← België

Arrest 257972 - Tucht (openbaar ambt) - 22/11/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.972 Rolnummer: A. 234397/XIV-38803 Zaak: Arrest 257972 - Tucht (openbaar ambt) - 22/11/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-11-27 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-06-11 00:49 Fiche Arrest nr 257.972 van 22 november 2023 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 257.972 van 22 november 2023 in de zaak A. 234.397/XIV-38.803 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rob Trips kantoor houdend te 9990 Maldegem Mottedreef 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5421 ASSENEDE-EVERGEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 26 augustus 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het politiecollege van de politiezone Assenede-Evergem van 2 juli 2021 waarbij aan verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege is opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-38.803-1/35 Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 oktober
  3. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Els Baeyens, die loco advocaat Rob Trips verschijnt voor verzoekster, en advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoekster was inspecteur van politie bij de politiezone Assenede-Evergem (PZ 5421). 3.
  6. Op 11 januari 2019 legt de hogere tuchtoverheid verzoekster de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal op. De hogere tuchtoverheid ziet daarbij af van haar oorspronkelijke voornemen om de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Zij wil verzoekster een laatste kans bieden, mits haar akkoord om buiten de politiezone Assenede-Evergem te worden tewerkgesteld. Met ingang van 1 januari 2019 wordt verzoekster gedetacheerd naar het Gewestelijk Verwerkingscentrum Gent. XIV-38.803-2/35 Met ingang van 1 januari 2020 wordt verzoekster gedetacheerd naar de politiezone Gent. Naar aanleiding van nieuwe feiten van 25 januari 2020 beslist de korpschef van de politiezone Gent op 27 januari 2020 om de detachering van verzoekster met ingang van 1 februari 2020 te beëindigen. 3.
  7. Op 16 juli 2020 stelt de hogere tuchtoverheid het inleidend verslag op met daarin het voornemen om de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. De ten laste gelegde feiten worden in het inleidend verslag als volgt omschreven: “ − Het gebrek aan emotionele stabiliteit door te dreigen met het plegen van zelfmoord (25 januari 2020, 14 maart 2020 en 17 mei 2020) hetgeen absoluut onverenigbaar is met de openbare veiligheidsfunctie van een politieambtenaar. − Het zonder geldige reden en buiten de diensturen ophalen van het dienstwapen uit het commissariaat van de PZ Gent op 25 januari 2020 waarbij INP [K.C.] een (potentieel) gevaar voor zichzelf en andere personen waaronder collega politieambtenaren werd hetgeen absoluut onverenigbaar is met de openbare veiligheidsfunctie van een politieambtenaar. − Het aanleiding geven tot de tussenkomst van diverse politiediensten tot een achtervolging toe op 25 januari 2020 waarbij tot twee maal toe een rood verkeerslicht is genegeerd waarbij INP [K.C.] zichzelf, de achtervolgende ploeg en andere weggebruikers in gevaar heeft gebracht. − Het in gevaar brengen van haarzelf, haar collega’s en weggebruikers op 25 januari 2020 door haar handelingen met haar dienstwapen en door halt te houden op de E34 waardoor deze diende te worden afgesloten. − Op 14 maart 2020 met voorbedachtheid: ° HINP [M.V.] op zijn privéadres te hebben willen verontrusten; ° 1INP [J.R.] op zijn privéadres te hebben verontrust en hem slagen te hebben toegediend met verwondingen tot gevolg; ° 1INP [W.V.] op zijn privéadres te hebben verontrust, zijn woning te hebben proberen binnenstormen en op zijn deur te hebben geschopt; waardoor een reeds bestaand onveiligheidsgevoel bij de betrokken collega’s en hun familie wordt bevestigd en versterkt. − Het vertonen van weerspannigheid en agressie tijdens de arrestatie op 14 maart 2020 waardoor INP [K.C.] meermaals moet worden geboeid en waarbij diverse tussenkomende collega’s licht werden verwond. − Het afleggen van een positieve ademtest en ademanalyse (0,67 mg/UAL) op 14 maart 2020 naar aanleiding waarvan het rijbewijs van INP [K.C.] werd ingetrokken.” XIV-38.803-3/35 Als datum van kennisneming van de feiten is vermeld: “De korpschef heeft kennis gekregen van de feiten op respectievelijk 25 januari 2020, 14 maart 2020 en 17 mei
  8. De korpschef heeft deze feiten vervolgens zelf later ter kennis gebracht van het politiecollege. Voor de berekening van de verjaringstermijn dient evenwel te worden uitgegaan van de data van kennisname in hoofde van de korpschef.” 3.
  9. Op 28 augustus 2020 stelt de hogere tuchtoverheid voor de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege uit te spreken. Tegen dat voorstel dient verzoekster een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.
  10. Hangende de procedure voor de Tuchtraad moet verzoekster zich verantwoorden voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zetelend in correctionele zaken, voor de feiten die zich voordeden op 25 januari 2020 en 14 maart
  11. Op 27 november 2020 verklaart de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen afdeling Gent, zetelend in correctionele zaken de tenlasteleggingen voor bewezen en verleent zij verzoekster de gunst van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling gedurende een termijn van 5 jaar mits naleving van diverse probatievoorwaarden. Verzoekster berust in dit vonnis. 3.
  12. Op 9 juni 2021 adviseert de Tuchtraad dat de ten laste gelegde feiten bewezen zijn en aan verzoekster moeten worden toegerekend, dat zij een tuchtinbreuk uitmaken en dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege een gepaste straf is. 3.
  13. Op 2 juli 2021 beslist de hogere tuchtoverheid om verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. XIV-38.803-4/35 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  14. In het eerste middel voert verzoekster in het verzoekschrift de schending aan van de artikelen 21 en 32 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet). Wat de schending van artikel 21 van de tuchtwet betreft, zet verzoekster uiteen dat in geval van detachering de lichte tuchtstraffen worden opgelegd door de tuchtoverheid van het korps waar de betrokkene gedetacheerd is, terwijl de zware tuchtstraffen in dat geval worden opgelegd door de hogere tuchtoverheid van het korps van oorsprong, op vraag van de dienst waarbij het betrokken personeelslid gedetacheerd is. Verzoekster was sinds 1 januari 2020 bij de politiezone Gent gedetacheerd, zodat zij onder de tuchtrechtelijke bevoegdheid van die zone ressorteerde. Daar 27 januari 2020 de datum is die in aanmerking moest worden genomen voor het bepalen van de verjaringstermijn, was de korpschef van de politiezone Assenede-Evergem onbevoegd om kennis te nemen van de feiten van 25 januari
  15. Verzoekster voert verder aan dat de korpschef van de politiezone Gent zijn bevoegdheden niet kan delegeren aan de korpschef van de politiezone Assenede-Evergem. Bijgevolg kon enkel de korpschef van de politiezone Gent de hogere tuchtoverheid van de politiezone Assenede-Evergem adiëren, indien hij van mening was dat de feiten zouden moeten worden bestraft met een zware tuchtsanctie. Artikel 21 van de tuchtwet maakt immers geen onderscheid naargelang de disciplinaire tekortkomingen vóór of na de detachering zijn gepleegd. In alle gevallen is volgens verzoekster bij de bestraffing van een tuchtvergrijp een substantiële rol weggelegd voor de tuchtoverheden van het korps of de dienst waarbij de detachering gebeurde: ofwel leggen zij zelf een lichte tuchtstraf op, ofwel vragen zij de dienst van oorsprong een zware tuchtstraf uit te spreken. Daar het dossier geen rechtsgeldige vraag bevat van de korpschef van de XIV-38.803-5/35 politiezone Gent aan het politiecollege van de politiezone Assenede-Evergem in haar hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, is de hogere tuchtoverheid niet correct gevat. Het politiecollege van de politiezone Assenede-Evergem heeft de zaak evenmin geëvoceerd krachtens artikel 18 van de tuchtwet. Verzoekster voert tevens de schending aan van artikel 32 van de tuchtwet. Zij wijst erop dat voor het adiëren van de hogere tuchtoverheid wel degelijk vormvoorschriften bestaan en dat de in artikel 32 van de tuchtwet voorgeschreven vereiste van motivering ertoe strekt haar rechten te waarborgen. De mening van de korpschef van de politiezone Gent is uitermate belangrijk en daarvan is geen spoor terug te vinden in het dossier. Nochtans moet hij een eerste appreciatie van de feiten leveren.
  16. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster allereerst wat zij in het verzoekschrift aanvoerde. Zij erkent verder dat bij detachering een personeelslid enkel onttrokken is aan de tuchtbevoegdheid van de tuchtoverheden van het korps van oorsprong voor de lichte tuchtstraffen. Zij betwist niet dat de bevoegdheid om een zware tuchtstraf op te leggen blijft bij de hogere tuchtoverheid van het korps van oorsprong. Verzoekster wijst er nogmaals op dat artikel 21 van de tuchtwet een vormvereiste bevat om de feiten voor de hogere tuchtoverheid van het korps van oorsprong te brengen, met name de vraag van de dienst waarbij het personeelslid is gedetacheerd. Uit het dossier blijkt niet dat de gewone tuchtoverheid van het korps waar zij was gedetacheerd de hogere tuchtoverheid van haar korps van oorsprong heeft verzocht om de zaak te behandelen met het oog op het opleggen van een zware tuchtstraf. Verder voert verzoekster aan dat de gevolgde werkwijze getuigt van vooringenomenheid. Minstens moet worden aangenomen dat de politiezone Assenede-Evergem afspraken heeft gemaakt met de politiezone Gent over de bestraffing van problematisch gedrag van verzoekster, waarbij men onmiddellijk een einde zou stellen aan de detachering. Zo hield de politiezone Assenede-Evergem een stok achter de deur. Door herhaaldelijk te wijzen op de XIV-38.803-6/35 “ultieme laatste kans” die verzoekster kreeg, sprak de hogere tuchtoverheid een ondubbelzinnig maar misplaatst waardeoordeel uit.
