id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.992 Rolnummer: A. 233930/VII-41152 Zaak: Arrest 257992 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 23/11/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-11-30 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-06-10 16:14 Fiche Arrest nr 257.992 van 23 november 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 257.992 van 23 november 2023 in de zaak A. é.930/VII-41.152 In zake : 1. Joanna BIJNENS, vertegenwoordigd door Karel Jans in zijn hoedanigheid van bewindvoerder 2. Karel JANS woonplaats kiezend te 3620 Lanaken Bremstraat 74 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hazel Albayrak kantoor houdend te 3600 Genk Rootenstraat 15, bus 15 tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 9600 Ronse Grote Markt 33 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV AQUAFIN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586, bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 21 juni 2021, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 30 maart 2021 waarbij de oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur in de gemeente Lanaken van openbaar nut wordt verklaard. VII-41.152-1/23 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Aquafin heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 27 augustus 2021. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft op 11 oktober 2022 een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 juni 2023. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Tweede verzoeker, die in persoon verschijnt, advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Joeri Leten, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. VII-41.152-2/23 III. Feiten 3.1. De verzoekende partijen zijn respectievelijk mede-eigenaar/vruchtgebruiker en mede-eigenaar/naakte eigenaar van een perceel gelegen aan de Maastrichterweg te Lanaken, kadastraal gekend als afdeling 2, sectie E, nr. 122R. 3.2. De nv Aquafin, tussenkomende partij, is belast met de uitvoering van het goedgekeurd rollend optimalisatieprogramma 2016-2020, inzonderheid project 22503 “Afkoppeling parasitaire debieten Lanakerheide (Lanaken)”. Dit project strekt ertoe de inefficiënte werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) te Lanaken aan te pakken door het afkoppelen van de parasitaire debieten ter hoogte van de Kewithstraat, Smeetsstraat, Bremstraat en Pannestraat en de aanleg van een verzamelleiding (gracht) noordelijk van de woonwijk. De parasitaire debieten van de Kewithstraat - Smeetsstraat en van de Bremstraat - Pannestraat zullen respectievelijk via de Langkeukelbeek en de Asbeek afgevoerd worden. 3.3. Op 13 mei 2019 dient de tussenkomende partij bij de bevoegde Vlaamse minister een aanvraag in om een verklaring van openbaar nut te verkrijgen voor het aanleggen en/of renoveren en exploiteren van grachten te Lanaken, genaamd “Afkoppeling parasitaire debieten Lanakerheide (Lanaken)”. Wat het perceel van de verzoekende partijen betreft, is enerzijds een erfdienstbaarheid voor boven- en of gelijkgrondse infrastructuur voor de aanleg van een gracht voorzien en anderzijds, om de werken te kunnen uitvoeren, een zone voor tijdelijke erfdienstbaarheid. 3.4. Tijdens het openbaar onderzoek van de aanvraag, dat georganiseerd wordt van 1 augustus 2019 tot en met 3 september 2019, worden vier bezwaren ingediend. Ook de thans verzoekende partijen dienen een bezwaar in. VII-41.152-3/23 3.5. Met het thans bestreden ministerieel besluit van 30 maart 2021 wordt de oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur in de gemeente Lanaken van openbaar nut verklaard op grond van de volgende motieven: “Overwegende dat op de percelen kadastraal gekend als Lanaken, afdeling 2, sectie E, nummers 130F, 122R, 122W, 122V, 14X, 14L, 14M, 6S, 6B, 6C, 6D, 6E, 6Y, 6N en 672B, en de percelen kadastraal gekend als Lanaken, afdeling 6, sectie B, nummers 1Z2, 1W, 23E, 23D, 42M, 48, 47, 46, 454A, 455/02K, 455/02R, 455/02P, 455/02M, 455/02N en 460A, voor een gracht een erfdienstbaarheid voor boven- en/of gelijkgrondse infrastructuur wordt voorzien; dat op de percelen kadastraal gekend als Lanaken, afdeling 2, sectie E, nummers 122R, 6S, 6B, 6C, 6D, 6E en 6Y, en de percelen kadastraal gekend als Lanaken, afdeling 6, sectie B, nummers 1Z2, 23E, 23D, 42M, 48, 47, 46 en 460A, om toegankelijkheid tot het perceel te garanderen een lokale inbuizing van de gracht wordt voorzien; […] Overwegende dat op de percelen kadastraal gekend als Lanaken, afdeling 2, sectie E, nummers 122R, 122W, 122V, 14X, 14L, 14M, 6S, 6B, 6C, 6D, 6E, 6Y, 6N, 671T2, 671V2 en 672B, en de percelen kadastraal gekend als Lanaken, afdeling 6, sectie B, nummers 1Z2, 23E, 23D, 45C en 42M, om de werken te kunnen uitvoeren een tijdelijke erfdienstbaarheid wordt voorzien; dat op het perceel kadastraal gekend als Lanaken, afdeling 2, sectie E, nummer 14X, eveneens een terrein voor grondverbetering wordt voorzien; dat dit perceel gekozen werd aangezien het voldoende groot is, grenst aan het projectgebied en niet aan een woning of tuin, en centraal gelegen is waardoor ontsluiting naar alle zones binnen het projectgebied mogelijk is”. