id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.695 Rolnummer: A. 233330/XIV-39125 Zaak: Arrest 257695 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 20/10/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-10-23 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-06-10 14:25 Fiche Arrest nr 257.695 van 20 oktober 2023 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIV KAMER nr. 257.695 van 20 oktober 2023 in de zaak A. é.330/XIV-39.125 In zake : Ivo UYTTENDAELE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sven Boullart en Hannes Speeckaert kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de ORDE DER ARTSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Veerle Tollenaere en Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 1 april 2021, strekt tot de nietigverklaring van: “1) De beslissing(
- en)van ongekende datum genomen binnen de Nationale Raad waarbij de bijdrage voor het jaar 2021 wordt vastgelegd, bestaande uit het bedrag van de bijdrage voor de Orde der Artsen én het bedrag van de bijdrage voor de Provinciale Raad van de Orde der Artsen van Antwerpen; 2) De beslissing(
- en)van ongekende datum genomen binnen de Provinciale Raad van de Orde der Artsen van Antwerpen waarbij wordt toegestaan dat de Nationale Raad van de Orde der Artsen het bedrag van de bijdrage voor het jaar 2021 bepaalt voor wat betreft het bedrag dat betrekking heeft op de bijdrage voor de Provinciale Raad van de Orde der Artsen van Antwerpen, alsook voor wat betreft het globale bedrag van de jaarlijkse bijdrage voor het jaar 2021.” XIV-39.125-1/14 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2023. Staatsraad Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaten Sven Boullart en Roselien Dermaux, die verschijnen voor verzoeker, en advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De Orde der artsen, opgericht bij wet van 25 juli 1938 ‘tot oprichting van een Orde der geneesheren’ is onderworpen aan de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 ‘betreffende de Orde der artsen’ (hierna: het koninklijk besluit nr. 79). XIV-39.125-2/14 De Orde der artsen omvat alle artsen die in België woonachtig zijn en ingeschreven zijn op de lijst van de Orde. De artsen schrijven zich in op de lijst van de Orde in de provincie waar zij hun woonplaats hebben (artikel 2, eerste lid, eerste en tweede zin, van het koninklijk besluit nr. 79). In beginsel moet iedere arts, om de geneeskunde in België te mogen uitoefenen, ingeschreven zijn op de lijst van de Orde (artikel 2, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 79) en mag niemand ingeschreven zijn op meer dan één der provinciale lijsten, die samen de lijst van de Orde uitmaken (artikel 2, in fine, van het koninklijk besluit nr. 79). 3.2. Overeenkomstig artikel 3, in fine, van het koninklijk besluit nr. 79 mag de Orde der artsen “ten einde [haar] in staat te stellen haar opdracht te vervullen een jaarlijkse bijdrage van de op de lijst ingeschreven artsen (eisen)”. Deze bijdrage wordt overeenkomstig artikel 6, 7°, en artikel 15, §2, 4°, van het voornoemde koninklijk besluit vastgesteld. Luidens artikel 6, 7°, van het voornoemde koninklijk besluit zijn de provinciale raden bevoegd om “ieder jaar de bijdrage te bepalen waarvan sprake in artikel 3, met inbegrip van de bedragen die door de nationale raad voor ieder ingeschreven lid werden vastgesteld”. Luidens artikel 15, §2, 4°, van dat koninklijk besluit heeft de nationale raad tot taak “het jaarlijks bedrag te bepalen dat, benevens de bijdrage voor de provinciale raad, wordt geëist van de artsen als bijdrage voor de Orde”. 