  17. In de laatste memorie volhardt verzoekster in het eerste middel. Het auditoraatsverslag gaat volgens verzoekster voorbij aan de bepalingen van artikel 18 van de tuchtwet. Bovendien kan niet worden uitgegaan van een impliciete evocatie op basis van de aanstelling van een voorafgaand onderzoeker. Het evocatierecht veronderstelt volgens verzoekster dat de gewone tuchtoverheid reeds een inleidend verslag heeft betekend. De evocatie mag overigens niet worden verward met de directe vatting van de hogere tuchtoverheid overeenkomstig artikel 38 van de Tuchtwet. Het evocatierecht is niet de loutere toepassing van de voorwaarden van artikel 18 van de tuchtwet, maar het betreft een handeling die formeel moet worden gemotiveerd, zeker wanneer de tuchtoverheid zich niet uitspreekt over het manifest karakter dat voor de toepassing van artikel 18 van de tuchtwet wordt vereist. Alzo is ook het recht van verdediging aangetast. Beoordeling In zoverre verzoekster artikel 21 van de tuchtwet geschonden acht
  18. Artikel 21 van de tuchtwet bepaalt: “In geval dat een politieambtenaar bij een ander korps of dienst is gedetacheerd, worden de lichte tuchtstraffen voor de feiten die gepleegd zijn gedurende de detachering opgelegd door de tuchtoverheden van het korps of de dienst waarbij het betrokken personeelslid is gedetacheerd. De zware tuchtstraffen worden in dat geval opgelegd door de hogere tuchtoverheid van de dienst van oorsprong, op vraag van de dienst waarbij het betrokken personeelslid is gedetacheerd.” De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel vermeldt: “De artikelen 21 en 22 regelen de tuchtbevoegdheid in de bijzondere gevallen van detachering en mutatie en beoogt alle gevallen: intern een lokale politie of de federale politie, tussen lokale polities onderling en tussen een lokale en de federale politie. In alle gevallen van detachering moet voor ogen worden gehouden dat de eerste maatregel die de overheid kan nemen ten aanzien van een personeelslid dat XIV-38.803-7/35 bij haar gedetacheerd is en dat een tuchtvergrijp heeft gepleegd, erin bestaat een einde te maken aan diens detachering.”
  19. Deze bepaling regelt de tuchtbevoegdheid in het bijzondere geval van de detachering (Parl. St. Kamer 1998-1999, nr. 1965/1, 12). Onder detachering moet worden verstaan “[…] de tijdelijke aanwijzing van een personeelslid dat over alle kwalificaties beschikt die voor de betrekking zijn vereist, in een andere betrekking dan diegene waarin het is benoemd of aangewezen, zonder beperking wat betreft zijn aanwending, voor een duur van ten minste twee opeenvolgende dagen en maximum zes maanden, verlengbaar wegens dwingende dienstredenen” (art. I.I.1, 16° RPPol). Een gedetacheerd personeelslid blijft aldus tijdens zijn detachering lid van het korps of de dienst van oorsprong en de (tucht)overheden van dat korps of die dienst behouden derhalve hun toegewezen tuchtbevoegdheden, tenzij de tuchtwet het anders regelt. Artikel 21 van de tuchtwet bepaalt te dezen op limitatieve wijze de gevallen waarin een politieambtenaar is onttrokken aan de tuchtrechtelijke bevoegdheid van de tuchtoverheden van zijn korps of dienst van oorsprong. Dit betreft enkel de bevoegdheid om lichte tuchtstraffen op te leggen voor de feiten die gepleegd zijn tijdens de detachering. In dat geval wordt de politieambtenaar onttrokken aan zijn overeenkomstig de voornoemde toewijzingen bepaalde tuchtoverheden en zijn de tuchtoverheden van het korps of de dienst waarbij het personeelslid gedetacheerd is bevoegd. De bevoegdheid om voor die feiten een zware tuchtstraf op te leggen blijft evenwel bij de hogere tuchtoverheid van de dienst of het korps van oorsprong. Aldus wijkt artikel 21 van de tuchtwet wat de bevoegdheid tot het opleggen van zware tuchtstraffen betreft, niet af van de aanwijzingsregels vervat in artikel 20 van de tuchtwet. De zinsnede dat “op vraag van de dienst waarbij het betrokken personeelslid is gedetacheerd” de zware tuchtstraffen worden opgelegd door de hogere tuchtoverheid van de dienst van oorsprong doet aldus geen afbreuk aan deze generieke bevoegdheidsaanwijzing, doch bevestigt die. XIV-38.803-8/35
  20. Artikel 21 van de tuchtwet bepaalt aldus de bevoegde tuchtoverheden “in geval dat een politieambtenaar bij een ander korps of dienst is gedetacheerd”. Te dezen blijkt dat de korpschef van de politiezone Gent, politiezone waar verzoekende partij gedetacheerd was op het tijdstip van de feiten van 25 januari 2020, op 27 januari 2020 beslist de detachering van verzoekende partij te beëindigen met ingang van 1 februari
  21. Dit wordt per e-mail van 27 januari 2020 aan de korpschef van de politiezone Assenede-Evergem meegedeeld. Deze beslissing tot beëindiging van de detachering impliceert dat vanaf 1 februari 2020 verzoekster niet langer gedetacheerd is, zodat artikel 21 van de tuchtwet vanaf dat ogenblik niet meer toepasselijk is. Wanneer het politiecollege van de politiezone Assenede-Evergem op 16 juli 2020 het inleidend verslag opstelt, zijnde het startpunt van de tuchtvervolging, is verzoekster niet meer gedetacheerd. Derhalve is artikel 21 van de tuchtwet blijkens de aanhef van die bepaling op dat ogenblik niet langer van toepassing. Ten overvoede wordt opgemerkt dat ook op 3 februari 2020, het tijdstip waarop het voorafgaand onderzoek wordt bevolen, en op 26 maart 2020, tijdstip waarop de opdracht van de voorafgaand onderzoeker wordt uitgebreid, de detachering beëindigd was, zodat artikel 21 van de tuchtwet niet van toepassing was.
  22. In weerwil van wat verzoekster aanvoert, was de korpschef van de politiezone Gent vanaf 1 februari 2020 niet langer de bevoegde (gewone) tuchtoverheid van verzoekster. Daar artikel 21 van de tuchtwet vanaf 1 februari 2020 niet meer van toepassing was, had de korpschef van de politiezone Gent vanaf die datum evenmin nog enige andere bevoegdheid of rol in de tuchtprocedure: hij diende niet formeel kennis te nemen van de tuchtfeiten; er was geen grond om zijn bevoegdheden als tuchtoverheid te delegeren aan de korpschef van de politiezone Assenede-Evergem; hij kon de hogere tuchtoverheid van de politiezone Assenede-Evergem niet adiëren; hij moest de hogere tuchtoverheid van XIV-38.803-9/35 de politiezone Assenede-Evergem niet verzoeken om de zaak te behandelen met het oog op het opleggen van een zware tuchtstraf. In de mate dat verzoekster in haar verzoekschrift en memorie van wederantwoord van het tegendeel uitgaat, faalt haar standpunt in rechte. Verzoekster voert nog aan dat artikel 21 van de tuchtwet geen onderscheid maakt naargelang de disciplinaire tekortkomingen vóór of na de detachering zijn gepleegd. Dit argument doet evenwel geen afbreuk aan de hierboven weergegeven conclusie dat artikel 21 van de tuchtwet te dezen niet van toepassing is (zie supra, punt 9).
