← België

Arrest 257739 - Kansspelen - 26/10/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.739 Rolnummer: A. 238494/VII-41929 Zaak: Arrest 257739 - Kansspelen - 26/10/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-11-09 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-06-10 14:39 Fiche Arrest nr 257.739 van 26 oktober 2023 Justitie - Kansspelen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 257.739 van 26 oktober 2023 in de zaak A. 238.494/VII-41.929 In zake: de BV MIROSTIEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Yves Van Damme en Dries Pattyn kantoor houdend te 8200 Sint-Andries Rijselstraat 274 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Henry Van Burm kantoor houdend te 9830 Sint-Martens-Latem K.L. Maenhoutstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 3 april 2023, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent van 2 februari 2023 om geen convenant af te sluiten met de bv Mirostien voor het exploiteren van een kansspelinrichting klasse IV, gelegen aan de Kunstenaarstraat 2 te Gent (Sint-Amandsberg). Tevens vraagt de verzoekende partij als voorlopige maatregel de verwerende partij “te bevelen om uiterlijk 14 dagen na de kennisgeving van [het] arrest, ter heroverweging van de bestreden beslissing een nieuwe beslissing te nemen over de aanvraag […] tot het afsluiten van een convenant”. VII-41.929-1/7 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 255.957 van 6 maart 2023 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en tot het opleggen van een voorlopige maatregel verworpen. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft op 30 juni 2023 een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 oktober
  3. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dries Pattyn, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Kevin Poelman, die loco advocaat Henry Van Burm verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoekende partij exploiteert een kansspelinrichting klasse IV aan de Kunstenaarstraat 2 te Gent (Sint-Amandsberg). Op dat adres baat zij ook een dagbladhandel en een wassalon uit. VII-41.929-2/7 3.
  6. Naar luid van artikel 4, § 1, van de wet van 7 mei 1999 ‘op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers’ (hierna: kansspelwet) is het verboden om een kansspelinrichting te exploiteren zonder voorafgaande vergunning van de Kansspelcommissie die overeenkomstig deze wet is toegestaan en behoudens de uitzonderingen door de wet bepaald. Overeenkomstig artikel 25, punt 7, van dezelfde wet is voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse IV een vergunning klasse F2 vereist, die telkens voor hernieuwbare periodes van drie jaar kan worden aangevraagd. Volgens artikel 43/4, § 1, vierde lid, van de kansspelwet moet de uitbating van een (vaste) kansspelinrichting klasse IV geschieden krachtens een convenant dat voorafgaandelijk wordt gesloten tussen de gemeente van vestiging en de uitbater. 3.
  7. Voor de exploitatie van haar kansspelinrichting beschikt de verzoekende partij over een kansspelvergunning klasse F
  8. Deze vergunning werd verleend voor de periode van 19 februari 2020 tot 19 februari
  9. 3.
  10. In het kader van de hernieuwing van de kansspelvergunning vraagt zij op 1 december 2022 aan de stad Gent om een convenant af te sluiten. 3.
