← België

Arrest 257765 - Uitleveringen - 26/10/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.765 Rolnummer: A. 240293/VII-42236 Zaak: Arrest 257765 - Uitleveringen - 26/10/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-10-30 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-06-10 14:46 Fiche Arrest nr 257.765 van 26 oktober 2023 Vreemdelingen - Uitleveringen Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 257.765 van 26 oktober 2023 in de zaak A. 240.293/VII-42.236 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bertrand Vrijens kantoor houdend te 9000 Gent Kortrijksesteenweg 641 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Boomstraat 14 bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 18 oktober 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van Justitie van 12 september 2023 waarbij de uitlevering van verzoeker aan de regering van Noord-Macedonië wordt toegestaan. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. VII-42.236-1/6 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2023, om 14 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Annik Haegeman, die loco advocaat Bertrand Vrijens verschijnt voor verzoeker, en advocaat Sarah Elslander, die loco advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. Met een verzoek van 3 maart 2022 vraagt het ministerie van Justitie van de Republiek Noord-Macedonië de uitlevering van verzoeker, van Noord-Macedonische nationaliteit, op grond van een aanhoudingsbevel van het openbaar ministerie van Skopje van 4 augustus
  5. De raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, verklaart het voornoemde aanhoudingsbevel uitvoerbaar met een beschikking van 12 december
  6. Verzoeker tekent beroep aan dat met een arrest van het hof van beroep te Gent van 9 maart 2023 ongegrond wordt verklaard. De kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Gent brengt op 20 juni 2023 een gunstig advies uit over het verzoek tot uitlevering van verzoeker. VII-42.236-2/6 Op 12 september 2023 staat de minister van Justitie de uitlevering toe van verzoeker aan de regering van Noord-Macedonië. Er wordt vermeld dat het specialiteitsbeginsel van toepassing is. Dit is de bestreden beslissing, die op 10 oktober 2023 aan verzoeker wordt betekend. IV. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunten van de partijen
  7. Verzoeker voert aan dat de uiterst dringende noodzakelijkheid waarop de vordering is gesteund te vinden is in het feit dat hij op 23 oktober 2023 zal worden uitgeleverd aan Noord-Macedonië. Bovendien wordt hij vastgehouden met het oog op uitlevering. Derhalve is de behandeling van de zaak uiterst dringend. Verzoeker laat verder gelden op dat hij op 7 september 2023 een volgend verzoek om internationale bescherming heeft ingediend en dat hij in afwachting van een beslissing dient te worden beschermd tegen ieder verzoek tot uitlevering naar Noord-Macedonië.
  8. De verwerende partij deelt in de nota met opmerkingen mee dat zij op 16 oktober 2023 op de hoogte werd gesteld van het nieuwe verzoek om internationale bescherming van verzoeker en dat de voor 23 oktober 2023 geplande uitlevering onmiddellijk werd stopgezet. Zij “bevestigt dat verzoeker niet zal worden uitgeleverd zolang het asielverzoek hangende is”. Beoordeling
  9. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een VII-42.236-3/6 strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat een verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een VII-42.236-4/6 toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
  10. Te dezen leidt verzoeker de uiterst dringende noodzakelijkheid van de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing enkel af uit de vrees dat deze beslissing zou worden ten uitvoer gelegd tijdens de duur van de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming en hij aldus aan Noord-Macedonië zou worden uitgeleverd terwijl hij een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, net uit vrees voor zijn leven, foltering of onmenselijke behandelingen aldaar. De verwerende partij geeft in de nota met opmerkingen echter uitdrukkelijk aan en bevestigt dat de bestreden beslissing niet zal worden uitgevoerd zolang verzoekers procedure om internationale bescherming hangende is. De bevestiging door de verwerende partij dat niet zal worden overgegaan tot de uitvoering van de bestreden beslissing tijdens de asielprocedure noopt tot het besluit dat de spoedeisendheid van de vordering niet wordt aangetoond in de mate dat die spoedeisendheid wordt gesteund op een mogelijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing tijdens de asielprocedure. Verzoeker voert geen andere elementen aan ter staving van de voorgehouden uiterst dringende noodzakelijkheid. Bijgevolg is de uiterst dringende noodzakelijkheid niet aangetoond. V. Conclusie
  11. Uit wat voorafgaat volgt dat niet is voldaan is aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde VII-42.236-5/6 voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig oktober tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.236-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.765 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.742 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.