id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.932 Rolnummer: A. 237383/IX-10135 Zaak: Arrest 257932 - Wapens - 17/11/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-11-27 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-06-13 05:46 Fiche Arrest nr 257.932 van 17 november 2023 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 257.932 van 17 november 2023 in de zaak A. 237.383/IX-10.135 In zake : Hans VAN DER POTEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Vincent De Donder kantoor houdend te 9200 Dendermonde Sint-Gillislaan 36 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 3 oktober 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 5 augustus 2022 inzake het beroep van Hans Van der Poten tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen van 10 augustus
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.135-1/18 Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 oktober
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Daan Lernout, die loco advocaat Vincent De Donder verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Michel van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is in het bezit van verschillende vuurwapens. 3.
- Op 19 april 2021 meldt de lokale politie van Dendermonde aan de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen: “Op 27/03/2021 omstreeks 02.22 uur worden onze diensten gecontacteerd omdat een bewoner van […] schoten heeft gehoord. Hij vermoed[t] dat de schoten afkomstig zijn uit het appartement gelegen te […]. Bij nazicht door onze ploegen verklaart de bewoner van het appartement, de genaamde Van der Poten Hans, dat hij ‘iets voorgehad heeft met zijn IX-10.135-2/18 wapen’. Betrokkene verkeert op dat moment onder invloed van alcoholische dranken. Wanneer de ploegen zich naar het appartement begeven kunnen zij vaststellen dat er verschillende vuurwapens, alsook munitie, in de zetel en op de salontafel liggen. Zij kunnen eveneens verschillende kogelinslagen opmerken in twee muren van het appartement […]. Aan de ploeg ter plaatse verklaart betrokkene spontaan dat hij de schietclub mist (COVID) en dat hij inderdaad een paar schoten gelost heeft. Hierop heeft de dienstdoende OGP/HPK beslist om alle wapens, munitie en vergunningen mee te nemen uit de woning.” 3.
- Op 20 juli 2021 adviseert de procureur des Konings de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen om verzoeker het wapenbezit te ontzeggen. 3.
- De gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen beslist op 10 augustus 2021 om verzoekers vergunningen tot het voorhanden hebben van vier vuurwapens in te trekken. Voorts wordt ook verzoekers recht ingetrokken om op grond van het statuut van sportschutter een pistool voorhanden te hebben. De gouverneur motiveert: “Dat de procureur des Konings negatief advies verstrekt omtrent verder wapenbezit in hoofde van de heer Hans Van der Poten; dat de heer Van der Poten op 27/03/2021 het artikel 11, § 3 wapenwet heeft geschonden; dat hij zijn wapens enkel mag gebruiken voor het beoefenen van het sportief en recreatief schieten; dat het vuren in een woning bijgevolg een zware inbreuk uitmaakt op de wapenwet; dat door het afketsen van een kogel inderdaad gekwetsten of doden hadden kunnen vallen; dat de vaste rechtspraak van de Raad van State bepaalt dat oudere feiten in aanmerking kunnen worden genomen in combinatie met nieuwe feiten; dat de oudere veroordelingen wegens intoxicatie en/of dronkenschap aan het stuur bijgevolg in rekening kunnen worden gebracht, des te meer daar de heer Van der Poten op het ogenblik van het schietincident in zijn appartement ook geïntoxiceerd was; dat hij kennelijk ook het artikel 11, § 3 van het Koninklijk besluit van 24/04/1997, zoals gewijzigd bij Koninklijk besluit van 14/04/2009, tot bepaling van de veiligheidsvoorwaarden bij het opslaan, het voorhanden hebben en het verzamelen van vuurwapens of munitie heeft geschonden; dat vergunde wapens en bijhorende munitie niet zomaar op de salontafel mogen achtergelaten worden, doch ook niet in de slaapkamer; dat artikel 11, § 3 exacte bewaringsregels oplegt; dat uit niets blijkt dat de heer Van der Poten deze heeft nageleefd; dat er ten slotte nog IX-10.135-3/18 een dossier inzake bedreigingen in informatie is; dat het onderzoek ter zake zal uitwijzen of het gaat over bedreigingen, dan wel belaging; dat het ook ter zake om recente feiten gaat; dat artikel 28, § 2 wapenwet niet bepaalt dat er binnen de 3 maanden moeten worden besloten, doch binnen de 4 maanden; dat deze termijn bijgevolg wordt gerespecteerd.” 3.