  23. Daar artikel 21 van de tuchtwet niet van toepassing is, kan het ook niet geschonden zijn. De grief van verzoekster dat het politiecollege van de politiezone Assenede-Evergem de zaak niet heeft geëvoceerd, houdt verband met de aangevoerde schending van artikel 32 van de tuchtwet en wordt hierna beoordeeld. In zoverre verzoekster artikel 32 van de tuchtwet geschonden acht
  24. Artikel 32 van de tuchtwet bepaalt: “De gewone tuchtoverheid die feiten die mogelijk een tuchtvergrijp uitmaken, vaststelt of er kennis van krijgt, stelt een inleidend verslag op na eventueel een onderzoek te hebben bevolen. Oordeelt de gewone tuchtoverheid dat de feiten niet moeten leiden tot een tuchtstraf, dan stelt zij dat vast. Die beslissing wordt formeel gemotiveerd en wordt ter kennis gebracht van de betrokkene door betekening tegen ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief. Oordeelt de gewone tuchtoverheid dat de feiten in aanmerking kunnen komen voor een lichte tuchtstraf, dan leidt zij een tuchtprocedure in. Oordeelt de gewone tuchtoverheid dat de feiten in aanmerking komen voor een zware tuchtstraf, dan verzendt zij het inleidend verslag met alle stukken van het dossier naar de hogere tuchtoverheid. Tegelijkertijd deelt ze haar de redenen mee waarom zij meent dat de feiten van aard zijn om te worden gestraft met een zware tuchtsanctie.” XIV-38.803-10/35 Artikel 18 van de tuchtwet bepaalt: “Zolang er nog geen uitspraak van de gewone tuchtoverheid is, kan de hogere tuchtoverheid een zaak evoceren en voortzetten. Het evocatierecht bedoeld in het eerste lid, met redenen omkleed door de hogere tuchtoverheid, mag slechts worden uitgeoefend voor zover: 1° de gewone tuchtoverheid zich kennelijk in de materiële onmogelijkheid bevindt om een beslissing uit te spreken binnen een redelijke termijn; 2° duidelijk blijkt dat, door hun aard en hun ernst, de constitutieve elementen van de zaak een tuchtvergrijp kunnen inhouden dat aanleiding kan geven tot een zware tuchtstraf.” Artikel 38 van de tuchtwet bepaalt: “De hogere tuchtoverheid die feiten die mogelijk een tuchtvergrijp uitmaken, vaststelt of er kennis van krijgt, of die een zaak evoceert, stelt een inleidend verslag op na eventueel een onderzoek te hebben bevolen. Wanneer de hogere tuchtoverheid zich rechtstreeks belast met de feiten of de zaak evoceert, stelt zij de gewone tuchtoverheid daarvan in kennis. Deze kennisgeving brengt onttrekking van de zaak mee voor de gewone tuchtoverheid. Werd haar reeds een inleidend verslag toegestuurd, dan stelt zij eventueel een bijkomend onderzoek in en vult zij het inleidend verslag zonodig aan. Oordeelt de hogere tuchtoverheid dat de feiten niet moeten leiden tot een tuchtstraf, dan stelt zij dat vast. Die beslissing wordt formeel gemotiveerd en wordt ter kennis gebracht van de betrokkene. Oordeelt de hogere tuchtoverheid dat de feiten in aanmerking komen voor een lichte tuchtstraf, dan handelt zij of haar afgevaardigde, voor zover als nog nodig zoals de gewone tuchtoverheid. Oordeelt de hogere tuchtoverheid dat de feiten in aanmerking komen voor een zware tuchtstraf, dan zet zij een tuchtprocedure in.” Hiervoor (zie supra, punt 9) wordt overwogen dat vanaf 1 februari 2020 verzoekster niet langer gedetacheerd was en dat bijgevolg artikel 21 van de tuchtwet na 1 februari 2020 niet langer van toepassing was. Vanaf 1 februari 2020 was de korpschef van de politiezone Assenede-Evergem (terug) de bevoegde (gewone) tuchtoverheid. Hij kon vanaf die datum de zaak onderzoeken met het oog op een mogelijke tuchtprocedure. Hij stelt op 3 februari 2020 het politiecollege, als hogere tuchtoverheid, in kennis van de feiten, waarna het politiecollege beslist een voorafgaand onderzoeker aan te stellen. XIV-38.803-11/35 Artikel 32 van de tuchtwet bepaalt dat de gewone tuchtoverheid, indien zij meent dat de feiten in aanmerking komen voor een zware tuchtstraf, het inleidend verslag met alle stukken van het dossier naar de hogere tuchtoverheid verzendt, samen met de redenen mee waarom zij meent dat de feiten van aard zijn om te worden gestraft met een zware tuchtsanctie. Een dergelijke expliciete adiëring van de hogere tuchtoverheid is een mogelijkheid waarin de tuchtwet voorziet om de beoordeling van de tuchtfeiten aanhangig te maken bij de hogere tuchtoverheid, doch geen voorwaarde opdat de hogere tuchtoverheid haar tuchtbevoegdheid kan uitoefenen. De tuchtwet maakt immers een duidelijk onderscheid tussen de gewone tuchtoverheid die de lichte tuchtstraffen mag opleggen en de hogere tuchtoverheid die exclusief bevoegd is om de zware tuchtstraffen op te leggen. Het optreden van de hogere tuchtoverheid is door de wet niet afhankelijk gemaakt van een voorafgaand optreden van de gewone tuchtoverheid. De in artikel 32 van de tuchtwet vervatte verplichting van de gewone tuchtoverheid om disciplinair gedrag van een politieambtenaar, dat haar ter kennis is en dat volgens haar met een zware tuchtstraf bestraft moet worden, aan de hogere tuchtoverheid ter kennis te brengen, betekent niet dat die hogere tuchtoverheid voor haar handelen afhankelijk is van een voorafgaande beslissing van de gewone tuchtoverheid. Uit de artikelen 18 en 38 van de tuchtwet volgt immers dat de hogere tuchtoverheid ook zonder een formele adiëring door de gewone tuchtoverheid kan optreden, met name door hetzij een tuchtprocedure aanhangig voor de gewone tuchtoverheid te evoceren, zolang deze geen beslissing heeft genomen, hetzij zich rechtstreeks te belasten met de mogelijke tuchtfeiten.
  25. Verzoekster wordt bijgevallen in haar betoog dat te dezen het politiecollege van de politiezone Assenede-Evergem niet werd geadieerd door de korpschef van de politiezone Gent in toepassing van artikel 32 van de tuchtwet, noch dat het politiecollege van de politiezone Assenede-Evergem de zaak heeft geëvoceerd in toepassing van artikel 18 van de tuchtwet. Dit houdt evenwel geen schending in van de artikelen 18 of 32 van de tuchtwet, daar zoals hierboven aangegeven (zie supra, punt 12) het politiecollege zich in toepassing van artikel 38 van de tuchtwet rechtstreeks kan gelasten met de feiten. Dit is te dezen het geval. XIV-38.803-12/35 Uit de beslissing van 3 februari 2020 van het politiecollege waarbij het politiecollege de voorafgaand onderzoeker heeft aangesteld blijkt impliciet maar zeker dat het politiecollege zich rechtstreeks met de feiten heeft belast. Artikel 38 van de tuchtwet onderwerpt deze beslissing niet aan vormvereisten; alleen moet de hogere tuchtoverheid de gewone tuchtoverheid in kennis stellen van het feit dat zij zich rechtstreeks met de feiten heeft belast. Verzoekster voert niet aan dat dit niet zou zijn gebeurd.
  26. In de mate dat verzoekster een vooringenomenheid van de korpschef van de politiezone Assenede-Evergem aanvoert – wat zij afleidt uit de omschrijving van de “kennisname van de feiten” in het inleidend verslag –, wordt opgemerkt dat verzoekster niet uiteenzet noch aantoont hoe dit de artikelen 21 en 32 van de tuchtwet zou schenden. Hetzelfde geldt voor verzoeksters bewering dat de korpschef van de politiezone Assenede-Evergem het inleidend verslag opstelde, wat overigens niet blijkt uit het administratief dossier.
  27. In haar laatste memorie wijdt verzoekster uit over de toepassingsvoorwaarden waaraan de beslissing van de hogere tuchtoverheid om een zaak te evoceren overeenkomstig artikel 18 van de tuchtwet moet voldoen. Zoals hierboven uiteengezet is er te dezen geen sprake van een beslissing tot het evoceren van de zaak, wat volstaat om dit argument te verwerpen.
  28. In zoverre verzoekster voor het eerst in de laatste memorie nieuwe argumenten en kritieken aanvoert, toont verzoekster niet aan dat zij die niet reeds in haar verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoekster op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Die argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden. Conclusie
  29. Het middel is ongegrond. XIV-38.803-13/35 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  30. In het tweede middel voert verzoekster in het verzoekschrift de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel, van het redelijkheidsbeginsel en van de motiveringsplicht. Het lid van het auditoraat vat de essentie van het middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift als volgt samen in zijn verslag: “In dit middel wordt in essentie aangevoerd

(1)dat het dossier in de procedure voor de Tuchtraad onzorgvuldig en onvolledig was samengesteld, terwijl de verzoekende partij in die procedure nieuwe raadslieden had aangesteld, zodat de rechten van verdediging geschonden werden,
(2)dat geen of onvoldoende rekening gehouden is met de medische toestand van verzoekende partij, en dit bij alle ten laste gelegde feiten, alsook met de negatieve invloed van met het de feiten in het kader van het voorgaand tuchtdossier, terwijl de feiten die een tuchtvergrijp vormen geheel of gedeeltelijk kunnen verschoond worden door de gezondheidstoestand, hetgeen de tuchtoverheid nalaat zodat het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden is,
(3)dat het zorgvuldigheidsbeginsel en de motiveringsplicht geschonden zijn doordat niet blijkt dat de tuchtoverheid rekening gehouden heeft met de context van de feiten, inzonderheid de toerekenbaarheid ervan aan verzoekende partij omwille van haar gezondheidstoestand, terwijl de tuchtoverheid de plicht had dit te onderzoeken en hiermee rekening moest houden om een evenredige strafmaat te kunnen bepalen.”
  1. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster dit en werkt zij dit verder uit. Wat de onzorgvuldige samenstelling van het tuchtdossier betreft, citeert verzoekster het deskundigenverslag van de inspecteur-generaal en bekritiseert zij de wijze waarop de Tuchtraad de hogere tuchtoverheid de onvolledigheid van het tuchtdossier heeft laten remediëren. Wat de medische achtergrond als verschoningsgrond betreft, legt verzoekster het verband met de “motiveringsplicht” en het redelijkheidsbeginsel. Zij voert aan dat het niet duidelijk is waarop de hogere tuchtoverheid zich baseert om het ontslag van ambtswege op te leggen en dat de politiezone Assenede-Evergem de neerwaartse spiraal waarin zij zat nog meer bewerkstelligde. Volgens verzoekster kan de verwerende partij niet zonder zichzelf tegen te spreken motiveren dat verzoekster XIV-38.803-14/35 nog operationeel inzetbaar was na het eerste tuchtdossier en in de bestreden beslissing motiveren dat met de gezondheidstoestand van verzoekster rekening werd gehouden. Verzoekster gaat ook dieper in op de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en de formelemotiveringsplicht.
