een moeras en een (jong) speelbos van inheemse loofboomsoorten.” 3.
- Op 24 december 2018 vindt een plenaire vergadering over het voorontwerp van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) ‘Zeeschelde Gentbrugge-Melle en Bastenakkers-Ham’ plaats. X-17.942-8/29 3.
- Op 18 februari 2019 laat het team Externe Veiligheid van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid weten dat voor het plan geen ruimtelijk veiligheidsrapport (RVR) moet worden opgemaakt. 3.
- Op 27 februari 2019 verleent de Vlaamse Strategische Adviesraad voor Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed (SARO) een voorwaardelijk gunstig advies over het planinitiatief. De SARO adviseert dat “[v]anuit een principe van behoorlijk bestuur en voorzorg” een volwaardig omgevingsveiligheidsrapport noodzakelijk is. 3.
- De Vlaamse regering stelt met een besluit van 15 mei 2020 het ontwerp van het gewestelijk RUP ‘Zeeschelde Gentbrugge-Melle en Bastenakkers-Ham’ voorlopig vast. 3.
- Gedurende het openbaar onderzoek dat van 9 juni 2020 tot 7 augustus 2020 over het ontwerp van het gewestelijk RUP plaatsvindt, worden 123 individuele bezwaarschriften en een petitie ingediend. Ook de verzoekende partij dient een bezwaarschrift in. 3.
- Op 15 januari 2021 beslist de Vlaamse regering tot een verlenging van de termijn voor het definitief vaststellen van het plan. 3.
- Op 18 januari 2021 verstrekt de afdeling Wetgeving van de Raad van State het advies 68.703/1 over het ontwerp. 3.
- Met het bestreden besluit van 26 februari 2021 stelt de Vlaamse regering het gewestelijk RUP ‘Zeeschelde Gentbrugge-Melle en Bastenakkers-Ham’ definitief vast. Het grafisch plan daarbij is het volgende: X-17.942-9/29 De deelgebieden ‘Bastenakkers’ en ‘Ham’ vormen samen het deelgebied ‘Cluster Bastenakkers-Ham’ van het gewestelijk RUP. Het gebied Bastenakkers krijgt een bestemming als agrarisch gebied met ecologisch belang, waarbij de hoofdbestemming voor beroepslandbouw gepaard gaat met een bouwverbod voor gebouwen en vergelijkbare constructies, en waarbij landbouw “slechts toegelaten [is] voor zover de natuurwaarden van het gebied in stand gehouden worden”. Voorts zijn in het gebied alle handelingen toegestaan die nodig of nuttig zijn voor het behoud en herstel van het waterbergend vermogen van rivier- en beekvalleien, het behoud en herstel van de structuurkenmerken van de rivier- en beeksystemen, de waterkwaliteit en de verbindingsfunctie, het behoud, het herstel en de ontwikkeling van overstromingsgebieden, het beheersen van overstromingen of het voorkomen van wateroverlast in voor bebouwing bestemde gebieden en het voorkomen van droogte, en het beveiligen van vergunde of vergund geachte bebouwing en infrastructuren tegen overstromingen voor zover gebruik gemaakt wordt van de technieken van natuurtechnische milieubouw. Tenslotte is landbouw in het deelgebied ‘Bastenakkers’ slechts toegelaten voor zover deze verenigbaar is “met de waterbeheerfunctie van het gebied en het waterbergend vermogen van rivier- en beekvalleien niet doen afnemen”. X-17.942-10/29 Het deelgebied ‘Ham’ krijgt, net als het deelgebied ‘Voormalige zandwinningsput Melle’, de bestemming natuurgebied (artikel 2) met overdruk grote eenheid natuur (artikel 2.3), met uitzondering van de locatie voor het speelbos in Ham dat die overdruk niet krijgt. Het grafische plan voor het specifieke gebiedsdeel ‘Ham’ is het volgende: De toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften van het gewestelijk RUP luiden: “Artikel
- Natuurgebied Artikel 2.1 Het gebied is bestemd voor de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur, het natuurlijk milieu en bos. Alle handelingen die nodig of nuttig zijn voor de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van de natuur, het natuurlijk milieu en van de landschapswaarden zijn toegelaten. Het aanbrengen van kleinschalige infrastructuur in functie van de sociale, educatieve en recreatieve functies van het natuurgebied is toegelaten voor X-17.942-11/29 zover de ruimtelijk-ecologische draagkracht van het natuurgebied niet overschreden wordt. Artikel 2.2 Handelingen die nodig of nuttig zijn voor: - het behoud en herstel van het waterbergend vermogen van rivier- en beekvalleien, - het behoud en herstel van de structuurkenmerken van de rivier- en beeksystemen, de waterkwaliteit en de verbindingsfunctie, - het behoud, het herstel en de ontwikkeling van overstromingsgebieden, het beheersen van overstromingen of het voorkomen van wateroverlast in voor bebouwing bestemde gebieden en het voorkomen van droogte, - het beveiligen van vergunde of vergund geachte bebouwing en infrastructuren tegen overstromingen zijn toegelaten voor zover daarbij gebruik wordt gemaakt van de technieken van natuurtechnische milieubouw De in artikel 2.1 genoemde handelingen kunnen slechts toegelaten worden voor zover ze verenigbaar zijn met de waterbeheerfunctie van het gebied en het waterbergend vermogen van rivier- en beekvalleien niet doen afnemen. Artikel 2.3 Aanduiding in overdruk Het gebied behoort tot de bestemmingscategorie van de grondkleur. Het in overdruk aangeduide gebied is een grote eenheid natuur.” 3.
