id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.783 Rolnummer: A. 237114/X-18228 Zaak: Arrest 257783 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 31/10/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-11-10 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-10 14:55 Fiche Arrest nr 257.783 van 31 oktober 2023 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 257.783 van 31 oktober 2023 in de zaak A. 237.114/X-18.228 In zake : de BV OCTINION ROBOTICS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bob Martens en Tess Leppers kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 70 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE VLAAMS-BRABANT -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 29 augustus 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de deputatie van de provincieraad van de provincie Vlaams-Brabant van 10 maart 2022 om van de bv Octonion Robotics 27.474,28 euro terug te vorderen van het aan haar uitbetaalde voorschot van de subsidie voor het project Flanders’ Agrotonics. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de verzoekende partij hebben een laatste memorie ingediend. X-18.228-1/8 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 september
- Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tess Leppers, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 8 december 2011 kent de deputatie van de provincieraad van de provincie Vlaams-Brabant aan bvba Induct, thans de bv Octinion Robotics geheten, een maximale subsidie van 61.683 euro toe voor de realisatie van het project Flanders’ Agrotronics, onder de voorwaarde dat de provinciale middelen effectief worden aangewend voor het doel waarvoor ze zijn aangevraagd. Er wordt een terugvorderbaar voorschot van 30.841,50 euro uitgekeerd. Verzoekster dient op 19 maart 2015 een eindverslag met stavingsstukken in. Na opmerkingen dient verzoekster op 13 oktober 2015 een nieuwe verantwoording in. Op 21 januari 2016 beslist de deputatie de ingediende verantwoordingsstukken goed te keuren voor een bedrag van 6.733,72 euro. Het subsidiebedrag is 50 % hiervan, of 3.366.862 euro. Dit leidt tot het besluit om 27.474,64 terug te vorderen van het uitbetaalde voorschot. X-18.228-2/8 De beslissing wordt, op vraag van verzoekster, door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 246.853 van 28 januari
- Geoordeeld wordt dat de verwerende partij niet inzichtelijk maakt welke kosten die blijkens een e-mail van 30 september 2015 zonder voorbehoud konden worden aanvaard, uiteindelijk alsnog verworpen zijn, noch om welke redenen de deputatie op de eerdere aanvaarding van die kosten terugkomt.
- Overwegende dat een nieuwe beslissing moet worden genomen over de verantwoording van de verleende subsidie, beslist de deputatie op 10 maart 2022 om de ingediende verantwoordingsstukken voor een bedrag van 6.734,45 euro goed te keuren en een bedrag van 27.474,28 euro terug te vorderen als saldo van het reeds uitbetaalde voorschot, verminderd met het subsidiebedrag. IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
- Verzoekster leidt een eerste middel af uit de schending van onder meer de redelijke termijn als beginsel van behoorlijk bestuur. Toegelicht wordt dat de verwerende partij na de vernietiging door de Raad van State van haar beslissing van 21 januari 2016, meer dan twee jaar heeft gewacht om een nieuw besluit te nemen. Zij heeft enkel een besluit genomen nadat verzoekster haar meerdere keren heeft aangemaand. Er is geen enkele redelijke uitleg voorhanden waarom de verwerende partij meer dan twee jaar heeft gewacht. Zij had de rapportering en verantwoordingsstukken al onderzocht en al een besluit genomen, maar had haar motieven niet weergegeven in het besluit. Zij diende geen nieuw onderzoek te verrichten of nieuwe feiten of stukken te onderzoeken. Verzoekster maakt ondertussen deel uit van een internationale groep “waardoor zij een definitief besluit nodig had”. De verwerende partij heeft, zonder enige rechtvaardiging of gegronde reden, verzoekster gedurende 25 maanden in het ongewisse gelaten en aldus op een grove wijze de redelijke termijn geschonden. Die overschrijding van de redelijke termijn moet als gevolg hebben “dat de verwerende partij haar bevoegdheid verliest om het bestreden besluit nog te nemen”. X-18.228-3/8