  2. In de laatste memorie volhardt verzoekster in haar tweede middel. Zij beklemtoont dat zij steeds heeft aangevoerd dat haar aangetoonde medische toestand wel degelijk een invloed had op de “interpretatie” van de feiten door de overheid. Verder erkent zij dat effectief dient verwezen te worden naar het strafrechtelijk gewijsde inzake de schuldbekwaamheid. Volgens verzoekster betekent dit evenwel niet dat de tuchtoverheid haar ziektetoestand niet moest betrekken bij haar beslissing, meer bepaald bij de beoordeling van de strafmaat. Beoordeling
  3. Het auditoraat heeft het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift en zoals aangevuld in de memorie van wederantwoord weergegeven in de zin als hiervoor (zie supra, punt 18). Partijen hadden in hun navolgende processtukken geen kritiek op deze analyse. De beoordeling van het middel wordt daarom aan de hand van deze samenvatting verricht. A. Inzake de onzorgvuldige en onvolledige samenstelling van het dossier in de procedure voor de Tuchtraad
  4. De Tuchtraad heeft deze onvolkomenheid in zijn eindadvies als volgt beoordeeld: “Artikel 3 van het KB van 26 november 2001 tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten voorziet dat het tuchtdossier een inventaris bevat van de stukken waaruit het dossier bestaat. XIV-38.803-15/35 Er werd op de zitting van de Tuchtraad d.d. 18 november 2020 door de Tuchtraad opgemerkt dat het tuchtdossier, dat voorgebracht werd voor de Tuchtraad, niet compleet was. Op de daaropvolgende zitting heeft de tuchtoverheid het dossier aangevuld en voor de inventaris verwezen naar de aanhef van het voorstel van zware straf onder de hoofding ‘referenties’ waarin de stukken werden opgenoemd. Ten onrechte stelde de tuchtoverheid op de tweede zitting dat het nieuwe bundel het oude verving nu het tweede complementair was aan het eerste. Artikel 3 van voormeld KB voorziet niet in een sanctie bij niet naleving van die bepaling maar het staat wel vast, volgens de Tuchtraad, dat door de niet-naleving van dit artikel de rechten van verdediging van verzoekster kunnen geschonden zijn, hetgeen echter dient aangetoond te worden. De Tuchtraad komt tot de vaststelling dat, na neerlegging van het tweede stukkenbundel door de tuchtoverheid op de zitting van 12 januari 2021 en de twee ontbrekende pagina’s (6 en 7) van het verslag van de vooronderzoeker op de zitting van 11 mei 2021, alle relevante stukken in het tuchtdossier steken meer bepaald deze die vermeld staan op de inventaris van het voorstel van zware straf, waarnaar door de tuchtoverheid verwezen werd. De Tuchtraad is van oordeel dat, indien een partij vaststelt dat bepaalde stukken ontbreken in een dossier en deze relevant zijn voor de verdediging dan had deze minstens een opsomming dienen te geven van de volgens haar ontbrekende stukken. Dit om aldus de tuchtoverheid te geven om eventueel te remediëren aan een eventuele schending van de rechten van verdediging van verzoekster. Uit de opsomming van de stukken onder de hoofding ‘referenties’ van zowel het inleidend verslag als het voorstel van zware straf blijkt duidelijk welke stukken bij het Politiecollege voorlagen teneinde dit tuchtdossier te behandelen. Daaronder staat ook vermeld: het verslag van het voorafgaand onderzoek d.d. 31 mei 2020 met geïnventariseerde bijlagen. De verzoekster had deze lijst van stukken kunnen gebruiken om aan te duiden welke aldus ontbraken volgens haar. In het gemotiveerde verzoek tot heroverweging, zoals neergelegd ter zitting van de Tuchtraad op 12 januari 2021, werd door verzoekster wel de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel ingeroepen met betrekking tot het niet verder onderzoeken door de tuchtoverheid van de medische toestand van verzoekster voor wat de toerekenbaarheid van de feiten betreft, zoals hierna uiteengezet sub 3.3, maar nergens stelde verzoekster dat zij haar niet kunnen verdedigen heeft door het ontbreken van bepaalde stukken. Uit de lezing van alle de tuchtoverheid voor de Tuchtraad voorgebrachte stukken, ook al werden vele daarvan (zoals de bijlage van het voorverslag) pas voorgebracht op vraag van de Tuchtraad blijkt dat alle stukken waarop de bevoegde overheid zich mocht steunen tot het opmaken van het inleidend verslag en het voorstel van zware tuchtstraf voor de Tuchtraad wel degelijk voorliggen in het tuchtdossier, weliswaar bestaande uit twee bundels nu niet alle stukken in het eerste bundel zich ook in het tweede bundel bevinden, hetgeen slordig overkomt. Nopens al deze stukken heeft de verzoekster tegenspraak kunnen voeren en er wordt niet aangetoond in welke mate haar recht van verdediging werd geschonden. Ten overvloede wijst de Tuchtraad op het gegeven dat eens het vonnis is tussengekomen bepaalde stukken, zoals de verhoren afgenomen door de vooronderzoeker, minder relevant geworden zijn nu voor het bewijs en vaststaan van bepaalde feiten en de toerekenbaarheid ervan de tuchtoverheid gehouden is door het gerechtelijk gewijsde van deze beslissing d.d. 27 november
  5. XIV-38.803-16/35 Daarnaast werden ook niet relevante stukken door de tuchtoverheid voorgebracht meer bepaald alle brieven en conclusies die na het verzoek tot heroverweging door partijen werden opgemaakt en die uiteraard ook gevoegd werden door de Tuchtraad. De Tuchtraad is van oordeel dat het tuchtdossier, hoewel slordig samengesteld, volledig is samengesteld en dat de verzoekster niet aantoont waarin de schending van haar rechten van verdediging ligt.” Het auditoraat besluit, na verwijzing naar het hierboven weergegeven eindadvies van de Tuchtraad, tot de ongegrondheid van dit middelonderdeel op grond van de volgende overwegingen: “Het blijkt aldus dat de oorspronkelijke onvolkomenheid van het dossier in de procedure voor de Tuchtraad door de tuchtoverheid werd rechtgezet en dat de verzoekende partij tegenspraak heeft kunnen voeren op basis van een volledig dossier vooraleer de Tuchtraad zijn definitief advies heeft verstrekt. De verzoekende partij verduidelijkt ook nu niet op welke wijze haar rechten van verdediging werden miskend nadat het dossier in de procedure voor de Tuchtraad vervolledigd was. Dat de Tuchtraad de belangen van de tuchtoverheid laat primeren op de schending van de rechten van verdediging, zoals verzoekende partij stelt, is een loutere bewering die geen afbreuk doet aan de vaststelling dat verzoekende partij niet verduidelijkt hoe en waarom zij zich niet zou kunnen hebben verdedigen nadat het tuchtdossier vervolledigd was.”
  6. Verzoekster betwist deze conclusie. Na kennisneming van het auditoraatsverslag, heeft zij evenwel niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere beoordeling op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Zij laat immers na om op de bespreking van dit onderdeel van het middel nog inhoudelijk te reageren en beperkt zich tot het volharden in het middel. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit, de redenering van het auditoraat bijvallend, dat dit eerste onderdeel van het middel ongegrond is. XIV-38.803-17/35 B. Inzake de medische achtergrond van verzoekster als mogelijke verschoningsgrond
  7. Verzoekster zet in haar verzoekschrift haar “medische achtergrond” uiteen. Zij geeft daarbij aan dat indien de betrokkene aangeeft dat hij omwille van zijn gezondheidstoestand niet verantwoordelijk kan worden geacht voor zijn daden, de tuchtoverheid verplicht is dit te onderzoeken. Zij verwijst zeer omstandig naar diverse stukken uit het tuchtdossier, stukken uit het strafdossier en een voorgaand tuchtdossier om daaruit af te leiden dat de tuchtoverheid wist, minstens kon weten, dat met de gezondheidstoestand van verzoekster “diende rekening gehouden te worden”. Zij betoogt dat het zorgvuldigheidsbeginsel inhoudt dat de tuchtoverheid de mogelijke schulduitsluitingsgrond onderzoekt. Zij besluit dat feiten kunnen worden verschoond wanneer ze te wijten zijn aan een ziekte en dat, daar zij het bewijs leverde van een redelijke grond tot verschoning van de feiten, het de tuchtoverheid toekomt het tegenbewijs te leveren. Zoals door het auditoraat correct samengevat, voert verzoekster in haar verzoekschrift aldus aan dat geen of onvoldoende rekening gehouden is met haar medische toestand die de ten laste gelegde feiten verschoont.
  8. In de memorie van wederantwoord komt verzoekster hierop uitvoerig terug. Zij betrekt daarbij voor het eerst de motiveringsplicht, door aan te voeren dat de tuchtoverheid er niet in slaagt te omschrijven waarop zij zich baseert om het ontslag van ambtswege op te leggen. Tevens uit zij kritiek op diverse aspecten van de formele motivering van de bestreden beslissing. Daar deze uiteenzetting eerder lijkt aan te sluiten bij wat in het auditoraatsverslag als een derde middelonderdeel wordt omschreven, wordt deze kritiek bij de bespreking van het derde middelonderdeel behandeld.
  9. Verder uit verzoekster kritiek op de wijze waarop de tuchtoverheid met het vorige tuchtdossier is omgegaan. Zij betoogt dat de verwerende partij de “neerwaartse spiraal” waarin zij zat nog meer bewerkstelligde XIV-38.803-18/35 met de tussen partijen gesloten dadingovereenkomst, de navolgende detachering en de druk om deel te nemen aan elke mobiliteitscyclus. Verzoekster voert daarmee voor het eerst in de memorie van wederantwoord nieuwe argumenten en kritieken aan, waarvan zij niet aantoont dat zij die niet reeds in haar verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoekster op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Die argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden.
