← België

Arrest 257696 - Tucht (openbaar ambt) - 20/10/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.696 Rolnummer: A. 234881/XIV-38847 Zaak: Arrest 257696 - Tucht (openbaar ambt) - 20/10/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-10-25 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-06-10 14:25 Fiche Arrest nr 257.696 van 20 oktober 2023 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 257.696 van 20 oktober 2023 in de zaak A.234.881/XIV-38.847 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47/001 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5391 BIERBEEK/ BOUTERSEM/HOLSBEEK/LUBBEEK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Gendt kantoor houdend te 3000 Leuven Koning Leopold I-straat 32 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 27 oktober 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het politiecollege van 24 september 2021 waarbij de voorlopige schorsing bij ordemaatregel van verzoeker met inhouding van 10% van de brutowedde voor de duur van vier maanden wordt verlengd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 252.890 van 4 februari 2022 is akte verleend van de afstand van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. XIV-38.847-1/6 Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 oktober
  3. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kristien Vanderheiden, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Dennis Fransen, die loco advocaat Tom De Gendt verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is inspecteur van politie van de politiezone Bierbeek- Boutersem-Holsbeek-Lubbeek (PZ 5391). XIV-38.847-2/6 3.
  6. Op 3 oktober 2016 beslist de korpschef om verzoeker bij hoogdringendheid voorlopig te schorsen bij ordemaatregel voor een termijn van vier maanden met inhouding van wedde ten belope van 25%. Op 5 oktober 2016 bekrachtigt het politiecollege deze beslissing. Op 27 januari 2017 en 19 mei 2017 beslist het politiecollege de voorlopige schorsing bij ordemaatregel een eerste en een tweede keer te verlengen voor een termijn van vier maanden, telkens met inhouding van wedde ten belope van 10%. Verzoeker betwist geen van deze beslissingen. 3.
  7. Op 28 september 2017 beslist het politiecollege de voorlopige schorsing bij ordemaatregel een derde keer te verlengen voor een termijn van vier maanden, met inhouding van wedde ten belope van 10%. Tegen deze beslissing dient verzoeker een verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in (G/A 223.474/XIV-37.530). De Raad van State verwerpt het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij arrest nr. 239.407 van 13 oktober
  8. Bij arrest nr. 253.021 van 17 februari 2022 vernietigt de Raad van State de beslissing van het politiecollege van 28 september
  9. 3.
  10. Op 24 januari 2018, 15 mei 2018, 19 september 2018, 21 januari 2019, 17 mei 2019, 23 september 2019, 17 januari 2020, 19 mei 2020, 18 september 2020, 22 januari 2021 en 7 mei 2021 beslist het politiecollege telkens de voorlopige schorsing bij ordemaatregel te verlengen voor een termijn van vier maanden met inhouding van wedde ten belope van 10%. Verzoeker betwist geen van deze beslissingen. 3.
  11. Op 24 september 2021 beslist het politiecollege de voorlopige schorsing bij ordemaatregel te verlengen voor een termijn van vier maanden vanaf 1 oktober 2021 met inhouding van wedde ten belope van 10%. Dit is de bestreden beslissing. 3.
  12. Op 20 december 2021 deelt verzoeker aan de voorzitter van het politiecollege twee arresten van het hof van beroep te Brussel van 16 december XIV-38.847-3/6 2021 mee waarin verzoeker wordt vrijgesproken voor alle tenlasteleggingen. Ingevolge deze mededeling beslist het politiecollege op 21 december 2019 om de bestreden beslissing met ingang van 16 december 2021 op te heffen. Verzoeker hervat het werk op 22 december
  13. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  14. Uit de voorgaande feitelijke context blijkt dat de voorlopige schorsing opgelegd aan verzoeker werd opgeheven met ingang van 16 december
  15. Partijen betwisten niet dat bij de sluiting van het debat (aansluitend) aan verzoeker geen tuchtstraf werd opgelegd. Artikel 65 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet) luidt: “Indien, in aansluiting op een voorlopige schorsing, de tuchtstraf waarschuwing of blaam wordt opgelegd, dan gaat de tuchtstraf in op de dag dat ze uitgesproken wordt; in dat geval evenals wanneer geen enkele tuchtstraf wordt uitgesproken, wordt de voorlopige schorsing als ingetrokken beschouwd en de eventueel ingehouden wedde wordt door de overheid aan de betrokkene terugbetaald. Indien in aansluiting op een voorlopige schorsing, de tuchtstraf inhouding van wedde, schorsing bij tuchtmaatregel, terugzetting in weddeschaal, [...] ontslag van ambtswege of afzetting opgelegd wordt, dan heeft de tuchtstraf uitwerking ten vroegste met ingang van de dag waarop de voorlopige schorsing is ingegaan; het bedrag van de tijdens de voorlopige schorsing eventueel ingehouden wedde wordt in mindering gebracht op het bedrag van het weddeverlies verbonden aan de tuchtstraf; indien het bedrag van de ingehouden wedde groter is dan het bedrag van het weddeverlies verbonden aan de tuchtstraf, wordt het verschil door de overheid aan de betrokkene terugbetaald.” In het licht van wat voorafgaat, rijst bijgevolg ambtshalve de vraag of krachtens wat in artikel 65, eerste lid, van de tuchtwet is bepaald, de bestreden beslissing, voor het niet door de verwerende partij opgeheven gedeelte van 1 oktober 2021 tot 16 december 2021, niet van rechtswege geacht moet worden ab initio uit het rechtsverkeer te zijn verdwenen. In voorkomend geval rijst ook de vraag of niet moet worden vastgesteld dat het beroep geen voorwerp meer heeft. XIV-38.847-4/6 Deze vraag is evenwel niet door de partijen aangevoerd of ter sprake gebracht, noch onderzocht door het auditoraat in het raam van het gevoerde dubbel onderzoek. Ze is aldus niet het voorwerp geweest van een tegensprekelijk debat. Daar het een element betreft dat desgevallend de beslechting van het beroep kan beïnvloeden, houdt het recht op tegenspraak in dat de partijen hierover debat moeten kunnen voeren (zie mutatis mutandis EHRM 16 februari 2006, Prikyan en Angelova / Bulgarije, punt 42; EHRM 5 september 2013, Čepek / Tsjechische Republiek, punt 45).
  16. Het debat moet derhalve wat de in punt 4 vermelde rechtsvraag betreft, worden heropend. BESLISSING
  17. De Raad van State heropent het debat.
  18. Aan de partijen wordt een termijn van vijftien dagen gegeven om een memorie, maar beperkt tot de in het voorliggende arrest ambtshalve in punt 4 vermelde rechtsvraag, in te dienen na de kennisgeving van het onderhavige arrest.
  19. De zaak wordt vastgesteld op de openbare terechtzitting van 13 december 2023 om 14.00 uur.
  20. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. XIV-38.847-5/6 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twintig oktober tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.847-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.696 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.890 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.435 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.