id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.007 Rolnummer: A. 240508/XIV-39300 Zaak: Arrest 258007 - Politie - 23/11/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-11-24 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-06-10 16:19 Fiche Arrest nr 258.007 van 23 november 2023 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 258.007 van 23 november 2023 in de zaak A. 240.508/XIV-39.300 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bob Martens en Chloë Heyrman kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 70 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/Legal/CTX gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145/A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 16 november 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de administratieve maatregel tot afzetting van [verzoekster] als sectiechef PLIF, genomen op 25 oktober 2023 door de coördinatie- en steundirectie Brussel van de Federale Politie, in naam van directeur-coördinator, HCP [K.V.O.]. Met deze beslissing werd beslist om [verzoekster] af te zetten uit haar functie als statutair aangestelde sectiechef PLIF van de coördinatie- en steundirectie Brussel van de Federale Politie”. XIV-39.300-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 november 2023, om 11.00 uur. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaten Bob Martens en Chloë Heyrman, die verschijnen voor verzoekster, en adviseur Jana Mouton, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behoudens wat de kosten betreft. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is werkzaam als adviseur bij het administratief en logistiek kader (CaLog) bij de Federale Politie. 3.
- Op 25 oktober 2023 ontvangt verzoekster een Teams -uitnodiging van de directeur-coördinator van de coördinatie- en steundirectie te Brussel voor een bespreking op diezelfde dag zonder vermelding wat het voorwerp is van die bespreking. XIV-39.300-2/10 3.
- Op 25 oktober 2023 deelt de directeur-coördinator volgens verzoekster mondeling aan haar mee dat zij met onmiddellijke ingang “wordt ontzet uit haar functie als sectiechef”, omwille van “onderlinge spanningen tussen personeelsleden”. De formalisering van de beslissing zou naderhand volgen. Dit is de bestreden beslissing. 3.
- Op 26 oktober 2023 overhandigt de personeelsdienst aan verzoekster een document met de “prioritaire taken” die zij vanaf dan moet uitvoeren. 3.
- Op 31 oktober 2023 maant verzoeksters raadsman per aangetekende brief de directeur-coördinator aan om de bestreden beslissing in te trekken. Bij gebrek aan een tijdige reactie op die aanmaning, werd per aangetekende brief van 6 november 2023 aan de commissaris-generaal van de Federale Politie de vraag gericht om het dossier naar zich toe te trekken. 3.
- Op 9 november 2023 antwoordt de directeur-coördinator per e-mail op de aanmaning van verzoeksters raadsman en deelt mee dat de mondelinge kennisgeving van 25 oktober 2023 “geen ordemaatregel an sich” is, maar wel de mededeling van de intentie daartoe. Hij vervolgt dat er geen “formele beslissing die zou kunnen ingetrokken worden” bestaat. 3.
- Met een nota van 7 november 2023 wordt aan verzoekster kennis gegeven van een voorstel tot een tijdelijke andere opdracht bij ordemaatregel, met name om, vanaf de kennisgeving van de definitieve beslissing, als deskundige te worden belast met de opdracht projectbeheer binnen de dienst PLIF en dit voor de duur van zes maanden, waarna de maatregel zal worden geëvalueerd. In afwachting van de definitieve beslissing wordt aan verzoekster dienstvrijstelling verleend. Met een e-mail van 10 november 2023 meldt verzoeksters raadsman aan de directeur-coördinator dat verzoekster de verplichte dienstvrijstelling zal XIV-39.300-3/10 “naleven”, evenwel onder voorbehoud van alle rechten en zonder enige nadelige erkentenis. 3.
- Op 22 november 2023 beslist de directeur-coördinator om verzoekster bij ordemaatregel “als deskundige” te belasten met de opdracht projectbeheer binnen de dienst PLIF en dit voor een periode van zes maanden, waarna “de situatie die aanleiding geeft tot dit voorstel” zal worden geëvalueerd. IV. Ontvankelijkheid van de vordering
- De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en voert aan dat verzoekster geen belang heeft bij de vordering. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. XIV-39.300-4/10 VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
- Verzoekster voert in het verzoekschrift aan dat er een “bijzondere spoedeisendheid” bestaat gelet op de zwaarwichtige gevolgen van de bestreden beslissing op zowel haar mentale, als fysieke gezondheid. Verzoekster werd immers, mondeling, op bijzonder abrupte en ongepaste wijze in kennis gesteld van de bestreden beslissing. Derhalve treden de gevolgen ervan meteen in en hebben zich in de korte periode sedert de bestreden beslissing reeds bijzonder ernstige aantastingen van haar mentale en fysieke gezondheid gemanifesteerd. Verzoekster werd immers op een geheel ongepaste, intimiderende en vernederende wijze, zonder enige sereniteit, behandeld. Tevens werd de bestreden beslissing genomen zonder het in acht nemen van enig recht van verdediging. Verzoekster zet verder uiteen dat de bestreden beslissing, naast reputatieschade, ook morele en fysieke schade met zich meebrengt. De plotsklapse beëindiging van haar leidinggevende functie voor een onbepaalde periode, kan namelijk een zeer zware invloed hebben op haar verdere loopbaan, alsook op persoonlijk vlak. Bovendien berokkent de beslissing volgens verzoekster ook een ernstig moreel nadeel, in die zin dat haar toekomstige inpassing in de structuur van de PLIF onzeker is en de kans reëel is dat zij in de toekomst niet langer als “leidinggevende” maar als “deskundige/medewerker” zal worden “gecategoriseerd”. Verzoekster