← België

Arrest 258044 - Politie - 28/11/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.044 Rolnummer: A. 235101/XIV-39206 Zaak: Arrest 258044 - Politie - 28/11/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-11-29 Raadplegingen: 106 - laatst gezien 2026-06-10 16:35 Fiche Arrest nr 258.044 van 28 november 2023 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 258.044 van 28 november 2023 in de zaak A. 235.101/XIV-39.206 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nathanaëlle Kiekens kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 26 november 2021, strekt tot de nietigverklaring van: 1) “[h]et ministerieel bevel tot voortzetting/hervatting van het werk, van onbekende datum, n.a.v. een stakingsaanzegging in die zin dat de opdrachten door de minister bepaald moeten worden uitgevoerd door de personeelsleden van de geïntegreerde politie die onder de algemene directie gerechtelijke politie vallen en tewerkgesteld zijn bij de federale gerechtelijke politie Oost-Vlaanderen in dit geval, meer bepaald de diensten TWP-CSO O-Vl, dit voor de periode van 19-11-2021 om 00u01 tot en met 31-01-22 om 23u59”; 2) ‘[d]e nominatieve aanduiding van verzoeker bij de vordering uitgevaardigd door beweerdelijk de directeur - generaal van de algemene directie gerechtelijke politie, XIV-39.206-1/17 dit luidens document ter kennis gebracht op 16-11-21, de nominatieve aanduiding zelve van onbekende datum zijnde’; 3) [d]e individuele kennisgeving door verzoeker ontvangen met kennisgeving van de beide voorgaande bestreden beslissingen en aanduiding dat zij zich ernaar te voegen heeft in overeenstemming met de dienstplanning, document ontvangen op 16-11-21”. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 252.329 van 6 december 2021 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen verworpen. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2023. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Els Baeyens, die loco advocaat Peter Crispyn verschijnt voor verzoekster, en advocaat Devin Kumpen, die loco advocaat Nathanaëlle Kiekens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. XIV-39.206-2/17 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 252.329 van 6 december 2021. Er wordt naar verwezen. IV. Ontvankelijkheid van de vordering 4. De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord het belang van verzoekster in zoverre het beroep is gericht tegen de derde bestreden beslissing. Als zij in het auditoraatsverslag daarover kan lezen dat het onderzoek van deze exceptie samenhangt met het onderzoek van de grond van de zaak, en zij daarin geen reden ziet om vervolgens in een laatste memorie hierop te antwoorden, begrijpt de Raad van State uit die proceshouding dat de verwerende partij zich niet langer tegen de ontvankelijkheid van het beroep verzet in zoverre het gericht is tegen de derde bestreden beslissing. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel 5. In het enig middel voert verzoekster de schending aan van artikel 6 van het ministerieel besluit van 4 januari 2002 ‘tot bepaling van de opdrachten door de federale politie uit te voeren met toepassing van artikel 126, § 2, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: het ministerieel besluit van 4 januari 2002) en van artikel 126, § 1 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde XIV-39.206-3/17 politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: de wet van 7 december 1998). In een eerste middelonderdeel zet verzoekster uiteen dat conform artikel 6 van het ministerieel besluit van 4 januari 2002 de nominatieve aanduiding van de personeelsleden die worden opgevorderd moet gebeuren door de directeur-generaal doch deze beslissing ligt volgens verzoekster niet voor. Behoudens indien de verwerende partij alsnog een rechtsgeldige nominatieve aanduiding voorlegt, hetgeen “een essentieel bestanddeel is alvorens verzoek[st]er kan worden aangetast in haar basisrecht op staken”, moet volgens verzoekster worden vastgesteld dat een rechtsgeldige aanwijzing niet bestaat, wat noodzakelijk de vernietiging van de individuele kennisgeving tot gevolg heeft. In een tweede middelonderdeel wijst verzoekster op de “dynamiek” van artikel 126 van de wet van 7 december 1998 en artikel 6 van het ministerieel besluit van 4 januari 2002. Die “dynamiek” bestaat erin dat de minister(