- Van het bestreden gewestelijk RUP wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 maart
- IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.
- De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending aan van “de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen [hierna: de motiveringswet] en van de beginselen van behoorlijk bestuur, en met name van het X-17.942-12/29 zorgvuldigheidsbeginsel, van het redelijkheidsbeginsel en van de materiële motiveringsplicht [,] de schending van artikel 13, tweede lid van de Richtlijn Seveso III (zie ook artikel 25 van het Samenwerkingsakkoord van 16 februari 2016 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken)”. Zij betoogt dat het bestreden besluit is gebaseerd op een “vage, summiere en nietszeggende motivering”, waar in de nabijheid van haar “hoge drempel”-Seveso-bedrijf “een GOG/GGG annex waardevol natuurgebied wordt ingericht”. Zij meent dat er geen “cijfermatig/wetenschappelijk onderbouwde garantie” bestaat voor “de goede technische werking (lees: aanwezigheid van afdoende bergingscapaciteit) van het GOG/GGG binnen ‘Ham’ terwijl een dergelijke modellering/berekening voor andere (project)gebieden binnen het Sigmaplan wél is gebeurd”. Voorts bevat het bestreden besluit geen enkele motivering “waarom nu nét het gebied ‘Ham’, binnen het volledige Sigmaplangebied als het ‘Meest Wenselijk Alternatief’ werd weerhouden […] én evenmin alternatieven voor de ‘Ham’ werden onderzocht/bekeken”. Initieel zou het Sigmaplan hebben voorzien “dat het beter was/is de buffercapaciteit te voorzien in één groter gebied (in casu ‘Bastenakkers’), in plaats van de vereiste buffercapaciteit te spreiden over twee locaties (in casu ‘Bastenakkers’ en ‘Ham’) zoals het bestreden besluit doet”. Na de realisatie van het deelgebied ‘Ham’ zal dit gebied bovendien worden aangeduid als speciale beschermingszone (SBZ) en/of VEN-gebied, wat “verregaande consequenties” zal hebben voor de verzoekende partij, “onder meer op het vlak van vergunningverlening (verplichte ‘passende beoordeling’ en ‘verscherpte natuurtoets’ bij elke aanvraag van een nieuwe omgevingsvergunning)”. De planopties voor het deelgebied ‘Ham’ druisen dan ook in tegen “de inhoud en ratio legis” van de in hoofding van het middel geschonden geachte Seveso III-richtlijn en het samenwerkingsakkoord. De verzoekende partij meent dat een en ander “zelfs voor een leek” vaststelbaar is. 4.
- In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat zij zich in het middel niet enkel beroept op de motiveringswet, maar ook op “de materiële motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur”. Zij meent dat X-17.942-13/29 kennelijk niet werd gezocht naar locatiealternatieven voor het deelgebied ‘Ham’ “binnen het volledige Sigmaplangebied”. In het plan-MER is bovendien enkel sprake van de inrichting van het gebied ‘Ham’ “als GOG (en dus niet als GGG)”. Het getuigt dan ook van “manifeste onredelijkheid” om het deelgebied ‘Ham’ toch te willen inrichten als een GGG. De verwerende partij kan in haar memorie van antwoord geen motiveringsgebreken rechtzetten waarmee het bestreden besluit is behept. Er werd nooit enige studie uitgevoerd naar de buffercapaciteit van het deelgebied ‘Ham’. Het deelgebied ‘Ham’ zal nooit functioneren zoals bedoeld, terwijl voor andere gebieden binnen het Sigmaplan wél een ernstige “modellering/berekening” is gebeurd. In het plan-MER dat dateert van 2014 werd “per definitie” nooit de impact op de bedrijvigheid van de verzoekende partij onderzocht van de bestemming van het deelgebied ‘Ham’ “als GOG/GGG annex natuurgebied met overdruk Grote Eenheid Natuur (als onderdeel van het Vlaams Ecologisch Netwerk)”. Het advies van het team Externe Veiligheid van het departement Omgeving is ten slotte “van nul en generlei waarde”. Beoordeling 5.
- Zoals de verwerende partij en de tussenkomende partij doen gelden, vindt de motiveringswet geen toepassing op het bestreden besluit, dat een reglementaire akte is. Het middel is in zoverre onontvankelijk. 5.
- De verzoekende partij gaat in haar kritiek goeddeels voorbij aan de elementen in het dossier die duidelijk maken op welke manier het bestreden besluit is tot stand gekomen, en welke methodiek werd gevolgd om de planmaatregelen vast te leggen. Daarbij moet worden vastgesteld dat de planvoorschriften voor het deelgebied ‘Ham’ niet gebaseerd zijn op een “vage, summiere en nietszeggende motivering”, zoals de verzoekende partij ten onrechte beweert. Tot de opname van het deelgebied ‘Ham’ in het bestreden gewestelijk RUP werd finaal beslist op basis van een door de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) uitgevoerde landbouweffectstudie die uitwees dat het aangewezen was om de voorziene oppervlakte voor overstromingsgebied in het X-17.942-14/29 deelgebied ‘Bastenakkers’ te reduceren door een aantal percelen met intensieve tuinbouw en sierteelt in het noorden van dat gebied uit het geplande GOG te lichten. Niet enkel wordt dit duidelijk toegelicht in de toelichtende nota bij het bestreden gewestelijk RUP, ook wordt dit betrokken bij de opmaak van het plan-MER. Een en ander heeft dan geleid tot grenscorrecties van het deelgebied ‘Bastenakkers’ en het toevoegen van het deelgebied ‘Ham’. 5.
