id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.994 Rolnummer: A. 237813/VII-41773 Zaak: Arrest 257994 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 23/11/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-11-27 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-06-10 16:14 Fiche Arrest nr 257.994 van 23 november 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 257.994 van 23 november 2023 in de zaak A. 237.813/VII-41.773 In zake : Stefan VAN DEN EYNDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Opsommer kantoor houdend te 9700 Oudenaarde Gentstraat 152 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Dewaele kantoor houdend te 8500 Kortrijk Groeningestraat 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 1 december 2022, strekt tot de nietigverklaring van (
- a)“de beslissing van het Afdelingshoofd van de Mestbank gedateerd op 2 juni 2022 waarmee een antwoord werd gegeven op het bezwaar van verzoeker tegen de beslissing van 17 maart 2022 waarmee aan verzoeker maatregelen werden opgelegd”, en (
- b)“de beslissing van het afdelingshoofd van de Mestbank van 17 maart 2022 waarmee aan verzoeker maatregelen werden opgelegd en welke beslissing een complexe rechtshandeling uitmaakt samen met de eerste bestreden beslissing”. VII-41.773-1/7 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 31 mei 2023 een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement). De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 november 2023. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thibo Houf, die loco advocaat Jan Opsommer verschijnt voor verzoeker en advocaat Luna Ghekiere, die loco advocaat Pieter Dewaele verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Regelmatigheid van de rechtspleging 3. Verzoeker heeft een “aanvullende nota na auditoraatsverslag” ingediend. Het algemeen procedurereglement voorziet niet dat de partijen nog schriftelijk kunnen reageren op het verslag van de auditeur dat werd opgemaakt VII-41.773-2/7 met toepassing van artikel 93 van het algemeen procedurereglement. In zoverre het stuk een schriftelijke voorbereiding vormt van de mondelinge uiteenzetting op de terechtzitting, wordt het beschouwd als een loutere inlichting. IV. Feiten 4.1. Per brief van 17 februari 2022 legt de Mestbank aan verzoeker verschillende maatregelen op, op grond van artikel 62, § 1, van het decreet van 22 december 2006 ‘houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen’ (hierna: Mestdecreet). De Mestbank bepaalt daarbij dat deze maatregelen “kunnen […] verlengd worden en lopen nu ten minste tot 1 januari 2023”. 4.2. Verzoeker tekent tegen deze maatregelen het in artikel 62, § 7, tweede lid, van het Mestdecreet bedoelde bezwaar aan. Met een brief aan verzoeker van 2 juni 2022 deelt de Mestbank mee dat het bezwaar wordt verworpen. 4.3. De Mestbank deelt met een brief van 18 januari 2023 aan verzoeker mee dat de opgelegde maatregelen niet worden verlengd. V. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie 5. De verwerende partij werpt op dat het vernietigingsberoep niet ontvankelijk is wegens gebrek aan belang van verzoeker. Zij wijst erop dat de maatregelen die het voorwerp uitmaken van de bestreden beslissingen slechts golden tot 1 januari 2023, en niet werden verlengd. In zoverre het belang bij de nietigverklaring erin bestaat deze maatregelen uit het rechtsverkeer te zien verdwijnen, zodat verzoeker er niet langer door gebonden is, stelt de verwerende partij vast de maatregelen reeds uit het rechtsverkeer zijn verdwenen en dit belang VII-41.773-3/7 dan ook niet meer actueel is. In zoverre het belang bij de nietigverklaring erin bestaat om via een aansprakelijkheidsprocedure voor de burgerlijke rechtbank een herstel voor de geleden schade te verkrijgen, geeft verzoeker volgens de verwerende partij geen blijk van het vereiste rechtstreekse belang bij de nietigverklaring. 6. Verzoeker houdt staande dat hij wel degelijk belang heeft bij de nietigverklaring, ook al zijn de maatregelen die het voorwerp uitmaken van de bestreden beslissingen niet meer op hem van toepassing sedert 1 januari 2023. Hij beweert dat de bestreden beslissingen hem schade hebben berokkend, die hij wenst te recupereren via een aansprakelijkheidsprocedure voor de burgerlijke rechtbank. Hij zou aldus getuigen van een actueel financieel belang bij de nietigverklaring van de bestreden beslissingen. Beoordeling 7. Het beroep tot nietigverklaring bedoeld in artikel 14 RvS-wet kan op grond van artikel 19 van deze wet slechts op ontvankelijke wijze worden ingesteld door een partij die doet blijken van een benadeling of van een belang. Deze vereiste betekent dat de bestreden handeling nadelig moet zijn voor de verzoekende partij, en dat de gevorderde vernietiging aan dat nadeel kan verhelpen. Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat. 8. Het vernietigingsberoep wordt in deze zaak gericht tegen beslissingen die aan verzoeker maatregelen hebben opgelegd die in de tijd werden beperkt tot 1 januari 2023 en niet werden verlengd. Het nadeel dat verzoeker zou hebben ondervonden van deze maatregelen kan door de vernietiging van de bestreden beslissingen niet meer ongedaan worden gemaakt. VII-41.773-4/7 9. Verzoeker voert niet aan dat zijn belang zou bestaan uit de morele genoegdoening die gepaard zou gaan met het vernietigingsarrest, maar wijst enkel op zijn financieel belang. De omstandigheid dat verzoeker zijn financieel nadeel vergoed wenst te zien door het instellen van een aansprakelijkheidsvordering voor de burgerlijke rechtbank, verleent hem geen voldoende rechtstreeks belang bij de vernietiging. Hij ontleent zijn belang dan immers louter uit de omstandigheid dat de bestreden beslissingen door de Raad van State onwettig worden verklaard, wat hem zou ontslaan van het bewijs van de foutvereiste in het kader van een burgerlijke aansprakelijkheidsvordering. Het belang dat louter bestaat uit het zien onwettig verklaren van een bestreden beslissing om de toekenning van een schadevergoeding door een burgerlijke rechtbank te faciliteren, is onvoldoende rechtstreeks. 10. De zaak zou anders zijn geweest indien verzoeker bij de Raad van State een vordering tot schadevergoeding tot herstel had ingesteld op grond van artikel 11bis RvS-wet (zie het arrest van de algemene vergadering van de Raad van State nr. 244.015 van 22 maart 2019). Hij heeft dit echter niet gedaan, en beperkt zich ertoe aan te kondigen dat hij zinnens is een aansprakelijkheidsvordering in te stellen voor de burgerlijke rechtbank. 11. De exceptie is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-41.773-5/7 VII-41.773-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieëntwintig november tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Francis Van Nuffel, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Francis Van Nuffel VII-41.773-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.994 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div