- Verzoeker stelt op 18 augustus 2021 beroep in tegen die beslissing. 3.
- Op 27 oktober 2021 verstrekt de lokale politie van Dendermonde een ongunstig advies op grond van de volgende motieven: “- overwegende dat er reeds meerdere tussenkomsten geweest zijn door onze diensten waarbij betrokkene (als uitbater van een herberg) duidelijk onder invloed was van alcoholische dranken. - overwegende dat betrokkene in het verleden reeds 3-maal veroordeeld werd voor sturen onder invloed. - overwegende dat betrokkene op 27/03/2021 onder invloed van alcoholische dranken zijn vuurwapens heeft ter hand genomen en daar bewust in zijn woning enkele schoten mee heeft afgevuurd. - overwegende dat betrokkene daartoe als reden opgaf dat hij zijn bezoeken aan de schietstand miste (Covid). Dat dit op zijn minst niet als een geldige reden kan weerhouden worden. - overwegende dat het afvuren van een vuurwapen in een woning (appartement) een ernstig gevaar voor de openbare rust/veiligheid/gezondheid betekent.” 3.
- De procureur des Konings geeft op 4 november 2021 eveneens een ongunstig advies, met verwijzing naar zijn advies van 20 juli
- 3.
- Op 5 augustus 2022 verwerpt de minister van Justitie het door verzoeker ingestelde beroep. Dat is de bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt: “In het dossier worden door de adviesverlenende instanties verschillende elementen ingeroepen die volgens hen aantonen dat wapenbezit in uw hoofde een potentieel gevaar kan stellen voor de openbare orde en veiligheid. Uw veroordelingen wegens geïntoxiceerd en in enkele gevallen ook IX-10.135-4/18 dronken sturen betreffen een eerste element. Hiervan meent u dat deze veroordelingen dateren van jaren terug en ook niet in aanmerking werden genomen bij het verlenen van de nodige vergunningen. Het schietincident, het tweede element, minimaliseert u vervolgens door te stellen dat u toen niet geïntoxiceerd was of zich in staat van dronkenschap bevond en door te stellen dat u zo voorzichtig was om te vuren op een binnenmuur richting uw slaapkamer waardoor u meende niemand te kunnen verwonden of raken omdat u op het ogenblik van de feiten alleen was. Tenslotte verandert u uw verklaring omtrent het wegbergen van de wapens en de munitie: eerst vermeldde u dat de wapens en munitie waren teruggelegd op de slaapkamer, nadien stelde u dat de wapens wel degelijk waren opgeborgen achter slot in een brandkast en dat de verbalisanten u zelfs om de code hebben gevraagd. Wat betreft het derde element tenslotte, de beweerde bedreigingen ten aanzien van uw vroegere vriendin […], meent u dat dit een lasterlijke aangifte betreft. U stelde destijds meerdere SMS berichten te hebben gestuurd die mogelijks als belagend werden ervaren maar dat er van bedreiging evenwel nooit sprake is geweest. U heeft sedert enige tijd ook een nieuwe relatie waarin u zich zeer goed voelt. De zorgvuldigheidsplicht impliceert een zorgvuldige voorbereiding van de beslissing, een behoorlijke feitengaring, een zorgvuldigheid bij de afweging van de belangen en het door de overheid naleven van haar informatieplicht. Het is vergelijkbaar met de verplichting om te handelen te goeder trouw zoals in het burgerlijk recht. In casu werden voormelde elementen nader onderzocht. Hieruit kan besloten worden dat – na zorgvuldige afweging van alle argumenten – het volgende voorligt ter evaluatie van uw geschiktheid als wapenbezitter: - u werd driemaal veroordeeld wegens sturen onder invloed, te weten in 2002, in 2010 en
- De laatste twee veroordelingen betroffen naast intoxicatie tevens dronkenschap aan het stuur en vluchtmisdrijf. Deze veroordelingen zijn relevant in het kader van huidige beoordeling aangezien met minder recente gegevens rekening mag worden gehouden indien deze – in het licht van recente gegevens – niet ieders belang kunnen worden ontzegd. Uit de recente gegevens komt alcohol minstens opnieuw ter sprake, ditmaal niet bij het gebruik van een auto doch wel bij het gebruik van vuurwapens. Deze veroordelingen zijn ook relevant omdat ze aantonen dat u zich in geïntoxiceerde en in twee gevallen zelfs dronken toestand