3.3. Op 23 september 2020, 21 oktober 2020 en 18 november 2020 heeft de provinciale raad van de Orde der artsen van Antwerpen de harmonisering van de jaarlijkse bijdragen besproken. Op 14 november 2020 stemt de nationale raad van de Orde der artsen (hierna: de nationale raad) in met de bedragen voor de jaarlijkse bijdrage 2021. XIV-39.125-3/14 3.4. In een schrijven van 1 februari 2021 deelt de nationale raad het volgende mee aan verzoeker: “Bij het lezen van dit bericht denkt u misschien: hé, het is de nationale raad die zich bezighoudt met de bijdragen? Wat is er veranderd? Hier de uitleg. Sedert enkele jaren kent de Orde een grondige gedaanteverandering. Met de hulp van een audit hebben we de modernisering van het beheer van onze instelling opgestart om ze doeltreffender te maken ten voordele van de ganse medische gemeenschap. Tot nu toe werden de bijdragen bepaald en geïnd door elke provinciale raad, wat onder meer verschillen meebracht tussen de provincies. Van nu af aan, na overleg met de provinciale raden, zullen de bijdragen vastgelegd en geïnd worden door de nationale raad in functie van de behoeftes van alle instanties van de Orde. Op die manier staan alle artsen van het land op voet van gelijkheid. Dit is de schaal van de bijdragen voor het jaar 2021: Tarief 1 225,00 € gewone bijdrage Tarief 2 65,00 € artsen van meer dan 67 jaar Tarief 3 80,00 € artsen die sinds een jaar arbeidsongeschikt zijn (op aanvraag) Tarief 4 0,00 € beginnende artsen (diplomajaar) Tarief 5 80,00 € artsen in opleiding (max. 6 jaar) Tarief 6 125,00 € artsen die in het buitenland de geneeskunde uitoefenen […] Het [door u] te betalen bedrag is € 65. Wij vragen u dit bedrag te willen storten op de rekening […] van de nationale raad […] voor 31 maart 2021.” Hieruit leidt verzoeker de volgende beslissingen af: “- De beslissing(
- en)van ongekende datum genomen binnen de nationale raad waarbij de bijdrage voor het jaar 2021 wordt vastgelegd, bestaande uit het bedrag van de bijdrage voor de Orde der artsen én het bedrag van de bijdrage voor de provinciale raad van de Orde der artsen van Antwerpen; - De beslissing(
- en)van ongekende datum genomen binnen de provinciale raad van de Orde der artsen van Antwerpen waarbij wordt toegestaan dat de nationale raad van de Orde der artsen het bedrag van de bijdrage voor het jaar 2021 bepaalt voor wat het bedrag betreft dat betrekking heeft op de bijdrage voor de provinciale raad van de Orde der artsen van Antwerpen, alsook voor wat het globale bedrag betreft van de jaarlijkse bijdrage voor het jaar 2021.” Dit zijn de bestreden beslissingen. XIV-39.125-4/14 IV. Aanduiding van de verwerende partij 4. Verzoeker duidt naast de Orde der artsen, de provinciale raad van de Orde der artsen van Antwerpen aan als de verwerende partijen. Beoordeling 5. Luidens artikel 1, in fine van het koninklijk besluit nr. 79 geniet de Orde der artsen publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid en zijn haar organen de provinciale raden, de raden van beroep en de nationale raad (artikel 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 79). Zij kan overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van het voornoemde koninklijk besluit in rechte optreden door de nationale raad. De provinciale raad van de Orde der artsen van Antwerpen is een orgaan van en als zodanig ressorterend onder de Orde der artsen. Deze provinciale raad heeft geen eigen rechtspersoonlijkheid. Derhalve dient enkel de Orde der artsen te worden aangewezen om als verwerende partij op te treden in het voorliggende beroep dat eveneens gericht is tegen een beslissing die van één van zijn organen uitgaat en waarvoor hij als rechtspersoon de volle verantwoordelijkheid draagt. V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel 6. In het verzoekschrift onderscheidt verzoeker onder het kopje “Enig middel, genomen uit de schending van de artikelen 3, vierde lid, 6, 7° en 15, § 2, 4° van het Koninklijk Besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der artsen, alsook uit de schending van artikel 33 van de Grondwet”, twee middelonderdelen. In het eerste middelonderdeel, waarin de schending van de artikelen 3, vierde lid, 6, 7° en 15, § 2, 4° van koninklijk besluit nr. 79 wordt XIV-39.125-5/14 aangevoerd, benadrukt verzoeker dat overeenkomstig artikel 3, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 79, de Orde der artsen van elke arts een jaarlijkse bijdrage mag eisen en dat het vaststellen van deze jaarlijkse bijdragen, overeenkomstig artikel 6, 7º, en artikel 15, § 2, 4º, van het voornoemde koninklijk