  1. s)de opdrachten bepalen waarvoor de inzet noodzakelijk is en de directeur-generaal de personeelsleden nominatief aanwijst die worden gevorderd ter uitvoering van die opdrachten. Zij stelt dat de ministers dit weliswaar hebben gedaan, maar “onvolkomen en gebrekkig” met “hier en daar aanduiding van de daartoe nodige effectieven voor omschreven opdrachten”. Vervolgens moet de directeur-generaal de personeelsleden nominatief aanduiden opdat het personeelslid zou weten wanneer en voor welke opdracht het gevorderd is opdat duidelijk is wanneer het stakingsrecht kan worden uitgeoefend en wanneer - op straffe van onder andere strafsancties -, niet. De voorwaarden en inperkingen van het stakingsrecht zijn restrictief op te vatten en moeten volgens de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof beperkt zijn tot de periode en de opdrachten waarvoor de inzet van het politiepersoneel noodzakelijk is, hetgeen ook bevestigd is in de omzendbrief GPI 80 van 17 maart 2014. Te dezen echter is verzoekster nominatief opgevorderd voor een of meerdere van de opdrachten zoals door de minister bepaald en dit volgens de dienstplanning. Dat volstaat niet omdat (
  2. i)te dezen niet blijkt dat de aanduiding is gebeurd door de directeur-generaal, hoewel het een XIV-39.206-4/17 strikt toegewezen bevoegdheid is en (sub)delegatie niet is toegestaan; de nominatieve aanwijzing is gekoppeld aan de dienstplanning en die laatste is niet opgesteld door de directeur-generaal maar door een derde (dienstplanner); (
  3. ii)de dienstplanning op grond waarvan verzoekster zou kunnen afleiden voor welke opdrachten zij nominatief zou zijn aangeduid en dus opgevorderd, ligt actueel nog niet voor zodat ook de noodzakelijkheid niet kan worden beoordeeld. Verzoekster stelt dat dit “[u]it een dienstplanning niet kan worden begrepen, tenzij de volledige dienstplanning moet worden aanzien als opgevorderde diensten maar zulks is dusdanig exuberant dat dit dan voorzeker ingaat tegen het ‘noodzakelijk’ karakter” (…) “[a]ldus is verzoek[st]er opgevorderd voor de gehele periode van stakingsaanzegging en dit niet bepaald doch onbepaald, waarbij de overheid zich het recht voorbehoud om via de dienstplanning verzoek[st]er willekeurig in te zetten”. Luidens de individuele kennisgeving is zij immers nominatief aangeduid “voor de uitvoering van één of meerdere van de bovenvermelde opdrachten…”, wat te algemeen is en geen nominatieve aanduiding voor een welbepaalde taak, al zeker ook niet op welbepaalde data, maar geheel in het algemeen voor alles tijdens de volledige periode, naar willekeur van de overheid verder te concretiseren. Dergelijke methodiek beantwoordt niet aan de vereiste noodzakelijkheid en verhindert elke controle. In een derde middelonderdeel tot slot voert verzoekster aan dat blijkens de individuele kennisgeving de ministers het bevel hebben gegeven omtrent een welbepaald aantal opdrachten die noodzakelijk zijn in het kader van artikel 126 van de wet van 7 december 1998. Luidens artikel 126, § 2 van de wet van 7 december 1998 volgens de strikte interpretatie die eraan moet worden verleend, moeten de inperkingen aan het stakingsrecht worden beperkt tot de periode en de opdrachten waarvoor de inzet van het politiepersoneel noodzakelijk is. Overeenkomstig artikel 126 van de WGP is de overheid ertoe gehouden de opdrachten waarvoor zij een bevel noodzakelijk acht vooraf mee te delen aan de syndicale representatieve organisaties, hetgeen een substantiële vormvereiste is. Daardoor krijgen de vakbonden - verzoekster kan haar grondrecht op staken immers enkel uitoefenen binnen een geregeld kader en mits initiatief van de XIV-39.206-5/17 vakbonden - luidens rechtspraak van de Raad van State “de mogelijkheid […] om te beoordelen of de geplande maatregelen het nodige evenwicht houden tussen de rechten van het personeel - het stakingsrecht is een door het Europees Sociaal Handvest erkend recht - en het belang van de openbare dienstverlening, die “grote beschikbaarheid van de politieambtenaren vereist” (Parl. Doc. Kamer 1997-1998, stuk 1676/1, p. 76)”. De mededeling moet om nut te kunnen hebben, gebeuren alvorens het voornemen in een beslissing wordt omgezet. Dit moet de vakbonden toelaten hun aanmerkingen over te maken binnen het tijdsbestek dat de minister(
