← België

Arrest 257906 - Landbouw en visserij - 16/11/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.906 Rolnummer: A. 234267/VII-41187 Zaak: Arrest 257906 - Landbouw en visserij - 16/11/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-11-27 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-06-10 15:40 Fiche Arrest nr 257.906 van 16 november 2023 Economische zaken - Landbouw en visserij Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 257.906 van 16 november 2023 in de zaak A. 234.267/VII-41.187 In zake : Michel COECKELBERGHS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Opsommer kantoor houdend te 9700 Oudenaarde Gentstraat 152 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Deborah Smets kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 9 augustus 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het departement Landbouw & Visserij van de Vlaamse overheid van 11 juni 2021 waarbij definitief wordt beslist over de toekenning van steun van het landbouwrampenfonds voor de droogte in het jaar
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-41.187-1/5 Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 31 mei 2023 een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 oktober
  4. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaten Jan Opsommer en Thibo Houf, die verschijnen voor verzoeker en advocaat Elliott Missault, die loco advocaten Steve Ronse en Deborah Smets verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behoudens wat betreft de kosten. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Op 26 oktober 2018 neemt de Vlaamse regering een besluit waarbij de droogte tussen 2 juni 2018 en 6 augustus 2018 wordt erkend als landbouwramp en waarbij de geografische uitgestrektheid en de getroffen teelten van die ramp worden afgebakend. 3.
  7. Verzoeker meent dat hij als landbouwer in aanmerking komt voor een tegemoetkoming op grond van het voormelde besluit van de Vlaamse regering. VII-41.187-2/5 Op 18 februari 2019 dient hij met het standaardformulier ‘Tegemoetkomingsaanvraag voor schade geleden door de droogte 2018’ een aanvraag in tot het verkrijgen van een tegemoetkoming. 3.
  8. Het departement Landbouw & Visserij deelt mee dat verzoeker niet aan de toekenningsvoorwaarden voldoet. 3.
  9. Tegen deze beslissing stelt verzoeker bezwaar in bij het departement Landbouw & Visserij. Dit bezwaarschrift wordt op 9 juni 2020 verworpen. 3.
  10. Op 11 juni 2020 dient verzoeker vervolgens een tweede bezwaar in bij het departement Landbouw & Visserij. 3.
  11. Met een besluit van 11 juni 2021 wijst het departement Landbouw & Visserij dit bezwaar af en neemt zij een ‘definitieve beslissing’ over de vraag tot toekenning van steun van het landbouwrampenfonds voor de droogte in het jaar
  12. Dit is de bestreden beslissing. IV. Rechtsmacht van de Raad van State Ambtshalve exceptie
  13. De bestreden beslissing houdt een definitieve beoordeling in van de vraag tot schadeloosstelling die verzoeker tot de Vlaamse overheid heeft gericht in het kader van het besluit van de Vlaamse regering van 26 oktober 2018 ‘houdende erkenning van de droogte tussen 2 juni 2018 en 6 augustus 2018 als landbouwramp en de afbakening van de geografische uitgestrektheid en de getroffen teelten van die ramp’. VII-41.187-3/5 In de aanhef van het besluit van de Vlaamse regering van 26 oktober 2018 wordt verwezen naar artikel 2, § 1, eerste lid, 2°, en § 2, van de wet van 12 juli 1976 ‘betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen’. Verzoeker betwist niet dat de rechtsgrond voor het besluit van de Vlaamse regering van 26 oktober 2018 te vinden is in de aangehaalde wet van 12 juli
  14. Evenmin laat hij gelden dat voor het uitvaardigen van het besluit van de Vlaamse regering van 26 oktober 2018 beroep gedaan moet worden op andere rechtsgrondbiedende bepalingen.
  15. Blijkens de in de bestreden beslissing gebruikte bewoordingen bestaat het voorwerp ervan uit een “definitieve beslissing” over “de tegemoetkoming van het landbouwrampenfonds 2018”. Artikel 21 van de wet van 12 juli 1976 bepaalt dat de belanghebbende een voorziening inzake de definitieve schadeloosstelling kan instellen bij het hof van beroep van het ambtsgebied waarin zich de provincie bevindt waarvan de gouverneur in eerste aanleg heeft uitspraak gedaan. Hieruit volgt dat de wetgever de rechtsmacht inzake geschillen over beslissingen over de definitieve schadeloosstelling door het landbouwrampenfonds, ongeacht of de definitieve beslissing op administratief niveau genomen werd door de provinciegouverneur dan wel door een departement van de Vlaamse overheid, uitdrukkelijk heeft toevertrouwd aan de hoven van beroep. Deze vaststelling sluit de rechtsmacht van de Raad van State uit, zonder dat nog moet worden onderzocht of het werkelijke en rechtstreeks voorwerp van het annulatieberoep dat verzoeker heeft ingesteld, geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een geschil over een subjectief recht.
  16. De Raad van State is zonder rechtsmacht om over het voorliggende geschil uitspraak te doen. VII-41.187-4/5 V. Kosten
  17. Aangezien in de bestreden beslissing de Raad van State als het bevoegde rechtscollege werd aangewezen, past het om de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen.
  18. Een rechtsplegingsvergoeding is, gelet op artikel 30/1, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een tegemoetkoming in de kosten van de advocaat van de “in het gelijk gestelde partij”. Verzoeker noch de verwerende partij zijn als een dergelijke “in het gelijk gestelde partij” te beschouwen. BESLISSING
  19. De Raad van State verwerpt het beroep.
  20. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zestien november tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-41.187-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.906 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.