besluit, een gedeelde bevoegdheid is van de provinciale raden en de nationale raad. Hieruit volgt volgens verzoeker dat het de nationale raad is die de eigen jaarlijkse bijdrage vaststelt en dat eens deze is vastgesteld, elke provinciale raad het globaal bedrag van de jaarlijkse bijdrage vaststelt dat is samengesteld uit enerzijds het eerder door de nationale raad vastgestelde bedrag en anderzijds het bedrag voor de eigen individuele provinciale raad. De tweeledigheid van de jaarlijkse bijdrage is volgens hem, in het licht van de onderscheiden toegewezen bevoegdheden aan de provinciale raden, respectievelijk de nationale raad, volkomen logisch en strekt ertoe dat elk van hen over de nodige financiën beschikt voor de uitoefening van de eigen door de Koning toegewezen bevoegdheden, waaruit volgt dat het globaal bedrag van de jaarlijkse bijdrage kan verschillen per provinciale raad gezien elke provinciale raad onderscheiden financiële behoeften heeft voor de uitoefening van de eigen door de Koning toegewezen bevoegdheden. Doordat de nationale raad met de bestreden beslissingen besliste om de globale jaarlijkse bijdrage voor 2021 te bepalen, heeft hij niet alleen ook het bedrag dat moet vastgesteld worden door de provinciale raad, vastgesteld (wat ook alleen maar door deze laatste kan vastgesteld worden overeenkomstig voornoemd artikel 6, 7°), maar heeft hij ook de bevoegdheid van de provinciale raad uitgeoefend om het globale jaarlijkse bedrag van de bijdrage te bepalen (wat ook alleen maar door deze laatste kan vastgesteld worden overeenkomstig datzelfde artikel 6, 7°), zodat de artikelen 3, vierde lid, 6, 7° en 15, § 2, 4° van het koninklijk besluit nr. 79 volgens hem worden geschonden. Voornoemde bepalingen acht verzoeker eveneens geschonden enerzijds doordat de provinciale raad heeft beslist om toe te staan dat de eigen bevoegdheid ter zake op grond van artikel 6, 7° van het koninklijk besluit nr. 79 niet langer of minstens niet langer autonoom uitgeoefend wordt en dat die eigen bevoegdheid overgedragen wordt aan de nationale raad, zonder dat enige XIV-39.125-6/14 wetsbepaling voorziet in de mogelijkheid om zulks te delegeren en anderzijds doordat de nationale raad zich een bevoegdheid heeft toegeëigend en uitgeoefend die hem niet toekomt en de provinciale raad heeft beslist om toe te staan dat de nationale raad de bevoegdheden van deze provinciale raad uitoefent en zodoende eveneens op onwettige wijze heeft beslist om die bevoegdheden niet langer of minstens niet langer autonoom uit te oefenen. In een tweede middelonderdeel wijst verzoeker er op dat overeenkomstig artikel 33 van de Grondwet, delegatie van bevoegdheden in beginsel verboden is, tenzij zij bij wet voorzien is. Verzoeker benadrukt dat zowel de nationale raad, als de provinciale raad administratieve overheden zijn die artikel 33 van de Grondwet dienen na te leven en te respecteren; dat het vaststaat dat zowel de nationale raad, als de provinciale raad overeenkomstig de artikelen 3, vierde lid, 6, 7° en 15, § 2, 4º, van het koninklijk besluit nr. 79, voor wat het bepalen van het bedrag van de jaarlijkse bijdrage betreft, bekleed zijn geworden met onderscheiden toegewezen bevoegdheden en dat deze bevoegdheden autonoom moeten worden uitgeoefend door de nationale raad, respectievelijk de provinciale raad, zonder dat de ene raad zich op het domein van de bevoegdheid van de andere raad mag begeven. Nu volgens hem geen enkele bepaling in het koninklijk besluit nr. 79, noch daarbuiten toelaat dat de provinciale raad de eigen bevoegdheid ter zake zou mogen delegeren aan de nationale raad, is een dergelijke delegatie niet toegelaten in het licht van artikel 33 van de Grondwet. Deze bepaling is eveneens geschonden doordat de provinciale raad heeft beslist toe te staan dat de eigen bevoegdheid ter zake op grond van artikel 6, 7°, van het koninklijk besluit nr. 79 niet langer of minstens niet langer autonoom uitgeoefend wordt en vervolgens dat die eigen bevoegdheid overgedragen wordt aan de nationale raad, zonder dat enige wetsbepaling voorziet in de mogelijkheid om zulks te