- Dat er geen (locatie)alternatieven voor de combinatie van de deelgebieden ‘Bastenakkers’ en ‘Ham’ zouden zijn onderzocht, kan geen bijval vinden. In het plan-MER zijn dienaangaande overwegingen terug te vinden met betrekking tot het niet aannemen van een locatiealternatief ter hoogte van de Kalkense Meersen (plan-MER, p. 94): “Niet behouden : GOG Kalkense Meersen i.p.v. GOG Bastenakkers Een andere denkbare optie, die meerdere malen aangehaald is tijdens het participatief voortraject, houdt de realisatie in van een GOG in het gebied Kalkense Meersen, in het MWeA voorzien als ‘wetland’. De bijdrage aan de veiligheidsdoelstellingen door GOG Bastenakkers zoals beschreven in het MWeA is noodzakelijk ter plaatse van Bastenakkers. De specifieke locatie van elk GOG langs de Zeeschelde moet gezien worden als een schakel in een volledige keten. Bastenakkers is het meest stroomopwaarts gelegen GOG langs de Zeeschelde, waar de bovenafvoer vanuit Gent de grootste invloed heeft. Om ongecontroleerde overstromingen stroomopwaarts van Wetteren te voorkomen is een GOG noodzakelijk ter plaatse van Bastenakkers.” Verder worden in het plan-MER ook uitspraken gedaan over het locatiealternatief ‘Neerhekkers’ (plan-MER, p. 95): “Gebied Neerhekkers werd niet weerhouden om ingericht te worden als GOG, omwille van de noodzaak van het behoud en uitbreiding aan bufferruimte voor de bovenafvoer en capaciteit van het pompstation van Voorde. Indien Neerhekkers als GOG voorzien zou worden, dient een locatie voor een nieuw pompstation gezocht te worden op de hoger gelegen percelen verder van de Zeeschelde. Het huidige gebruik op die hoger gelegen percelen (bewoning, industrie, intensieve tuinbouw en sierteelt) laat dit niet toe.” De verzoekende partij gaat bij de uiteenzetting van het middel in haar verzoekschrift niet in op deze alternatieven, die, anders dan zij in haar laatste memorie voorhoudt, te dezen wel degelijk relevantie hebben. Evenmin gaat zij X-17.942-15/29 overigens in op de relevantie van het voorzien van een nieuwe sluis in Heusden, zoals uiteengezet op bladzijde 187 van het plan-MER: “Het inschakelen van de ontpoldering te Melle (voormalige zandwinningsput), het aanpassen van de overstromingscontour te Bastenakkers en het toevoegen van Ham als overstromingsgebied en het optimaliseren van de overloophoogtes van de overstromingsgebieden heeft er voor gezorgd dat het voorzien van een sluis te Heusden de gewenste veiligheid tegen overstromingen in de Zeeschelde (zoals gedefinieerd in het MWeA) niet aantast. De beoordeling van het effect is neutraal (score 0). Wel zal de dagelijkse (gemiddelde) getijslag in het studiegebied iets toenemen (Tabel 7-27), maar dit kan als beperkt genoemd worden. Wateroverlast of verdroging worden niet verwacht. Opgemerkt dient te worden dat dit de realisatie van één van de plandoelstellingen is (veiligheidsdoelstelling). Het verlies aan waterbergingsvolume stroomopwaarts door de aanleg van een sluis te Heusden wordt deels gecompenseerd door de ontpoldering van de voormalige zandwinningsput te Melle en de overstromingsgebieden Bastenakkers-Ham. In dit geval zou kunnen gesteld worden dat dit plan een deel van de beschikbare potentiële bergingscapaciteit, een capaciteit die in de toekomst bijvoorbeeld in het kader van klimaatadaptatie nog nodig zou kunnen zijn, hypothekeert. Het geactualiseerd Sigmaplan houdt enerzijds reeds rekening met klimaateffecten en kan de eerstkomende decennia dit verlies aan bergingscapaciteit opvangen, anderzijds zou dit op de langere termijn betekenen dat hierdoor de Sigmaplan reservegebieden eerder zouden moeten aangesproken worden dan voorzien. Maar uit Tabel 7-28 blijkt dat de gemiddelde hoogwaterstand ter hoogte van overstromingsgebied Bastenakkers met of zonder sluis weinig of niet verandert dus moet die hypotheek niet overschat worden.” 5.