  10. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middelonderdeel op grond van de volgende overwegingen: “In dit onderdeel voert de verzoekende partij aan de hand van een omstandige uiteenzetting van haar mentale gezondheidstoestand aan dat dit een verschoningsgrond was en dat het de tuchtoverheid toekwam het tegenbewijs te leveren dat die gezondheidstoestand geen verschoningsgrond uitmaakt, hetgeen zij evenwel heeft nagelaten. De verzoekende partij gaat aldus, zoals ook uit het advies van de Tuchtraad en de motivering van de bestreden beslissing blijkt, volledig voorbij aan het gezag van gewijsde van het vonnis van 27 november 2020, waardoor ook de tuchtoverheid gebonden is, niet alleen wat betreft het bewezen zijn en vaststaan van de feiten, maar ook wat betreft de toerekenbaarheid, zoals ook blijkt uit de rechtspraak van de Raad: ‘Aangezien een dergelijke definitieve strafrechtelijke uitspraak gezag van gewijsde erga omnes heeft, hetgeen impliceert dat eenieder – dus ook de tuchtoverheid – gebonden is door de vaststelling van de strafrechter inzake het al dan niet bewezen zijn van de feiten en de schuldbekwaamheid van de betrokkene, mag de tuchtoverheid voor het bestaan van de feiten volstaan met te verwijzen naar de strafrechtelijke uitspraak en dient zij hiervoor geen eigen onderzoek te voeren. Een dergelijke motivering voor het bewijs van de feiten is afdoende.’ (RvS, 21 november 2016, nr. 236.468) In het vonnis van 27 november 2020, dat kracht van gewijsde heeft, heeft de rechtbank inzake de medische toestand van verzoekende partij als verschoningsgrond als volgt geoordeeld: ‘De verdediging verzocht op de terechtzitting van 23 oktober 2020 de beklaagde voor deze tenlasteleggingen vrij te spreken daar ze handelde uit een opwelling ingevolge haar medische toestand hetwelk een verschoningsgrond zou zijn. De rechtbank wijst erop dat artikel 78 Sw bepaalt dat er slechts sprake kan zijn van een verschoningsgrond in de gevallen bij de wet bepaald. Uit het verslag van het college van deskundigen zoals aangesteld door het openbaar ministerie blijkt geenszins dat de beklaagde op het tijdstip van de feiten leed aan een geestesstoornis die haar oordeelsvermogen of de controle over haar daden op 14 maart 2020 heeft tenietgedaan of waarbij zij gedwongen werd door een macht die XIV-38.803-19/35 zij niet heeft kunnen weerstaan. Uit het deskundig verslag blijkt integendeel dat de beklaagde op 14 maart 2020 gehandeld heeft uit een gevoel van frustratie en het gevoel van niet begrepen te zijn. Ook uit de vaststellingen van de politie die de beklaagde ter plaatse aantrof blijkt dat de beklaagde wel degelijk aanspreekbaar en bewust was maar zij niet onmiddellijk verhoorbaar was ingevolge een loutere staat van alcoholintoxicatie. De rechtbank aanvaardt dan ook geen verschoningsgrond in hoofde van de beklaagde, zoals gesuggereerd door haar verdediging.’ Aangezien de strafrechter geoordeeld heeft dat de medische toestand van verzoekende partij geen verschoningsgrond uitmaakt en dit oordeel gezag van gewijsde heeft had de tuchtoverheid niet langer de plicht te onderzoeken of de medische toestand van verzoekende partij een verschoningsgrond uitmaakt.”
  11. Verzoekster betwist deze conclusie in de laatste memorie, maar erkent “dat effectief dient verwezen te worden naar het strafrechtelijk gezag van gewijsde inzake de schuldbekwaamheid”. Volgens haar betekent dit echter niet dat de tuchtoverheid haar ziektetoestand niet moest betrekken bij haar beslissing, met name bij de afweging van de strafmaat. Voorts voert zij argumenten en kritieken aan die zij nog niet voorheen heeft uiteengezet. Gelet op deze erkenning en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit, de redenering van het auditoraat bijvallend, dat dit tweede onderdeel van het middel ongegrond is. Met de nieuwe argumenten en kritieken voor het eerst aangevoerd in de laatste memorie, wordt voorts geen rekening gehouden, nu verzoekster niet aantoont dat zij die niet reeds in haar verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoekster op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel.
  12. Het argument dat de ziektetoestand moest worden betrokken bij de afweging van de strafmaat slaat op het derde middelonderdeel en wordt bij de bespreking daarvan behandeld. XIV-38.803-20/35 C. Inzake de toerekenbaarheid aan verzoekster gelet op haar gezondheidstoestand Vooraf
  13. Over het onderdeel van het middel dat verzoekster in het verzoekschrift benoemt als “met betrekking tot de toerekenbaarheid van de feiten” en in de memorie van wederantwoord als “met betrekking tot de motivering inzake de strafmaat en de toepassing van het redelijkheidsbeginsel” valt de Raad van State, na eigen onderzoek, het auditoraatsverslag bij dat oordeelt dat het “niet geheel duidelijk [is] hoe dit ‘onderdeel’ zich onderscheidt van het vorige onderdeel, in die zin dat het terug gebaseerd wordt op de vraag of de feiten wel aan verzoekende partij toerekenbaar waren gelet op haar gezondheidstoestand”. In zoverre verzoekster in dit middelonderdeel opnieuw verwijst naar de verschoonbaarheid van de tuchtfeiten ingevolge haar gezondheidstoestand, wordt verwezen naar de bespreking van het tweede middelonderdeel.
  14. In het derde onderdeel van het middel voert verzoekster in essentie aan dat het zorgvuldigheidsbeginsel en de motiveringsplicht geschonden zijn, doordat niet blijkt dat de tuchtoverheid rekening gehouden heeft met de context van de feiten, inzonderheid haar gezondheidstoestand, terwijl de tuchtoverheid de plicht had dit te onderzoeken en hiermee rekening moest houden om een evenredige strafmaat te kunnen bepalen. Zoals hierboven reeds vermeld, bekritiseert verzoekster deze analyse van het middelonderdeel niet (zie supra, punt 21). Inzake de schending van de formelemotiveringsplicht en de materiëlemotiveringsplicht
  15. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. XIV-38.803-21/35 Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formelemotiveringsplicht moet voorts worden rekening gehouden met het geheel van de formele motivering en niet met een of meerdere onderdelen van de motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn.
  16. Verzoekster voert inzake deze grief ook de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen.
  17. De Tuchtraad overweegt in zijn advies het volgende inzake de beoordeling van de strafmaat: “De verzoekster werpt op dat het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel geschonden werd omdat bij de bepaling van de strafmaat, ontslag van ambtswege, onvoldoende aandacht werd geschonken aan haar psychische toestand als verzachtende omstandigheid. De hogere tuchtoverheid stelt in haar voorstel van zware tuchtstraf onder punt 7: ‘De hogere tuchtoverheid heeft het voornemen om u de tuchtstraf van ontslag van ambtswege op te leggen omdat zij meent dat de feiten vaststaan en de tenlastelegging op grond van de verantwoording uiteengezet. In punten 5 en 61 een toerekenbaar tuchtvergrijp uitmaakt. Het voorstel van zware tuchtstraf steunt op de volgende overwegingen. XIV-38.803-22/35 Algemeen De tuchtoverheid heeft een ruime appreciatiebevoegdheid bij het bepalen van de straf maat. De tuchtoverheid moet bij de bepaling van de straf maat niet enkel rekening houden met de persoonlijke situatie van de betrokkene, maar ook en vooral, met het belang van de dienst waarvoor zij instaat. Staat van dienst INP […] is politieambtenaar sinds 01 februari
  18. Tuchtrechtelijke antecedenten INP […] heeft op 11/01/2019 de zware tuchtstraf van terugzetting in weddeschaal opgelegd gekregen met ingang van 01 februari
  19. De hogere tuchtoverheid is ultiem teruggekomen op het voornemen tot het opleggen van de tuchtstraf van ontslag van ambtswege omdat INP […] alsnog een laatste kans is gegeven om actief te blijven binnen de politiediensten mits akkoord om definitief buiten de politiezone Assenede-Evergem te worden tewerkgesteld. In het voormelde tuchtstrafbesluit is daaromtrent het volgende overwogen: ‘… Ondanks het voorgaande wenst de hogere tuchtoverheid in het licht van gewijzigde omstandigheden niettemin ultiem afstand te doen van haar voornemen om de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Zij heeft de intentie het personeelslid de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal op te leggen. De terugzetting in weddeschaal bestaat in de toekenning aan een personeelslid van een weddeschaal die onmiddellijk lager is dan de zijne, met behoud van zijn anciënniteit. De terugzetting houdt tevens in dat het personeelslid gedurende de twee navolgende jaren diezelfde weddeschaal behoudt. De terugzetting in weddeschaal gaat in vanaf de eerste van de maand die volgt op die waarin deze tuchtstraf aan de betrokkene is ter kennis gebracht. (artikel 13, eerste en derde lid, Tuchtwet) Het aanzienlijk milderen van de strafmaat en het geven van een tweede kans aan het personeelslid binnen de politiediensten mag op geen enkele wijze worden geïnterpreteerd in de zin dat er in hoofde van de hogere tuchtoverheid de minste twijfel zou bestaan over het bewezen zijn van de feiten. Indien er in hoofde van de hogere tuchtoverheid enige twijfel zou bestaan over het bewezen zijn van de feiten dan zou dit ontegensprekelijk hebben geleld tot de beslissing om geen tuchtstraf op te leggen. De hogere tuchtoverheid stelt echter In dit specifiek geval vast dat het personeelslid akkoord gaat met een detachering met ingang van 01 januari 2019 alsook met het gegeven om niet meer te worden tewerkgesteld binnen de eigen lokale politiezone. Het personeelslid zal trachten zo snel mogelijk mobiliteit te maken binnen de lokale of federale politie waardoor aan het dienstverband met de eigen lokale politiezone een definitief einde zal worden gesteld. Op grond van het voorgaande meent de hogere tuchtoverheid dat een zware tuchtstraf van terugzetting in weddeschaal gecombineerd met het verdwijnen van het