← België

Arrest 257959 - ION - Aanwerving en loopbaan - 21/11/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.959 Rolnummer: A. 239097/IX-10250 Zaak: Arrest 257959 - ION - Aanwerving en loopbaan - 21/11/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-11-27 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-10 16:00 Fiche Arrest nr 257.959 van 21 november 2023 Openbaar ambt - ION - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 257.959 van 21 november 2023 in de zaak A. 239.097/IX-10.250 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Maenhout kantoor houdend te 2600 Antwerpen Filip Williotstraat 30 bus 0102 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het AZ JAN PALFIJN GENT, autonome verzorgingsinstelling bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Sichien kantoor houdend te 9000 Gent Kortrijksesteenweg 1007 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 15 mei 2023, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de bestuurder-directeur van de autonome verzorgingsinstelling Algemeen Ziekenhuis Jan Palfijn Gent van 22 maart 2023 waarbij de beslissing van 8 februari 2023 om aan XXXX bij ordemaatregel dienstvrijstelling te verlenen wordt verlengd voor een periode van twee maanden en waarbij het definitief en onherroepelijk karakter van de onmogelijkheid van een terugkeer van XXXX naar een functie binnen de ziekenhuisapotheek wordt vastgesteld. IX-10.250-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 oktober
  3. Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaat Mats Mertens, die loco advocaat Koen Maenhout verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Pieter Sichien, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Op het ogenblik van de bestreden beslissing is verzoekster als statutair hoofdapotheker in dienst van de autonome verzorgingsinstelling Algemeen Ziekenhuis Jan Palfijn Gent (hierna: het AZ Jan Palfijn Gent). 3.
  6. Op 26 oktober 2022 ontvangen de raad van bestuur en de bestuurder-directeur van het AZ Jan Palfijn Gent een “collectieve brief van het personeel van de ziekenhuisapotheek” waarin aandacht wordt gevraagd voor de “moeilijke werkomstandigheden in de apotheek”: IX-10.250-2/10 “Concreet gaat dit over een ondoelmatige en gebrekkige organisatie van de taken door het niet stellen van correcte prioriteiten, de afwezigheid van formeel en informeel overleg en een ongelijke behandeling van werknemers. Daarenboven blijft ondanks eerdere verzoeken de huidige taakverdeling onduidelijk waardoor onvoldoende transparantie bestaat binnen verantwoordelijkheden. Dit alles leidt reeds geruime tijd tot een zeer hoge werkdruk en een aanzienlijk verloop van personeel. Daarbij is er weinig aandacht voor de invulling van openstaande vacatures en opleiding van nieuwe medewerkers.” De elf personeelsleden die de brief onderschrijven vragen om “actie te ondernemen om de kwaliteit van [de] dienstverlening in de apotheek te kunnen blijven garanderen, de motivatie van de medewerkers en het geloof in de toekomst van de apotheek te herstellen”. 3.
  7. Op 27 oktober 2022 heeft de bestuurder-directeur een gesprek met de aanwezige personeelsleden van de ziekenhuisapotheek, die aanvullende schriftelijke verklaringen afleggen. Door sommigen wordt gewag gemaakt van een (collectief) ontslag omwille van de situatie in de ziekenhuisapotheek. 3.
  8. Op 28 oktober 2022 beslist de bestuurder-directeur om verzoekster bij hoogdringende ordemaatregel met onmiddellijke ingang dienstvrijstelling te verlenen voor een periode van twee maanden. Na verzoekster daarover te hebben gehoord, beslist de bestuurder-directeur op 23 november 2022 om deze ordemaatregel te bekrachtigen. Verzoekster komt tegen beide beslissingen op bij de Raad van State met een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging en een beroep tot nietigverklaring (zaak gekend onder rolnummer A. 237.758/IX-10.162). De schorsingsvordering wordt verworpen bij arrest nr. 255.184 van 5 december
  9. IX-10.250-3/10 3.
  10. Op 27 december 2022 beslist de bestuurder-directeur om de ordemaatregel van 28 oktober 2022 voor een periode van zes weken – tot 8 februari 2023 – te verlengen. Deze beslissing bestrijdt verzoekster met een annulatieberoep bij de Raad van State (zaak gekend onder rolnummer A. 238.518/IX-10.211). 3.
  11. Op 8 februari 2023 beslist de bestuurder-directeur om de ordemaatregel van 27 december 2022 voor een periode van zes weken – tot 22 maart 2023 – te verlengen. Ook tegen deze beslissing komt verzoekster bij de Raad van State op met een beroep tot nietigverklaring (zaak gekend onder rolnummer A. 238.819/IX-10.237). 3.
  12. Op 22 maart 2023 beslist de bestuurder-directeur andermaal tot verlenging van de betrokken ordemaatregel, ditmaal voor een periode van twee maanden, om te eindigen op 22 mei 2023 (artikel 2). Met dezelfde beslissing stelt de bestuurder-directeur “[h]et definitief en onherroepelijk karakter van de onmogelijkheid van een terugkeer van [verzoekster] naar een functie binnen de ziekenhuisapotheek” vast (artikel 1). Dat is de thans bestreden beslissing. 3.