delegeren. Doordat de nationale raad met de bestreden beslissingen besliste om de globale jaarlijkse bijdrage voor 2021 te bepalen, heeft hij volgens verzoeker, niet alleen het bedrag dat moet vastgesteld worden door de provinciale raad vastgesteld (wat ook alleen maar door deze laatste kan vastgesteld worden overeenkomstig voornoemd artikel 6, 7°), maar heeft hij ook de bevoegdheid van de provinciale raad uitgeoefend om het globale jaarlijkse XIV-39.125-7/14 bedrag van de bijdrage te bepalen (wat ook alleen maar door deze laatste kan vastgesteld worden overeenkomstig voornoemd artikel 6, 7°), terwijl geen enkele wettelijke bepaling voorziet in de mogelijkheid voor de provinciale raad om de beide bevoegdheden op grond van voornoemd artikel 6, 7°, van het voornoemde koninklijk besluit te delegeren aan de nationale raad, waardoor artikel 33 van de Grondwet wordt geschonden. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat, niettegenstaande de verwerende partij er in het begin van de memorie van antwoord het samen met hem er over eens is dat de nationale raad eerst zelf overeenkomstig artikel 15, § 2, 4° van het koninklijk besluit nr. 79 de eigen jaarlijkse bijdrage vaststelt en dat het dan vervolgens de provinciale raden zijn die overeenkomstig artikel 6, 7° van datzelfde koninklijk besluit het globaal bedrag van de jaarlijkse bijdrage vaststellen, bestaande uit de jaarlijkse bijdrage van de nationale raad én de eigen provinciale bijdrage, dit niet blijkt uit het verdere relaas van de memorie van antwoord. Volgens verzoeker kan de verwerende partij niet worden gevolgd waar zij stelt dat op geen enkele wijze uitgesloten wordt dat werk kan worden gemaakt van de (logische) harmonisering van de vaststelling van de jaarlijkse bijdrage over de verschillende provinciale raden heen en al evenmin daar waar zij stelt dat er enkel vereist zou zijn dat de globale jaarlijkse bijdrage wordt vastgesteld door elke provinciale raad. Dergelijk verweer negeert volgens hem de bij wet vastgelegde tweeledigheid van de globale bijdrage en gaat ervan uit dat de geëiste bijdrage niet langer bepaald wordt zoals voorzien in de artikelen 3 en 6, 7°, van het koninklijk besluit nr. 79, met name om de opdracht te vervullen van elke provinciale raad op zich, in functie van de eigen behoeften en er daarbij vanuit wordt gegaan dat de globale bijdrage niet langer de specifieke kosten bevatten voor de werking van de provinciale raad waarbij men is ingeschreven doch integendeel voor de gezamenlijke kosten van alle provinciale raden samen. De realiteit is echter dat de specifieke kostenbehoeften van de verschillende provinciale raden verschillen. Evenmin kan de verwerende partij gevolgd worden in het verweer dat de provinciale raad bij beslissingen van 23 september 2020, 21 oktober 2020 en 18 november 2020 de harmonisering van de jaarlijkse bijdragen zou XIV-39.125-8/14 hebben besproken en dienvolgens haar goedkeuring eraan zou hebben verleend, nu uit de gegeven omschrijvingen in elk der notulen geen daadwerkelijke beslissingen tot vaststelling van de globale bijdrage 2021 blijken en dat niettegenstaande wellicht de harmonisering van de globale bijdrage wel werd besproken, uit geen van deze drie notulen blijkt dat daarover een daadwerkelijke beslissing werd genomen. Volgens verzoeker ligt de kern van het probleem in het gegeven dat de nationale raad de overeenkomstig artikel 15, § 2, 4°, van het koninklijk besluit nr. 79 te bepalen nationale bijdrage voor wat het jaar 2021 betreft, allicht nooit heeft bepaald en zeker ook nooit heeft meegedeeld aan de provinciale raad, nu een dergelijke mededeling niet figureert in het administratief dossier. Evenmin blijkt uit het administratief dossier dat de provinciale raad zou hebben beslist over de vaststelling van de globale bijdrage voor 2021, noch kan eruit worden afgeleid wat het bedrag is van de bijdrage voor de nationale raad, noch wat het bedrag is voor de provinciale raad, vermits enkel het globale bedrag van 225 euro is gekend, waarbij de vraag rijst hoe een provinciale raad de bijdragen overeenkomstig artikel 6, 7° van