- De stelling van de verzoekende partij dat er geen “cijfermatig/ wetenschappelijk onderbouwde garantie” bestaat voor “de goede technische werking (lees: aanwezigheid van afdoende bergingscapaciteit) van het GOG/GGG binnen ‘Ham’”, gaat voorts voorbij aan de bevindingen in het plan-MER met betrekking tot dit aspect (plan-MER, pp. 170-197 plan-MER). Met de tussenkomende partij moet tevens worden aangenomen dat het GOG-GGG ‘Ham’ een gecontroleerd overstromingsgebied betreft met een natuurinvulling, die te dezen geen afbreuk blijkt te doen aan de GOG-functie. Bij verwachte extreme stormpeilen wordt het GGG dichtgezet zodat dit functioneert zoals een GOG. Een “gebrek aan bergingscapaciteit van de ‘Ham’ als GGG” wordt door de verzoekende partij niet overtuigend aangetoond en is niet van aard het bestreden besluit te vitiëren. Evenmin doet de verzoekende partij aannemen dat de X-17.942-16/29 vooropgestelde oplossing – aanleg GOG/GGG binnen het deelgebied ‘Ham’ – niet adequaat zou zijn. Ten slotte zij opgemerkt dat aan de concrete inrichting van het deelgebied ‘Bastenakkers – Ham’ als GOG/GGG nog een project-MER zal dienen vooraf te gaan, met gebeurlijk nadere maatregelen waaromtrent het bestreden gewestelijk RUP geen voorschriften kan en moet bevatten. 5.
- De in verzoeksters laatste memorie weergegeven bedenkingen van haar “environmental manager” met betrekking tot de vraag hoe naar locatie-alternatieven moet worden gezocht, zijn niet van aard om het bestreden besluit te vitiëren. Waar de verzoekende partij eerst in haar laatste memorie een stuk 53 bijbrengt met “locatie-alternatieven binnen [het] volledig[e] Sigma plangebied”, is dit laattijdig en is het middel onontvankelijk. Evenzeer laattijdig en onontvankelijk is verzoeksters kritiek in haar laatste memorie dat “niet de minste bufferzone is voorzien” tussen het projectgebied ‘Ham’ en haar bedrijfsterrein, zoals nochtans wordt vereist door artikel 14.4.5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen’. In dit verband wordt ook opgemerkt dat het plan-MER vaststelt dat “[d]e nu voorziene inrichting van deelgebied Ham van het gecontroleerd overstromingsgebied Bastenakkers […] maximaal [steunt] op de inrichtingsvisie voor Ham opgesteld door de gemeente Wetteren, Ajinomoto Omnichem en het Scheppersinstituut” (zie randnummer 3.5). 5.
- Dat het deelgebied ‘Ham’, eens gerealiseerd en in functie als GOG/GGG, kan uitgroeien tot een SBZ, wat volgens de verzoekende partij verregaande consequenties kan hebben “onder meer op het vlak van vergunningverlening” – met een verplichte “passende beoordeling” – wordt door de plannende overheid niet ontkend. De conclusie in het plan-MER luidt dat de eventualiteit dat het deelgebied ‘Ham’ evolueert naar een SBZ een “gering negatief (score -1)” effect oplevert, dat echter evengoed kan optreden in het nulalternatief, “gezien de huidige en toekomstig gewenste natuurontwikkeling”. De verzoekende X-17.942-17/29 partij gaat bij de uiteenzetting van het middel in haar verzoekschrift aan deze bevindingen voorbij. Zij maakt in die omstandigheden niet duidelijk hoe een en ander moet leiden tot de onwettigheid van het bestreden gewestelijk RUP. 5.
- Dat een “verscherpte natuurtoets” bij elke aanvraag tot omgevingsvergunning is vereist, ingevolge de opname van het grootste deel van het deelgebied ‘Ham’ in het VEN, is evenmin van aard om de onwettigheid van het bestreden plan aan te tonen. In dit verband zij nogmaals opgemerkt dat in het plan-MER wordt aangegeven dat voor het deelgebied ‘Ham’ een ruimtelijke inrichtingsvisie bestaat, opgemaakt door onder meer de verzoekende partij, dat het overgrote deel van het deelgebied voorziet als natte moerasnatuur. 5.
- De bewering van de verzoekende partij dat met de aanwezigheid van haar bedrijf geen rekening werd gehouden, wordt tegengesproken door de gegevens van het dossier. Zo blijkt uit het plan-MER dat ter hoogte van het westelijk deel van de oude Scheldemeander ten behoeve van de verzoekende partij ruimte wordt gereserveerd voor vier geplande captatiebekkens voor Scheldewater, waarvoor ook een nieuwe dienstweg kan worden gerealiseerd, grenzend aan de bekkens (plan-MER, p. 85). Elders in het plan-MER wordt ook uitdrukkelijk ingegaan op de “impact op bedrijvigheid” van het plan (plan-MER, p. 406): “Onmiddellijk grenzend aan het deelgebied Bastenakkers en Ham bevindt zich het industriegebied Stookte waar ook Seveso bedrijven gevestigd zijn. In alle alternatieven blijft de bestemming natuur en een deel van het deelgebied Ham bevestigd. In het planalternatief wordt ook het andere deel, dat momenteel bestemd is als agrarisch gebied met ecologisch belang, natuurgebied. In de huidige wetgeving wijzigt dit niets met betrekking tot de procedures of het verkrijgen van vergunningen. Bij een aanduiding als Europees beschermingsgebied (zoals de Schelde) zou dit wel een invloed kunnen hebben: bij een Europees beschermd gebied in de onmiddellijke nabijheid is er voor het verkrijgen van een milieuvergunning een bijkomend subadvies van het Agentschap Natuur en Bos vereist, en kan ook een passende beoordeling gevraagd worden. Er is op dit ogenblik geen afbakening als Vogelrichtlijngebied of Habitatrichtlijngebied gepland, maar er kan niet uitgesloten worden dat de natuurwaarden op zo’n manier evolueren dat een dergelijke aanduiding er op termijn komt. Ook moet er rekening gehouden worden met toekomstige wijzigingen in de wetgeving. Het is nog niet duidelijk hoe de geplande omgevingsvergunning hiermee X-17.942-18/29 zal omgaan, of wat de impact is van eventuele wijzigingen in de Seveso-wetgeving. Het effect wordt omwille van deze onzekerheid in alle alternatieven gering negatief (score -1) beoordeeld. In het nul+ alternatief is een afbakening als SBZ op lange termijn immers eveneens altijd mogelijk, gezien de huidige en toekomstig gewenste natuurontwikkeling.” 5.