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de verzoekende partijen 4. Als eerste middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 2, 3, 4 en 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 ‘houdende vaststelling van regelen met betrekking tot de uitvoering van werken door de N.V. Aquafin in toepassing van de artikel 2.6.1.1.1. van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018’ (hierna: besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991) en van VII-41.152-4/23 artikel 2.6.1.2.2, § 1, van het decreet van 18 juli 2003 ‘betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018’ (hierna: Waterwetboek). De verzoekende partijen zetten uiteen dat de artikelen 2, 3, 4 en 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 enkel handelen over rioolwaterzuiveringsinfrastructuur die dient om afvalwater te vervoeren en vervolgens te zuiveren en dat in artikel 2.6.1.2.2, § 1, eerste lid, van het Waterwetboek een onderscheid wordt gemaakt tussen langs de ene kant rioolwaterzuiveringsinfrastructuur en langs de andere kant hemelwater(afvoer)installaties, die niet ingezet worden om het hemelwater te zuiveren en derhalve niet beschouwd kunnen worden als behorende tot de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur. Aangezien de tussenkomende partij een open gracht voor hemelwater wil aanleggen en dat hemelwater ongezuiverd in de Asbeek stroomt, is er geen sprake van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur, maar wel van een hemelwater(afvoer)installatie waarvoor geen verklaring van openbaar nut wettelijk mogelijk is. 5. In hun laatste memorie herhalen de verzoekende partijen dat in de bestreden beslissing niet wordt ingegaan op het onderscheid tussen een rioolwaterzuiveringsinstallatie en een hemelwater(afvoer)installatie. Beoordeling 6. Tijdens het openbaar onderzoek hebben de verzoekende partijen het volgende bezwaar opgeworpen: “Conform artikel 3 van het ‘Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van regelen met betrekking tot de uitvoering van werken door N.V. Aquafin in toepassing van artikel 2.6.1.1.1. van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018’ dient Aquafin haar vraag tot ‘verklaring van openbaar nut met het oog op de oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur onder, op of boven private onbebouwde gronden die niet omsloten zijn met een muur of een omheining conform met de bouw- of stedebouwverordeningen’ te richten aan de minister. In casu wordt op perceel 122R geen rioolwaterzuiveringsinfrastructuur opgericht. Er wordt immers geen infrastructuur met het oog op rioolwaterzuivering gebouwd. Het betreft immers enkel een gracht voor de VII-41.152-5/23 afvoer van hemelwater, waarmee of waardoor helemaal geen rioolwater zou of kan worden gezuiverd. De decreetgever maakt zelf een onderscheid tussen rioolwaterzuiveringsinfrastructuur en hemelwater(afvoer)installaties. Ik verwijs hierbij naar artikel 2.6.1.2.2 van het Waterwetboek (decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018) dat bepaalt: ‘Voor het uitvoeren van opdrachten, vermeld in artikel 2.6.1.2.1., § 1, hebben de personeelsleden van de ecologische toezichthouder toegang met het noodzakelijke materiaal en materieel tot alle waterzuiveringsinfrastructuur en hemelwater(afvoer)installaties, ongeacht het feit of ze gelegen zijn op gronden van derden of niet…’ Ook in artikel 2.6.1.1.1 § 2 van het Waterwetboek wordt het begrip rioolwaterzuiveringsinfrastructuur omschreven als ‘rioolwaterzuiveringsinstallaties, collectoren, pompstations en prioritaire rioleringen’. Daar de op het perceel 122R voorziene werken geen rioolwaterzuiveringsinfrastructuur betreffen kan hiervoor ook geen verklaring van openbaar nut worden bekomen. Iedere inbezitneming van het perceel 122R is dan ook wederrechtelijk”. Dit bezwaar wordt in de bestreden beslissing als volgt beantwoord: “Overwegende dat de werken in het kader van het project 22503 bijdragen bij het halen van doelstellingen van de Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader van communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, in Vlaanderen geïmplementeerd in artikel 1.7.2.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018; dat de rechten en verplichtingen zoals bepaald in de artikelen 9 tot en met 16 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, van toepassing zijn op Aquafin bij het vervullen van haar taken die haar worden opgedragen via een Optimalisatieprogramma en het goedgekeurd Technisch Plan; dat een gracht een regenweerafvoerleiding/RWA-leiding is; dat deze overeenkomstig het opgedragen Optimalisatieprogramma van 2016 en het goedgekeurde Technisch Plan wordt aangelegd; dat de geplande infrastructuur wel degelijk wordt gebouwd in functie van de goede werking van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur; dat dit bijdraagt tot het gehele netwerk/alle infrastructuur dat door Aquafin wordt aangelegd overeenkomstig het haar opgedragen Optimalisatieprogramma en goedgekeurd Technisch Plan; dat door de aanleg van grachten en de aanleg van een gescheiden rioleringsstelsel de verdunning van het te zuiveren rioolwater wordt tegengegaan; dat de aanleg van grachten voor opvang en afvoer van het regenwater noodzakelijk is; dat hierdoor het zuiveringsproces wordt geoptimaliseerd; dat het parasitair water en het hemelwater afgekoppeld worden; dat aanleg van een gescheiden rioleringsstelsel de verdunning van het vuilwater voorkomt; dat dit de VII-41.152-6/23 maatschappelijke kost van de werking van de RWZI te Lanaken beperkt; dat de waterhuishouding hersteld wordt”. 