het voornoemde koninklijk besluit kan bepalen als de globale bijdrage 225 euro moet zijn en in casu de bijdrage voor de nationale raad niet is gekend. Dit klemt volgens verzoeker des te meer nu de provinciale raad in de vergaderingen van 23 september 2020 en 21 oktober 2020 onmogelijk de globale bijdrage van 225 euro kon goedkeuren, gezien deze pas op 5 november 2020 door de Interprovinciale Financiële Commissie bepaald werd en de provinciale raad in zijn vergadering van 18 november 2020 enkel kon vaststellen dat de nationale raad reeds op 14 november 2020 had beslist over de globale bijdrage voor alle categorieën van artsen. Bijgevolg werden de bij de artikelen 3, vierde lid, 6, 7° en 15, § 2, 4° van het koninklijk besluit nr. 79 voorgeschreven tweeledigheid en chronologie bij het vaststellen van de jaarlijkse bijdrage 2021 miskend, vermits de nationale raad immers zelf de globale bijdrage voor het jaar 2021 heeft vastgesteld zonder het eigen aandeel inzake de bijdrage vast te stellen en er geen beslissing van de provinciale raad bestaat die dateert van nadien waarbij de globale bijdrage voor het jaar 2021 wordt vastgesteld (met inbegrip van de provinciale bijdrage). XIV-39.125-9/14 Wat het tweede middelonderdeel betreft, verwijst verzoeker naar de uiteenzetting in zijn verzoekschrift en benadrukt dat uit het eerste middelonderdeel blijkt dat de wettelijk voorgeschreven tweeledigheid en chronologie niet werd gerespecteerd bij het bepalen van de jaarlijkse bijdrage 2021 en zodoende een onwettige delegatie voorligt in deze zaak. Beoordeling van het enige middel Eerste middelonderdeel 7. Wat het eerste middelonderdeel betreft wordt door het auditoraat deels tot de ongegrondheid, deels tot de niet-ontvankelijkheid van de aangevoerde grieven besloten op grond van de volgende overwegingen: “5.1.2.1. Artikel 3, vierde lid, KB nr. 79, luidt: ‘Ten einde de Orde in staat te stellen haar opdracht te vervullen mag een jaarlijkse bijdrage van de op de lijst ingeschreven artsen geëist worden; deze bijdrage wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 6, 7°, en artikel 15, § 2, 4°.’ Artikel 6, 7º, KB nr. 79, luidt: ‘De provinciale raden zijn bevoegd om : […] 7° ieder jaar de bijdrage te bepalen waarvan sprake in artikel 3, met inbegrip van de bedragen die door de nationale raad voor ieder ingeschreven lid werden vastgesteld.’ Artikel 15, § 2, 4º, KB nr. 79, luidt als volgt: ‘§ 2. De nationale raad heeft […] tot taak : […] 4° het jaarlijks bedrag te bepalen dat, benevens de bijdrage voor de provinciale raad, wordt geëist van de artsen als bijdrage voor de Orde.’ 5.1.2.2. Uit deze bepalingen volgt dat het vaststellen van het bedrag van de jaarlijkse bijdragen een gedeelde bevoegdheid is van de provinciale raden en de nationale raad van de Orde der Artsen. Zij bepalen samen het totaalbedrag van de jaarlijkse bijdrage. 5.1.2.3. Uit het administratief dossier blijkt dat het tot 2021 gebruikelijk was dat de bijdragen werden bepaald en geïnd door elke provinciale raad, waarbij de bijdragen per provincie verschillend waren. Het blijkt de bedoeling te zijn van de organen van de Orde van Artsen om dat systeem voortaan om te keren: de bijdragen zullen worden vastgelegd en geïnd door de nationale raad, in overleg met de provinciale raden, waarbij er een uniforme tariefschaal voor het hele land zal worden gehanteerd. 5.1.2.4. De door de verzoekende partij ingeroepen bepalingen van KB nr. 79 laten beide werkwijzen toe. Minstens blijkt er niet dat de nieuwe werkwijze uitdrukkelijk wordt uitgesloten door deze bepalingen of daarmee op geen enkele wijze verenigbaar zou zijn. Zoals reeds opgemerkt betreft het een gedeelde bevoegdheid, waarbij de provinciale raden en de nationale raad samen beslissen over de jaarlijkse bijdrage, elk voor hun deel. De autonomie van de provinciale raden sluit op geen XIV-39.125-10/14 enkele wijze uit dat zij het met elkaar -onder meer in overleg via de nationale raad- eens kunnen zijn om het bedrag van de bijdragen te harmoniseren. Het is aldus perfect mogelijk dat de provinciale raden akkoord zijn om voortaan allen