personeelslid uit de eigen lokale politiedienst evenzeer tegemoet komt aan de vastgestelde en nog steeds bestaande definitieve vertrouwensbreuk tussen het personeelslid en de eigen lokale politiezone. Bovendien verdwijnt daardoor evengoed de rechtstreekse weerslag van de feiten op de goede werking van en binnen de eigen lokale politiediensten. De hogere tuchtoverheid wenst het personeelslid in de gegeven omstandigheden en omwille van haar verdiensten in het verleden alsnog een tweede en wellicht laatste kans te geven als politieambtenaar, zij het tewerkgesteld in een andere politiedienst. Het komt aan het personeelslid toe om ten aanzien van zijn nieuwe werkgever te bewijzen dat zij deze ultieme kans waard zal blijken te zijn. Het politiecollege heeft daar goede hoop op. XIV-38.803-23/35 Het personeelslid mag daarbij geenszins uit het oog verliezen dat haar een bijzondere gunstmaatregel wordt verleend en de hogere tuchtoverheid zich dienaangaande kwetsbaar opstelt ten aanzien van de publieke opinie. Uit de beslissing om alsnog af te zien van de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege in de gegeven specifieke omstandigheden mag overigens voor de toekomst niet worden afgeleid dat de hogere tuchtoverheid voor zover ze nogmaals zou worden geconfronteerd met gelijkaardige feiten dezelfde mildheid aan de dag zal leggen. …’ Evaluaties Evaluatie korps : laatste evaluatie PZ Assenede op 21/08/2019, ‘GOED’ Functioneringsgesprek : 21/08/2019 en 21/01/2019 door GVC 22/02/2017 door eigen PZ Felicitaties : Felicitatie dd. 28/06/2017 (‘t Vurstjen) en dd. 26/07/2017 (LRD) Detachering INP […] werd sinds 1 Januari 2019 gedetacheerd naar het Gewestelijk Verwerkingscentrum Gent (GVC Gent). INP […] werd sinds 1 Januari 2020 gedetacheerd naar de PZ Gent. INP […] kreeg positieve feedback op haar functioneren. Gestrengheid ten aanzien van politieambtenaren De tuchtoverheid vermag hoge integriteitseisen te stellen aan het personeel dat bij de politiediensten werkt. Een politieambtenaar heeft een voorbeeldfunctie en de tuchtoverheid mag met betrekking tot elk van hen een streng verwachtingspatroon hanteren vermits een politiedienst immers in de eerste plaats is belast met het voorkomen en het opsporen van misdrijven en elke misdraging van een personeelslid onmiddellijk afstraalt op de gehele dienst. De gestrengheid ten aanzien van INP […] is des te meer gerechtvaardigd gezien het herhaald karakter van haar onaanvaardbare gedragingen en eerder uitdrukkelijke waarschuwing middels het opleggen van de tuchtstraf van terugzetting in weddeschaal. Een laatste kans is aangeboden aan INP […], maar zij heeft deze kans helaas niet met twee handen aangegrepen. Gestrengheid wegens de weerslag op de dienst Het behoort tot de persoonlijke verantwoordelijkheid van leder (politie)ambtenaar om zijn (politionele) opdracht op de meest integere wijze uit te oefenen. Het criterium van het dienstbelang komt neer op de vraag naar de graad van verstoring van de goede werking van de dienst, bijvoorbeeld omdat binnen het bestuur, de vertrouwensrelatie tussen de overheid en de betrokken ambtenaar is gehavend of omdat, naar de buitenwereld toe, het vertrouwen dat de overheid moet uitstralen, is aangetast. De ten laste gelegde feiten doen op een ernstige wijze afbreuk aan de integriteit en de waardigheid van het ambt van politieambtenaar alsook aan de voorbeeldfunctie van het personeelslid. Ze veroorzaken een definitieve en onherstelbare vertrouwensbreuk ten aanzien van INP […], zowel in hoofde van haar collega's binnen en bulten de eigen PZ Assenede - Evergem en hiërarchie, de bestuurlijke overheid en het publiek. De vertrouwensbreuk is des te ernstiger vermits INP […] klaarblijkelijk niets heeft geleerd uit de eerdere bijzonder ernstige vertrouwensbreuk maar naar aanleiding waarvan ze ultiem nog een laatste kans heeft gekregen. De hoedanigheid van politieambtenaar is onverenigbaar met de ten laste gelegde feiten. Van een politieambtenaar wordt noch verwacht, noch getolereerd zich schuldig te maken aan de ten laste gelegde feiten. Deze feiten hebben (andermaal) een schok veroorzaakt. XIV-38.803-24/35 Een ernstig signaal, zowel naar INP […] als naar de collega's, is noodzakelijk om aan te geven dot dergelijke gedragingen op geen enkele wijze worden getolereerd. Ernst van de feiten De ten laste gelegde feiten doen op een ernstige wijze afbreuk aan de integriteit en de waardigheid van het ambt van politieambtenaar alsook aan de voorbeeldfunctie van het personeelslid ten aanzien van een nieuwe collega. Zulks blijkt ook uit de diverse inbreuken op de deontologische verplichtingen. De feiten berokkenen eveneens (en nogmaals) imagoschade aan de PZ Assenede - Evergem bij de gerechtelijke overheid. Verzwarende omstandigheden INP […] vervalt telkenmale in haar gedragingen ondanks alle begrip en kansen die ze heeft gekregen. De ten laste gelegde feiten zijn volkomen onverenigbaar met de openbare veiligheidsfunctie van een politieambtenaar. INP […] is een gevaar voor zichzelf, haar collega’s en derden waardoor ze niet langer thuishoort binnen de politiediensten. Verzachtende omstandigheden De tuchtoverheid ziet spontaan een aantal verzachtende omstandigheden die, bij de straftoemeting worden betrokken. Niettemin moeten deze verzachtende omstandigheden ook worden gerelativeerd en zijn ze niet van aard om te verantwoorden dat zou worden afgezien van de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege. Uit de gegevens van het tuchtdossier blijkt niet dat er slechts sprake zou zijn van niet meer dan een eenmalige grote stommiteit van INP […], wel integendeel. INP […] weet zelf, minstens behoort ze te weten dat haar gedragingen (andermaal) haar professionele toekomst binnen een openbare veiligheidsdienst hypothekeert tot thans volledig teniet doet. INP […] blijkt niet in staat tot zelfbeheersing. Voor zover enige spijt aan de orde zou zijn, komt deze altijd rijkelijk te laat. Enige verontschuldiging is er niet gekomen. Meer nog, de politiediensten worden niet meer vertrouwd... INP […] kan er dan bezwaarlijk van blijven deel uit maken. De leeftijd en de familiale situatie van INP […] zijn tot slot evenmin van aard om afbreuk te doen aan de voorgenomen tuchtstraf. De familiale toestand van het betrokken personeelslid en de sociale gevolgen van de opgelegde tuchtstraf zijn geen gegevens die noodzakelijk bij de verantwoording van de tuchtstraf moeten worden betrokken vermits ze geen verband houden met de ernst van de ten laste gelegde feiten en hun weerslag op de dienst. Wel integendeel, de sociale toestand van het betrokken personeelslid vertoont op het eerste gezicht geen causaal verband met de tuchtrechtelijke feiten, waarvan het personeelslid wist of minstens moest weten dat deze zijn betrekking zou kunnen kosten, zodat de tuchtoverheid zich kan beperken tot de appreciatie van de zwaarwichtigheid van de feiten. Uit het feit dat een tuchtstraf ernstige gevolgen heeft voor de betrokkene, kan op zich niet worden afgeleid dat de straf onevenredig is. Het (tijdelijk) wegvallen van elke bron van inkomsten en de problematiek van het vinden van een nieuwe betrekking zijn ernstige nadelen, maar dit betekent nog niet dat er om deze reden sprake zou zijn van een kennelijke onevenredigheid. Zulks geldt des te meer gezien INP […] middels de eerder opgelegde tuchtstraf van terugzetting in weddeschaal waarbij ultiem werd afgezien van de tuchtstraf van ontslag van ambtswege, uitdrukkelijk is gewaarschuwd voor de gevolgen van herhaald wangedrag. Verantwoording voor de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege De tuchtstraf van ontslag van ambtswege is de op één na zwaarst mogelijke tuchtstraf, welke zich onderscheidt van de zwaarste tuchtsanctie - de afzetting - in XIV-38.803-25/35 die zin dat het personeelslid zijn recht op een overheidspensioen behoudt. De afzetting heeft niet enkel het verlies tot gevolg van de hoedanigheid van personeelslid, maar is, voor wat de gevolgen op pensioengebied betreft, de zwaarste tuchtstraf. De overheid beschikt bij de keuze van een straf immers over een ruime discretionaire bevoegdheid en een dergelijke bevoegdheid impliceert dat meerdere oplossingen wettig mogelijk zijn. De vraag is dus niet of een lagere tuchtstraf ook niet zou kunnen volstaan, maar enkel of de tuchtstraf waarvoor werd gekozen in redelijkheid verantwoord is. Een tuchtstraf moet dan ook niet worden verantwoord ten opzichte van andere lagere tuchtstraffen, maar wel ten opzichte van de feiten, hetgeen te dezen is gebeurd. De tuchtoverheid meent dat de op één na zwaarste tuchtstraf van ontslag van ambtswege het best aangepast is aan de aard en de ernst van de feiten. Zelfs in het geval dit standpunt van de tuchtoverheid wordt beschouwd als een strenge beoordeling, betekent zulks niet dat het om een kennelijk onredelijke beoordeling zou gaan. Enkel een kennelijk onredelijke beoordeling kan als onwettig worden gekwalificeerd. De tenlasteleggingen zijn volstrekt onverenigbaar met de hoedanigheid van een politieambtenaar van wie een voorbeeldfunctie mag worden verwacht. Zij verantwoorden op zich de definitieve verbreking van het dienstverband. In het geval feiten dermate zwaarwichtig zijn, kan de tuchtoverheid redelijkerwijze van oordeel kan zijn dat het personeelslid een zwaar tuchtvergrijp heeft begaan, waardoor het noodzakelijke vertrouwen van de werkgever onherstelbaar is beschaamd en een verdere samenwerking onmogelijk is, en dat het personeelslid de waardigheid van zijn ambt en de reputatie van de politiediensten in het algemeen en de Politiezone Assenede - Evergem zo zwaar heeft aangetast dat het niet langer mogelijk is hem in dienst te houden. Een sanctie die de band met het personeelslid definitief verbreekt, is dan ook niet kennelijk onredelijk. Het gedrag van betrokkene staat zo haaks op wat een collega, de hiërarchie, de bestuurlijke overheid, de gerechtelijke overheid en de burger mag verwachten. Het zou de publieke opinie zeer ernstig zou schokken zo geweten zou zijn dat een politieambtenaar bij herhaling ernstige en bijzondere laakbare feiten pleegt die zij zou moeten bestrijden. De staat van dienst van INP […] staat het opleggen van de zware tuchtstraf welke zich volgens de tuchtoverheid opdringt niet in de weg. De aard en ernst van de feiten verantwoorden een strenge bestraffing.’ Beoordeling door de Tuchtraad Het komt aan de tuchtoverheid toe te oordelen met welke tuchtsanctie een bepaald tuchtvergrijp moet worden gesanctioneerd. Het proportionaliteits- of evenredigheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de tuchtoverheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. Een schending van dit algemeen beginsel van behoorlijk bestuur veronderstelt dat de tuchtoverheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Volgens de Tuchtraad is dit niet het geval. Bij de beoordeling van de evenredigheid van de bestreden beslissing dient uitgegaan te worden van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoekster de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoekster in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoekster doen XIV-38.803-26/35 blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel miskent. Verzoekster is een politieambtenaar, bekleed met de graad van Inspecteur van politie en zij heeft aldus een voorbeeldfunctie. De strafmaat wordt in de bestreden beslissing omstandig verantwoord. Er wordt naar verwezen. Hieruit blijkt dat de hogere tuchtoverheid zich steunt op specifieke vaststellingen met betrekking tot de weerslag van de feiten op de werking van de dienst, de ernst van de feiten, de weerslag van de feiten op het aanzien van de dienst bij het publiek, het tuchtrechtelijk verleden van verzoekster, de door verzoekster beklede voorbeeldfunctie en de ernstige vertrouwensbreuk tussen de tuchtoverheid en verzoekster. Door aldus in concreto te oordelen dat voor dit tuchtvergrijp de zware straf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd, Is de tuchtoverheid de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid Inzake de keuze van de strafmaat niet te buiten gegaan. Verzoekster is te dezen inzake de strafmaat een andere mening toegedaan dan die van de hogere tuchtoverheid maar dat maakt op zich niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in verband met de beoordeling van de strafmaat tot een onredelijke conclusie is gekomen waaruit de schending van het redelijkheids- of proportionaliteitsprincipe moet blijken. Het is niet omdat een bepaalde sanctie zwaar overkomt of moeilijk kan aangenomen worden dat de grenzen van de discretionaire beslissingsbevoegdheid worden overschreden; dit zou enkel het geval zijn indien moet worden vastgesteld dat geen enkel redelijk handelende tuchtrechtelijke instantie dezelfde beslissing zou hebben genomen. De tuchtoverheid heeft in concreto met motieven toegespitst op deze zaak uiteengezet waarom naar haar oordeel de tuchtsanctie ‘ontslag van ambtswege’ dient opgelegd te worden. De tuchtoverheid heeft onder meer terecht de volgende elementen in rekening gebracht: - de voorbeeldfunctie van verzoekster waardoor de tuchtoverheid een streng verwachtingspatroon mag hanteren; - de ernstige wijze waarop de ten laste gelegde feiten afbreuk doen aan de integriteit en de waardigheid van het ambt van politieambtenaar alsook aan de voormelde voorbeeldfunctie; - de definitieve en onherstelbare vertrouwensbreuk ten aanzien van verzoekster die door deze feiten worden veroorzaakt, zowel in hoofde van haar collega’s binnen en buiten de eigen PZ Assenede- Evergem, de hiërarchie, de bestuurlijke overheid en het publiek; - het feit dat de vertrouwensbreuk des te ernstiger is vermits verzoekster klaarblijkelijk niet heeft geleerd uit de eerder bijzonder ernstige vertrouwensbreuk maar naar aanleiding waarvan ze ultiem nog een laatste kans werd geboden; - het gegeven dat deze feiten een imagoschade veroorzaken aan de PZ bij de gerechtelijke overheid; - de feiten zijn volkomen onverenigbaar met de openbare veiligheidsfunctie van een politieambtenaar nu verzoekster een gevaar is voor zichzelf, haar collega's en derden waardoor ze niet langer thuishoort binnen de politiediensten; - het feit dat verzoekster niet in staat is tot zelfbeheersing; - noch de leeftijd van verzoekster, de staat van dienst noch de familiale situatie van verzoekster zijn van aard afbreuk te doen aan deze voorgestelde tuchtstraf. Het kan niet worden ontkend dat de feiten die de tuchtoverheid als zeer ernstig aanziet een zwaardere tuchtstraf rechtvaardigen. XIV-38.803-27/35 Daarbij komt nog dat de feiten van die aard zijn dat verzoekster ermee de integriteit en de waardigheid die de tuchtoverheid van haar ambtenaren mag verwachten in het gedrang heeft gebracht. Aan dit element heeft de tuchtoverheid een belangrijk gewicht gegeven bij het bepalen van de strafmaat. Daarenboven vertoont de verzoekster een wangedrag met repetitief karakter en wordt de aanwezigheid van de verzoekster strijdig geacht met het belang van de dienst. De Tuchtraad stelt vast dat de tuchtoverheid ook de door verzoekster ingeroepen verzachtende omstandigheden in haar beoordeling van de strafmaat heeft betrokken. Uit de motivering van de strafmaat blijkt dat de tuchtoverheid van oordeel is dat verzoeksters leeftijd, familiale situatie en haar staat van dienst geen lichtere tuchtsanctie dan het ontslag van ambtswege rechtvaardigen precies omwille van de ernst van de feiten, het in het gedrang hebben gebracht van de integriteit en waardigheid van een politieambtenaar, het repetitief karakter van dergelijk gedrag en de strijdigheid van verzoekster binnen de dienst met het belang van de dienst. Het is niet onredelijk dat de tuchtoverheid van oordeel is dat de voornoemde elementen zwaarder doorwegen en geen afbreuk doen aan de door verzoekster ingeroepen verzachtende omstandigheden. Verzoekster maakt niet aannemelijk dat er geen deugdelijke redenen werden opgegeven voor het ontslag van ambtswege dat wordt voorgesteld door de tuchtoverheid. Ook de door verzoekster ingeroepen ‘succesvolle detachering’ werd onder de rubriek ‘staat van dienst’ en ‘detachering’ in rekening gebracht nu daar expliciet te lezen staat dat verzoekster ‘positieve feedback’ kreeg op haar functioneren. In de beoordeling van de strafmaat staat uitdrukkelijk te lezen ‘de staat van dienst van INP […] staat het opleggen van de zware tuchtstraf welke zich volgens de tuchtoverheid opdringt niet in de weg. De aard en de ernst van de feiten verantwoorden een strenge bestraffing’. In het op de zitting van de Tuchtraad d.d. 12 januari 2021 door de verzoekster neergelegde document ‘verzoek tot heroverweging’ werpt de verzoekster op dat de tuchtoverheid ten onrechte het feit dat verzoekster zelf de detachering naar de PZ Gent verwezenlijkte onvoldoende bij haar overwegingen betrekt. Niet alleen blijkt dit feit nergens uit een objectief element van het voorliggende tuchtdossier maar blijkt enkel uit de uiteenzetting door de tuchtoverheid met betrekking tot de vorige jegens verzoekster opgelegde zware tuchtstraf dat de tuchtoverheid akkoord was om verzoekster een laatste kans te geven om actief te blijven binnen de politiediensten mits haar akkoord definitief bulten de politiezone Assenede- Evergem te worden tewerkgesteld. In de voormelde tuchtstraf werd blijkbaar overwogen dat ‘de hogere tuchtoverheid in dit specifiek geval vaststelt dat het personeelslid akkoord gaat met een detachering met ingang van 01 januari 2019 alsook met het gegeven om niet meer te worden tewerkgesteld binnen de eigen lokale politiezone’. Daarenboven staaft de verzoekster deze bewering door geen enkel objectief element maar daarnaast is deze bewering, ook al zou ze omgebogen worden naar een objectief gegeven, niet van die aard dat dit afbreuk zou doen aan de voorgestelde straf van het ontslag van ambtswege. Dergelijke ‘verwezenlijking’, zoals verzoekster het benoemt, is zelfs niet van die aard dat deze als ‘verzachtende omstandigheid’ dient in rekening gebracht te worden. Vervolgens werpt de verzoekster op, naar aanleiding van de bepaling van de strafmaat, dat de tuchtoverheid niet voldoende aandacht heeft geschonken aan haar psychische toestand als verzachtende omstandigheid en aldus de aangevoerde XIV-38.803-28/35 beginselen heeft geschonden, zijnde het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel. Vooreerst wijst de Tuchtraad op het gegeven dat de tuchtoverheid wel degelijk de psychische toestand in aanmerking heeft genomen in het voorstel van zware straf stellende dat zij van oordeel was dat uit geen enkel voorliggend gegeven op enige wijze kan worden afgeleid dat de ten laste gelegde feiten verschoonbaar worden geacht dan wel zouden zijn door de gezondheidstoestand van verzoekster. Nu het bestaan van een medische verschoningsgrond niet blijkt uit het tuchtdossier maakt het feit dat de tuchtoverheid deze niet in aanmerking heeft genomen bij de bepaling van de strafmaat de straf niet onredelijk. Zelfs indien deze medische toestand zou dienen in rekening gebracht te worden als verzachtende omstandigheid, dan nog is de Tuchtraad van oordeel dat deze niet van die aard is om afbreuk te doen aan de voorgestelde zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege nu het belang en de werking van de dienst inzake primeert en niet het belang van de verzoekster en gelet op de ernst en de aard van de ten laste gelegde feiten. Het staat vast dat de verzoekster niet in staat is om adequaat te reageren en om te gaan met bepaalde problemen en/of situaties zoals het een politieambtenaar betaamt en daarbij getuigt zij van gebrek aan zelfbeheersing, Daardoor vormt zij, zoals de tuchtoverheid in de motieven van de strafmaat uiteenzette, een gevaar niet alleen voor zichzelf maar ook voor haar collega’s en derden. Dit is een feit niet alleen in haar privéleven maar zeker in haar professioneel leven als politieambtenaar.”