7. De aanleg van een gracht om ervoor te zorgen dat de “verdunning van het te zuiveren rioolwater wordt tegengegaan”, zoals wordt aangegeven in de bestreden beslissing, dient een doel van algemeen nut. Door het louter herhalen van hun oorspronkelijke bezwaar en door geen kritiek te formuleren op de weerlegging van dat bezwaar, in het bijzonder op de motieven van de bestreden beslissing waarin wordt gesteld dat de gracht noodzakelijk is voor en in functie staat van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur en door de aanleg ervan de verdunning van het te zuiveren rioolwater wordt tegengegaan, wordt met het middel, zoals geadstrueerd in het verzoekschrift, de onwettigheid van de bestreden beslissing niet aangetoond. 8. Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partijen 9. Een tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 544 Oud Burgerlijk Wetboek, van artikel 11, eerste lid, van de wet van 12 april 1965 ‘betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen’ (hierna: Gaswet), van artikel 16 van de Grondwet, van artikel 1 eerste aanvullend protocol van het het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en van het legaliteitsbeginsel. De verzoekende partijen voeren aan dat door de aanleg van een open gracht op hun perceel 355 m² grond wordt ingenomen, hetgeen - in strijd met artikel 11, eerste lid, van de Gaswet - een bezitsberoving inhoudt en geen erfdienstbaarheid, aangezien de ingenomen grond volledig onbruikbaar wordt en het gebruik van het perceel als paardenweide niet langer mogelijk is. VII-41.152-7/23 Daarnaast betogen zij dat de bestreden beslissing geen wettelijke basis vermeldt op grond waarvan de bestaande omheining verplaatst moet worden dwars te midden van het perceel. Tot slot zou er volgens de verzoekende partijen sprake zijn van een quasi-onteigening, waarop de regels van de onteigening van toepassing zijn. 10. In hun laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen dat er in feite geen sprake is van een eigendomsbeperking, maar van een “volledige integrale en permanente inname”. Beoordeling 11. Artikel 10 van de Gaswet luidt als volgt: “Na onderzoek kan de Koning van openbaar nut verklaren het oprichten van een gasvervoerinstallatie onder, op of boven private gronden die niet bebouwd zijn en die niet omsloten zijn met een muur of met een omheining die overeenkomt met de bouw- of stedenbouwverordeningen. Deze verklaring van openbaar nut verleent aan de houder van een vervoervergunning, ten voordele van wie zij wordt gedaan, het recht gasvervoerinstallaties op te richten onder, op of boven deze private gronden, het toezicht op deze installaties te houden en de werken uit te voeren die nodig zijn voor de werking en het onderhoud ervan, onder de voorwaarden welke in die verklaring zijn genoemd. Met de uitvoering van de werken mag eerst een aanvang worden gemaakt twee maanden nadat de belanghebbende eigenaars en huurders op de hoogte zijn gebracht bij ter post aangetekend schrijven”. Artikel 11, eerste lid, van dezelfde wet luidt als volgt: “Het gebruik waartoe het openbaar of het privaat domein dat gedeeltelijk wordt bezet, is bestemd, moet worden geëerbiedigd. Deze bezetting brengt generlei bezitsberoving mee, maar vormt een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut die elke daad verbiedt welke de gasvervoerinstallatie of de exploitatie ervan kan schaden”. 12. Uit deze wetsbepalingen blijkt vooreerst dat de verklaring van openbaar nut niet leidt tot een eigendomsoverdracht, maar enkel een beperking inhoudt van het eigendomsrecht. De beperkingen die aan de eigendom van de verzoekende partijen worden opgelegd of de hinder die hun eigendom moet VII-41.152-8/23 ondergaan, kan niet worden gelijkgesteld met een onteigening zoals bedoeld in artikel 16 van de Grondwet, noch met een verboden eigendomsbeperking zoals bedoeld in artikel 1 eerste aanvullend protocol EVRM. Een schending van deze bepalingen kan dan ook niet worden aangenomen. De verwerende partij kon in de bestreden beslissing dan ook terecht overwegen dat “de bezetting generlei bezitsberoving met zich meebrengt, maar een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut vormt”. 13. Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Standpunt van de verzoekende partijen 14. In een derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 4, § 6, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991, in samenlezing met het zorgvuldigheids-, het rechtszekerheids-, het redelijkheids- en het vertrouwensbeginsel. Zij stellen dat overeenkomstig artikel 4, § 6, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 de bevoegde minister binnen een vervaltermijn van 120 kalenderdagen uitspraak moest doen over de aanvraag tot verklaring van openbaar nut, dat de bestreden beslissing laattijdig genomen werd en dat zij er in de gegeven omstandigheden mochten van uitgaan dat de verklaring van openbaar nut niet uitgesproken zou worden, minstens dat de tussenkomende partij daartoe een nieuwe aanvraag zou moeten indienen. Voorts beklemtonen zij dat een zorgvuldig handelende overheid zich op actuele gegevens baseert en niet op de resultaten van een twee jaar oud openbaar onderzoek. De verzoekende partijen achten het vertrouwensbeginsel geschonden omdat er door de stilzwijgende weigeringsbeslissing rechtmatige verwachtingen werden gewekt die door de bestreden beslissing worden beschaamd. 