eenzelfde bijdrage te hanteren en het innen daarvan over te laten aan de nationale raad. In dit verband kan er worden opgemerkt dat overigens alleen artikel 15 -dat de nationale raad betreft- melding maakt van het effectief eisen van de bijdrage. In elk geval houdt de nieuwe werkwijze niet in dat de provinciale raden daarmee de iure hun eigen door de regelgever toegekende bevoegdheid zouden verliezen om hun aandeel van de jaarlijkse bijdrage zelf te bepalen. Mochten de provinciale raden -of zelfs maar één van de provinciale raden- op een bepaald moment niet akkoord zijn met de bedragen vastgelegd door de nationale raad, kunnen zij zich alsdan nog steeds rechtsgeldig op hun eigen bevoegdheid ex artikel 6, 7º, KB nr. 79, beroepen om voor hun eigen provincie een afwijkende en niet langer geharmoniseerde bijdrage te bepalen, als zij dat zouden wensen. Het nieuwe systeem staat -of valt- met de instemming -of het intrekken daarvan- door de individuele provinciale raden. Er is geen enkel element voorhanden in het dossier waaruit volgt dat er dient te worden verondersteld dat op dit ogenblik reeds sprake zou zijn van een gebrek aan overeenstemming tussen de provinciale raden. De verzoekende partij toont zulks ook niet aan. Uit het administratief dossier kan worden afgeleid dat de provinciale raad van Antwerpen zonder opmerkingen heeft ingestemd met het nieuwe beleid en principe waarbij de jaarlijkse bijdrage voortaan door de nationale raad wordt vastgesteld en geïnd, in overleg met de provinciale raden. Het betoog tot het tegendeel van de verzoekende partij doet daaraan geen afbreuk. Minstens maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat de provinciale raad van Antwerpen te dezen niet akkoord zou zijn geweest met het nieuwe beleid en het achterliggende principe. Er blijkt niet dat de nationale raad van de Orde der Artsen, noch de provinciale raad van Antwerpen, bij het nemen van de bestreden beslissingen, de in het eerste middelonderdeel ingeroepen rechtsnormen zou hebben miskend. In die mate dient het middelonderdeel als niet gegrond te worden verworpen. 5.1.2.5. Voor het overige betreft het middelonderdeel veeleer een kritiek op de opportuniteit van de beleidskeuze van de organen van de Orde der Artsen om met een uniforme tariefschaal voor het hele land te werken en niet langer met een tariefschaal die per provincie kan verschillen. Het komt niet aan de Raad van State als wettigheidsrechter toe om zich uit te spreken over die beleidskeuze, waarvan reeds is gebleken dat zij kan worden ingepast in de ingeroepen bepalingen van KB nr. 79. In die mate dient het middelonderdeel als niet ontvankelijk te worden verworpen. 5.1.2.6. Het eerste middelonderdeel dient te worden verworpen.” Tweede middelonderdeel 8. Wat het tweede middelonderdeel betreft wordt door het auditoraat tot de ongegrondheid van de aangevoerde schending besloten op grond van de volgende overwegingen: “5.2.2.1. Artikel 33 van de Grondwet luidt: ‘Alle machten gaan uit van de Natie. Zij worden uitgeoefend op de wijze bij de Grondwet bepaald.’ XIV-39.125-11/14 5.2.2.2. Zoals de verzoekende partij zelf erkent in de memorie van wederantwoord, vormt het tweede middelonderdeel een verlengstuk van het eerste middelonderdeel. Er wordt dan ook verwezen naar de voorgestelde verwerping van het eerste middelonderdeel. 5.2.2.3. Uit geen enkel stuk van het administratief dossier blijkt dat er te dezen sprake zou zijn van een delegatie door de provinciale raad aan de nationale raad van haar bevoegdheid om de jaarlijkse bijdrage mee vast te stellen. Dat de provinciale raad van Antwerpen, zoals uit het administratief dossier kan worden afgeleid, zonder opmerkingen heeft ingestemd met het nieuwe beleid en principe waarbij de jaarlijkse bijdrage voortaan door de nationale raad wordt vastgesteld en geïnd, in overleg met de provinciale raden, houdt niet in dat de provinciale raad daardoor ook uitdrukkelijk in rechte afstand heeft gedaan van haar eigen autonome bevoegdheid om haar deel van de jaarlijkse bijdrage te bepalen. Zoals reeds opgemerkt bij de bespreking van het eerste middelonderdeel behoudt de provinciale raad onverkort de mogelijkheid om uit het nieuwe systeem te stappen, indien zij dat zou willen. 