  13. Op 12 mei 2023 beslist de bestuurder-directeur om in het organogram van de betrokken verzorgingsinstelling een nieuwe functie van ‘hoofdapotheker-adviseur’ te voorzien. Ook wordt het functie- en competentieprofiel van de nieuwe functie vastgesteld. Deze beslissing bestrijdt verzoekster met een annulatieberoep bij de Raad van State (zaak gekend onder rolnummer A. 239.645/IX-10.295). 3.
  14. Op 26 mei 2023 wordt verzoekster bij beslissing van de bestuurder-directeur aangewezen in de functie van hoofdapotheker-adviseur. Die IX-10.250-4/10 beslissing maakt, volgens artikel 1 ervan, “een einde aan de ordemaatregel van dienstvrijstelling welke oorspronkelijk eindigde op 22 mei 2023, maar in wederzijds akkoord is verlengd tot en met 26 mei 2023”. Als gevolg daarvan, zo gaat de beslissing verder, wordt verzoekster “op de eerstvolgende werkdag, dinsdag 30 mei 2023, verwacht om deze nieuwe functie op te nemen”. Dat neemt niet weg dat, nog steeds volgens dezelfde beslissing, “[u]it de beslissing van 22 maart 2023 waarbij is vastgesteld dat een terugkeer naar de ziekenhuisapotheek definitief en onherroepelijk onmogelijk is, volgt dat ook na afloop van de dienstvrijstelling [verzoekster] de dienst apotheek niet meer fysiek mag betreden en […] geen contact opneemt met medewerkers tewerkgesteld binnen de apotheek, tenzij dit strikt noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van hoofdapotheker-adviseur”. Ook tegen die beslissing komt verzoekster bij de Raad van State op met een annulatieberoep en een vordering tot schorsing (zaak gekend onder rolnummer A. 239.642/IX-10.294). IV. Ontvankelijkheid van de vordering
  15. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  16. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. IX-10.250-5/10 VI. Spoedeisendheid Uiteenzetting
  17. Ter adstructie van de spoedeisendheid van haar vordering voert verzoekster in haar verzoekschrift het volgende aan: “
  18. In casu oefent verzoekster de functie uit van ziekenhuisapotheker. Thans wordt met de bestreden beslissing door verwerende partij beslist tot het ‘definitief en onherroepelijk karakter van de onmogelijkheid van een terugkeer van [verzoekster] naar een functie binnen de ziekenhuisapotheek’.
  19. Als ziekenhuisapotheker is verzoekster onderworpen aan voortgezette opleidingen. Immers, om erkend te zijn en te blijven als ziekenhuisapotheker, bepaalt het MB van 22 oktober 2012 tot vaststelling van de erkenningscriteria voor de bijzondere beroepstitel van ziekenhuisapotheker dat voor de verlenging van de volledige erkenning van de bijzondere beroepstitel van ziekenhuisapotheker, de aanvrager van de verlenging – in casu verzoekster – het bewijs moet leveren dat zij minstens 120 accrediteringspunten heeft behaald door het volgen van voortgezette opleidingen (art. 14 voornoemd MB). Bovendien mag de aanvrager – om een verlenging van de erkenning te krijgen – zijn activiteiten als ziekenhuisapotheker niet meer dan twee jaar hebben onderbroken in de voorgaande vijf jaar (art. 15 [lees: 16] voornoemd MB). Het mag dus duidelijk zijn dat het bekomen van de verlenging van de erkenning gekoppeld is aan de werkzaamheden binnen de ziekenhuisapotheek. Door de bestreden beslissing te nemen, komt de verlenging van de erkenning van verzoekster in het gedrang. Temeer, thans de verwerende partij beslist, met de bestreden beslissing, tot het ‘definitief en onherroepelijk karakter van de onmogelijkheid van een terugkeer naar een functie binnen de ziekenhuisapotheek’.
  20. Verlies aan ervaring. De functie van ziekenhuisapotheker is een ‘bijzondere beroepstitel’. Het werk binnen de ziekenhuisapotheek gaf verzoekster een zeer specifieke ervaring die – door het definitief en onherroepelijk karakter om nog terug te keren – zij nu volledig mist. Verzoekster loopt bijgevolg minstens een achterstand op inzake deze zeer specifieke ervaring hetgeen onmogelijk kan hersteld worden via de vernietigingsprocedure. Ook wat betreft het op de hoogte blijven van de recente ontwikkelingen en de gebruikte technieken loopt zij een achterstand op die onmogelijk kan hersteld worden via de vernietigingsprocedure. Zodoende verkeert verzoekster in een toestand met onherroepelijke schadelijke gevolgen.” IX-10.250-6/10 Beoordeling
  21. Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan deze partij toevalt om in haar verzoekschrift op de omstandigheden van haar zaak betrokken, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet afgewacht kan worden. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden.
