id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.936 Rolnummer: A. 233698/IX-10254 Zaak: Arrest 257936 - Wapens - 17/11/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-11-27 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-06-10 15:52 Fiche Arrest nr 257.936 van 17 november 2023 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 257.936 van 17 november 2023 in de zaak A. é.698/IX-10.254 In zake : Steven WAERZEGGERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Geert Van Deyck kantoor houdend te 2800 Mechelen Cellebroedersstraat 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Boomstraat 14 bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 mei 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 22 maart 2021 inzake het beroep van Steven Waerzeggers tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant van 10 december
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.254-1/21 Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 september
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Geert Van Deyck, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 10 december 2018 trekt de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant de registratiebewijzen van de beide vuurwapens van verzoeker in. Voorts worden ook zijn recht om vuurwapens voorhanden te hebben en zijn Europese vuurwapenpas ingetrokken. Verzoeker stelt op 21 december 2018 beroep in tegen die beslissing. IX-10.254-2/21 Op 20 december 2019 verwerpt de minister van Justitie dat beroep. Tegen die beslissing stelt verzoeker bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in. Op 24 september 2020 trekt de minister van Justitie zijn beslissing van 20 december 2019 in. De Raad van State verwerpt vervolgens bij arrest nr. 250.244 van 29 maart 2021 verzoekers beroep. 3.
- De lokale politie van de politiezone Herent-Kortenberg geeft op 15 januari 2021 een ongunstig advies dat luidt: “Wae[r]zeggers Steven is bij onze diensten gekend als een opvliegend persoon. Hij komt meestal na een tijd tot bedaren, maar gedraagt zich meestal aanvankelijk verbaal agressief. Dit wordt bevestigd door het aantal incidenten waarbij hij betrokken is. Hij heeft met veel personen conflicten waarbij betrokkenen hem verdenken, maar waar geen bewijs gevonden wordt. Dit zorgt er voor dat hij niet betrouwd wordt in de gemeente en er angst heerst omtrent het wapenbezit van Wae[r]zeggers.” In het advies wordt melding gemaakt van een proces-verbaal inzake opzettelijke slagen en verwondingen met de volgende verduidelijking: “tijdens geschil zet slachtoffer zich voor stilstaande tractor van Waerzeggers Steven om te verhinderen dat Waerzeggers Steven verder rijdt. Waerzeggers zet zijn weg verder waardoor slachtoffer dient opzij te springen. Hierbij geraakt slachtoffer gewond.” 3.
- De procureur des Konings geeft op 18 januari 2021 eveneens een ongunstig advies, waarin onder meer is te lezen: “Op 19 mei 2020 heeft [WO] een discussie met Steven Waerzeggers over het bewerken van een stuk landbouwgrond. Waerzeggers rijdt met zijn tractor het perceel van [O] op. Aan de tractor is een machine bevestigd die het hooi keert. [O] vraagt Waerzeggers met zijn tractor van het perceel af te IX-10.254-3/21 gaan, wat Waerzeggers weigert. […] Waerzeggers staat dus met draaiende hooikeerder op zijn tractor, waarvan de motor ook draait, tegenover [WO]. Die laatste heeft zich voor de tractor geplaatst en eist dus dat Waerzeggers de plaats verlaat. Waerzeggers wil niet inbinden en rijdt door naar [O] toe. [O] springt opzij om niet overreden of gegrepen te worden door de tractor, maar raakt verwond door de draaiende onderdelen van de hooikeerder. De politie wordt gebeld en komt ter plaatse. De politie stelt de verwondingen van [WO] vast. Op foto’s zijn snijwonden en doorgesneden kledij van slachtoffer [O] zichtbaar. […] De politie stelt ter plaatse vast dat Waerzeggers ‘zeer onbeschoft’ is en vaststellers uitdaagt. Hij ontkent elke betrokkenheid bij de verwondingen van [O] en stelt dat deze waarschijnlijk gebeten is door een hond. Ter plekke is geen hond te zien. [O] wordt met een ziekenwagen naar het ziekenhuis gebracht waar men een arbeidsongeschiktheid van 14 dagen vaststelt.” Voorts wordt vermeld dat het openbaar ministerie overgaat tot dagvaarding voor onder meer het voormelde feit. 3.
- Hiertoe uitgenodigd, dient verzoeker op 10 maart 2021 een aanvullend verweerschrift in. 3.