  4. s)hen, rekening houdend met de spoed waarbinnen zij zelf moeten handelen, geven. Te dezen, heeft de verwerende partij een voorafgaande mededeling gedaan aan de vakbonden, maar opdat zij kunnen beoordelen of de geplande maatregelen evenwichtig zijn, is vereist dat ook de nodige aantallen effectieve personeelsleden (per opdracht) worden vermeld, zo niet is een daadwerkelijke controle onmogelijk. Dit werd zo in het antwoordschrijven van de vakbond van verzoekster aan de minister van Binnenlandse Zaken meegedeeld, die dit blijkbaar simpelweg naast zich neerlegt. Dit klemt hier des te meer omdat binnen de FGP Oost-Vlaanderen geen onderhandelde minimumbezetting blijkt te bestaan in het licht van artikel 2 van het ministerieel besluit van 4 januari 2002. Te dezen zijn blijkens het bevel van de ministers wel opdrachten bepaald, “met hier en daar een begin van aantallen, maar dit heel vaag en met niet limitatieve opsomming van taken, zodat het een open vraag is hoeveel personeelsleden nu eigenlijk noodzakelijk [worden] geacht voor wat”, wat voor verzoekster niet ad hoc controleerbaar is in het licht van de methodiek der dienststaten. Zelfs indien deze duidelijk zouden maken (op een legale wijze, wat verzoeker betwist en welke dienststaat zelfs nog niet voorligt) dat voor een welbepaalde taak op een welbepaald moment zij is opgevorderd, dan nog kan zij niet weten en beoordelen - de vakbonden al zeker niet - of haar opvordering wel past binnen het concept van wat noodzakelijk is. 6. In de memorie van wederantwoord breidt verzoekster – op basis van de kennisname van het administratief dossier – het eerste middelonderdeel uit als volgt. Zij betwist dat het door de verwerende partij neergelegde stuk 6 beantwoordt aan de door artikel 6 van het ministerieel besluit van 4 januari 2002 XIV-39.206-6/17 vereiste nominatieve aanwijzing. Zij wijst erop dat dit stuk aanvat met de bewoordingen “te vorderen personeelsleden” – en niet “gevorderd” - en dat de lijst die volgt de volledige personeelsbezetting omvat. Subsidiair werpt verzoekster op dat wanneer de nominatieve aanduiding van personeelsleden de volledige personeelsbezetting behelst, het niet meer gaat over de personeelsleden “waarvoor hun inzet noodzakelijk is”, wat een uitholling van het stakingsrecht is. Wat het tweede en het derde middelonderdeel betreft herneemt en parafraseert verzoekster haar grieven uit het verzoekschrift. 7. In de laatste memorie gaat verzoekster in op de kritiek in het auditoraatsverslag dat zij niet aangeeft waarom de beoordeling gemaakt in het arrest nr. 252.329 van 6 december 2021 over het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet kan worden bijgevallen. Verzoekster beklemtoont, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat zij in haar memorie van wederantwoord gedetailleerder en beter gestructureerd is ingegaan op wat zij reeds mondeling aanvoerde tijdens de zitting waarop het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd behandeld en dat het daarbij om de details gaat, die zij nader uiteenzet: de 321 personeelsleden op de lijst vervat in stuk 6 van het administratief dossier zijn alle personeelsleden; zij gaat ook in op de bijgevoegde e-mail – een element dat nog niet aan bod kwam in voormeld arrest –, het verschil tussen “te vorderen” en “gevorderd” is geen louter semantische discussie; verzoekster werd verkeerd begrepen wat de aangevoerde schending van artikel 126 van de wet van 7 december 1998 betreft. Wat het tweede middelonderdeel betreft, voert verzoekster aan dat zij in haar memorie van wederantwoord haar eigen visie verder motiveert en, voorts, dat zij “bij haar gedacht blijft”. Wat het derde middelonderdeel betreft, beklemtoont verzoekster dat het er in essentie om gaat dat de controlefunctie van de vakbonden onwerkzaam wordt