- De verzoekende partij toont in de uiteenzetting van het middel in haar verzoekschrift tenslotte niet afdoende aan dat de voor het deelgebied ‘Ham’ vastgelegde planopties zouden indruisen tegen “de inhoud en ratio legis” van de in het middel geschonden geachte Seveso III-richtlijn en het samenwerkingsakkoord dat in dit verband werd afgesloten tussen de gewesten en de Belgische Staat. Uit het advies dat in dat verband door het team Externe Veiligheid van het departement Omgeving werd verstrekt, blijkt dat voor het bestreden gewestelijk RUP geen RVR diende te worden opgesteld. De verzoekende partij slaagt er niet in het tegendeel aan te tonen. Haar betoog dat het advies van het team Externe Veiligheid “van nul en generlei waarde” is, kan daartoe niet volstaan. 5.
- Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert in een tweede middel de schending aan van “artikel 2 van de [motiveringswet] en van het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur”. Zij argumenteert dat het bestreden besluit formeel enkel verwijst naar de beslissing van de Vlaamse regering van 22 juli 2005 ‘houdende de goedkeuring van het Geactualiseerd Sigmaplan’, waarin evenwel geen sprake was van het deelgebied ‘Ham’. Een chronologisch latere beslissing van de Vlaamse regering waarbij het deelgebied ‘Ham’ wél als “Meest Wenselijk Alternatief” wordt aangenomen, ligt niet voor. Het bestreden besluit is dan ook behept met een formeel motiveringsgebrek en getuigt van manifeste onzorgvuldigheid. Het X-17.942-19/29 bestreden gewestelijk RUP ontbeert “élke rechtsgrond/wettelijke basis […] om tot de inrichting van het projectgebied van de ‘Ham’ over te gaan”. Beoordeling 7.
- In zoverre een schending van de motiveringswet wordt aangevoerd, is het middel om de onder randnummer 5.1 vermelde reden onontvankelijk. 7.
- De opname van het deelgebied ‘Ham’ in het bestreden gewestelijk RUP is, zoals gezien (randnummer 5.2), het gevolg van de resultaten van een door de VLM uitgevoerde landbouweffectstudie, die uitwees dat het niet aangewezen was om het initieel volledig afgebakende deelgebied ‘Bastenakkers’ in het finale plan op te nemen. Het aangenomen deelgebied ‘Ham’ werd eerder in het plan-MER als potentieel overstromingsgebied onderzocht. 7.
- Er valt niet in te zien hoe de omstandigheid dat op de beslissing van de Vlaamse regering van 22 juli 2005 ‘houdende de goedkeuring van het Geactualiseerd Sigmaplan’ geen nieuwe, aangepaste beslissing van de Vlaamse regering is gevolgd, een probleem qua “rechtsgrond” of qua “wettelijke basis” van het bestreden gewestelijk RUP zou stellen. Het Sigmaplan betreft een beleidsbeslissing en kan niet worden beschouwd als “rechtsgrond” of “wettelijke basis” voor het bestreden gewestelijk RUP. 7.
- In zoverre de verzoekende partij eerst in haar laatste memorie een passage uit haar memorie van wederantwoord met betrekking tot het eerste middel bij huidig middel betrekt, is dit laattijdig en is het middel onontvankelijk. 7.
- Het middel wordt verworpen. X-17.942-20/29 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 8.