- Op 22 maart 2021 verwerpt de minister van Justitie het door verzoeker ingestelde beroep. Dat is de bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt: “In casu heeft de procureur des Konings meegedeeld dat er zal worden gedagvaard voor de correctionele rechtbank inzake het door hem aangehaalde strafdossier. Dit houdt per definitie in dat het proces-verbaal niet werd geklasseerd zonder gevolg en dat de procureur derhalve overtuigd is dat er strafbare feiten werden gepleegd die genoegzaam vaststaan en waarover voldoende aanwijzingen van schuld voorhanden zijn om een verdere vervolging te noodzaken. Uit het advies van de procureur des Konings en de bijgebrachte kopieën van de strafdossiers blijkt dat u meermaals verdacht wordt van feiten waarbij u moedwillig met een voertuig tracht in te rijden op personen teneinde uw wil af te dwingen. U gebruikte uw gemotoriseerd voertuig (in het ene geval uw terreinwagen, in het andere geval uw tractor met draaiende hooikeermachine) als het ware als een wapen teneinde personen te bedreigen. In één van de incidenten raakte het slachtoffer ook daadwerkelijk gewond. Alhoewel u de feiten ontkent, blijkt bij beide incidenten dat er verschillende IX-10.254-4/21 getuigen zijn die de feiten bevestigen. Wat daarbij opvalt, is dat de getuigen schrik hebben van u. Zo vraagt één van de ruiters (een jong meisje) om haar email adres niet prijs te geven uit schrik voor mogelijke repre[s]ailles. Zowel zij als haar oudere zus (ook één van de ruiters) vrezen dat u hun paarden of po[n]y’s zou verwonden. Van het voorval met de hooikeermachine is niet enkel de echtgenoot en de zoon van het slachtoffer getuige doch is er tevens een derde persoon die bevestigt dat u [WO] heeft omver gereden. Het komt de federale wapendienst niet toe om te oordelen over uw strafrechtelijk schuld of onschuld, doch wel om na te gaan of er voldoende vaststaande gegevens voorhanden zijn die aantonen dat wapenbezit in uw hoofde een potentieel gevaar kan stellen voor de openbare orde en veiligheid. Het uitgangspunt van de wapenwet is er één van preventie teneinde misbruik van of ongevallen met vuurwapens te voorkomen. Aangezien u als verdachte zal worden gedagvaard voor zeer ernstige feiten mag de federale wapendienst hieruit afleiden dat er voldoende vrees bestaat voor de openbare orde en veiligheid zodat er vanuit preventief uitgangspunt moet opgetreden worden. Op basis van het advies van de procureur des Konings en de meegedeelde stukken zijn er derhalve voldoende gegevens voorhanden op basis waarvan er redelijkerwijs kan vermoed worden dat het voorhanden hebben van vuurwapens in uw hoofde een potentieel gevaar kan stellen voor de openbare orde en veiligheid. Iemand die immers gedagvaard zal worden wegens recente feiten waarbij u een gemotoriseerd voertuig zou hebben gebruikt om personen te bedreigen en waarbij een persoon zelfs verwondingen opliep, kan niet langer vertrouwd worden met vuurwapens. Desalniettemin heeft uw advocaat verschillende elementen opgeworpen teneinde de teruggave van uw recht op wapenbezit te bekomen en de bestreden beslissing teniet te doen: - Uw advocaat stelt dat de recent toegevoegde en nieuw aangehaalde pv’s niet kunnen dienen ter verantwoording van een weigeringsbeslissing van de minister van Justitie van 20 december 2020, noch van de initiële beslissing van de gouverneur van 10 december
- De devolutieve werking van het administratief beroep ex. artikel 30 van de wapenwet staat zulke redenering evenwel in de weg, aangezien dit impliceert dat opnieuw een volledig onderzoek ten gronde wordt gedaan met een volledig nieuwe beoordeling van het dossier. - Uw advocaat stelt verder [dat] het niet aan de procureur des Konings toekomt te oordelen of de strafbare feiten bewezen zijn (de schuldvraag). Desalniettemin wijst de beslissing van de procureur des Konings om over te gaan tot dagvaarding voor de correctionele rechtbank er op dat er voldoende aanwijzingen zijn van schuld zodat verdere vervolging noodzakelijk is in het belang van de maatschappij. - Uw advocaat meent tevens dat men na tussenkomst van het auditoraatsverslag van 14 september 2020 opnieuw op zoek is gegaan naar ditmaal recentere zaken die belastend zouden zijn om een aanvullend dossier tegen u te kunnen samenstellen. Integendeel, de federale wapendienst heeft het dossier opnieuw onderzocht IX-10.254-5/21 teneinde een actuele beslissing te kunnen nemen omtrent wapenbezit in uw hoofde. - Tenslotte wijst uw advocaat er op dat de aangehaalde processen-verbaal tot op heden niet hebben geleid tot enig initiatief tot vervolging, laat staan een veroordeling. Dit neemt niet weg dat de procureur des Konings heeft meegedeeld aan de federale wapendienst over te