id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.047 Rolnummer: A. 238256/IX-10201 Zaak: Arrest 258047 - Examens (onderwijs) - 29/11/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-12-04 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-06-10 16:39 Fiche Arrest nr 258.047 van 29 november 2023 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 258.047 van 29 november 2023 in de zaak A. 238.256/IX-10.201 In zake: Jade BALTUS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Van Damme kantoor houdend te 9070 Destelbergen Zenderstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de ARTESIS PLANTIJN HOGESCHOOL ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 januari 2023, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. 8224 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen van 16 januari
- II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking nr. 15.258 van 28 februari 2023 is het cassatieberoep toelaatbaar verklaard. IX-10.201-1/11 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft gevraagd dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 november
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Céline Peire, die loco advocaat Joost Van Damme verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Caroline Cleynen, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen heeft in de bestreden beslissing de volgende samenvatting van de feiten gegeven: IX-10.201-2/11 “Verzoekende partij [thans: verzoekster in cassatie] is in het academiejaar 2021-2022 ingeschreven in de opleiding ‘Bachelor in de voedings- en dieetkunde’. Voor de opleidingsonderdelen ‘Humane Biochemie S3’ en ‘Biomedische wetenschappen S3’ bekomt verzoekende partij een examencijfer van respectievelijk 8/20 en 9/
- De proclamatie vindt plaats op 12 september
- Verzoekende partij stelde op datum van 16 september 2022 een intern beroep in bij de interne beroepsinstantie van de onderwijsinstelling. Bij beslissing van de interne beroepsinstantie op datum van 27 september 2022 werd het intern beroep ontvankelijk doch ongegrond verklaard. De interne beroepsinstantie kwam na onderzoek van het dossier tot het volgende besluit: - het ingesteld beroep de ‘op 12 september 2022 gepubliceerde studievoortgangsbeslissing, waarbij aan verzoekster de examenresultaten voor het academiejaar 2021-2022 werden medegedeeld m.b.t de door Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen ingerichte opleiding: Bachelor in de voedings- en dieetkunde Klasgroep 2VDC’ betreft, - de student intern beroep heeft aangetekend om de volgende redenen ✓ de student stelt dat vermits haar ingevolge een quotering van 8/20 voor het opleidingsonderdeel ‘Humane biochemie S3’ en een quotering van 9/20 voor het opleidingsonderdeel ‘Biomedische wetenschappen S3’ geen creditbewijs werd afgeleverd, en aldus geen diploma, ze over het vereiste belang beschikt; ✓ de student stelt dat het inzagerecht miskend werd en maakt een voorbehoud voor een middel gestoeld op de miskenning van het objectiviteits- en redelijkheidsbeginsel; ✓ de student stelt dat de in de studiegids/studiefiche voorgeschreven evaluatievormen, alsook het redelijkheidsbeginsel zouden zijn miskend, ✓ de student verzoekt de interne beroepscommissie om inzage te verlenen in het dossier dat voor de behandeling van het intern beroep zal worden samengesteld, en aan de student vervolgens de mogelijkheid te verlenen om binnen een redelijke termijn schriftelijke opmerkingen te maken in de vorm van een aanvullende nota; en om vervolgens de bestreden beslissing teniet te doen en aan de student voor beide opleidingsonderdelen een creditbewijs af te leveren en aan de student vervolgens het haar toekomende diploma af te leveren, - de interne beroepscommissie het dossier heeft onderzocht en vaststelt dat de momenten van inzage duidelijk werden gecommuniceerd, - dat de student verkoos om onmiddellijk na haar examens op vakantie te vertrekken er verkeerdelijk van uitgaande dat de inzage digitaal zou zijn; nochtans had de opleiding hier duidelijk over IX-10.201-3/11 gecommuniceerd; reeds op 21 juni 2022, onmiddellijk na de examenperiode werden de inzagemomenten gepubliceerd; - bij ontvangst van het verzoekschrift (ontvangen op vrijdag 16 september 2022 na de kantooruren) werd de student op de eerstvolgende werkdag zijnde 19 september 2022 gecontacteerd en onmiddellijk de mogelijkheid geboden om een kopie af te halen van de twee schriftelijke examens waarvoor zij niet slaagde, op 19 september 2022 heeft de student deze examenkopieën in de namiddag afgehaald, de beroepstermijn verliep om middernacht zodat de student de kans had om haar verzoekschrift aan te vullen; - de interne beroepsprocedure zoals omschreven in het Onderwijs- en Examenreglement van de Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen voorziet geen inzagemogelijkheid van het administratief dossier dat aan de interne beroepscommissie wordt voorgelegd, noch in bijkomende termijnen om het verzoekschrift aan te vullen, de beroepstermijn is decretaal bepaald en een vervaltermijn, - tenslotte en volledigheidshalve wenst de interne beroepscommissie hier nog aan toe te voegen dat uit het administratief dossier blijkt dat beide examens conform de respectievelijke ECTS-fiche en de vooropgestelde verbetersleutels werden afgenomen en beoordeeld, de student zit in de tweede trajectschijf en kan derhalve geen diploma ontvangen; de student kan deze opleidingsonderdelen tesamen met haar opleidingsonderdelen van de derde trajectschijf opnemen zodat er geen studieduurverlenging hoeft te zijn, de klacht ontvankelijk en ongegrond te verklaren, en de student ervan af te wijzen. De beslissing op intern beroep werd bij aangetekend schrijven van 5 oktober 2022, aangeboden op 6 oktober 2022, aan verzoekende partij overgemaakt. Bij aangetekend schrijven van 11 oktober 2022 diende verzoekende partij een verzoekschrift in bij de Raad.” Het thans bestreden arrest nr. 8224 van 16 januari 2023 wijst het beroep van verzoekster af. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Verzoekster heeft een procedurestuk met de titel ‘memorie tot voortzetting na auditoraatsverslag’ ingediend. Het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (“cassatieprocedurebesluit”) voorziet na de kennisgeving van het IX-10.201-4/11 auditoraatsverslag niet in de mogelijkheid om een laatste memorie in te dienen. Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep, moet de verzoekende partij luidens artikel 18, § 1, eerste lid, van het cassatieprocedurebesluit zoals toepasselijk op de huidige zaak, op straffe van de toewijzing van de afstand van geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”. Het auditoraatsverslag concludeert tot de verwerping van het beroep van verzoekster. Het voormelde procedurestuk wordt alleen in aanmerking genomen in zoverre wordt gevraagd de procedure voort te zetten en gehoord te worden. V. Ontvankelijkheid van het beroep 5.