- In de memorie van antwoord wijst de verwerende partij er in de eerste plaats op dat verzoekster zelf getalmd heeft met betrekking tot het indienen van de verantwoording van het gebruik van de toegekende subsidie: hoewel de verantwoordingsstukken eigenlijk al op 8 maart 2015 ingediend moesten zijn en hoewel voor een aanvulling de datum van 5 oktober 2015 was opgegeven, ontving de verwerende partij het aangevulde verslag en de bijkomende stavingsstukken pas op 13 oktober
- Voorts is het vernietigingsarrest van de Raad van State van 28 januari
- Op dat moment was het land in de ban van de COVID-19-pandemie. Op 18 maart 2020 ging het hele land in lockdown. Ook de verwerende partij werd geconfronteerd met de gevolgen van de opgelegde maatregelen. Thuiswerk werd de norm. Toegang tot documenten en dossiers was vaak niet mogelijk, minstens uiterst moeilijk. Overleggen over bepaalde zaken werd sterk bemoeilijkt, tot onmogelijk. De hele situatie heeft een tijdelijke stilstand, minstens een uitzonderlijke vertraging veroorzaakt, die gepaard ging met een grote achterstand op werkvlak. De COVID-19-pandemie vormt “een bijzonder beoordelingselement dat niet genegeerd kan worden bij de beoordeling van de redelijke termijn”. Ten slotte heeft verzoekster “ook nog een parallel pad bewandeld door buiten de voorziene procedure om contact op te nemen met het bevoegde kabinet om haar ongenoegen te uiten en het verzoek om tussen te komen”. Deze demarche zorgde voor bijkomende vertraging en voegde aan de beoordeling van de zaak “een onnodige complexiteit” toe. De verwerende partij, aldus nog de memorie van antwoord, kan niets anders doen dan de context schetsen “waartegen zij het voorliggende dossier diende te behandelen”, maar “[h]et komt uiteraard aan [de] Raad toe om in concreto te oordelen of de redelijke termijn in casu werd overschreden”. Zelf meent de verwerende partij dat de termijn waarin de bestreden beslissing werd genomen “niet onredelijk is wanneer men rekening houdt met de concrete omstandigheden van de voorliggende zaak”. X-18.228-4/8 Beoordeling
- Of een bestuur de redelijketermijneis heeft miskend, moet in concreto worden beoordeeld, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak. Daartoe behoren inzonderheid de complexiteit van de zaak, de houding van de partijen en het belang van de zaak voor de betrokken partijen. Te dezen heeft de verwerende partij beweerdelijk de redelijke termijn geschonden door verzoekster na het vernietigingsarrest van 28 januari 2020 zonder geldige rechtvaardiging meer dan twee jaar in het ongewisse te hebben gelaten over haar rechtstoestand.
- Bezwaarlijk zou kunnen worden aangenomen dat de zaak zich na het vernietigingsarrest van de Raad van State nr. 246.853 voor de verwerende partij als ingewikkeld aandiende. Zoals verzoekster terecht opmerkt, was het dossier al onderzocht, en hebben er zich na het vernietigingsarrest geen nieuwe feiten voorgedaan en zijn er geen nieuwe stukken toegevoegd. De verwerende partij hoefde alleen een nieuwe beslissing te nemen en er daarbij over te waken niet dezelfde onwettigheid te begaan die tot de vernietiging van haar eerste beslissing leidde. Die onwettigheid bestond erin dat zij naliet te preciseren welke kosten die zij blijkens een eerdere e-mail kon aanvaarden, uiteindelijk verworpen werden, en wat daarvoor de deugdelijke redenen waren.
- Wat de houding van de partijen betreft, is volgens de verwerende partij gebleken dat verzoekster in het verleden zelf niet zorgvuldig heeft gehandeld door te laat te rapporteren en dat bijgevolg aan de afhandeling van het dossier geen grote prioriteit behoefde te worden toegekend. Dat er mogelijk opmerkingen te maken zijn over verzoeksters rapportering in 2015, is geheel zonder relevantie voor de beoordeling van het getalm van de verwerende partij in de periode van 2020 tot
- De verwerende partij zegt het zelf: “uiteraard” heeft dit “geen rechtstreekse invloed […] gehad op de termijn waarbinnen het huidige, bestreden besluit werd genomen”. X-18.228-5/8
- Die eventuele opmerkingen over de rapportering in 2015 doen overigens des te minder ter zake aangezien verzoekster al van onmiddellijk na het vernietigingsarrest, en bij herhaling, duidelijk aan de verwerende partij te kennen heeft gegeven dat zij de zaak graag (minnelijk) geregeld zag, zodat zij ze achter zich kon laten. Dat was voor haar inzonderheid van belang omdat zij in “een structurele verandering” betrokken was, namelijk in commerciële onderhandelingen in verband met de opname in een internationale groep. De omstandigheid dat verzoekster zich meer bepaald tot de verwerende partij richtte in de persoon van de bevoegde gedeputeerde en van haar kabinetsverantwoordelijke, doet daar niets aan af.