met een gemotoriseerd voertuig in het verkeer begaf. Iemand die zich in dergelijke toestand bevindt, heeft echter te weinig controle over zijn doen en laten en creëert daarmee een onaanvaardbaar risico voor de openbare orde en veiligheid. Het bewijst dat u geen enkele verantwoordelijkheid opnam, hetgeen nog eens extra in de verf werd gezet door de daaraan gekoppelde feiten van vluchtmisdrijf. De link met vuurwapenbezit bestaat er met name in dat iemand die een voertuig bestuurt, net zoals iemand die een vuurwapen ter hand neemt, zich uitermate verantwoordelijk dient te gedragen omwille IX-10.135-5/18 van het inherent potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid dat er kan ontstaan indien men dat niet doet. Onder invloed van alcohol betekent een voertuig als het ware een gevaarlijk wapen in het verkeer. Onder invloed van alcohol betekent een vuurwapen een garantie op misbruik en ongevallen. - u heeft met uw vuurwapen geschoten in uw woning waarbij u enkele gaten in de muur veroorzaakte en waarbij u uw buurman alarmeerde. Uw enige reden om dit te doen, bestond uit de sluiting van de schietstanden ten gevolge van de Covid-maatregelen. Het is manifest onaanvaardbaar dat iemand zijn vuurwapen ter hand neemt zonder wettige reden en zelfs niet met een enigszins aanvaardbare reden, terwijl men hiermee een dermate groot gevaar creëert voor de openbare orde en veiligheid, niet in het minst ook uw eigen veiligheid. Het afvuren van een kogel in een beperkte ruimte impliceert zo veel risico: de kogel kan afwijken van zijn baan en zo terechtkomen waar men het misschien initieel niet bedoeld had, met alle gevolgen van dien. Ook al was u alleen, u had minstens uzelf gevaarlijk kunnen verwonden of erger. Of u die feiten pleegde in geïntoxiceerde of dronken toestand staat los van het gegeven dat deze daad op zich eigenlijk reeds aantoont dat u zich als wapenbezitter zeer onverantwoord heeft gedragen. De verbalisanten hebben vastgesteld dat u bij dat schietincident onder invloed verkeerde van alcoholische dranken. U meent echter dat dit door geen enkel objectief gegeven wordt gesteund. Dit kan dan zo zijn, doch uit voorgaand element blijkt dat alcohol in uw verleden reeds een belangrijke faciliterende factor heeft gespeeld in het plegen van verkeersinbreuken zodat het aannemelijk is dat alcohol ook een rol heeft gespeeld in dit schietincident. Alcohol heeft een ontremmend effect en het is daarom plausibel dat het u in beide gevallen (rijden met een voertuig en schieten met een vuurwapen) heeft aangezet om onnodige risico’s te nemen. Principaal kan in iemand die zijn vuurwapens hanteert om te oefenen in zijn woning ‘omdat de schietstanden zijn gesloten’ geen vertrouwen meer gesteld worden om vuurwapens voorhanden te hebben. U beschouwt dit als een geïsoleerd incident, doch het betreft een incident dat werkelijk onaanvaardbaar is en absoluut geen vervolg mag kennen. Op grond hiervan moet dan ook vastgesteld worden dat particulier vuurwapenbezit in casu een te groot risico zou inhouden voor de openbare orde en veiligheid. In bezit zijnde van vuurwapens wordt het potentieel gevaar onaanvaardbaar vergroot. Het uitoefenen van een hobby mag niet opwegen tegen de vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. De gouverneur van Oost-Vlaanderen vreesde bijgevolg terecht voor misbruik van of ongelukken met vuurwapens indien u het bezit ervan zou worden toegelaten. In het bezit zijnde van een sportschutterslicentie zou u immers ook snel en eenvoudig vuurwapens kunnen aanschaffen waarbij een moraliteitscontrole enkel achteraf (nadat u reeds in bezit bent van vuurwapens) mogelijk zou IX-10.135-6/18 zijn. Het was derhalve niet onredelijk om een preventieve maatregel inzake wapenbezit te voorzien ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. De wapenwet voorziet daartoe in verschillende mogelijke maatregelen. De gouverneur heeft ervoor geopteerd om uw recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens in te trekken ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. Uit het voorgaande is gebleken dat een intrekking van