  11. Met een besluit van 2 februari 2023 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent om het convenant af te sluiten. Dit is de thans bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de vordering
  12. Krachtens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één VII-41.929-3/7 ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. Spoedeisendheid Uiteenzetting van de verzoekende partij
  13. Ter verantwoording van de spoedeisendheid betoogt de verzoekende partij dat zij “door de bestreden beslissing haar belangrijkste ondernemingsactiviteit [moet] staken, waardoor haar continuïteit ernstig wordt bedreigd” en waardoor zij een “onherstelbaar financieel nadeel [leidt]”. In ondergeschikte orde voert zij aan dat de bestreden beslissing “een onrechtmatige inbreuk [vormt] op haar economische rechten en vrijheden […], zodat [zij] op grond van het Unierecht recht heeft op rechtsherstel”. Volgens de verzoekende partij leidt de gedwongen stopzetting van het wedkantoor met ingang van 20 februari 2023 tot een “onherstelbaar financieel nadeel”. Zij tracht dat nadeel te staven door te verwijzen naar de resultaten van de jaarrekening over het boekjaar 2021 en de “voorlopige interne jaarrekening” voor het boekjaar
  14. In de vier hypothesen die zij vervolgens schetst ziet zij de liquiditeit en continuïteit van haar bedrijfsvoering ernstig bedreigd tijdens de doorlooptijd die een vernietigingsberoep normaal vergt. Beoordeling
  15. Een zaak is spoedeisend, en dus vatbaar voor beoordeling in kort geding, zodra de vrees voor schade van enig belang, of zelfs voor ernstige nadelen, een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt. Het doel is dan ook het kort geding te hanteren wanneer het geschil niet met de gewone procedure binnen de gewenste tijdspanne opgelost kan worden. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter VII-41.929-4/7 ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak spoedeisend is op aan om van die urgentie te overtuigen. Zij dient daartoe aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, gelet op de nadelige gevolgen die een - voortdurende - tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor haar persoonlijk veroorzaakt. De Raad van State mag alleen rekening houden met hetgeen in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd. Hij mag geen acht slaan op hetgeen in latere geschriften of ter terechtzitting door de verzoekende partij bijkomend nog wordt bijgebracht. De verwerende partij kan immers daarop niet meer schriftelijk reageren en de auditeur kan daarover niet op een deugdelijke wijze advies verlenen in een procedure die op grond van artikel 22 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State essentieel schriftelijk is.
  16. Een financieel nadeel volstaat in beginsel niet om de behandeling van een zaak bij spoedeisendheid te verantwoorden. Een dergelijk nadeel kan immers in principe na een annulatiearrest hersteld worden. Dit is uitzonderlijk anders indien bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat het voortbestaan van de verzoekende partij als commerciële onderneming op korte termijn in gevaar wordt gebracht doordat zij door de gedwongen stopzetting van een belangrijk deel van haar activiteiten onmiskenbaar op een faillissement afstevent, dan wel dat het financieel evenwicht van de onderneming onherroepelijk wordt verstoord, kortom dat het te verwachten financiële nadeel een zodanige impact heeft dat de verzoekende partij dit niet kan dragen tot de uitspraak ten gronde. Met betrekking tot dit nadeel deelt de verzoekende partij mee dat in de dagbladhandel intussen vier wedterminals werden geplaatst en dat zij niet langer volhardt in het verzoekschrift tot schorsing in de mate wordt betoogd dat de VII-41.929-5/7 bestreden beslissing op korte termijn een reële bedreiging vormt voor de continuïteit van haar handelsactiviteiten. Aldus geeft de verzoekende partij zelf toe dat de zaak niet spoedeisend is.
  17. In zoverre de verzoekende partij zich beroept op het “voorrangsbeginsel, het doeltreffendheidsbeginsel en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte”, zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en artikel 19 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, die er zich tegen zouden verzetten dat “een nationale regeling, zoals artikel 17, §§ 1 en 4, van de RvS-wet, waarbij een vordering tot schorsing of een vergelijkbare vordering in kort geding, kan worden verworpen wegens een gebrek aan spoedeisendheid, indien een ernstige en voortdurende aantasting van de rechten en vrijheden van het Unierecht vaststaat”, wordt - daargelaten de uitleg die gegeven moet worden aan de aangehaalde Europeesrechtelijke bepalingen en de directe werking ervan - vooralsnog niet aangenomen dat een annulatieprocedure niet als een ‘doeltreffende voorziening’ kan worden beschouwd die ‘daadwerkelijke rechtsbescherming’ biedt en dat die predikaten enkel zouden voorbehouden zijn aan een vordering tot schorsing. In de mate de verzoekende partij in een brief van 18 oktober 2023 suggereert om via de versnelde procedure van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen, gaat het om een laattijdig verzoek waarmee geen rekening moet worden gehouden.
  18. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. VII-41.929-6/7 V. Voorlopige maatregel
  19. De verwerping van de hoofdvordering brengt de verwerping mee van de bijkomstige vordering tot het opleggen van een voorlopige maatregel. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig oktober tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-41.929-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.739 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.957 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.419 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.