zullen gaan tot dagvaarding voor de correctionele rechtbank, wat er op wijst dat er voldoende aanwijzingen van schuld zijn. Het zorgvuldigheidsbeginsel dwingt de administratieve overheid ertoe haar beslissing op zorgvuldige wijze voor te bereiden, wat onder meer betekent dat ze alle voor de beslissing relevante feiten met de nodige zorg moet vergaren en dat ze met deze feiten ook rekening moet houden bij het nemen van de beslissing. In het kader van de wapenwet dienen daartoe soms verplicht adviezen te worden ingewonnen. Daarbij is het van belang dat deze adviezen voldoende gemotiveerd werden en actueel zijn. Het horen van betrokkene kan ook van belang zijn om inzicht te krijgen in de feiten en omstandigheden die relevant zijn voor het te nemen besluit. De beroepsinstantie doet uitspraak op grond van een eigen beoordeling van de mogelijke verstoring van de openbare orde met inachtneming van alle gegevens die haar worden voorgelegd. Bij het nemen van haar beslissing dient elke bestuurlijke overheid zich tevens te houden aan de beginselen van behoorlijk bestuur, zo ook het redelijkheidsbeginsel. Dit betekent dat er geen kennelijke wanverhouding mag bestaan tussen de motieven en de beslissing welke op grond ervan is genomen. Een beslissing waartoe geen redelijk denkend mens bij een afweging van de betrokken belangen had kunnen geraken, doet immers vermoeden dat de vereiste belangenafweging niet heeft plaatsgehad. In casu zijn de af te wegen belangen de openbare orde en veiligheid (zowel voor uzelf als voor uw omgeving) enerzijds, en de mogelijkheid om een vuurwapen en de daarbij horende munitie en laders voorhanden te kunnen houden op grond van een wettige reden. Meer bepaald moet overwogen worden of vuurwapenbezit in uwen hoofde de openbare orde zou kunnen verstoren. Daarbij dient een inschatting te worden gemaakt van de ernst en de actuele relevantie van de feiten die zich hebben voorgedaan. Wat is immers het risico op misbruik van of ongelukken met vuurwapens indien men u hiervan het bezit toestaat. De finaliteit van de wapenwet is niet om te bestraffen, doch wel om preventief op te treden teneinde misbruik van of ongelukken met vuurwapens te voorkomen. Indien er derhalve indicaties voorhanden zijn die wijzen op een potentieel gevaar voor de openbare orde, dan dienen deze afgewogen te worden ten aanzien van de individuele belangen van de wapenbezitter. Vanuit dit uitgangspunt van preventie dient wapenbezit dan ook alleen te worden toegestaan aan personen die geen tegenindicatie vertonen. Volgens de Raad van State (arrest nr. 247.138 van 25 februari 2020) staat het argument dat het de verwerende partij niet toekomt een onderzoek naar IX-10.254-6/21 de voorliggende situatie te voeren, er niet aan in de weg dat zij in het licht van de materiëlemotiveringsplicht de bewijswaarde van de haar voorgelegde feiten moet beoordelen. Het komt de verwerende partij toe aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing steunt op afdoende vaststaande feiten. Uit het voorgaande is gebleken dat – op basis van de door de procureur des Konings meegedeelde stukken en het gegeven dat u zal worden gedagvaard voor de correctionele rechtbank wegens recente feiten waarbij u een gemotoriseerd voertuig zou hebben gebruikt als wapen om personen te bedreigen – genoegzaam vaststaat dat u een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid stelt en dat wapenbezit u derhalve niet langer kan worden toevertrouwd. Er dringt zich derhalve – ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid – een preventieve maatregel op. Uit het dossier blijkt immers een gedrag dat van onvoldoende verantwoordelijkheid getuigt waardoor het voorhanden hebben van wapens en munitie in uw hoofde een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan stellen. De wapenwet voorziet in verschillende administratieve maatregelen, zijnde een beperking, een schorsing of een intrekking van uw vergunningen/recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens. Een beperking als administratieve maatregel biedt in casu onvoldoende garanties teneinde de openbare orde en veiligheid te vrijwaren. De schorsing is als administratieve maatregel daarnaast enkel aangewezen in geval men zich voorlopig in een situatie bevindt waarin het voorhanden hebben van het vergunningsplichtig wapen nadelig kan zijn voor de openbare orde en is beperkt in de tijd waarbij het aanbeveling verdient om – in geval de schorsing langer duurt dan één jaar – de vergunning in te trekken. Bijgevolg moet besloten worden dat de intrekking van uw vergunningen/recht om over vuurwapens te beschikken, aangewezen is om voldoende garanties te bieden teneinde de openbare orde en veiligheid in casu te vrijwaren.” 3.