uw vergunningen en uw recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens inderdaad noodzakelijk is ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Het eerste middel is genomen uit de schending van het zorg- vuldigheidsbeginsel, de materiëlemotiveringsplicht, het “verdedigingsbeginsel” en de hoorplicht. Verzoeker voert aan dat de verwerende partij heeft nagelaten om zijn opmerkingen inzake de feiten die voor de bestreden beslissing in aanmerking worden genomen, te onderzoeken. Wat de beweerde bedreigingen lastens zijn ex-partner en haar ouders betreft, stelt verzoeker dat hij de feitelijke context daarvan heeft toegelicht en dat hij heeft gevraagd dat inlichtingen zouden worden ingewonnen inzake de stand en de inhoud van het opsporingsonderzoek, aangezien hij van mening is dat hij geen enkel strafbaar feit heeft gesteld. Zonder dit te onderzoeken, of minstens informatie in te winnen over het opsporingsonderzoek, heeft de gouverneur in zijn beslissing dit feit bewezen bevonden en is hij ervan uitgegaan dat verzoeker een strafbaar feit heeft gepleegd. Ook de minister van Justitie heeft geen enkel onderzoek verricht. In de bestreden beslissing citeert hij de bij de politie en het parket ingewonnen adviezen waarin melding wordt gemaakt van de strafklacht en IX-10.135-7/18 hij neemt de feiten die het voorwerp van de strafklacht vormen zonder meer voor waar aan en betrekt ze zelfs bij de motivering van de bestreden beslissing. Verzoeker is van oordeel dat er van een conflictueuze situatie of relatie absoluut geen sprake is. Met zijn verweer is echter op geen enkele wijze rekening gehouden. Zijn versie van de feiten is niet onderzocht en er is geen inzage gevraagd in het strafdossier omdat dit niet past in de stellingname van de verwerende partij dat er door een samenhang van feiten sprake is van een gevaar voor de openbare orde. Wat het schietincident van 27 maart 2021 betreft, betoogt verzoeker dat de precieze toedracht hiervan niet is onderzocht. Hoewel de feiten op zich niet ter discussie staan, heeft hij verklaard dat deze geen gevaar konden opleveren voor derden of verzoeker zelf. De omstandigheid dat uitsluitend schuine inslagen in een niet-massieve muur zijn aangetroffen en dat de wapens en de munitie slotvast waren opgeborgen, is nooit nader onderzocht of voorgelegd aan de verbalisanten, hoewel verzoeker daar uitdrukkelijk om heeft verzocht. Dat hij van meet af aan heeft betwist dat hij op het ogenblik van het schietincident “sterk onder invloed [was] van alcoholische dranken” en dat dit nooit geldig is vastgesteld, blijft eveneens onbesproken. Niettemin wordt dit element in de bestreden beslissing wel mee in aanmerking genomen aangezien er wordt gemotiveerd dat het vanuit het uitgangspunt van preventie niet verantwoord zou zijn om wapenbezit toe te staan aan een persoon die “tegenindicatie” zou vertonen. Bovendien wordt in de bestreden beslissing erkend dat de stelling dat hij ten tijde van het schietincident onder invloed was van alcohol niet steunt op objectieve gegevens, maar de verwerende partij stelt vervolgens dat uit voorgaande veroordelingen door de politierechtbank – die reeds dateren van 2002, 2010 en 2013 – toch kan worden afgeleid dat alcohol ook een rol heeft gespeeld bij het schietincident. Ook de stelling dat bij politionele interventies in het door hem uitgebate café meermaals is vastgesteld dat hij onder invloed was van alcohol is volgens verzoeker niet onderzocht. Verzoeker stelt dat dit louter een gerucht IX-10.135-8/18 betreft en dat geen enkele politionele vaststelling of proces-verbaal deze stelling onderbouwt. Niettemin wordt dit element toch in aanmerking genomen bij het nemen van de bestreden beslissing, zonder dat hij hiertegen verhaal kan halen of dit kan tegenspreken. Verzoeker besluit dat de bestreden beslissing steunt op een aantal niet-gecontroleerde feitelijke elementen. Hoewel formeel is voldaan aan de hoorplicht en hij meermaals in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunt naar voor te brengen, is aan geen enkele van zijn vragen om één en ander te onderzoeken voldaan.