15. De verzoekende partijen vestigen er in hun laatste memorie de aandacht op dat de wettelijk bepaalde beslissingstermijn met 14 maanden werd VII-41.152-9/23 overschreden en dat voor die overschrijding geen in rechte aanvaardbare motieven voorliggen. Beoordeling 16. Artikel 4, § 6, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 bepaalt: “De minister doet over de in artikel 3 bedoelde aanvraag uitspraak binnen een termijn van 120 kalenderdagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag, wanneer deze betrekking heeft op een verklaring van openbaar nut, respectievelijk binnen een termijn van 90 kalenderdagen in de andere gevallen”. De aangehaalde bepaling verbindt geen sancties of welomschreven rechtsgevolgen aan het overschrijden van de opgelegde beslissingstermijnen, zodat aangenomen moet worden dat het gaat over termijnen van orde waarvan de miskenning niet ipso facto leidt tot de nietigverklaring van de betrokken bestuurshandeling. Het verstrijken van de in artikel 4, § 6, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 bepaalde beslissingstermijn van 120 dagen brengt in elk geval niet mee dat de aanvraag geacht moet worden stilzwijgend te zijn geweigerd. In zoverre het middel gestoeld is op het bestaan van een stilzwijgende weigeringsbeslissing, faalt het naar recht. 17. Voor het eerst in hun laatste memorie voeren de verzoekende partijen aan dat de redelijke termijnvereiste werd miskend. Aldus geven zij op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. 18. Het derde middel is ongegrond. VII-41.152-10/23 D. Vierde middel Standpunt van de verzoekende partijen 19. Als vierde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 13 van de Gaswet, van de motiveringsplicht en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet) en van het zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel. De verzoekende partijen zetten uiteen dat overeenkomstig artikel 13, eerste en tweede lid, van de Gaswet eigenaars van een perceel dat met een erfdienstbaarheid wordt bezwaard, een vergoeding dienen te krijgen, terwijl de bestreden beslissing enkel voorziet in een vergoeding voor de eventueel geleden schade. Wat betreft de billijke vergoeding met het oog op een minnelijke overeenkomst voor de aankoop van een deel van het perceel, merken de verzoekende partijen op dat het schattingsverslag van de beëdigd landmeter expert geen handtekening bevat en niet over hun perceel handelt. Bovendien zou de tussenkomende partij om financiële redenen niet aansturen op het sluiten van een minnelijke overeenkomst. Aangezien de bestreden beslissing ten onrechte stelt dat voor de gracht een billijke vergoeding werd voorgesteld waardoor de indruk wordt gewekt dat zij niet akkoord waren met een minnelijke regeling, wordt volgens de verzoekende partijen de motiveringsplicht geschonden. 20. De verzoekende partijen zeggen in hun laatste memorie dat het beroep niet strekt tot de erkenning van een subjectief recht, noch tot de betaling van enige vergoeding voor het vestigen van de erfdienstbaarheid van openbaar nut. Wel zou met het middel worden aangetoond dat “de motivering in de bestreden beslissing aangaande de vergoeding, geheel op onwaarheden berust en materieel geheel onjuist is”. VII-41.152-11/23 Beoordeling 21. Artikel 13 van de Gaswet luidt: “De gerechtigde op de erfdienstbaarheid, bepaald in artikel 11, is verplicht een vergoeding te betalen aan de eigenaar van het erf dat met deze erfdienstbaarheid bezwaard is of aan hen die de werkelijke rechten bezitten welke aan dit erf verbonden zijn. Deze vergoeding kan ineens uitbetaald worden, en geldt dan als een forfaitaire vergoeding; zij kan ook worden uitbetaald in de vorm van een jaarlijkse vooruit te betalen uitkering. De (houder van een vervoervergunning) moet bovendien de schade vergoeden die berokkend wordt door de werken welke hij uitvoert voor de oprichting of gedurende de exploitatie van zijn gasvervoerinstallaties, alsook de schade aan derden berokkend, hetzij uit hoofde van de werken, hetzij door de benuttiging van het erf dat met de erfdienstbaarheid bezwaard is; de vergoedingen voor de berokkende schade komen volledig ten laste van deze houder; zij zijn verschuldigd aan de personen aan wie de schade berokkend wordt; hun bedrag wordt vastgesteld hetzij in der minne, hetzij door de rechtbanken”. Artikel 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 bepaalt: “§ 1. De eigenaar van het private erf, bezwaard met een erfdienstbaarheid gevestigd met het oog op de oprichting en de exploitatie van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur, kan binnen een termijn van twee jaar nadat hem de verklaring van openbaar nut werd betekend met het oog op de vestiging van de erfdienstbaarheid, de minister laten weten dat hij de gerechtigde op deze erfdienstbaarheid vraagt het bezette terrein aan te kopen. § 2. Indien geen minnelijke schikking kan getroffen worden voor de aankoop van het bezette terrein, zal de Vlaamse regering op verzoek van de N.V. Aquafin de verwerving en onmiddellijke inbezitneming van deze terreinen van openbaar nut verklaren overeenkomstig artikel 10, alinea 1 en artikel 14 van de wet van 12 april 1965, van toepassing krachtens artikel 2.6.1.1.1. van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018. Dit verzoek moet worden gericht aan de minister binnen een termijn van twee jaar na de datum van ontvangst door de voormelde vennootschap, van de vraag die hem werd toegestuurd door de eigenaar van het bezette erf”. 22. Betwistingen omtrent de betaling van een vergoeding aan de eigenaar(