gemaakt, indien het vereiste aantal personeelsleden niet wordt vermeld in de voorafgaande kennisgeving aan de vakbonden. XIV-39.206-7/17 Beoordeling a. Eerste middelonderdeel 8. In het tussenarrest nr. 252.329 van 6 december 2021 dat over de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is gewezen, heeft de Raad van State over dit middelonderdeel voorlopig als volgt geoordeeld: “8. In zoverre verzoekster er in het eerste onderdeel van haar enige middel van uitgaat dat de individuele kennisgeving van 16 november 2021 niet berust op een overeenstemmende beslissing van de directeur-generaal waarbij zij met toepassing van artikel 6 van het ministerieel besluit van 4 januari 2002 nominatief wordt aangeduid voor opvordering, mist de feitelijke grondslag. De verwerende partij brengt de beslissing tot nominatieve aanwijzing bij als stuk 6 van het administratief dossier waaruit blijkt dat E. S., directeur-generaal van de Algemene directie van de gerechtelijke politie, wel degelijk uitvoering heeft gegeven aan het hem op 14 november 2021 gegeven bevel door bij naam de personeelsleden aan te wijzen die onder zijn gezag staan binnen de FGP Oost-Vlaanderen en die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de door de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie bedoelde opdrachten (cfr. Supra punt 3.7.). 9. Ter terechtzitting voert verzoekster wat dit middelonderdeel betreft nog aan dat dit document niet beantwoordt aan een nominatieve aanwijzing zoals de regelgeving vereist. Immers, met het betrokken document ligt geen nominatieve aanwijzing voor door de directeur-generaal omdat erin slechts gewag wordt gemaakt van “te vorderen personeelsleden”, wat nog iets anders is als een personeelslid dat effectief door de directeur-generaal opgevorderd is en voorts, indien het wel zou gaan om opgevorderde personeelsleden, het bedoelde stuk dan voor de ganse stakingsaanzeggingsperiode 321 personeelsleden viseert wat in elk geval een inperking van het stakingsrecht betreft die de noodzakelijkheid ver overschrijdt. In zoverre de verwerende partij repliceert dat het een nieuw middel(onderdeel) betreft, kan haar betoog in de huidige stand van de rechtspleging niet slagen. Niet blijkt immers in deze fase van de procedure dat verzoekster dit argument eerder kon ontwikkelen nu zij op het eerste gezicht pas kennis heeft gekregen van het genoemde stuk 6 naar aanleiding van de neerlegging van het administratief dossier. Dat de lijst van 321 personeelsleden wat de Algemene directie van de federale gerechtelijke politie Oost-Vlaanderen betreft, wordt voorafgegaan door de woorden ‘te vorderen personeelsleden’, lijkt vooral een semantische discussie, te meer nu uit de begeleidende e-mail bij dat stuk dat door de verwerende partij wordt bijgebracht, blijkt dat het lijsten betreft “van de personeelsleden van uw directie waarop de vorderingen betrekking hebben”. Het betreft met andere XIV-39.206-8/17 woorden daadwerkelijk (nominatief) door de directeur-generaal aangewezen personeelsleden die in de stakingsaanzeggingsperiode evenwel pas effectief als opgevorderde zullen moeten presteren ‘volgens een dienstplanning’ die het personeelslid overigens (ook) in staat moet stellen zijn eventuele deelname aan de staking te organiseren. 10. In zoverre verzoekster met deze grief nog voorhoudt dat het in dat geval gaat om een inperking van het stakingsrecht die de noodzakelijkheid overschrijdt, begrijpt de Raad van State de aangevoerde grief als samenvallend met het tweede middelonderdeel dat hierna wordt beoordeeld. 11. Het eerste middelonderdeel ontbeert in de aangegeven mate de vereiste ernst opdat de schorsingsvordering zou kunnen slagen.” Verzoekster brengt zoals hierna blijkt, geen argumenten aan die ertoe nopen om thans anders te oordelen. 