- In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat het openbaar ministerie en de minister in elke stand van het onderzoek de mogelijkheid hebben om inzage te nemen van een lopend opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek. De verwerende partij heeft er echter voor gekozen om dit niet te doen en zich te beperken tot de stereotype overweging dat er sprake was van een conflictueuze situatie die op zich volstaat om de bestreden beslissing te schragen. Nochtans had de verwerende partij zich ervan kunnen vergewissen of verzoeker, volgens de stand van het onderzoek, zich schuldig had gemaakt aan strafbare feiten, dan wel of er van een conflictueuze situatie tussen verzoeker en zijn ex-partner (nog) sprake was. Het enkele feit dat er een klacht is ingediend, bleek echter in hoofde van de verwerende partij voldoende om een grievend en ingrijpend besluit te nemen, zonder enig onderzoek of die klacht enige grond had of nog actueel was. Voorts betoogt verzoeker dat uit het dossier nergens blijkt hoe de verwerende partij de beschikbare gegevens tegenover elkaar heeft afgewogen en op grond van welke motivering zij de verklaringen van de politie geloofwaardiger mocht achten en er een zwaarder gewicht aan mocht toekennen dan aan verzoekers verklaringen. Dit geldt voor alle feiten, inzonderheid de klacht van zijn ex-partner en de feitelijke toedracht van het schietincident, waarbij verzoeker verwijst naar de kogelinslag, de vraag of hij al dan niet dronken was en de wijze waarop het wapen was opgeslagen. Het loutere feit dat IX-10.135-9/18 de verwerende partij zijn grieven niet heeft onderzocht, volstaat volgens verzoeker om tot de gegrondheid van het middel te besluiten. IX-10.135-10/18 Beoordeling
- Voor zover verzoeker de schending aanvoert van het “verdedi- gingsbeginsel” moet worden opgemerkt dat het recht van verdediging, behoudens andersluidend voorschrift, alleen van toepassing is in straf- en tuchtzaken. Aangezien het in casu niet gaat om een straf- of tuchtzaak en geen wettelijke of reglementaire bepaling het recht van verdediging uitbreidt tot beslissingen zoals de thans voorliggende bestreden beslissing, is het recht van verdediging als zodanig niet van toepassing.
- De wapenwet bepaalt niet op grond van welke feiten, noch op grond van welke criteria, de mogelijke verstoring van de openbare orde moet worden beoordeeld, op grond waarvan een wapenvergunning kan worden ingetrokken. De verwerende partij beschikt over een discretionaire beoordelings- bevoegdheid. Het komt aan de Raad van State in het kader van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van de vraag of het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de voormelde wettelijke bepalingen binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
- In de motivering van de bestreden beslissing wordt overwogen: “Principaal kan in iemand die zijn vuurwapens hanteert om te oefenen in zijn woning ‘omdat de schietstanden zijn gesloten’ geen vertrouwen meer gesteld worden om vuurwapens voorhanden te hebben. U beschouwt dit als een geïsoleerd incident, doch het betreft een incident dat werkelijk onaanvaardbaar is en absoluut geen vervolg mag kennen. Op grond hiervan moet dan ook vastgesteld worden dat particulier vuurwapenbezit in casu een te groot risico zou inhouden voor de openbare orde en veiligheid. In bezit zijnde van vuurwapens wordt het potentieel gevaar onaanvaardbaar vergroot.” IX-10.135-11/18 Uit deze overweging blijkt dat het incident van 27 maart 2021, waarbij verzoeker met een vuurwapen heeft geschoten in zijn appartement, voor de minister van Justitie het voldoende en dus determinerend motief is om de bestreden beslissing te schragen. De verwijzingen naar verzoekers veroordelingen wegens geïntoxiceerd of dronken rijden en de aangifte tegen hem wegens bedreigingen van zijn ex-partner zijn dan niet méér dan aanvullende, maar overtollige motieven. Verzoekers kritiek op die motieven kan niet tot een vernietiging van de bestreden beslissing leiden.