- s)van de grond die met een erfdienstbaarheid wordt bezwaard of omtrent de minnelijke aankoop van het betrokken perceel, betreffen de vaststelling van een VII-41.152-12/23 subjectief recht. Uit de artikelen 144, eerste lid, en 145 van de Grondwet volgt dat de geschillen over subjectieve rechten - altijd, wat de geschillen over burgerlijke rechten betreft en in principe, wat de geschillen over politieke rechten betreft - tot de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken behoren. Aangezien de Raad van State wat dat betreft zonder rechtsmacht is komt het hem ook niet toe de motieven van de bestreden beslissing te onderzoeken die de vaststelling van deze subjectieve rechten zouden aanbelangen. 23. Het vierde middel is onontvankelijk. E. Vijfde middel Standpunt van de verzoekende partijen 24. In een vijfde middel wordt de schending aangevoerd van de motiveringsplicht, van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en van het zorgvuldigheids-, het redelijkheids-, het rechtszekerheids-, het legaliteits- en het gelijkheidsbeginsel. De verzoekende partijen merken op dat het openbaar domein naast de Maastrichterweg te Lanaken breed genoeg is om het project op het openbaar domein te realiseren, maar dat het Agentschap Wegen en Verkeer (AWV) niet wenst mee te werken, waardoor de lasten van het project terechtkomen bij de private eigenaars, waaronder de verzoekende partijen. Voorts menen de verzoekende partijen dat in de bestreden beslissing op geen enkele wijze wordt geantwoord op hun bezwaar dat het mogelijk is om het project in de bestaande berm aan de noordzijde van de Maastrichterweg te realiseren. In dat verband zou de verwerende partij zonder bijkomende motivering enkel poneren dat dit traject “niet kan weerhouden worden”. Daarenboven zou de bestaande berm, zowel aan de noord- als de zuidzijde van de Maastrichterweg, nog verbreed kunnen worden door het verharde wegdek te verleggen. Voorts zou de verwerende partij zonder enige concrete onderbouwing van oordeel zijn dat het financieel meer interessant is om gebruik te maken van hun privaat domein en zijn de technische redenen die worden ingeroepen tegen de verlegging van het wegdek stuk voor stuk VII-41.152-13/23 drogredenen. De verzoekende partijen wijzen erop dat zij nog een ander mogelijk tracé voorgesteld hebben, namelijk om van het kruispunt Bessemerstraat-Epesiastraat rechtstreeks aan te sluiten op de Asbeek tussen de woningen aan de Bessemerstraat 326 en 328 en dat dit alternatieve tracé op grond van niet-deugdelijke motieven niet in aanmerking werd genomen. Uit de ongemotiveerde afwijzing van het voorgestelde alternatief, leiden zij af dat er sprake is van een ongelijke behandeling bij het gebruik van de verklaring tot openbaar nut. 25. In hun laatste memorie brengen de verzoekende partijen nog onder de aandacht dat “het tracé bepaald werd door een privaat studiebureau - met aldus per definitie mogelijkerwijze eigen belangen die niet conform zijn aan het algemeen belang - en dit tracé vervolgens klakkeloos werd overgenomen”. Beoordeling 26. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat er voor elke administratieve beslissing rechtens aanvaardbare motieven moeten bestaan. Dit betekent onder meer dat die motieven steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Bovendien moet de overheid de gegevens die in rechte en in feite juist zijn, correct beoordelen en op grond van deze gegevens in redelijkheid tot een beslissing komen. Een bestuursbeslissing schendt de materiëlemotiveringsplicht wanneer de motieven waarop ze steunt onjuist of onwettig zijn of de beslissing niet kunnen dragen. Het komt de Raad van State daarbij in principe niet toe het feitenonderzoek over te doen om zich aldus, wat de appreciatie van de zaak betreft, in de plaats te stellen van de administratie. Het behoort daarbij wel tot de bevoegdheid van de Raad van State na te gaan of de ingeroepen feiten werkelijk bestaan indien ze worden betwist. Indien wordt geoordeeld dat de beslissing steunt op onbestaande, onvoldoende bewezen feiten, dan is eveneens het materiële motiveringsbeginsel geschonden. VII-41.152-14/23 De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dit op een afdoende wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. Aan de voorgeschreven motiveringsplicht is voldaan, wanneer het bestreden besluit duidelijk de redenen opgeeft waarop de overheid haar beslissing steunt, derwijze dat de belanghebbende met kennis van zaken tegen de bestreden beslissing kan opkomen, en dat de Raad van State de hem opgedragen wettigheidscontrole kan uitoefenen. 27. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verzoekende partijen tijdens het openbaar onderzoek concrete voorstellen hebben geformuleerd over mogelijk alternatieve tracés voor de aanleg van de gracht. De bestreden beslissing wijdt de volgende beschouwingen aan deze voorstellen: “Overwegende dat de gracht aangelegd dient te worden aan de noordzijde van de Maastrichterweg; dat de Vlaamse Milieumaatschappij in haar richtlijnen betreffende de opvang en afvoer van oppervlaktewater van grachten, vooropstelt dat dit zo veel mogelijk door aanleg van open grachten dient te gebeuren; dat bijgevolg de Maastrichterweg gekruist dient te worden; Overwegende dat het voorstel van de bezwaarindieners om het traject van de gracht te plaatsen aan de zuidzijde van de Maastrichterweg niet kan weerhouden worden; dat de wegbeheerder, zijnde het Agentschap Wegen en Verkeer, een minimumbreedte van de weg nodig heeft om de veiligheid en de vlotte doorgang van de weggebruikers te kunnen garanderen; Overwegende dat het voorstel van de bezwaarindieners om het traject van de gracht te plaatsen aan de noordzijde van de Maastrichterweg binnen het openbaar domein niet kan weerhouden worden; dat het wegkappen van het wegdek om zo de Maastrichterweg zuidwaarts te verplaatsen zowel financieel, als technisch niet verantwoord is; dat het wegkappen en de zuidwaartse verplaatsing van het wegdek een hoge meerkost met zich