- Anders dan de verwerende partij klaarblijkelijk meent, kan die laatste omstandigheid evenmin gelden ter rechtvaardiging van het tijdsinterval tussen het vernietigingsarrest en de bestreden beslissing. Dat verzoeksters contact met het kabinet voor een “bijkomende vertraging” en “een onnodige complexiteit” zou hebben gezorgd, is niet meer dan een bewering. Door niets wordt gestaafd dat het kabinet op enige wijze in de werkzaamheden van “de diensten” (zie stuk 16 van verzoekster) van de provincie is tussengekomen.
- Rest, ter verantwoording van het tijdsverloop van meer dan twee jaar, het excuus van de verwerende partij dat de COVID-19-pandemie tot gevolg had dat thuiswerk de norm werd, dat de toegang tot documenten vaak niet mogelijk was en dat het overleggen over bepaalde zaken sterk bemoeilijkt werd, zo al niet onmogelijk. Maar ook hieromtrent blijft de verwerende partij in gebreke de nodige overtuigende bewijsstukken bij te brengen. Het volstaat niet dat zij in het algemeen verwijst naar, en uitweidt over, “organisatorische en praktische problemen”, zij dient de toepasselijkheid ervan in het concrete, voorliggende geval aan te tonen aan de hand van een minimum aan precieze gegevens. Dat doet zij in het geheel niet. Eerder zijn er indicaties voorhanden dat de impact op deze zaak van de COVID-19-pandemie en van de maatregelen waartoe ze leidde, zeer X-18.228-6/8 aanzienlijk gerelativeerd moet worden. Alle stukken die de verwerende partij voor haar beslissing behoefde, waren haar per e-mail bezorgd; het hele dossier was elektronisch beschikbaar. Het ging er in wezen uiteindelijk alleen om dat zij een beter gemotiveerde beslissing zou nemen in een reeds onderzocht dossier. Eveneens is vast te stellen, aldus het auditoraatsverslag, dat “aan de hand van de op de website van verweerster terug te vinden informatie kan worden vastgesteld dat de deputatie ook tijdens de periode 2022-2023 nog steeds wekelijks vergaderde en bijgevolg ook wekelijks een hele rist aan besluiten (ook in tal van subsidiedossiers) nam”.
- Vastgesteld wordt aldus dat de verwerende partij er na het vernietigingsarrest van 28 januari 2020 zonder afdoende reden meer dan twee jaar over gedaan heeft om tot de bestreden beslissing te komen. Nochtans betrof het een zaak die als vrij eenvoudig te beschouwen is, waarbij verzoekster een speciaal belang had om ze beëindigd te zien en waarvoor door haar op gezette tijden op een finale regeling was aandrongen.
- Volgens het auditoraatsverslag is hieruit te besluiten dat de redelijke termijn als beginsel van behoorlijk bestuur werd geschonden en dat de verwerende partij haar bevoegdheid om nog een beslissing te nemen onherroepelijk verloren heeft. In haar laatste memorie komt de verwerende partij tot geen andere reactie dan de loutere verklaring dat zij het standpunt van de auditeur “betwist”. Evenmin kon meer van haar vernomen worden ter terechtzitting, waarop zij immers afwezig bleef.
- De Raad van State ziet geen reden om niet de zienswijze in het auditoraatsverslag bij te vallen. Het eerste middel is gegrond. X-18.228-7/8 BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de deputatie van de provincieraad van de provincie Vlaams-Brabant van 10 maart 2022 om 27.474,28 euro terug te vorderen van het aan de Octonion Robotics uitbetaalde voorschot van de subsidie voor het project Flanders’ Agrotonics.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op het rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro ten behoeve van verzoekster. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op éénendertig oktober tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-18.228-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.783 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div