- Bij vonnis van 24 februari 2023 oordeelt de correctionele rechtbank van Leuven dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan: “opzettelijke slagen met ziekte of werkonbekwaamheid van minder dan of gelijk aan 4 maanden tot gevolg opzettelijk verwondingen of slagen te hebben toegebracht, met de omstandigheid dat de slagen of verwondingen een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge hebben gehad (art. 392, 398 en 399 lid 1 Sw).” De correctionele rechtbank motiveert: “Op 19 mei 2020 kwam het tot een confrontatie tussen de beklaagde en IX-10.254-7/21 [WO], op een perceel, gelegen achter de eigendom van [WO]. Het perceel waarvan een fotodossier werd gevoegd aan het strafdossier, is de eigendom van [WO] en zijn echtgenote […]. Er was een dispuut met betrekking tot de bewerking van dit perceel, waarbij de eigenaars een derde persoon hadden geëngageerd om dit te laten uitvoeren. Blijkbaar was de beklaagde hieromtrent misnoegd, en wendde hij zich met een tractor tot op het perceel. [WO] ging voor de tractor van de beklaagde staan, deze laatste reed door, waarbij [WO] opzij wilde gaan maar geraakt werd door de hooikeermachine die aan de tractor van de beklaagde was bevestigd. [WO] liep hierdoor verwondingen op die werden geattesteerd. De rechtbank is van oordeel dat het feit E, zoals gekwalificeerd, voldoende bewezen is lastens de beklaagde, waarbij de verklaring van [WO], deze van zijn echtgenote en zoon wordt ondersteund door de persoon die de grond op hun last had bewerkt […].” De rechtbank kent verzoeker de gunst van de opschorting van de uitspraak gedurende een periode van drie jaar toe. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Het eerste middel is genomen uit “[m]achtsoverschrijding en schending van de artikelen 11, §1 en 13 van [de] wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens (wapenwet) en de uitdrukkelijke motiveringsverplichting vervat in artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur”. Verzoeker voert aan dat hem op 10 december 2018 het wapenbezit is ontzegd ingevolge een na een anonieme telefonische melding opgesteld negatief advies van de korpschef van de lokale politie omtrent zijn beweerde “nefaste ‘algemene moraliteit’”. Er is echter geen enkel stuk of bewijs dat dit negatief oordeel over zijn moraliteit staaft. Verzoeker stelt dat hij IX-10.254-8/21 gedurende meer dan vijftien jaar – en thans nog steeds – voldoet aan de voorwaarden van artikel 11, § 3, van de wapenwet. Daarbij komt dat de beslissing van de provinciegouverneur onvoldoende gemotiveerd is. De beslissing telt slechts zes pagina’s waarbij enkel wordt verwezen naar een anoniem telefoongesprek en twee processen-verbaal waaruit een beweerde agressieve persoonlijkheid van verzoeker zou moeten blijken. In de beslissing van 20 december 2019 en in de thans bestreden beslissing wordt weliswaar verwezen naar een aanvullende reeks processen-verbaal, maar uit die processen-verbaal kan “geen enkel belastend feit of nadelige handeling, toerekenbaar aan verzoeker […] worden weerhouden”. Het gaat stuk voor stuk om “niet gestaafde, nergens aangetoonde of bewezen feiten, vaak slechts vermoedens en/of verdachtmakingen door – al dan niet – anonieme klachten die men ‘voor waar’ handhaaft in het dossier”. Bovendien worden processen-verbaal gecumuleerd waaraan het parket geen enkel gevolg heeft gegeven. Aldus is het zorgvuldigheidsbeginsel miskend en tevens is er sprake van machtsoverschrijding. Minstens heeft de verwerende partij de formelemotiveringsplicht miskend. De bestreden beslissing wordt enkel gemotiveerd aan de hand van enkele processen-verbaal met betrekking tot: “- Anonieme klachten - Niet bewezen feiten - Vermoedens - Verdachtmakingen zelfs geopperd door ambtenaren (van de lokale politie) die nergens ondersteund werden door objectieve feiten en/of stukken, uitsluitend gebaseerd op geruchten - Subjectieve en niet onderbouwde verslagen en inlichtingen die op informele wijze worden uitgewisseld tussen ambtenaren en waarvan de inhoud als ‘à charge’ wordt weerhouden in de thans bestreden beslissing - Voor zover nodig, processen-verbaal, waaraan tot op datum van heden nooit enig gevolg werd verleend ten nadele van […] verzoeker.” Verzoeker merkt nog op dat de processen-verbaal uit 2020 waarnaar wordt verwezen, niet kunnen dienen ter verantwoording van de intrekking van zijn wapenvergunning in
- Bovendien zijn deze stukken in laatste instantie aan het dossier toegevoegd, zonder dat hij zich daaromtrent heeft kunnen verdedigen. Het hoorrecht had enkel betrekking op de stukken die initieel deel uitmaakten van het dossier. IX-10.254-9/21
- In zijn memorie van wederantwoord argumenteert verzoeker dat de niet-bewezen verdachtmakingen het dossier van in het begin negatief hebben gekleurd en de daaropvolgende administratieve beslissingen negatief hebben beïnvloed. Voorts doet hij gelden dat de verwerende partij, na de intrekking van de beslissing van 20 december 2019 op 24 september 2020, op zoek is gegaan naar “’recentere’ zaken” die belastend zouden kunnen zijn om zo een aanvullend dossier tegen hem te kunnen samenstellen. Daarbij worden processen-verbaal gecumuleerd waarin steeds tot seponering is besloten, behoudens voor enkele processen-verbaal uit
- Intussen is verzoeker gedagvaard voor de correctionele rechtbank van Leuven. Het dient evenwel benadrukt dat het niet aan de procureur des Konings toevalt om te oordelen of de feiten bewezen zijn of niet. Verzoeker heeft tot op heden een blanco strafregister. Beoordeling