meebrengt; dat de verplaatsing van het wegdek bovendien een reliëfwijziging met zich meebrengt; dat de huidige taludhellingen van de bermen niet steiler gemaakt kunnen worden dan de huidige voorziene toestand om grondverschuivingen te voorkomen; dat de wegbeheerder, zijnde het Agentschap Wegen en Verkeer, een minimumbreedte van de weg nodig heeft om de veiligheid en de vlotte doorgang van de weggebruikers te kunnen garanderen; VII-41.152-15/23 Overwegende dat de bezwaarindieners een maximale inbuizing voorstellen, dat inbuizingen en een rechtstreekse afvoer van regenwater maximaal vermeden moeten worden; dat de Vlaamse Milieumaatschappij in haar richtlijnen betreffende de opvang en afvoer van oppervlaktewater van grachten, vooropstelt dat grachten een bufferende werking hebben; dat dit via open grachten moet gebeuren; dat de provincie Limburg ook buffer- en lozingsvoorwaarden oplegt om te mogen aansluiten op de Asbeek; dat de aanleg van stuw- en knijpconstructies in deze grachten voor de buffercapaciteit noodzakelijk zijn; dat een vertraagde afvoer en grotere berging van het hemel- en oppervlaktewater wordt gecreëerd door de uitvoering van voormeld project 22503; dat het aanleggen van grachten de mogelijkheid tot infiltratie verhoogt; Overwegende dat de aanleg van deze nieuwe grachten en de herprofilering van de bestaande grachten het gebied aantrekkelijker maken voor de fauna; dat door de aanleg van deze nieuwe grachten het regenwater kan infiltreren in de bodem; dat dit een positief effect heeft op het grondwaterpeil, wat de (ontwikkeling van
- de)natuur alleen maar ten goede kan komen; Overwegende dat het voorstel van de bezwaarindieners om het traject van de collector aan te leggen vertrekkende van het kruispunt Bessemerstraat-Epesiastraat om zo rechtstreeks aan te sluiten op de Asbeek niet kan weerhouden worden; dat oppervlaktewater opgevangen, gebufferd en afgevoerd dient te worden via open grachten; dat de capaciteit van de huidige riolering tussen Bessemerstraat en Maastrichterweg te klein is; dat het Kempisch plateau hoger gelegen is; dat daar geen gescheiden rioleringsstelsel aanwezig is; dat daardoor het hemelwater afkomstig van het Kempisch plateau gemengd is met vuilwater; dat het niet opportuun is om dit aan te sluiten op de Asbeek, een waterloop van de 2de categorie; Overwegende dat in de documenten die ter inzage lagen tijdens het openbaar onderzoek een situatieplan aanwezig was; dat dit document alle straatnamen en waterlopen waarlangs het rioleringsproject loopt weergeeft en benoemd; dat tevens de afloop van de Asbeek, een waterloop van de 2de categorie, hierop aangeduid staat; […] Overwegende dat de aanleg van een open gracht op het perceel kadastraal gekend als Lanaken, afdeling 2, sectie E, nummer 122L, niet verantwoord is; dat de richtlijn opgesteld door het Agentschap Wegen en Verkeer bij de kruising van een gewestweg een minimale dekking van 2m voorschrijft ten opzichte van het wegdek; dat het hydraulisch peil van dit perceel niet kan opgetrokken worden; dat de diepte van de gracht tussen kopmuur 17 en kopmuur 18 al een verval heeft van 1,15m; Overwegende dat de tijdelijke erfdienstbaarheid nodig is op het perceel kadastraal gekend als Lanaken, afdeling 2, sectie E, nummer 122R; dat het technisch eenvoudiger is om de gracht aan te leggen vanop dit perceel gelet op het hoogteverschil tussen de openbare weg en het privatief perceel”. 28. Uit de aangehaalde motieven blijkt dat de verwerende partij wel degelijk aandacht heeft gehad voor de voorstellen van de verzoekende partijen omtrent andere tracés voor de aanleg van de gracht, maar dat die voorstellen om VII-41.152-16/23 uiteenlopende redenen niet in aanmerking werden genomen. Met het middel, dat in hoofdzaak opportuniteitskritieken bevat, wordt niet aangetoond dat de aangehaalde motieven in feite onjuist of in rechte onaanvaardbaar zijn. Evenmin kan worden aangenomen dat de instemming met het in de aanvraag voorgestelde tracé, doet blijken van een onredelijk overheidsoptreden. Voor het overige was de verwerende partij er wettelijk niet toe gehouden om in de bestreden beslissing een grondige afweging te maken tussen elk mogelijk tracé voor de aanleg van de gracht in kwestie. 29. Het vijfde middel is ongegrond. F. Zesde middel Standpunt van de verzoekende partijen 30. Het verzoekschrift bevat een zesde middel dat afgeleid is uit de schending van het proportionaliteits-, het zorgvuldigheids-, het redelijkheids- en het gelijkheidsbeginsel. De verzoekende partijen lichten toe dat ook een ondergrondse drainagebuis kan worden aangelegd, in welk geval zij hun perceel nog steeds als weide zouden kunnen gebruiken en hun nadeel aanzienlijk beperkt zou kunnen worden en dat een ondergrondse drainagebuis ook toelaat dat het hemelwater kan insijpelen in de bodem en een bufferende werking heeft voor de afvoer van het hemel- en oppervlaktewater. Voorts betwisten zij dat de kunstmatige aanleg van een open gracht de natuurontwikkeling ten goede zou komen. Ook zou met de bestreden beslissing niet worden aangetoond dat het gebied voortaan aantrekkelijker zal worden voor (nieuwe) fauna. Tot slot zou er sprake zijn van een ongelijke behandeling in vergelijking met andere percelen in de omgeving. 