- De verzoekende partij voert in een derde middel de schending aan van “de artikelen 2 en 3 van de [motiveringswet] en van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht als beginselen van behoorlijk bestuur”. Zij bekritiseert het advies van het team Externe Veiligheid, op grond waarvan werd geoordeeld dat voor het bestreden gewestelijk RUP geen RVR dient te worden opgesteld. De verzoekende partij meent dat het bedoelde advies niet deugdelijk is gemotiveerd. Zij verwijst naar de Europese Seveso III-richtlijn die een voldoende veiligheidsafstand oplegt tussen Seveso-inrichtingen en zogenaamde “aandachtsgebieden”. Die verplichting geldt ook op het niveau van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, in het kader waarvan een RVR-toets moet worden doorgevoerd en desgevallend een RVR moet worden opgesteld. Overeenkomstig de criteria vervat in artikel 2, § 2, 2°, van het besluit van de Vlaamse regering van 26 januari 2007 ‘houdende nadere regels inzake de ruimtelijke veiligheidsrapportage’ is het deelgebied “Ham” een “aandachtsgebied”, zoals bedoeld in de Europese richtlijn, zeker gezien de overdruk als grote eenheid natuur (GEN), als onderdeel van het VEN, ingevolge het bestreden gewestelijk RUP. Het deelgebied ‘Ham’ moet overigens nu al worden gelijkgesteld met een SBZ. De SARO heeft geadviseerd om vanuit de principes van behoorlijk bestuur en het voorzorgsprincipe een RVR op te maken, waaraan evenwel geen gevolg werd gegeven. Dit wijst op een onzorgvuldige besluitvorming. Het advies van het team Externe Veiligheid bevat volgens de verzoekende partij trouwens een “ongerijmdheid”, waar de ene keer wordt verklaard dat het aspect “externe mensveiligheid” in ogenschouw is genomen, maar vervolgens wordt gesteld dat de scope van het advies ook “de risico’s voor het milieu” omvat. In ieder geval is het advies te summier gemotiveerd en is het te weinig concreet. X-17.942-21/29 8.
- In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat minstens “op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel” de opmaak van een RVR zich opdrong. Zij meent dat het advies van de SARO “helemaal niet zo ‘vaag’ is als de verwerende partij graag laat uitschijnen”. Beoordeling 9.
- De aangevoerde schending van de motiveringswet door het bestreden gewestelijk RUP, een reglementair besluit zijnde, is onontvankelijk. 9.
- De voorschriften die de uitvoering van een RVR bij de opmaak van een RUP regelen, zijn terug te vinden in hoofdstuk IV van titel IV van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ en in het besluit van de Vlaamse regering van 26 januari 2007 ‘houdende nadere regels inzake de ruimtelijke veiligheidsrapportage’. In de bijlagen bij dit laatste uitvoeringsbesluit worden de criteria verduidelijkt die moeten worden gehanteerd bij het uitvoeren van de ruimtelijke veiligheidsrapportagetoets en ter beoordeling van de rapportageplicht. 9.
- Het aangevoerde middel werpt geen schending op van de voormelde rechtsregels, wat de verzoekende partij zelf bevestigt in haar memorie van wederantwoord, waarin zij benadrukt dat er “op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel, als beginsel van behoorlijk bestuur, afdoende reden was om een ruimtelijk veiligheidsrapport op te maken”. Dat het deelgebied ‘Ham’ volgens de toepasselijke rechtsregels zou moeten worden beschouwd als een “aandachtsgebied”, volstaat niet om van dit laatste te overtuigen, nu ook het team Externe Veiligheid daar rekening heeft mee gehouden. Het komt verder niet aan de Raad van State toe om ambtshalve te onderzoeken of het bestreden gewestelijk RUP in het licht van de geldende rechtsregels en criteria inzake ruimtelijke veiligheidsrapportage al dan niet voorafgegaan diende te worden door een RVR. X-17.942-22/29 De verzoekende partij toont niet aan dat het advies van het team Externe Veiligheid van het departement Omgeving, volgens hetwelk geen RVR vereist is, niet draagkrachtig zou zijn. Op goede gronden werpt de verwerende partij tegen dat de verzoekende partij in het middel geenszins aantoont om welke concrete redenen de opmaak van een RVR zich zou opdringen. Verzoeksters betoog dat de SARO in haar “briefadvies” van 27 februari 2019 de mening vertolkte dat “[v]anuit een principe van behoorlijk bestuur en voorzorg […] de uitvoering van een volwaardig omgevingsveiligheidsrapport noodzakelijk” zou zijn, doet niet anders besluiten, nu dit advies evenmin in concreto aangeeft waarop die beweerde “noodzaak” is gebaseerd. 9.
- Het betoog van de verzoekende partij, tenslotte, dat het advies van het team Externe Veiligheid tegenstrijdig is omdat het, enerzijds, stelt dat het advies “specifiek betrekking [heeft] op het aspect externe mensveiligheid” en, anderzijds, stelt dat het voldoende elementen in handen heeft om de risico’s in te schatten waaraan mensen “en het milieu in de omgeving” blootgesteld worden, is evenmin van aard om te doen aannemen dat de plannende overheid zich ten onrechte op dit advies heeft gesteund. 9.
- Het middel wordt verworpen. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 10.
- De verzoekende partij voert in een vierde middel de schending aan van “de artikelen 2 en 3 van de [motiveringswet] en van het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht als beginselen van behoorlijk bestuur”. Zij betoogt dat de verwerende partij de in het plan-MER en in haar bezwaarschrift aangekaarte problematiek van de knijten onbeantwoord laat en doorschuift naar de fase van de omgevingsvergunning. De problematiek van de knijten zal het gevolg zijn van de geplande getijdennatuur, waaromtrent in het X-17.942-23/29 plan-MER milderende maatregelen aangewezen worden geacht. De verzoekende partij meent dat hiervoor in het bestreden plan zélf een rechtszekere oplossing moet worden geboden. De aanleg van de schorrug waarvan sprake in het plan-MER, wordt niet in de voorschriften van het plan geregeld, dit nog los van de vraag naar de effectiviteit van dergelijke maatregel. De schorrug is trouwens enkel bedoeld als een maatregel om knijtenoverlast voor de omwonenden te vermijden. De knijtenproblematiek werd in het plan-MER onvoldoende onderzocht, waarbij de actualiteit van het reeds van 2014 daterende plan-MER in vraag kan worden gesteld. Wat betreft de overlast door knijten is in het plan-MER slechts sprake van één uitgevoerde proef, waaromtrent geen nadere details worden vrijgegeven. De verzoekende partij wijst ook op de persaandacht die is gegaan naar een ware knijtenplaag op het grondgebied van de gemeente Wichelen, in de Kalkense Meersen, aan het Donkmeer en in de nabijgelegen woongebieden. Met die informatie werd op geen enkele manier rekening gehouden. Het getuigt niet van een duurzame ruimtelijke ordening om het risico te creëren dat de knijtenproblematiek naar het plangebied wordt verlegd. 10.