- Wat verzoekers kritiek op het motief inzake het schietincident van 27 maart 2021 betreft, kan worden vastgesteld dat verzoeker op geen enkele wijze betwist dat hij op 27 maart 2021 met een vuurwapen in zijn woning heeft geschoten. Hij stelt wel dat geen rekening is gehouden met zijn verklaringen dat de feiten geen gevaar konden opleveren voor derden of hemzelf, dat hij op het moment van de feiten niet onder invloed van alcohol was en dat bij aankomst van de verbalisanten zijn wapens en munitie correct waren opgeborgen.
- Uit de motivering van de bestreden beslissing (sub 3.8) blijkt evenwel dat wel degelijk rekening is gehouden met verzoekers verklaring dat zijn wapens waren opgeborgen in een brandkast. Die verklaring wordt uitdrukkelijk in de bestreden beslissing vermeld: “Tenslotte verandert u uw verklaring omtrent het wegbergen van de wapens en de munitie: eerst vermeldde u dat de wapens en munitie waren teruggelegd op de slaapkamer, nadien stelde u dat de wapens wel degelijk waren opgeborgen achter slot in een brandkast en dat de verbalisanten u zelfs om de code hebben gevraagd.” Blijkens de motivering steunt de bestreden beslissing ook niet op het gegeven dat verzoeker zijn wapens niet correct zou hebben bewaard, maar wel op het loutere feit dat hij in zijn woning heeft geschoten. IX-10.135-12/18
- Voorts blijkt ook rekening te zijn gehouden met verzoekers betoog dat hij op het moment van de feiten niet onder invloed was van alcohol: “Het schietincident, het tweede element, minimaliseert u vervolgens door te stellen dat u toen niet geïntoxiceerd was of zich in staat van dronkenschap bevond.” Uit de bestreden beslissing blijkt niet dat de minister van Justitie steunt op de aanname dat verzoeker daadwerkelijk onder invloed was van alcohol op het moment van het schietincident. Dat wordt wel “plausibel” en “aannemelijk” geacht, maar de kwestie wordt open gelaten en de bestreden beslissing steunt dan ook niet op het feit dat verzoeker onder invloed was op het moment van het schietincident: “Of u die feiten pleegde in geïntoxiceerde of dronken toestand staat los van het gegeven dat deze daad op zich eigenlijk reeds aantoont dat u zich als wapenbezitter zeer onverantwoord heeft gedragen. De verbalisanten hebben vastgesteld dat u bij dat schietincident onder invloed verkeerde van alcoholische dranken. U meent echter dat dit door geen enkel objectief gegeven wordt gesteund. Dit kan dan zo zijn, doch uit voorgaand element blijkt dat alcohol in uw verleden reeds een belangrijke faciliterende factor heeft gespeeld in het plegen van verkeersinbreuken zodat het aannemelijk is dat alcohol ook een rol heeft gespeeld in dit schietincident. Alcohol heeft een ontremmend effect en het is daarom plausibel dat het u in beide gevallen (rijden met een voertuig en schieten met een vuurwapen) heeft aangezet om onnodige risico’s te nemen.”