31. In hun laatste memorie herhalen de verzoekende partijen dat de keuze voor de aanleg van een open gracht niet op grond van deugdelijke motieven wordt verantwoord. Voorts betwisten zij dat er geen sprake zou zijn van vergelijkbare feitelijke toestanden. VII-41.152-17/23 Beoordeling 32. Naar aanleiding van het openbaar onderzoek hebben de verzoekende partijen reeds uiting gegeven aan hun persoonlijke voorkeur voor de aanleg van een ondergrondse drainagebuis: “Zelfs in de hypothese dat men per se gebruik wil maken van het perceel 122R, is ook dit mogelijk op een veel minder schadelijke wijze dan thans gepland, zowel voor wat betreft de hinder voor de eigenaars van het perceel als voor de hinder voor de natuur en de schendingen van het GRUP. Er is immers geen enkele motivering waarom men de kunstmatige gracht niet ondergronds kan aanleggen. Dit houdt in dat het een erfdienstbaarheid zou kunnen betreffen in plaats van een zuivere inname die de ingenomen grond totaal onbruikbaar maakt voor de eigenaars, alsook dat de hinder voor de natuur aanzienlijk minder zal zijn dan bij een kunstmatige open gracht. Het gaat in tegen de beginselen van behoorlijk bestuur om niet de minst schadelijke weg te nemen zowel voor private eigenaars als voor de natuur. De aanvraag zoals deze thans voorligt is dan ook in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel”. In de bestreden beslissing wordt dit bezwaar als volgt weerlegd: “Overwegende dat de bezwaarindieners een maximale inbuizing voorstellen, dat inbuizingen en een rechtstreekse afvoer van regenwater maximaal vermeden moeten worden; dat de Vlaamse Milieumaatschappij in haar richtlijnen betreffende de opvang en afvoer van oppervlaktewater van grachten, vooropstelt dat grachten een bufferende werking hebben; dat dit via open grachten moet gebeuren; dat de provincie Limburg ook buffer- en lozingsvoorwaarden oplegt om te mogen aansluiten op de Asbeek; dat de aanleg van stuw- en knijpconstructies in deze grachten voor de buffercapaciteit noodzakelijk zijn; dat een vertraagde afvoer en grotere berging van het hemel- en oppervlaktewater wordt gecreëerd door de uitvoering van voormeld project 22503; dat het aanleggen van grachten de mogelijkheid tot infiltratie verhoogt; Overwegende dat de aanleg van deze nieuwe grachten en de herprofilering van de bestaande grachten het gebied aantrekkelijker maken voor de fauna; dat door de aanleg van deze nieuwe grachten het regenwater kan infiltreren in de bodem; dat dit een positief effect heeft op het grondwaterpeil, wat de (ontwikkeling van
- de)natuur alleen maar ten goede kan komen”. VII-41.152-18/23 Bovendien wordt in de bestreden beslissing uitdrukkelijk ingegaan op de noodzaak tot de aanleg van een open gracht: “Overwegende dat de werken in het kader van het project 22503 bijdragen bij het halen van doelstellingen van de Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader van communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, in Vlaanderen geïmplementeerd in artikel 1.7.2.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018; dat de rechten en verplichtingen zoals bepaald in de artikelen 9 tot en met 16 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, van toepassing zijn op Aquafin bij het vervullen van haar taken die haar worden opgedragen via een Optimalisatieprogramma en het goedgekeurd Technisch Plan; dat een gracht een regenweerafvoerleiding/RWA-leiding is; dat deze overeenkomstig het opgedragen Optimalisatieprogramma van 2016 en het goedgekeurde Technisch Plan wordt aangelegd; dat de geplande infrastructuur wel degelijk wordt gebouwd in functie van de goede werking van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur; dat dit bijdraagt tot het gehele netwerk/alle infrastructuur dat door Aquafin wordt aangelegd overeenkomstig het haar opgedragen Optimalisatieprogramma en goedgekeurd Technisch Plan; dat door de aanleg van grachten en de aanleg van een gescheiden rioleringsstelsel de verdunning van het te zuiveren rioolwater wordt tegengegaan; dat de aanleg van grachten voor opvang en afvoer van het regenwater noodzakelijk is; dat hierdoor het zuiveringsproces wordt geoptimaliseerd; dat het parasitair water en het hemelwater afgekoppeld worden; dat aanleg van een gescheiden rioleringsstelsel de verdunning van het vuilwater voorkomt; dat dit de maatschappelijke kost van de werking van de RWZI te Lanaken beperkt; dat de waterhuishouding hersteld wordt”. 33. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. Indien de overheid over een discretionaire bevoegdheid beschikt, zijn uiteenlopende beoordelingen of zienswijzen denkbaar die elk de redelijkheidstoets kunnen doorstaan en die elk op zich niet onredelijk hoeven te zijn. VII-41.152-19/23 34. In de bestreden beslissing worden duidelijk de redenen opgegeven waarom niet wordt ingegaan op de vraag van de verzoekende partijen om van een ondergrondse drainagebuis gebruik te maken en waarom een open gracht noodzakelijk is. De argumenten die in het middel worden opgeworpen houden in dat redenen die geleid hebben tot de keuze voor de open gracht ook bereikt zouden kunnen worden door gebruik te maken van een ondergrondse drainagebuis. Naast het feit dat de verzoekende partijen dit louter poneren, tonen zij hiermee niet aan dat de verwerende partij zich op onjuiste gegevens zou hebben gesteund, noch dat de keuze van het bestuur als onredelijk moet worden aangemerkt. Voor het overige komt het niet aan de Raad van State toe om zelf een keuze te maken tussen de aanleg van een gracht of van een ondergrondse drainagebuis. Wat de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel betreft, wordt vastgesteld dat het perceel van de verzoekende partijen onbebouwd is, terwijl het perceel 122L bebouwd is. Alleen al om die reden zijn beide percelen niet vergelijkbaar. 