- De verzoekende partij stelt in haar memorie van wederantwoord dat de repliek van de verwerende partij tegenstrijdig is, waar, enerzijds, wordt gesteld dat zich ter plaatse geen knijtenplaag kan of zal voordoen, en, anderzijds, wel een schorrug als milderende maatregel wordt voorgesteld. De verwerende partij voert verder argumenten aan die niet terug te vinden zijn in het bestreden besluit. Een knijtenplaag mag niet worden onderschat en kan zich uitstrekken over een ruim gebied. Het is de bedoeling dat in het deelgebied ‘Ham’ slikken komen, die “de ideale broedplaats” zijn voor knijten. De vooropgestelde manipulatie van de waterstand in het gebied zou regelrecht indruisen tegen het principe van een GGG, dat er immers specifiek op gericht is om periodiek onder water te lopen. Beoordeling 11.
- De aangevoerde schending van de motiveringswet door het bestreden gewestelijk RUP, een reglementair besluit zijnde, is onontvankelijk. X-17.942-24/29 11.
- Uit de stukken van het dossier blijkt dat de opmerkingen die in de loop van de planprocedure werden gemaakt over het gevaar voor knijten niet onbeantwoord werden gelaten, zoals de verzoekende partij voorhoudt. 11.
- In het plan-MER wordt ingegaan op de mogelijke problematiek van het voorkomen van knijten in het deelgebied ‘Ham’, reden waarom de aanleg van een schorrug in het vooruitzicht wordt gesteld als maatregel om overlast voor de omwonenden te vermijden (plan-MER, p. 85). Verder is in het plan-MER te lezen dat naar aanleiding van knijtenoverlast in het verleden langs de Schelde te Gentbrugge nader onderzoek werd gedaan, dat uitwees dat “turbulentie in het water” als resultaat geeft dat “er [een] sterke daling is van de knijtenpopulatie vanaf 80 m van de bronpopulatie, en dat er vanaf 130 m bijna geen knijten meer voorkwamen” (plan-MER, pp. 376-377). Specifiek voor het deelgebied ‘Ham’ wordt in het plan-MER nog het volgende gesteld in verband met de knijtenproblematiek (plan-MER, p. 408): “In het deelgebied zandput en in Ham wordt in het planalternatief estuariene natuur en een GOG-GGG gecreëerd. Deze kan potentieel een nieuwe broeiplaats worden voor knijten. Door de turbulentie van het water (dagelijkse in- en uitstroom) verlaagt dit risico. Bij het ontwerp is rekening gehouden met een richtafstand van 100 m van de aangrenzende woningen. Er kan aangenomen worden dat er nabij de woningen en andere aangrenzende functies geen overlast zal zijn van knijten. Bijkomend kan in Ham door het afsluiten van de in- en uitwateringsconstructies desgevallend tijdelijk een hoger waterpeil ingesteld worden in Ham, waarbij de larven van de knijten door dit waterpeil afsterven.” Verder in het plan-MER wordt het “opvolgen van meldingen van knijtenoverlast en indien nodig nemen van beheersmaatregelen” als milderende maatregel voorgesteld in de doorwerkingsfase van het “beheer” van het gebied (plan-MER, 421), wat dus betekent dat dergelijk initiatief wordt gesitueerd in de periode waarbij het gebied in functie is. Dat het plan-MER inzake de knijtenproblematiek onvoldoende actueel zou zijn, toont de verzoekende partij niet aan. In het bestreden besluit wordt betreffende dat bezwaar vastgesteld dat “het voorontwerp RUP en het definitieve plan […] niet op een voor de milieueffectbeoordeling relevant punt van elkaar” verschillen, dat er “geen aanpassingen aan het plan [werden] doorgevoerd die X-17.942-25/29 aanleiding geven tot aanzienlijke milieueffecten”, en dat “in de omgeving van het plangebied […] sinds 2014 geen ontwikkelingen [bestaan] die een invloed hebben op de milieubeoordeling”. De verzoekende partij betrekt deze overwegingen en motivering niet bij haar kritiek in haar verzoekschrift en toont de onjuistheid ervan dan ook niet aan. 11.