- In zoverre verzoeker in het middel kritiek formuleert op de beslissing van de provinciegouverneur van 10 december 2018 en op de beslissing van de minister van Justitie van 20 december 2019, moet worden opgemerkt dat ingevolge de devolutieve werking van het administratief beroep de thans bestreden beslissing van 22 maart 2021 in de plaats is gekomen van de beslissing van de provinciegouverneur van 10 december 2018, zodat deze geen rechtsgevolgen meer heeft. De beslissing van de minister van Justitie van 20 december 2019 is dan weer ingetrokken op 24 september 2020 en vervangen door de thans bestreden beslissing. Verzoekers kritiek op de beslissingen van 10 december 2018 en 20 december 2019 kan dan ook niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing leiden.
- De wapenwet bepaalt niet op grond van welke feiten, noch op grond van welke criteria, de mogelijke verstoring van de openbare orde moet IX-10.254-10/21 worden beoordeeld, op grond waarvan een wapenvergunning mag worden ingetrokken. De verwerende partij heeft bij de beoordeling van de vraag of het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren, bijgevolg een discretionaire bevoegdheid, zowel op het vlak van het bewezen verklaren van de feiten waarop zij zich steunt om tot dit oordeel te komen, als op het vlak van de kwalificatie van die feiten als gronden tot het beoordelen van de verstoring van de openbare orde. Aangezien de wapenwet inzake het bewezen verklaren van de feiten geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt het bestuur op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het dossier om tot zijn overtuiging te komen. De overheid mag zich daarbij niet alleen steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen of vermoedens.
- Het valt aan de Raad van State niet toe, binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, om desgevraagd zelf een beoordeling te maken van de vraag of het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de voormelde wettelijke bepalingen binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
- Uit de motivering van de bestreden beslissing (sub 3.5) blijkt om welke redenen verzoeker het wapenbezit wordt ontzegd en wat het determinerend motief van de verwerende partij daarvoor is (zie infra). Daarmee heeft de verwerende partij voldaan aan de op haar rustende formelemotiveringsplicht.
- In het middel voert verzoeker in essentie aan dat de elementen die voor de bestreden beslissing in aanmerking zijn genomen, niet bewezen zijn IX-10.254-11/21 en dat het parket er geen enkel gevolg aan heeft gegeven zodat het wapenbezit hem op grond daarvan niet kan worden ontzegd. In de bestreden beslissing kan worden gelezen: “Uit het voorgaande is gebleken dat – op basis van de door de procureur des Konings meegedeelde stukken en het gegeven dat u zal worden gedagvaard voor de correctionele rechtbank wegens recente feiten waarbij u een gemotoriseerd voertuig zou hebben gebruikt als wapen om personen te bedreigen – genoegzaam vaststaat dat u een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid stelt en dat wapenbezit u derhalve niet langer kan worden toevertrouwd.” Uit deze overweging blijkt dat het feit dat verzoeker zal worden gedagvaard wegens recente feiten waarbij hij een gemotoriseerd voertuig zou hebben gebruikt om personen te bedreigen en waarbij een persoon zelfs verwondingen opliep, een voldoende en dus determinerend motief is om de bestreden beslissing te schragen. Daaruit volgt dat verzoekers kritiek op andere motieven van de bestreden beslissing niet tot de vernietiging van die beslissing kan leiden. Wat dan de feiten betreft die het determinerend motief van de bestreden beslissing vormen, kan worden vastgesteld dat de minister van Justitie na een eigen onderzoek en op grond van de stukken van het dossier tot de conclusie is gekomen dat verzoeker wordt verdacht van feiten waarbij hij een gemotoriseerd voertuig zou hebben gebruikt om personen te bedreigen, waarbij een persoon zelfs verwondingen opliep. Daarbij wordt vastgesteld dat de procureur des Konings heeft meegedeeld dat verzoeker voor die feiten zal worden gedagvaard voor de correctionele rechtbank. In de mate dat verzoeker de feiten ontkent, merkt de verwerende partij op dat uit het dossier blijkt dat er verschillende getuigen zijn die de feiten bevestigen. Aangezien verzoeker als verdachte zal worden gedagvaard voor deze zeer ernstige feiten, meent de minister van Justitie dat er voldoende vrees bestaat voor de openbare orde en IX-10.254-12/21 veiligheid zodat vanuit preventief oogpunt verzoeker het wapenbezit moet worden ontzegd. Gelet op de stukken van het dossier, in het bijzonder het advies van de procureur des Konings en de stukken van het strafdossier, acht de Raad van State het niet onredelijk dat de verwerende partij tot het besluit is gekomen dat er voldoende vaststaande gegevens voorhanden zijn die aantonen dat wapenbezit in hoofde van verzoeker een potentieel gevaar inhoudt voor de openbare orde en veiligheid. Overigens heeft de correctionele rechtbank bij vonnis van 24 februari 2023 het voornoemde feit bewezen verklaard en geoordeeld dat ver- zoeker zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke slagen die ziekte of arbeids- ongeschiktheid tot gevolg hebben. Dat de feiten die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen zich hebben voorgedaan, is derhalve een vaststaand gegeven.