9. Verzoekster voert vooreerst als kritiek aan dat het aantal van 321 personeelsleden niet zomaar een aantal is, doch dat dit alle personeelsleden betreft van de algemene directie van de Federale Gerechtelijke Politie Oost-Vlaanderen. Deze vaststelling leidt, in weerwil van wat verzoekster aanneemt, niet ipso facto tot een schending van artikel 6 van het ministerieel besluit van 4 januari 2002. Deze bepaling verbiedt immers in beginsel niet dat, met inachtneming van het noodzakelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel, in voorkomend geval, waar nodig, alle personeelsleden van een bepaalde dienst – zij het nominatief – worden opgevorderd ter uitvoering van de opdrachten bepaald in het bevel dat wordt gegeven overeenkomstig artikel 126, § 2 van de wet van 7 december 1998. 10. Verzoekster argumenteert voorts dat het onderscheid tussen “te vorderen” en “gevorderd” geen louter semantische discussie is, zonder aan te geven waarom dat niet zo is. Verzoekster verwijst desbetreffend enkel naar de bij de nominatieve lijst bijgevoegde e-mail. Volgens verzoekster kan geen waarde worden gehecht aan die e-mail, enerzijds daar die niet uitgaat van de directeur-generaal zelf, anderzijds daar de vermelding van de “lijsten van de XIV-39.206-9/17 personeelsleden van uw directie waarop de vorderingen betrekking hebben” nog niet wil zeggen dat deze personeelsleden daadwerkelijk zijn opgevorderd. De verwerende partij stelt in de memorie van antwoord hiertegenover dat de voormelde lijst de daadwerkelijk nominatief door de directeur-generaal aangewezen personeelsleden betreft, die evenwel pas effectief als gevorderde zullen moeten presteren indien ze hiertoe “volgens een dienstplanning” worden gevorderd. Nog daargelaten dat de door de verwerende partij gehanteerde werkwijze, waarbij de door de directeur-generaal nominatief aangeduide personeelsleden pas effectief als opgevorderde personeelsleden moeten presteren volgens een concrete dienstplanning, kan verklaren waarom er op de lijst die deze personeelsleden nominatief aanduidt sprake is van “te vorderen”, toont verzoekster niet aan dat deze werkwijze in strijd is met artikel 6 van het ministerieel besluit van 4 januari 2002 en overtuigt zij evenmin in haar betoog dat de door de verwerende partij als stuk 6 neergelegde nominatieve lijst niet de door de voormelde bepaling vereiste nominatieve aanwijzing behelst. 11. Ondergeschikt werpt verzoekster tot slot op dat de tweede bestreden beslissing artikel 126 van de wet van 7 december 1998 schendt, daar de nominatieve aanwijzing de volledige personeelsbezetting behelst en dit het stakingsrecht, dat een grondrecht is, uitholt. Verzoeksters argumentatie wordt niet bijgevallen. Uit het administratief dossier blijkt immers dat de nominatieve aanwijzing van de personeelsleden door de directeur-generaal moet worden samen gelezen met de concrete opvorderingen die plaatsvinden via de dienstplanning. Die dienstplanning, opgemaakt voor een periode van telkens twee weken, concretiseert welke personeelsleden voor welke taken op welke dagen worden opgevorderd. Verzoeksters standpunt dat de tweede bestreden beslissing inhoudt dat steeds de inzet van alle personeelsleden vereist is, is feitelijk onjuist. Bijgevolg is geen XIV-39.206-10/17 sprake van een uitholling van het stakingsrecht, minstens is dergelijke “uitholling” te dezen niet aangetoond of redelijkerwijze aannemelijk gemaakt. Evenmin ligt een schending voor van artikel 126, § 2 van de wet van 7 december 1998, dat een dergelijke werkwijze niet verbiedt. 12. Uit wat voorafgaat volgt dat het voor de Raad van State mag volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het middelonderdeel thans ongegrond te bevinden. Het eerste middelonderdeel is in de aangegeven mate ongegrond. b. Tweede middelonderdeel 13. In het tweede middelonderdeel bekritiseert verzoekster de methodiek van de concrete opvordering volgens een dienstplanning. In het tussenarrest nr. 252.329 van 6 december 2021 dat over de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is gewezen, heeft de Raad van State over dit middelonderdeel voorlopig als volgt geoordeeld: “12. In zoverre verzoekster een nominatieve aanwijzing volgens de dienstplanning ontoelaatbaar acht omdat overeenkomstig artikel 6 van het ministerieel besluit van 4 januari 2002 de nominatieve aanwijzing door de directeur-generaal dient te gebeuren, terwijl de nominatieve aanwijzing hier gekoppeld is aan een dienstplanning die niet door de directeur-generaal maar