- Aansluitend bij het gestelde in het plan-MER wordt in het bestreden besluit met betrekking tot “[h]et voorkomen van knijten” gesteld dat dit “het resultaat [kan] zijn van de inrichting van het gebied maar […] los[staat] van de bestemming van het gebied. De inrichting zal in een volgende fase, namelijk de aanvraag van de omgevingsvergunning, verder uitgewerkt worden. Deze omgevingsvergunningsaanvraag zal eveneens onderworpen worden aan een openbaar onderzoek. De ontvangen bezwaren met betrekking tot een mogelijke knijtenplaag worden ter informatie aan De Vlaamse Waterweg nv overgemaakt. Deze bezwaren leiden niet tot een aanpassing van het plan”. 11.
- Inzonderheid gelet op de onwaarschijnlijkheid van een knijtenplaag in het gebied, toont de verzoekende partij niet aan dat zich nadere voorschriften in dat verband opdrongen. Redelijkerwijze kan worden aangenomen dat tijdens het beheer van het gebied nog kan worden ingegrepen indien zich alsnog een knijtenprobleem zou voordoen. In dat opzicht kan de in het plan-MER vermelde schorrug tegen knijten worden beschouwd als een extra maatregel die geen vertaling moet krijgen in de voorschriften van het gewestelijk RUP. 11.
- De loutere opmerkingen in de memorie van wederantwoord van de verzoekende partij dat een knijtenplaag niet te onderschatten is en dat de uitspraken in het plan-MER in dat verband weinig meer dan “pure speculatie” zijn, zijn ten slotte niet van aard het bestreden besluit te vitiëren. Het betoog in die memorie dat de vooropgestelde manipulatie van de waterstand regelrecht indruist tegen het principe van een GGG is laattijdig en onontvankelijk. 11.
- Het middel wordt verworpen. X-17.942-26/29 E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert in een vijfde middel de schending aan van “artikel 1.1.4 [van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO)], van de artikelen 2 en 3 van de [motiveringswet] en van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht als beginselen van behoorlijk bestuur”. Zij verwijt de verwerende partij een onzorgvuldige besluitvorming, doordat de tijdens het openbaar onderzoek geuite bezwaren inzake de economische gevolgen van het bestreden gewestelijk RUP op de aanwezige industrie, meer bepaald op de bedrijfsactiviteiten van verzoekster, compleet onbeantwoord zijn gebleven. Verwezen wordt naar artikel 1.1.4 VCRO dat oplegt om ook de economische gevolgen van een plan te onderzoeken. De verzoekende partij wijst erop dat het deelgebied ‘Ham’ na de inrichting ervan kan evolueren naar een SBZ, en ingevolge het bestreden plan als grote eenheid natuur onmiddellijk een onderdeel wordt van het VEN. Zulks impliceert dat een verscherpte natuurtoets van toepassing wordt die geen schadedrempels kent, en dus veel sneller tot vergunningsweigeringen aanleiding kan geven. Dit aspect is niet meegenomen in het plan-MER, noch in de belangenafweging van het gewestelijk RUP. Dat een en ander wel degelijk relevant kan zijn, illustreert de verzoekende partij aan de hand van een recent negatief “pre-advies” dat werd verstrekt door het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) over een omgevingsvergunningsaanvraag voor de inplanting van een windturbine in het industriegebied waarin de verzoekende partij actief is. In dit document wordt reeds verwezen naar de “toekomstige natuurrijke gebieden Ham en Bastenakkers” waarvoor een gewestelijk RUP in opmaak is, en wordt gesteld dat daar rekening mee moet gehouden worden. Ook verwijst de verzoekende partij andermaal naar de knijtenproblematiek, die haar “financiële en reputatieschade” kan berokkenen, nu “de zuiverheid en hygiëne van haar farmaceutische producten” een absolute prioriteit is. De verzoekende partij noemt het niet zeker of de bestaande X-17.942-27/29 afscherming van de kritische productieruimtes voldoende zal zijn om de agressieve knijten weg te houden. Beoordeling 13.
- De aangevoerde schending van de motiveringswet door het bestreden gewestelijk RUP, een reglementair besluit zijnde, is, zoals reeds meermaals gezien, onontvankelijk. 13.
- Bij de beoordeling van het eerste middel (randnummer 5.2 en volgende) is reeds gebleken dat het uitgangspunt van de verzoekende partij dat bij de opmaak van het bestreden gewestelijk RUP met haar bedrijf geen rekening is gehouden, geen bijval kan vinden. Bij de beoordeling van het vierde middel is voorts niet gebleken dat de knijtenproblematiek door de plannende overheid niet op afdoende wijze beoordeeld zou zijn. Dat in het “pre-advies” van ANB over een omgevingsvergunningsaanvraag voor de inplanting van een windturbine in het industriegebied wordt verwezen naar de “toekomstige natuurrijke gebieden Ham en Bastenakkers”, toont de onwettigheid van het bestreden plan nog niet aan. 13.
- Verzoeksters kritiek in haar laatste memorie dat “aangevraagde projecten die aanleiding geven tot een bijkomende stikstofdepositie […] kunnen/zullen worden geweigerd”, kon en diende bij de uiteenzetting van haar middel in haar verzoekschrift te worden aangevoerd. Het middel is in zoverre onontvankelijk. 13.
- De verzoekende partij slaagt er gezien het voormelde niet in om aan te tonen dat het bestreden gewestelijk RUP de aangevoerde rechtsregels schendt. 13.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep. X-17.942-28/29
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, op een bijdrage van 20 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twintig oktober tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.942-29/29 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.694 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div