benadrukt dat zij haar verzoekschrift indient binnen een tijdsbestek van 21 kalenderdagen, te tellen vanaf de dag waarop de bestreden beslissing werd genomen. Verzoekster wijst erop dat zij zich tot op 9 november 2023, tijdstip van ontvangst van de aangetekende brief van 7 november 2023 met een voorstel tot tijdelijke andere opdracht bij ordemaatregel, in een bijzonder XIV-39.300-5/10 onzekere positie bevond met betrekking tot de inhoud en de gevolgen van de bestreden beslissing. In de periode van de bestreden beslissing tot de ontvangst van de aangetekende brief van 7 november 2023 heeft verzoekster, zoals zij uiteenzet, geenszins stilgezeten. Op 31 oktober 2023 heeft haar raadsman per aangetekende brief de directeur-coördinator aangemaand de bestreden beslissing in te trekken. Bij gebrek aan een tijdige reactie op die aanmaning, werd op 6 november 2023 aan de commissaris-generaal van de Federale Politie per aangetekende brief de vraag gericht om het dossier naar zich toe te trekken. Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen XIV-39.300-6/10 om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoekster niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
- Verzoekster wijst ter adstructie van de uiterst dringende noodzakelijkheid allereerst op de zwaarwichtige gevolgen van de bestreden beslissing op haar mentale en fysieke gezondheid. Zij wijst in dit verband op de abrupte, ongepaste, intimiderende en vernederende wijze, zonder enige sereniteit, waarop de bestreden beslissing aan haar is meegedeeld. Zij legt een medisch attest voor waaruit blijkt dat zij van 13 november 2023 tot en met 24 november 2023 100% arbeidsongeschikt is en dat de diagnose onder meer stress wegens pesten op het werk omvat. Het laat zich verstaan dat de plotse confrontatie met een maatregel als de bestreden beslissing en de wijze waarop die volgens verzoekster werd meegedeeld en uitgevoerd, een impact heeft op de mentale en fysieke XIV-39.300-7/10 gezondheid en leidt tot stress en een tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Verzoekster toont met de neergelegde stukken echter niet aan dat er sprake is van een dermate ernstige impact op haar gezondheid dat zij dreigt zich in een toestand van onherroepelijke schadelijke gevolgen te bevinden als ze het resultaat van de gewone schorsingsprocedure en de procedure ten gronde zou moeten afwachten.
- In de mate dat verzoekster opwerpt dat de bestreden beslissing werd genomen zonder het in acht nemen van enig recht van verdediging, kan de onwettigheid van de bestreden beslissing op zich niet volstaan om ervan te overtuigen dat de vordering uiterst dringend noodzakelijk is. De schorsingsvoorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering is immers een op zich staande voorwaarde, die moet zijn vervuld, los van de andere schorsingsvoorwaarde, namelijk dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan verantwoorden.
- Verder wijst verzoekster op reputatieschade, alsook morele en fysieke schade, daar de plotse beëindiging van haar leidinggevende functie een zeer zware invloed kan hebben op haar loopbaan, alsook op persoonlijk vlak. Nog daargelaten de vraag of de aangevoerde reputatieschade vooralsnog niet louter hypothetisch is, is reputatieschade in wezen een moreel nadeel. Een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid strekt er evenwel niet toe om élk moreel nadeel dat met een bestreden beslissing gepaard gaat, versneld te kunnen ondervangen. De eventueel uit te spreken nietigverklaring verwijdert de bestreden beslissing immers met terugwerkende kracht uit het rechtsverkeer en het vereiste rechtsherstel zal moeten volgen. De genoegdoening van een annulatiearrest wordt in beginsel ook geacht het moreel nadeel te herstellen, behoudens wanneer er bijzondere omstandigheden worden aangetoond die ervan kunnen overtuigen dat de aangevoerde morele schade van die aard is dat een later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal kunnen verschaffen zodat het resultaat ten gronde, minstens het resultaat volgens XIV-39.300-8/10 de gewone schorsingsprocedure niet kan worden afgewacht. Verzoekster voert dergelijke bijzondere omstandigheden niet aan. Verzoekster verduidelijkt verder niet in het verzoekschrift welke andere “fysieke schade” zij lijdt, zodat dit evenmin kan leiden tot de conclusie dat er sprake is van uiterst dringende noodzakelijkheid.
- Verzoekster steunt de uiterst dringende noodzakelijkheid nog op een ernstig moreel nadeel, erin bestaande dat haar “toekomstige inpassing in de structuur van de PLIF onzeker is” en de kans reëel dat zij niet als leidinggevende, maar als “deskundige/medewerker” zal worden “gecategoriseerd”. Voor zover verzoekster aanvoert dat zij onmiddellijk in haar morele en professionele belangen wordt geschaad, maakt zij niet aannemelijk dat dit niet afdoende zou kunnen worden verholpen door een eventueel vernietigingsarrest, minstens waarom niet het resultaat van de gewone schorsingsprocedure niet kan worden afgewacht.
- Verzoekster wijst er tot slot op dat zij haar verzoekschrift met de vereiste spoed heeft ingediend, maar dit volstaat evenwel op zich niet om de uiterst dringende noodzakelijkheid aan te tonen. Diligent optreden bij het inleiden van een procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is weliswaar een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde opdat aan het vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid zou zijn voldaan. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. XIV-39.300-9/10 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieëntwintig november tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Ann Coolsaet XIV-39.300-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.007 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div