← België

Arrest 257762 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/10/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.762 Rolnummer: A. 236427/VII-41412 Zaak: Arrest 257762 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/10/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-11-13 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-06-10 14:45 Fiche Arrest nr 257.762 van 26 oktober 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 257.762 van 26 oktober 2023 in de zaak A. 236.427/VII-41.412 In zake : de NV PATRILAM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michiel Deweirdt kantoor houdend te 9000 Gent Molenaarsstraat 111/1 A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE LIMBURG -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 19 mei 2022, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2122-0647 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 14 april 2022 in de zaak 2021-RvVb-0559-A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 23 juni
  3. De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft op 28 oktober 2022 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk VII-41.412-1/6 besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 juni
  4. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Michiel Deweirdt, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. De deputatie van de provincieraad van Limburg (hierna: deputatie) weigert op 24 februari 2021 een omgevingsvergunning “voor het verkavelen van gronden in vier loten en het ontbossen” aan de verzoekende partij te verlenen.
  7. De RvVb verwerpt met het bestreden arrest de vordering van de verzoekende partij tot vernietiging van voormelde vergunningsbeslissing. VII-41.412-2/6 IV. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de verzoekende partij
  8. De verzoekende partij voert aan: “Het middel is gebaseerd op de schending van artikel 80 Omgevingsvergunningsdecreet (hierna: OVD), de schending van de rechten van verdediging, het zorgvuldigheidsbeginsel als Beginsel van Behoorlijk Bestuur, in samenhang met artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: DBRC-decreet). Doordat de Raad voor Vergunningsbetwistingen oordeelde dat een groepswoningbouw niet in fasen kan worden gerealiseerd. Doordat dit geen voorwerp uitmaakte van het debat voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Terwijl partijen in de mogelijkheid moeten kunnen gesteld worden om over alle aspecten en (ambtshalve) middelen van het dossier standpunt te kunnen innemen. Terwijl een vergunning overeenkomstig artikel 80 OVD de verschillende fasen of onderdelen van een project kan vermelden en kan daarbij de verschillende referentiemomenten vaststellen. Terwijl de vergunningverlenende overheid een zorgvuldig onderzoek moet besteden aan een vergunningsaanvraag en deze dient te beoordelen in het licht van de decretale aandachtspunten, zoals dient te blijken uit de uitdrukkelijke en afdoende motieven van de beslissing. Terwijl artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC-decreet bepaalt dat het arrest met redenen moet omkleed zijn.

(1)”. Beoordeling
  1. Het middel laat na uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest het zorgvuldigheidsbeginsel, artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC schendt. Het middel is in zoverre onontvankelijk.
  2. De verzoekende partij licht niet toe dat zij niet in de mogelijkheid was om voor de RvVb de schending van artikel 80 van het decreet VII-41.412-3/6 van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: OVD) aan te voeren. Het middel dat voor het eerst in graad van cassatieberoep de schending van artikel 80 OVD aanvoert, is niet ontvankelijk.
  3. Het middel, in zoverre ontvankelijk, gaat terug op de beoordeling door de RvVb van het eerste middel waarin de verzoekende partij “in essentie” aanvoert “dat de mogelijkheden die voorzien zijn binnen een woonuitbreidingsgebied volgens artikel 5.1.1 Inrichtingsbesluit nog steeds aan de orde zijn ondanks wat de artikelen 5.6.4 en 5.6.6 VCRO bepalen zodat een verkavelingsvergunning kan worden aangevraagd voor een groepswoningbouwproject”. Het bestreden arrest stelt vast dat: – de voorschriften van de omgevingsvergunningsaanvraag van verzoekende partij “bepalen dat voor elk van de twee halfopen woningen de vergunning tegelijk moet worden aangevraagd en dat er sprake is van twee fases”, – de verkavelingsvergunning voor groepswoningbouw wordt gevraagd “om tegemoet te komen aan artikel 5 Inrichtingsbesluit”, – uit de aanvraag en uit de bestreden beslissing blijkt dat de verzoekende partij als aanvrager zelf aangeeft dat de vier woningen twee aan twee afzonderlijk kunnen worden opgericht. Het bestreden arrest overweegt vervolgens dat op grond van de in de aanvraag vooropgestelde voorschriften “niet anders [kan] dan vastgesteld worden dat de verzoekende partij zelf aangeeft dat de vier woningen niet tegelijk zullen worden opgericht aangezien er twee werffasen zijn die weliswaar elk gegroepeerd te bouwen zijn maar niettemin twee per twee en dus niet alle vier tegelijk” en dat ook de verwerende partij dit in de bestreden beslissing vaststelt. VII-41.412-4/6 Het bestreden arrest verwerpt het eerste middel van de verzoekende partij na te hebben besloten “dat de verzoekende partij zelf aangeeft dat er geen sprake zal zijn van groepswoningbouw en dat ook de verwerende partij dit heeft vastgesteld in de bestreden beslissing. In die zin is er dan ook sprake van een legaliteitsbelemmering om het aangevraagde toe te staan in woonuitbreidingsgebied”.
  4. Het middel dat aanvoert “dat de realisatie in fasen geen voorwerp uitmaakte van het debat voor de [RvVb]” en dat de partijen hierover geen standpunt hebben kunnen innemen, mist feitelijke grondslag.
  5. Het middel wordt verworpen. BESLISSING
  6. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  7. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 22 euro. VII-41.412-5/6 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig oktober tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.412-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.762 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.