- Het is, blijkens de motivering van de bestreden beslissing, het feit op zich dat verzoeker in zijn woning heeft geschoten dat door de minister wordt aangemerkt als het motief om verzoeker het wapenbezit te ontzeggen. In de bestreden beslissing overweegt de minister immers “dat deze daad op zich eigenlijk reeds aantoont dat u zich als wapenbezitter zeer onverantwoord heeft gedragen”, dat “in iemand die zijn vuurwapens hanteert om te oefenen in zijn woning ‘omdat de schietstanden zijn gesloten’ geen vertrouwen meer gesteld [kan] worden om vuurwapens voorhanden te hebben” en dat “[o]p grond hiervan moet […] vastgesteld worden dat particulier vuurwapenbezit in casu een te groot risico zou inhouden voor de openbare orde en veiligheid”. IX-10.135-13/18 Daarbij is verzoekers betoog dat hij zo voorzichtig was om te vuren op een binnenmuur richting zijn slaapkamer waardoor hij niemand had kunnen raken aangezien hij op het moment van de feiten alleen was, wel degelijk door de minister onderzocht: “Het schietincident, het tweede element, minimaliseert u […] door te stellen dat u zo voorzichtig was om te vuren op een binnenmuur richting uw slaapkamer waardoor u meende niemand te kunnen verwonden of raken omdat u op het ogenblik van de feiten alleen was.” De minister ziet het evenwel anders dan verzoeker: “Het is manifest onaanvaardbaar dat iemand zijn vuurwapen ter hand neemt zonder wettige reden en zelfs niet met een enigszins aanvaardbare reden, terwijl men hiermee een dermate groot gevaar creëert voor de openbare orde en veiligheid, niet in het minst ook uw eigen veiligheid. Het afvuren van een kogel in een beperkte ruimte impliceert zo veel risico: de kogel kan afwijken van zijn baan en zo terechtkomen waar men het misschien initieel niet bedoeld had, met alle gevolgen van dien. Ook al was u alleen, u had minstens uzelf gevaarlijk kunnen verwonden of erger.”
- Verzoeker maakt niet aannemelijk dat zijn opmerkingen met betrekking tot het schietincident van 27 maart 2021 niet zijn onderzocht of dat de minister niet zou zijn uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens of deze niet correct zou hebben beoordeeld. Het komt de Raad van State ook niet onredelijk voor dat het feit dat verzoeker met een vuurwapen in zijn woning heeft geschoten de minister tot het oordeel noopt dat wapenbezit een te groot risico zou inhouden voor de openbare orde en veiligheid en dat verzoeker derhalve het wapenbezit moet worden ontzegd. Verzoekers betoog dat “uitsluitend schuine inslagen in een niet-massieve muur werden aangetroffen”, doet aan die conclusie geen afbreuk.
- Uit wat voorafgaat blijkt dat de bestreden beslissing wordt geschraagd door het determinerend motief ervan. Verzoeker toont ook niet aan dat met betrekking tot dat motief het zorgvuldigheidsbeginsel en het hoorrecht werden miskend. IX-10.135-14/18
- Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel is genomen uit de schending van de formelemotiveringsplicht. Verzoeker voert aan dat de overheid die een discretionaire bevoegdheid uitoefent ertoe is gehouden haar beslissing formeel te motiveren en dat zij er daarbij op moet toezien dat haar beslissing steunt op feitelijk juiste motieven. Met verwijzing naar het eerste middel stelt verzoeker dat de verwerende partij in gebreke is gebleven om de door hem aangehaalde feitelijke elementen echt te onderzoeken. Zo heeft hij aangevoerd dat een aantal feiten, waarvan sommige bovendien onjuist zijn of minstens niet geverifieerd, “aan elkaar gekoppeld worden zonder dat er tussen de aangehaalde gebeurtenissen een objectief verband bestaat”. Die feiten worden in de bestreden beslissing bestempeld als een “gevaar voor de openbare orde”, hoewel ze niet in concreto zijn onderzocht. Verzoeker merkt op dat de veroordelingen voor alcoholintoxicatie achter het stuur waaraan wordt gerefereerd, dateren van jaren geleden en ook niet in aanmerking zijn genomen bij het verlenen van zijn wapenvergunningen. Volgens verzoeker “moeten dus echt wel goede redenen worden aangevoerd om diezelfde veroordelingen, gekend op het ogenblik van het verlenen van de vergunningen, nu in de beoordeling te gaan betrekken”. Verzoeker stelt dat dit des te meer klemt omdat hij formeel ontkent dat hij op het ogenblik van het schietincident geïntoxiceerd was of zich in staat van dronkenschap bevond. Geen enkel objectief element staaft deze bewering, die in de bestreden beslissing wel wordt gebruikt om de vroegere veroordelingen bij de beoordeling te betrekken. Verzoeker stelt dat de overheid moet aantonen en IX-10.135-15/18 motiveren waarom bepaalde feiten gevaar voor de openbare orde kunnen opleveren met betrekking tot het wapenbezit. De overheid mag zich niet aan haar motiveringsplicht onttrekken door standaardformules te gebruiken. Volgens verzoeker blijkt uit de stereotiepe motivering “dat wapenbezit in hoofde van de heer Hans Van der Poten niet verenigbaar is met de openbare orde, rust en veiligheid” niet dat de verwerende partij haar beoordelingsbevoegdheid effectief en met kennis van zaken heeft uitgeoefend. Er moet worden aangetoond dat wapenbezit in hoofde van iemand een gevaar kan opleveren voor de openbare orde. Beoordeling
- Uit de motivering van de bestreden beslissing (sub 3.8) blijkt dat de motieven worden vermeld op grond waarvan ze is genomen.