  22. Zoals de Raad van State inmiddels reeds meermaals heeft geoordeeld, wordt de spoedeisendheid van de zaak niet vermoed of automatisch bewezen geacht, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. Dit geldt des te meer nu krachtens artikel 17, § 1, tweede lid, van de voornoemde gecoördineerde wetten een schorsing kan worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de nietigverklaring. Met deze regeling heeft de wetgever de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die [hem] wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). Bovendien mag krachtens artikel 17, § 2, derde lid, van de voornoemde gecoördineerde wetten een nieuwe vordering worden ingesteld, “indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen”. IX-10.250-7/10
  23. Verzoekster betrekt de spoedeisendheid van haar zaak niet op de bestreden beslissing voor zover daarin de ordemaatregel van de dienstvrijstelling voor een derde maal wordt verlengd. Terecht doet zij dat niet. De verlenging van haar dienstvrijstelling is, naar luid van de bestreden beslissing zelf, op 22 mei 2023 geëindigd. Zelfs aangenomen dat, zoals een latere beslissing laat begrijpen, de ordemaatregel van de dienstvrijstelling tot 26 mei 2023 heeft geduurd, dan nog blijft de vaststelling dat een schorsingsarrest hoe dan ook enkel voor de toekomst soelaas kan brengen.
  24. Verzoekster wijst er wel op dat door het vaststellen van het “definitief en onherroepelijk karakter van de onmogelijkheid van een terugkeer naar een functie binnen de ziekenhuisapotheek” de verlenging van de erkenning van haar bijzondere beroepstitel van ziekenhuisapotheker in het gedrang komt. Zij betoogt tevens dat de bestreden beslissing haar een achterstand zal doen oplopen op het vlak van ervaring, recente ontwikkelingen en technieken binnen haar werkdomein. 11.
  25. Wat de weerslag van de bestreden beslissing op de verlenging van haar erkenning betreft, wijst verzoekster erop dat artikel 15 (lees: 16) van het ministerieel besluit van 22 oktober 2012 ‘tot vaststelling van de erkenningscriteria voor de bijzondere beroepstitel van ziekenhuisapotheker’ vereist dat een aanvrager van zo een verlenging de activiteiten als ziekenhuisapotheker niet meer dan twee jaar mag hebben onderbroken gedurende de voorgaande vijf jaar. 11.
  26. Verzoekster heeft in haar verzoekschrift waarmee zij om de schorsing heeft verzocht van de hiervóór vermelde beslissing van 26 mei 2023 (A. 239.642/IX-10.294) – zaak die op dezelfde terechtzitting als de voorliggende zaak was opgeroepen – toegelicht dat zij “[v]anaf 28 oktober 2024 […] niet meer [zal] voldoen aan de vereisten gesteld in art. 16 van voornoemd MB van 22 IX-10.250-8/10 oktober 2012” omdat zij op die datum “haar activiteiten gedurende 2 jaar [zal] hebben onderbroken”. Daargelaten of verzoekster mag aannemen dat uit de bestreden beslissing volgt dat haar activiteiten voor “onderbroken” mogen worden gehouden, blijkt de door haar gevreesde toestand zich slechts over ruim elf maanden voor te doen. Dat ligt wel érg ver – té ver – in de toekomst om ervan te overtuigen dat de zaak zo spoedeisend is dat deze beslissing thans reeds met een vordering tot schorsing kan worden bestreden. Een en ander klemt des te meer nu de hiervóór in herinnering gebrachte bepalingen van artikel 17, § 1, tweede lid, van de voornoemde gecoördineerde wetten, precies toestaan dat een schorsing “op elk moment” kan worden gevorderd. 11.
  27. In die mate is de vordering van verzoekster op dit ogenblik minstens voorbarig te noemen. 12.
  28. Verzoekster ziet zich door de bestreden beslissing ook een achterstand oplopen op het vlak van ervaring, recente ontwikkelingen en technieken binnen haar werkdomein. 12.
  29. In haar nota heeft de verwerende partij erop gewezen dat met haar voormelde beslissing van 26 mei 2023 een einde is gekomen aan de dienstvrijstelling, dat verzoekster op 30 mei 2023 op de dienst werd verwacht, maar dat zij sindsdien en alvast tot en met 14 juli 2023 afwezig was wegens ziekte. 12.
  30. Ter terechtzitting spreekt de raadsman van verzoekster niet tegen dat zij, om redenen die vreemd zijn aan de bestreden beslissing, vanaf 30 mei 2023 “op enkele dagen na” (gewettigd) afwezig is gebleven. Het valt niet in te zien hoe een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing de voornoemde nadelige gevolgen IX-10.250-9/10 die verzoekster al dan niet terecht aan de bestreden beslissing koppelt, ongedaan kan maken, op een ogenblik waarop zij afwezig is van de werkvloer en die ervaring dus hoe dan ook moet missen.
  31. Op dit ogenblik is de spoedeisendheid niet aangetoond. Er is derhalve niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
  32. De Raad van State verwerpt de vordering.
  33. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op eenentwintig november tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jurgen Neuts, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Jurgen Neuts IX-10.250-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.959 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.705 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.