door een derde wordt opgesteld - zijnde volgens verzoekster een methodiek die niet spoort met ‘de dynamiek van artikel 126 van de WGP en artikel 6 van het ministerieel besluit van 4 januari 2002’ -, wordt zij niet bijgevallen. Er ligt zoals hiervoor in de punten 8 en 9 is gebleken, een beslissing voor tot nominatieve aanwijzing door E.S., de directeur-generaal van de Algemene directie van de federale gerechtelijke politie door bij naam de personeelsleden aan te wijzen die onder zijn gezag staan (met name binnen de FGP Oost-Vlaanderen). Verzoekster kan niet overtuigen waar zij stelt dat er slechts een rechtsgeldige nominatieve aanwijzing zou zijn als tevens voor die ganse periode wordt vermeld voor welke opdracht en concrete data men opgevorderd wordt. Zulks kan immers prima facie niet worden afgeleid uit het genoemde artikel 6 dat aan de directeur-generaal enkel opdraagt de XIV-39.206-11/17 personeelsleden aan te wijzen ‘ter uitvoering van de in het ministerieel bevel bepaalde opdrachten’. Artikel 6 van het ministerieel besluit van 4 januari 2002 bepaalt immers dat ‘[w]anneer een bevel wordt gegeven met toepassing van artikel 126, § 2, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, de nominatieve aanwijzing van de personeelsleden van de federale politie ter uitvoering van de in het bevel bepaalde opdrachten [gebeurt] door de commissaris-generaal en door de directeurs-generaal, elk voor het personeel dat onder zijn leiding staat’. Verzoekster kan prima facie evenmin worden bijgevallen waar zij in haar verzoekschrift (nog) stelt dat uit de dienstplanning ‘die actueel nog niet voorligt’ niet kan worden afgeleid voor welke concrete opdrachten en wanneer zij opgevorderd is, zodat de vereiste nominatieve aanwijzing uiteindelijk ‘onbepaald’ is, ‘wat willekeur mogelijk maakt door verzoekster voor de gehele periode van de stakingsaanzegging het recht op staken te ontzeggen’, terwijl de inperking van het stakingsrecht conform artikel 126 van de WGP restrictief moet beperkt worden tot die opdrachten die noodzakelijk zijn. Wat deze grief betreft, moet vooreerst worden opgemerkt dat verzoekster volstrekt onduidelijk is inzake het al dan niet reeds kennis hebben van een dienstplanning. Zo stelt zij eensdeels dat zij actueel nog geen dienstplanning heeft ontvangen (p. 3), terwijl zij anderdeels laat uitschijnen dat er wel reeds een dienstplanning is waar zij verwijst naar ‘de dienstplanning die voorligt en die onbegrijpelijk voorkomt’ (p. 4). In de mate verzoekster daarmee bedoelt dat nog geen concrete dienstplanning voorligt, verduidelijkt de verwerende partij dat dergelijke, concrete planning telkens voor twee weken wordt opgesteld en wat het personeel betreft, raadpleegbaar is via ‘Sharepoint’. Deze toelichting van de verwerende partij vindt steun, zoals uit de feitelijke uiteenzetting is gebleken (cfr. punt 3.9), in een e-communicatie van 18 november 2021 die uitgaat van de federale gerechtelijke politie van Oost-Vlaanderen waarin is uiteengezet dat de dienstplanning op SharePoint wordt gedeeld met dien verstande dat de vorderingen voor de concreet uit te voeren prestaties volgens dienstplanning per twee weken zijn gepland. De (eerste) dienstplanning voor de periode van 20 november tot 5 december 2021 werd overigens met het administratief dossier bijgebracht. In zoverre verzoekster die concrete dienstplanning voor de periode van 20 november tot 5 december 2021 wel degelijk heeft ontvangen of, minstens, daarin inzage kon hebben via SharePoint, verduidelijkt zij niet, noch maakt ze aannemelijk waarom die ‘onbegrijpelijk voorkomt’ of waarom deze dienstplanning disproportioneel zou zijn of, nog, een schending zou inhouden van het noodzakelijkheidsvereiste. In de hypothese dat zij daarentegen geen dienstplanning heeft ontvangen of daarin inzage heeft kunnen krijgen, kan zij actueel ook niet worden opgeroepen vermits uit de individuele kennisgeving blijkt dat de opdrachten waarvoor zij opgevorderd wordt uit de dienstplanning zullen - en dus ook moeten - blijken. Hetzelfde geldt in de hypothese verzoekster niet zou zijn opgenomen in de concrete dienstplanning voor de voormelde (eerste) periode. XIV-39.206-12/17 Tot slot, in de mate dit middelonderdeel zo zou moeten worden begrepen dat ‘de dienstplanning die voorligt en die onbegrijpelijk voorkomt’ of ‘algemeen en onbepaald’ is en, zodoende, willekeur inhoudt en niet beantwoordt aan het noodzakelijkheidsvereiste omdat volgens verzoekster de nominatieve aanwijzing en de individuele kennisgeving reeds concreet moeten aangeven voor welke opdrachten men op welke dag opgevorderd is (dus zonder de dienstplanning af te wachten), kan verzoekster evenmin worden bijgevallen. Immers, wanneer zoals te dezen een algemene stakingsaanzegging wordt gedaan voor de personeelsleden van de federale politie voor een periode die loopt over een periode van niet minder dan twee en een halve maand tijdens dewelke ‘de staking allerhande vormen kan aannemen’ en er, dus, tijdens de gehele duur van die periode kan worden gestaakt, lijkt het prima facie niet onredelijk dat de te verzekeren opdrachten die door de ministers worden aangeduid voor de gehele periode van aanzegging gelden. Of en wanneer er dan juist tijdens die periode gestaakt wordt, kan niet worden voorspeld en net daarin ligt de reden waarom de operationele uitvoering van de opvordering via de dienstplanning gebeurt en ook enkel via dergelijke dienstplanning lijkt te kunnen gebeuren. De overheid verleent zichzelf zo geen willekeurige mogelijkheid om verzoekster het staken te beletten. De directeur-generaal van de Algemene directie van de gerechtelijke politie bevindt zich, op het moment dat hij het vorderingsbevel uitvoert door de nominatieve lijst van gevorderde personeelsleden vast te stellen, in een vergelijkbare situatie als de ministers. Alleen de directeur van de federale gerechtelijke politie Oost-Vlaanderen is in staat om, via de dienstplanning (zie punt 3.9), rekening houdend met diverse factoren zoals de aan- of afwezigheid van personeelsleden binnen zijn diensten, rekening houdende met langdurige afwezigheid, ziekteverlof, vakantieverlof, opleiding, enz., concreet te bepalen welke personeelsleden wanneer dienen te worden gevorderd. Evenmin wordt in deze fase van de procedure aannemelijk gemaakt dat een planningsperiode van twee weken onredelijk zou zijn, rekening houdende met de aard van de politionele dienstverlening daarin begrepen een zekere mate van onvoorspelbaarheid van gebeurtenissen. 13. Het tweede middelonderdeel is niet ernstig.” 14. Verzoekster is niet ingegaan op het auditoraatsverslag opgesteld in het raam van het annulatieberoep, zich hierbij in haar laatste memorie beperkend tot het standpunt dat ze “bij haar gedacht blijft”. In die omstandigheden mag het voor de Raad van State volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het tweede middelonderdeel thans ongegrond te bevinden. Het tweede middelonderdeel is in de aangegeven mate ongegrond. XIV-39.206-13/17 XIV-39.206-14/17 c. Derde middelonderdeel 15. In het tussenarrest nr. 252.329 van 6 december 2021 dat over de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is gewezen, heeft de Raad van State over dit middelonderdeel voorlopig als volgt geoordeeld: “14. Wat tot slot het derde middelonderdeel betreft, dient vooraf vastgesteld dat de ministers hun voornemen met aanduiding van de opdrachten die volgens hen moeten worden verzekerd op 10 november 2021 aan de vakbonden hebben overgemaakt en dat de vakbond van verzoekster heeft gereageerd op 13 november 2021 zodat de eerste bestreden beslissing die dateert van 14 november 2021, pas nadien is genomen zodat in die mate is tegemoetgekomen aan hetgeen artikel 126, § 2, tweede lid van de WGP vereist. In zoverre verzoekster in het derde middelonderdeel nog aanvoert dat de ministers niet zijn ingegaan op de opmerkingen en bezwaren van de vakbond van verzoekster, dient opgemerkt dat artikel 126, § 2, eerste lid, bepaalt dat de minister van Binnenlandse Zaken, na overleg met de minister van Justitie, de politieambtenaren die gebruik maken of wensen te maken van het stakingsrecht, kan bevelen het werk voort te zetten of te hervatten gedurende de periode en voor die opdrachten waarvoor hun inzet noodzakelijk is en die hij aanwijst. Indien de politieambtenaren - zoals verzoekster - deel uitmaken van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, gaat het bevel gezamenlijk uit van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie. De minister(