5.2.2.4. Ook het tweede middelonderdeel dient te worden verworpen.” 9. In zijn laatste memorie bekritiseert verzoeker de redenering in het auditoraatsverslag aan de hand van een op parafraserende wijze herhaling van zijn standpunt zoals uiteengezet in het verzoekschrift en een letterlijke overname van het overgrote deel van zijn in de memorie van wederantwoord aangevoerde argumentatie. In zoverre verzoeker in zijn aldus aangevoerde betoog het niet respecteren van de op grond van de artikelen 6, 7°, en 15, §2, 4° van het koninklijk besluit nr. 79 voorgeschreven vermeende tweeledigheid en chronologie bij het bepalen van de jaarlijkse bijdrage 2021 en de daaruit voorvloeiende schending van de op grond van voornoemde bepalingen respectievelijk toegewezen bevoegdheden aan de nationale en de provinciale raad dienaangaande benadrukt, volstaat de vaststelling dat – daargelaten het gegeven dat de op grond van de voornoemde artikelen bedoelde vaststelling van de jaarlijkse bijdrage respectievelijk tot de “bevoegdheid” van de provinciale raad “met inbegrip van de bedragen die door de nationale raad voor ieder ingeschreven lid werden vastgesteld” en tot “de taak” van de nationale raad “benevens de bijdrage voor de provinciale raad” behoort –, uit deze bepalingen niet meer kan worden afgeleid dan dat het vaststellen van het bedrag van de jaarlijkse bijdrage een gedeelde bevoegdheid betreft in hoofde van de provinciale raden en de nationale raad, waarbij zij samen het totaalbedrag van de jaarlijkse bijdrage bepalen en waar een vermeende “chronologie”, zoals wordt voorgehouden door verzoeker, noch uit kan worden gededuceerd, noch steun kan in vinden. Evenmin staat de in de artikelen 6, XIV-39.125-12/14 7°, en 15, §2, 4° van het voornoemde koninklijk besluit bepaalde regeling er aan in de weg dat, niettegenstaande uit het administratief dossier blijkt dat het tot 2021 gebruikelijk was dat de bijdragen werden bepaald en geïnd door elke provinciale raad, thans de bijdragen zullen worden vastgelegd en geïnd door de nationale raad, in overleg met de provinciale raden en met hantering van een uniforme tariefschaal voor het hele land, nu niet kan worden vastgesteld dat de nieuwe werkwijze uitdrukkelijk wordt uitgesloten door de voornoemde bepalingen, laat staan er onverenigbaar mee zou zijn, noch dat de op grond van artikel 6, 7°, van het voornoemde koninklijk besluit aan de provinciale raden toegewezen bevoegdheid door deze nieuwe werkwijze zou worden aangetast, laat staan uitgesloten. Evenmin kan uit enig stuk van het administratief dossier worden afgeleid, zoals terecht wordt aangegeven in het auditoraatsverslag, dat er te dezen sprake zou zijn van een delegatie door de provinciale raad van de Orde der artsen van Antwerpen aan de nationale raad van de aan hem toegewezen bevoegdheid om de jaarlijkse bijdrage mee vast te stellen. Wel blijkt, anders dan verzoeker voorhoudt, dat de provinciale raad van de Orde der artsen van Antwerpen zonder opmerkingen heeft ingestemd met het nieuwe beleid en principe waarbij de jaarlijkse bijdrage voortaan door de nationale raad wordt vastgesteld en geïnd, in overleg met de provinciale raden, zonder daarmee uitdrukkelijk in rechte afstand te hebben gedaan van zijn eigen autonome bevoegdheid om zijn deel van de jaarlijkse bijdrage te bepalen en met behoud van de mogelijkheid om uit het nieuwe systeem te stappen, indien deze provinciale raad dat zou willen. 10. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, na eigen onderzoek, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het enige middel deels ongegrond, deels niet-ontvankelijk. Conclusie 11. Het enige middel is in beide onderdelen ongegrond, deels niet-ontvankelijk. XIV-39.125-13/14 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twintig oktober tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-39.125-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.695 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div