- Voor zover verzoeker met verwijzing naar het eerste middel stelt dat de verwerende partij in gebreke is gebleven om de door hem aangehaalde feitelijke elementen te onderzoeken, wordt verwezen naar de beoordeling van het eerste middel waarin is vastgesteld dat het feit dat verzoeker met een vuurwapen in zijn woning heeft geschoten, het determinerend motief is voor de bestreden beslissing en dat verzoekers kritiek op de overige – overtollige – motieven niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden. Met betrekking tot verzoekers kritiek op het motief in verband met het schietincident is vastgesteld dat de verwerende partij wel degelijk de door verzoeker aangehaalde elementen heeft onderzocht, dat zij hierover uitdrukkelijk motiveert in de bestreden beslissing en dat het motief inzake het gebruik van een vuurwapen in de woning de bestreden beslissing schraagt. Bovendien houdt verzoekers kritiek dat bepaalde elementen niet zijn onderzocht geen verband met de door hem in dit tweede middel aangevoerde schending van de formelemotiveringsplicht, maar met de materiëlemotiveringsplicht. IX-10.135-16/18
- Zoals uit de beoordeling van het eerste middel is gebleken, is het feit dat verzoeker in het verleden meermaals is veroordeeld voor alcoholintoxicatie achter het stuur een overtollig motief van de bestreden beslissing, zodat zijn kritiek op dat motief niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden. Voorts is bij de beoordeling van het eerste middel ook reeds vastgesteld dat het determinerend motief van de bestreden beslissing niet steunt op de aanname dat verzoeker op het ogenblik van het schietincident onder invloed was van alcohol.
- In zoverre verzoeker aanklaagt dat de overweging “dat wapenbezit in hoofde van de heer Hans Van der Poten niet verenigbaar is met de openbare orde, rust en veiligheid” een stereotiepe motivering betreft, waaruit niet blijkt dat de verwerende partij haar beoordelingsbevoegdheid effectief en met kennis van zaken heeft uitgeoefend, moet worden vastgesteld dat verzoeker een overweging uit het geheel van de overwegingen van de bestreden beslissing licht. In de bestreden beslissing wordt concreet duidelijk gemaakt waarom wapenbezit in hoofde van verzoeker een gevaar oplevert voor de openbare orde. Er wordt uiteengezet dat het gebruik van een vuurwapen in de woning – wat door verzoeker niet wordt ontkend – “op zich eigenlijk reeds aantoont dat [verzoeker] zich als wapenbezitter zeer onverantwoord heeft gedragen”, dat “in iemand die zijn vuurwapens hanteert om te oefenen in zijn woning ‘omdat de schietstanden zijn gesloten’ geen vertrouwen meer gesteld [kan] worden om vuurwapens voorhanden te hebben” en dat “[o]p grond hiervan moet […] vastgesteld worden dat particulier vuurwapenbezit in casu een te groot risico zou inhouden voor de openbare orde en veiligheid”.
- Het is de Raad van State ten slotte een raadsel waar verzoeker het haalt dat louter wordt verwezen naar feiten die op zich geen uitstaans hebben met het wapenbezit. Het is, zoals gezegd, het gebruik van een vuurwapen in zijn woning op grond waarvan verzoeker het wapenbezit wordt ontzegd en er kan bezwaarlijk worden beweerd dat dit feit geen verband houdt met wapenbezit. IX-10.135-17/18
- Het tweede middel is ongegrond.
- Het auditoraat heeft terecht geoordeeld dat de zaak kan worden afgedaan met een kort debat in de zin van artikel 93, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Regent van 23 augustus
- BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zeventien november tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-10.135-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.932 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div