  20. In de bestreden beslissing overweegt het politiecollege: “De hogere tuchtoverheid maakt de aanvullende overwegingen in het advies van de Tuchtraad tot de hare.”
  21. Verzoekster verzuimt in haar verzoekschrift de voorgaande overwegingen uit het advies van de Tuchtraad, waarbij de hogere tuchtoverheid zich expliciet heeft aangesloten, bij haar kritiek te betrekken. Anders dan hoe verzoekster het ziet, verschaft die formele motivering van de bestreden beslissing haar voldoende duidelijkheid waarom de hogere tuchtoverheid in concreto naar haar oordeel meent dat de tuchtsanctie “ontslag van ambtswege” dient te worden opgelegd, alsook waarom, zelfs indien haar medische toestand zou dienen in rekening gebracht te worden als verzachtende omstandigheid, deze niet van die aard is om afbreuk te doen aan de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege. Dat volstaat in het licht van de door verzoekster geschonden geachte formelemotiveringsplicht, te meer dat verzoekster zich in het middel zoals ontwikkeld in het verzoekschrift, beperkt tot het formuleren van een algemene kritiek dat haar gezondheidstoestand niet als een verzachtende omstandigheid in overweging wordt genomen, zonder bij die kritiek de concrete overwegingen uit de XIV-38.803-29/35 formele motivering te betrekken. De enkele omstandigheid dat verzoekster zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering of meent dat die verder moet gaan, maakt die daarom niet onwettig. Voorts gaat de formelemotiveringsplicht te dezen niet zover dat ze de hogere tuchtoverheid ertoe zou verplichten de uitgedrukte motieven nog nader te expliciteren. Verzoekster, die in haar verzoekschrift verzuimt deze formeel uitgedrukte motieven bij haar kritiek te betrekken, brengt niets aan tegen de argumenten die blijken uit de formele motivering. Dat verzoekster zich niet in deze motieven kan vinden impliceert nog niet dat de hogere tuchtoverheid, door dit anders te zien dan verzoekster, tot een conclusie is gekomen die de grens van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten zou gaan, waardoor de materiëlemotiveringsplicht geschonden is. Het komt aan verzoekster toe dit concreet aan te duiden waarom dit het geval zou zijn, hetgeen zij niet doet. Het argument van verzoekster dat zij uit de motivering niet zou kunnen opmaken waarom haar de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd, mist feitelijke grondslag.
  22. Het voorgaande geldt te meer nu uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster voor de hogere tuchtoverheid nooit heeft bepleit dat haar gezondheidstoestand als een verzachtende omstandigheid in rekening moest worden gebracht. In haar schriftelijk verweer in repliek op het inleidend verslag wordt haar gezondheidstoestand enkel als een verschoningsgrond aangevoerd. Het is pas in haar verzoek tot heroverweging voor de Tuchtraad dat verzoekster voor het eerst vermeldt dat haar gezondheidstoestand niet enkel als een verschoningsgrond maar ook als een verzachtende omstandigheid moet worden betrokken bij de beoordeling van de strafmaat. Bijgevolg is het niet verwonderlijk dat de gezondheidstoestand als verzachtende omstandigheid – in tegenstelling tot de gezondheidstoestand als verschoningsgrond – pas voor het eerst in het advies van de Tuchtraad ter sprake komt. Door zich uitdrukkelijk aan te sluiten bij het advies van de Tuchtraad – aan verzoekster bekend – en de gemotiveerde XIV-38.803-30/35 weerlegging daarin van verzoeksters argument desbetreffend, beantwoordt de verwerende partij aan de formelemotiveringsplicht.
  23. Verzoekster voert nog aan dat ingevolge de opschorting van straf, de tuchtoverheid omstandig moet motiveren waarom zij het ontslag van ambtswege oplegt. In het licht van de autonomie van het tuchtrecht ten opzichte van het strafrecht (GwH 16 februari 2012, nr. 20/2012, punt B.2.), dient de tuchtoverheid weliswaar rekening te houden met de beoordeling van de feiten door de strafrechter, doch ten aanzien van de beoordeling van de strafmaat en de keuze van de tuchtstraf heeft de strafrechter geen enkele bevoegdheid en hij mag er dan ook geen uitspraak over doen. De hogere tuchtoverheid is bijgevolg dan ook op geen enkele wijze gebonden door de opschorting van de uitspraak van de veroordeling en de motieven ervoor uiteengezet in het strafarrest. Hieruit volgt voorts dat het loutere feit dat de strafrechter verzoekster de gunst van de opschorting heeft verleend om haar reclassering - al dan niet binnen de politie - niet in het gedrang te brengen, er niet aan in de weg staat dat de hogere tuchtoverheid kan beslissen het ontslag van ambtswege op te leggen. Door aldus voor de als ernstig gekwalificeerde tuchtfeiten op dat punt zich niet aan te sluiten bij de zienswijze van de strafrechter, is de hogere tuchtoverheid de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid inzake de keuze van de strafmaat, niet te buiten gegaan. De enkele kritiek dat de strafrechter het anders ziet geeft weliswaar blijk van een andere feitelijke beoordeling ter zake dan die van de hogere tuchtoverheid, maar verzoekster maakt met die enkele verwijzing naar het standpunt van de strafrechter niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid, door het innemen van een strenger standpunt dan de strafrechter, tot een conclusie is gekomen waaruit de schending van de materiëlemotiveringsplicht zou moeten blijken. Daarenboven wordt opgemerkt dat verzoekster met dit argument volkomen voorbij gaat aan de omstandige formele motivering van de strafmaat in de bestreden beslissing waarin verzoekster kan lezen waarom – ondanks de XIV-38.803-31/35 opschorting van de straf door de strafrechter – de hogere tuchtoverheid de straf van het ontslag van ambtswege heeft opgelegd.
  24. In zoverre verzoekster voor het eerst in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie nieuwe argumenten en kritieken aanvoert, toont verzoekster niet aan dat zij die niet reeds in haar verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoekster op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Die argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden. Inzake de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel
  25. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan verzoekster toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van de hogere tuchtoverheid niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoekster van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaan niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
  26. In zoverre verzoekster van oordeel is dat de bestreden beslissing het zorgvuldigheidsbeginsel schendt omdat de door haar aangevoerde schulduitsluitingsgrond – haar gezondheidstoestand – niet zorgvuldig werd onderzocht, wordt verwezen naar wat hiervoor werd overwogen in verband met het tweede onderdeel van dit middel (zie supra, punt 24 e.v.). XIV-38.803-32/35
  27. In de mate dat verzoekster het zorgvuldigheidsbeginsel betrekt op de formele motivering van de strafmaat wordt verwezen naar wat hiervoor werd overwogen in verband met de schending van de formelemotiveringplicht (zie supra, punt 32 e.v.).
  28. In zoverre verzoekster voor het eerst in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie nieuwe argumenten en kritieken aanvoert, toont verzoekster niet aan dat zij die niet reeds in haar verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoekster op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Die argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden. Inzake de schending van het evenredigheidsbeginsel
  29. Over de verhouding tussen de tuchtfeiten en de tuchtstraf wordt door de (hogere) tuchtoverheid discretionair geoordeeld. Het evenredigheidsbeginsel in tuchtzaken is geschonden wanneer tussen de in aanmerking genomen feiten en de opgelegde sanctie geen redelijk verband van evenredigheid zou bestaan. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van de strafmaat. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de (hogere) tuchtoverheid bij haar beoordeling binnen de grenzen is gebleven van wat nog als redelijk kan worden aangezien. Een schending van het evenredigheidsbeginsel veronderstelt derhalve dat de tuchtoverheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het evenredigheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de tuchtoverheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. XIV-38.803-33/35 De Raad van State gaat voorts bij de beoordeling van de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond. Aangezien het aan de Raad van State niet toekomt ambtshalve te beoordelen of de opgelegde tuchtstraf in een redelijke verhouding van evenredigheid staat tot de tuchtfeiten, toetst de Raad van State de vraag of de bestreden beslissing te kort komt aan de eis van evenredigheid enkel aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten, die volgens hem doen blijken dat de bestreden beslissing het evenredigheidsbeginsel miskent. Op verzoekster rust aldus de bewijslast om aannemelijk te maken dat het door haar aangevoerde beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden door de hogere tuchtoverheid.
  30. Wat die door verzoekster aangevoerde elementen betreft, beperkt verzoekster zich tot het opwerpen dat de tuchtoverheid verplicht is rekening te houden met de gezondheidstoestand van het personeelslid op het ogenblik van de feiten als een verzachtende omstandigheid. Verzoekster verzuimt om op voldoende concrete wijze uiteen te zetten waarom er tussen de in aanmerking genomen feiten en de opgelegde sanctie geen redelijk verband van evenredigheid bestaat. Het loutere feit dat verzoekster meent dat een zwaarder gewicht moest worden toegekend aan haar gezondheidstoestand bij de straftoemeting volstaat daartoe niet. Het komt, zoals hiervoor is gesteld, niet aan de Raad van State toe om deze beoordeling te maken.
  31. In zoverre verzoekster voor het eerst in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie nieuwe argumenten en kritieken aanvoert, toont verzoekster niet aan dat zij die niet reeds in haar verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoekster op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Die argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden. XIV-38.803-34/35 Conclusie
  32. Het middel is ongegrond. BESLISSING
  33. De Raad van State verwerpt het beroep.
  34. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  35. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster weggelaten. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tweeëntwintig november tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.803-35/35 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.972 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.