35. Het zesde middel is ongegrond. G. Zevende middel Standpunt van de verzoekende partijen 36. Een zevende middel wordt afgeleid uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoekende partijen stellen vast dat uit verscheidene verslagen die deel uitmaken van het dossier met betrekking tot de omgevingsvergunningsaanvraag blijkt dat er nog een bufferbekken wordt voorzien naast perceel 122R, waardoor het niet duidelijk is waarom het nodig is dat verschillende stuwconstructies met knijpopening worden voorzien in de gracht langs de Maastrichterweg. Voorts stellen zij vast dat uit het dossier van de aanvraag tot verklaring van openbaar nut noch uit de bestreden beslissing blijkt hoe de waterhoeveelheden/debieten werden berekend, noch waarom de gracht dermate breed moet worden geconstrueerd, terwijl er aan de beide zijden van de VII-41.152-20/23 Maastrichterweg reeds vrij grote grachten aanwezig zijn waar nooit water in staat. Tot slot merken de verzoekende partijen op dat in de bestreden beslissing beweringen worden gedaan omtrent het debiet en de capaciteit van de gracht en het door Fluvius nog op te richten bufferbekken, zonder dat die beweringen cijfermatig worden onderbouwd. 37. In hun laatste memorie houden de verzoekende partijen vol dat de bestreden beslissing geen antwoord bevat op de opmerkingen die zij naar aanleiding van het openbaar onderzoek hebben geformuleerd. Beoordeling 38. Tijdens het openbaar onderzoek hebben de verzoekende partijen het volgende opgeworpen: “[…] Uit verschillende besprekingsverslagen die deel uitmaken van het omgevingsvergunningsaanvraagdossier kan worden opgemaakt dat er nog een bufferbekken wordt voorzien naast perceel 122R. Er kan verwezen worden naar besprekingsverslag V0216-14690042 (10 juni 2016): ‘Ter hoogte van de Roelerdreef en de Lepelvormweg wordt een kruising gemaakt met de Bessemerstraat. Het tracé volgt verder de Lepelvormweg richting de Maastrichtersteenweg. De Maastrichtersteenweg wordt gekruist. Hier wordt aangesloten op de bestaande gracht naast de Maastrichtersteenweg. De gracht zal geherprofileerd worden en het regenwater zal afgevoerd worden richting het centrum van Lanaken. Ter hoogte van de Afloop van de Asbeek zal een bufferbekken voorzien worden. Het bufferbekken zal uitgebouwd worden zowel voor het Aquafindossier als het Infraxdossier. In de Bessemerstraat voorziet Infrax de aanleg van een gescheiden stelsel’. En het besprekingsverslag COV017-100929 (19 mei 2017) ‘vlaktes. De provincie kan hiermee akkoord. Mogelijks zal het bekken aan de Maastrichterweg (Opel garage) niet nodig zijn voor Aquafin. Infrax voorziet hier later wel een bufferbekken’. Uit het dossier blijkt dat er verschillende stuwconstructies met knijpopening worden voorzien in de gracht langs de Maastrichterweg. Waarom deze nodig zijn op privaat perceel 122R terwijl Infrax, thans Fuvius, op openbaar domein blijkbaar zelf een bufferbekken voorziet blijkt niet uit het dossier. Is het omdat deze twee overheidsinstellingen langs elkaar door werken? Men bouwt met andere woorden thans een grote gracht die straks veel te groot zal blijken nadat het bufferbekken is geplaatst. VII-41.152-21/23 Uit het dossier tot aanvraag van een verklaring van openbaar nut blijkt ook niet hoe de waterhoeveelheden/debieten werden berekend. Zelfs uit de zelfverklaarde ‘gedetailleerde bespreking’ uit de ‘verrechtvaardigingsnota voor het gebruik van privaat domein’ is niet af te leiden hoe Aquafin meent te denken dat er water in de gracht zal stromen, noch hoeveel water, noch hoeveel er zal gebufferd worden, noch waarom deze gracht d[e]rmate breed wordt geconstrueerd. Er wordt dus eigenlijk helemaal niets ‘verrechtvaardigd’”. Dit bezwaar wordt in de bestreden beslissing als volgt beantwoord: “Overwegende dat het bufferbekken geen voorwerp uitmaakt van huidige aanvraag tot het bekomen van het ministerieel besluit houdende de verklaring van openbaar nut; dat in de marge volledigheidshalve maar buiten deze aanvraag tot ministerieel besluit houdende verklaring van openbaar nut om kan meegedeeld worden dat het bufferbekken voorzien door Fluvius onvoldoende is om het hemelwater te bufferen; dat aparte buffering voortkomend uit hydraulisch oogpunt noodzakelijk is; dat de collectoren in de Bessemerstraat en de doorsteek onder de gewestweg niet geschikt zijn om zowel het debiet van het Aquafin-project als het debiet van het afkoppelingsproject van Fluvius en de gemeente Lanaken aan te kunnen”. 39. Door het louter herhalen van hun oorspronkelijke bezwaar en door geen kritiek te formuleren op de weerlegging van dat bezwaar in de bestreden beslissing, wordt met het middel, zoals geadstrueerd in het verzoekschrift, de onwettigheid van de bestreden beslissing niet aangetoond. In zoverre de verzoekende partijen voor het eerst in hun memorie van wederantwoord rechtstreeks kritiek leveren op de motieven van de bestreden beslissing, geven zij op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Voor het overige is de kritiek van de verzoekende partijen gericht tegen een project dat niet het voorwerp is van de aanvraag die tot de bestreden beslissing heeft geleid. Het gaat bijgevolg om kritiek die niet dienstig is in het kader van voorliggend annulatieberoep en waarvan de gegrondheid dan ook niet moet worden onderzocht. 40. Het zevende middel wordt verworpen. VII-41.152-22/23 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieëntwintig november tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.152-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.992 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div