- In de mate dat verzoeker nog aanvoert dat processen-verbaal uit 2020 niet kunnen dienen ter verantwoording van de beslissing van 10 decem- ber 2018, gaat hij eraan voorbij dat de verwerende partij na de intrekking van haar beslissing van 20 december 2019 een nieuwe beslissing moest nemen over het door verzoeker ingestelde administratief beroep tegen de beslissing van de provinciegouverneur van 10 december
- Ingevolge de devolutieve werking van dat administratief beroep dient de minister van Justitie een eigen beoordeling te maken van het dossier, waarbij rekening moet worden gehouden met de feitelijke en juridische gegevens zoals ze zich aandienen op het moment van het nemen van de beslissing. Om die reden mocht de verwerende partij de feiten die dateren van 2020 in aanmerking nemen, ook al dateren ze van na de beslissing van de provinciegouverneur.
- In zoverre verzoeker argumenteert dat de verwerende partij de processen-verbaal uit 2020 aan het dossier heeft toegevoegd zonder dat hij zich IX-10.254-13/21 daaromtrent kon verdedigen aangezien het hoorrecht enkel betrekking had op de stukken die initieel deel uitmaakten van het dossier, moet worden opgemerkt dat verzoeker in het middel geen schending van de hoorplicht of het recht van verdediging heeft aangevoerd. Ten overvloede kan worden vastgesteld dat de verwerende partij op 5 februari 2021 de adviezen van de lokale politie en de procureur des Konings, waarin melding wordt gemaakt van de feiten die het dragend motief uitmaken van de bestreden beslissing, heeft bezorgd aan verzoeker met de mogelijkheid om een aanvullend verweer in te dienen. Verzoeker heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt en heeft op 10 maart 2021 een aanvullend verweerschrift ingediend.
- Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel is genomen uit “[m]achtsoverschrijding hetzij machtsafwending en schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. Onder het kopje ‘Machtsoverschrijding hetzij subsidiair machtsafwending’ voert verzoeker aan dat hij geen enkel strafbaar feit heeft gepleegd – hij heeft een blanco strafregister – en dat er geen enkele reële vrees bestaat dat wapenbezit in zijnen hoofde de openbare orde en veiligheid zou kunnen verstoren of enig gevaar zou kunnen inhouden voor verzoeker zelf of derden. De verwerende partij heeft de haar volgens de wapenwet toegekende macht overschreden of afgewend doordat zij een preventieve maatregel oplegt die IX-10.254-14/21 niet kan worden verantwoord gelet op de objectieve feiten en stukken van het dossier. De verwerende partij steunt de bestreden beslissing enkel op “niet geverifieerde en niet bewezen geachte verklaringen van diverse – derde – personen (vaak dan nog anoniem en gebaseerd op geruchten)”, waarna zij heeft beslist dat “de intrekking van uw vergunningen/recht om over vuurwapens te beschikken, aangewezen is om voldoende garanties te bieden teneinde de openbare orde en veiligheid in casu te vrijwaren”. Volgens verzoeker getuigt een dergelijke beoordeling van een ongeoorloofde eigen interpretatie van de stukken van het dossier. Er zijn geen concrete elementen die aantonen dat er een gevaar dreigt voor de openbare orde en veiligheid. Bovendien lijdt verzoeker een disproportioneel nadeel door de bestreden beslissing. De verwerende partij heeft haar beoordelingsbevoegdheid overschreden of minstens op een ongeoorloofde manier afgewend door in de bestreden beslissing verzoekers recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens in te trekken op grond van een ongerechtvaardigde en niet afdoende gemotiveerde belangenafweging tussen eensdeels de openbare orde en veiligheid en anderdeels de mogelijkheid een vuurwapen voorhanden te hebben. Verzoeker merkt daarbij op dat de bestreden beslissing steunt op recent toegevoegde processen-verbaal, die onmogelijk kunnen dienen ter verantwoording van de beslissing van de provinciegouverneur van 10 december