  5. s)die het in artikel 126, § 2, eerste lid, bedoelde bevel wensen te geven zijn ertoe gehouden ‘de opdrachten waarvoor zij dat bevel noodzakelijk acht[en], vooraf mee te delen aan de representatieve syndicale organisaties van het personeel voor de politiediensten alsook, in voorkomend geval, aan de erkende syndicale organisatie die de stakingsaanzegging heeft ingediend’, wat te dezen is gebeurd. Artikel 126, § 2, tweede lid, schrijft enkel voor dat de opdrachten vooraf moeten worden meegedeeld. Uit dit voorschrift vloeit op het eerste gezicht niet voort dat de minister uitdrukkelijk zou moeten argumenteren waarom hij de bezwaren van de vakbondsorganisaties niet bijvalt. In zoverre verzoekster stelt dat uit niets blijkt dat de minister de bemerkingen bij de besluitvorming heeft betrokken, moet worden vastgesteld dat de minister(
  6. s)de bemerkingen heeft/hebben ontvangen, en dat uit de eerste bestreden beslissing impliciet blijkt dat zij hebben gemeend de bemerkingen van de vakbondsorganisaties niet te moeten bijvallen. Artikel 126, § 2, van de WGP schrijft evenmin voor dat de minister(
  7. s)moet(
  8. en)motiveren waarom zij de bezwaren van de vakbondsorganisaties niet bijtreden en aangezien de plicht tot voorafgaande mededeling al evenmin kan worden gelijkgesteld met de plicht tot overleg over de aan te duiden opdrachten waarin noodzakelijk moet worden voorzien, ontbeert dit middelonderdeel in de aangegeven mate de voor schorsing vereiste ernst. XIV-39.206-15/17 Verder vereist artikel 126 § 2, van de WGP prima facie evenmin dat in de kennisgeving aan de representatieve syndicale organisaties de ter zake bevoegde ministers in hun vorderingsbevel het aantal personeelsleden zouden moeten vermelden dat volgens hen voor de noodzakelijke opdrachten is vereist. Zoals in punt 12 werd uiteengezet, kan niet worden voorspeld of en wanneer er tijdens de aanzeggingsperiode van twee en een halve maand wordt gestaakt, reden waarom de operationele uitvoering van de opvordering via de tweewekelijkse dienstplanning gebeurt zodat de personeelsleden (ook) gelegenheid krijgen hun stakingsrecht uit te oefenen. In die omstandigheden kan van de ministers niet worden verwacht dat zij van tevoren in abstracto het aantal gevorderde personeelsleden zouden kunnen vaststellen en lijkt het ontbreken van de aantallen in de voorafgaande mededeling aan de vakbonden prima facie evenmin vereist. 15. Er is in deze fase van de procedure niet redelijkerwijs aannemelijk gemaakt, noch aangetoond dat het substantiële vormvereiste, vervat in artikel 126, § 2 WGP, werd miskend. Het derde middelonderdeel is niet ernstig.” 16. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, waarin het aanvoert dat verzoekster in de memorie van wederantwoord haar kritiek louter herhaalt, beklemtoont verzoekster in haar laatste memorie dat het er in wezen om gaat dat bij het bepalen van de periode en de opdrachten waarvoor de inzet van het personeel noodzakelijk is, ook de vereiste aantallen personeelsleden moeten worden opgegeven. In weerwil van wat verzoekster aanvoert, werd ook dit aspect van het middelonderdeel beoordeeld in het arrest nr. 252.329 van 6 december 2021 over het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. In die omstandigheden mag het voor de Raad van State volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het derde middelonderdeel thans ongegrond te bevinden. Het derde middelonderdeel is in de aangegeven mate ongegrond. Conclusie 17. Het enig middel is ongegrond. XIV-39.206-16/17 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster weggelaten. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achtentwintig november tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-39.206-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.044 Gerelateerde publicatie(
  9. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.329 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.