- Die processen-verbaal zijn overigens in laatste instantie aan het dossier toegevoegd, zonder dat verzoeker zich daaromtrent kon verdedigen. Het hoorrecht had enkel betrekking op de stukken die initieel deel uitmaakten van het dossier. Onder het kopje ‘Schending van het motiveringsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur’ voert verzoeker aan dat het hem niet duidelijk is welke motieven doorslaggevend zijn voor het ontzeggen van het wapenbezit, zodat het bijna onmogelijk is in rechte op te komen tegen deze beslissing. In de (ingetrokken) beslissing van 20 december 2019 wordt verwezen naar enkele processen-verbaal die zonder gevolg werden geklasseerd of werden geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. In de thans bestreden beslissing wordt dan verwezen naar enkele nieuwe processen-verbaal uit 2020 waarbij wordt IX-10.254-15/21 beweerd dat de procureur des Konings zou overgaan tot dagvaarding voor de correctionele rechtbank, maar dat is tot op heden nog niet gebeurd. Volgens verzoeker is dit “[o]pvallend, gelet op het tijdsverloop” en “rijst er hier twijfel aangaande het voorhanden zijn van een of andere rancune van buurtbewoners en/of oude (on)bekenden […] van verzoeker”. Verzoeker merkt op dat de beslissing van de provinciegouverneur slechts zeer summier gemotiveerd is. Die motivering is hernomen in de beslissing van de minister van Justitie van 20 december
- In de thans bestreden beslissing wordt verwezen naar nieuwe processen-verbaal, maar ook van de daarin vermelde feiten is er geen bewijs. Volgens verzoeker lijken de processen-verbaal “te worden opgesteld om dit subjectief aanvoelen […], deze ‘angst’ te voeden en/of te ondersteunen” en betreft het “loutere subjectieve beoordelingen van verbalisanten”. Hij stelt dat alle in de bestreden beslissing aangehaalde elementen steunen op: “- Niet bewezen en/of aangetoonde feiten en/of zelfs loutere vermoedens - Anonieme niet bewezen feiten en/of handelingen - Verslagen waarin melding werd gemaakt van laakbare handelingen, zonder enig begin van bewijs voor te leggen waaruit zou blijken dat de beweringen ook maar enige gefundeerde grondslag hebben.” Verzoeker noemt het opvallend dat alles in zijn nadeel wordt uitgelegd en beschouwd wordt als een bewijs van een “agressieve persoonlijkheid”. Onder het kopje ‘Schending van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur’ voert verzoeker aan dat in de beslissing van de provinciegouverneur van 10 december 2018 en in de (ingetrokken) beslissing van de minister van Justitie van 20 december 2019 “op een weinig zorgvuldige wijze werd omgesprongen met niet-bewezen geach[t]e feiten” en hij licht dit uitvoerig toe. Wat de thans bestreden beslissing betreft, argumenteert verzoeker dat de verwerende partij na de intrekking van de beslissing van 20 december 2019 op zoek is gegaan naar recentere feiten die belastend zouden kunnen zijn om een aanvullend dossier tegen hem te kunnen samenstellen. Daarbij worden voor het eerst een aantal processen-verbaal uit 2020 aangehaald. Verzoeker stelt dat die recent toegevoegde processen-verbaal IX-10.254-16/21 niet kunnen dienen ter verantwoording van de beslissing van de provinciegouverneur van 10 december 2018 en de beslissing van de minister van Justitie van 20 december
- Verzoeker herhaalt ook dat hij zich niet vooraf heeft kunnen verdedigen tegen die processen-verbaal en dat het hoorrecht enkel betrekking had op de stukken die initieel deel uitmaakten van het dossier. Voorts stelt verzoeker dat hij de in die processen-verbaal aangehaalde feiten betwist. Volgens hem betreft het louter vermoedens en niet-bewezen feiten, die slechts zeer summier worden aangehaald en bovendien geen enkel verband houden met wapengebruik. Verzoeker benadrukt dat hij voor geen enkel van die feiten daadwerkelijk is veroordeeld – hij heeft een blanco strafblad – zodat de relevantie van die processen-verbaal minstens in vraag moet worden gesteld. Voor het overige wordt enkel nog verwezen naar oude geseponeerde processen-verbaal. De bestreden beslissing steunt dan ook niet op een zorgvuldige feitenvinding. Ten slotte stelt verzoeker dat de verwerende partij de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid te buiten gaat door op grond van betwiste en niet-bewezen geachte feiten uit processen-verbaal die geseponeerd werden of waarvoor nog geen dagvaarding is gebeurd, te besluiten dat vuurwapenbezit in hoofde van verzoeker de openbare orde en veiligheid zou verstoren. Onder het kopje ‘Schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur’ voert verzoeker tot slot aan dat de verwerende partij heeft nagelaten om “de evenredigheid […] uit te leggen tussen de opgelegde maatregel/sanctie en alle feiten die daartoe aanleiding hebben gegeven”. Hij wijst er daarbij op dat “processen-verbaal inhoudende tegenstrijdige verklaringen op zich een [onvoldoende] bewijs” vormen. Volgens verzoeker heeft de bestreden beslissing hem een ernstig disproportioneel nadeel toegebracht.
- In de memorie van wederantwoord doet verzoeker nog aanvullend gelden dat hij ondertussen is gedagvaard voor de correctionele rechtbank, waar de zaak zal worden behandeld op 12 november
- Het loutere IX-10.254-17/21 feit dat hij is gedagvaard voor enkele recente processen-verbaal houdt echter nog niet in dat de daarin vermelde feiten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Dit geldt des te meer nu verzoeker de hem verweten feiten betwist. Er is nog geen strafrechtelijke veroordeling uitgesproken zodat het vermoeden van onschuld geldt. Het valt dan ook niet aan de procureur des Konings toe om te oordelen of de feiten bewezen zijn, zoals hij dat doet in zijn advies. Voor verzoeker is het duidelijk dat het parket thans heeft beslist tot vervolging omdat hij in deze administratieve procedure meermaals heeft opgeworpen dat alle processen- verbaal te zijnen laste zijn geseponeerd. Inzake de aangevoerde schending van het redelijkheidsbeginsel stelt verzoeker nog dat hij betwist dat los van elkaar staande subjectieve, suggestieve en ongecontroleerde verklaringen van – zelfs anonieme – derden beschouwd kunnen worden als een rechtsgeldig en gewettigd bewijs met betrekking tot zijn persoonlijkheid. In elk geval is het onredelijk en disproportioneel om te stellen dat verzoekers persoonlijkheid, zelfs indien deze beoordeeld zou worden als impulsief en enigszins agressief, een dergelijke verregaande preventieve maatregel verantwoordt. Beoordeling
- In zoverre verzoeker kritiek uit op de beslissing van de provinciegouverneur van 10 december 2018, de beslissing van de minister van Justitie van 20 december 2019 en de niet-dragende motieven van de bestreden beslissing, wordt verwezen naar de beoordeling van het eerste middel waarin is vastgesteld dat die kritiek niet kan leiden tot de vernietiging van de bestreden beslissing.
- Nog in de beoordeling van het eerste middel is de door verzoeker aangevoerde schending van de formelemotiveringsplicht en van het recht van verdediging en het hoorrecht doordat hij zich niet zou hebben kunnen verdedigen tegen de aan het dossier toegevoegde processen-verbaal uit 2020 niet IX-10.254-18/21 gegrond bevonden. Het tweede middel voegt niets toe om hierover anders te oordelen.
- In zoverre verzoeker de schending van de door hem in dit middel ingeroepen bepalingen en beginselen tracht te staven met het argument dat het dragend motief van de bestreden beslissing niet bewezen is en dat hij daarvoor niet strafrechtelijk is veroordeeld, kan opnieuw worden verwezen naar de beoordeling van het eerste middel waarin is vastgesteld dat het determinerend motief van de bestreden beslissing stand houdt en dat verzoeker overigens ondertussen is veroordeeld voor die feiten bij vonnis van de correctionele rechtbank van 24 februari
- Verzoekers argument dat de processen-verbaal uit 2020 de beslissing van de provinciegouverneur van 10 december 2018 en de beslissing van de minister van Justitie van 20 december 2019 niet kunnen verantwoorden, is in de beoordeling van het eerste middel eveneens ongegrond bevonden.
- Rest nog de door verzoeker aangevoerde schending van het redelijkheidsbeginsel. Dienaangaande kan worden vastgesteld dat gelet op de ernst van de feiten die het determinerend motief van de bestreden beslissing vormen, de verwerende partij de perken van de redelijkheid niet te buiten is getreden met het oordeel dat het voorhanden hebben van vuurwapens in hoofde van verzoeker een potentieel gevaar inhoudt voor de openbare orde en veiligheid. Verzoeker beweert wel dat de opgelegde maatregel niet in verhouding staat tot de feiten, maar hij toont niet aan dat het ondenkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende overheid in dezelfde omstandigheden tot dezelfde beslissing zou komen.
- Het tweede middel is ongegrond. IX-10.254-19/21 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-10.254-20/21 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zeventien november tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.254-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.936 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div