- De verwerende partij werpt op dat het enige cassatiemiddel neerkomt op een verzoek tot heroverweging van wat reeds door verzoekster werd aangevoerd voor de bodemrechter, hetgeen aldus neerkomt op een verzoek aan de Raad van State tot het overdoen van de feitelijke beoordeling van de voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen aangevoerde middelen. Dit kan niet op ontvankelijke wijze gevraagd worden aan de Raad van State als cassatierechter. 5.
- Deze exceptie hangt samen met en gaat op in de beoordeling van het enige middel. VI. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel 6.
- In een enig cassatiemiddel voert verzoekster aan wat volgt: “Gegrond op een schending van art. II.277 en art. II.283, tweede en derde lid van [de] Codex Hoger Onderwijs, miskenning van het in art. II.277 Codex Hoger Onderwijs verankerde hoorrecht, schending van art. 4 en 7 van het Decreet betreffende de openbaarheid van bestuur d.d. 26 maart 2004 (B.S. 1 juli 2004), de hoorplicht als algemeen beginsel van IX-10.201-5/11 behoorlijk bestuur, het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, en van de in art. 159 GGW verankerde motiveringsplicht; Daar waar de bestreden beslissing overweegt dat van verzoekster mocht worden verwacht dat zij, nadat zij op de laatste dag van de beroepstermijn de examenkopijen kon afhalen, haar beroepschrift in een paar uur tijd zou aanvullen in een aanvullende nota en van de interne beroepsinstantie niet kon worden verwacht om haar besluitvorming uit te stellen in afwachting van de eventuele bijkomende grieven van verzoekster en besluit dat noch het inzagerecht noch de hoorplicht zijn geschonden nu verzoekster in de mogelijkheid verkeerde om wel degelijk met kennis van zaken en dus op nuttige wijze een intern beroep in te stellen, en daarom het beroep van verzoekster afwijst; en daar waar de bestreden beslissing overweegt en beslist dat de in het verzoekschrift voor de Raad ontwikkelde argumenten, die verzoekster naar oordeel van de Raad niet tijdig bijbracht voor de interne beroepsins[t]antie, niet op ontvankelijke wijze aan de Raad ter beoordeling kunnen worden voorgelegd; Terwijl de door verzoekster bij verweerster opgevraagde en aan het inzagerecht onderworpen documenten op grond van samenlezing van art. II.277 van de Codex Hoger Onderwijs en het in art. II.277 Codex Hoger Onderwijs verankerde hoorrecht, art. 4 en 7 van het Decreet betreffende de openbaarheid van bestuur d.d. 26 maart 2004, en het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, alvorens een beslissing met individuele strekking lastens verzoekster te nemen aan het hoorrecht/aan tegenspraak dienden te worden onderworpen; Zodat het bestreden arrest dat beslist dat op de student die in toepassing van art. II.283 Codex Hoger Onderwijs op regelmatige wijze een intern georganiseerd beroep heeft aanhangig gemaakt en pas op de laatste dag van de beroepstermijn zoals bedoeld in art. II.283, tweede lid Codex Hoger Onderwijs het in art. II.277 van de Codex Hoger Onderwijs verankerde inzagerecht (gedeeltelijk) heeft kunnen uitoefenen, de verplichting rust om na uitoefening van dat inzagerecht nog binnen de (resterende) beroepstermijn van minder dan een halve dag een aanvullende nota in te dienen om op ontvankelijke wijze middelen aan het oordeel van de interne beroepsinsta[n]tie te onderwerpen haar beslissing niet verantwoordt naar recht; en zodat het bestreden arrest dat beperkingen stelt aan het inzagerecht van verzoekster aan art. II.277 van de Codex Hoger Onderwijs een lezing geeft die onverenigbaar is met art. 4 en 7 van het Decreet betreffende de openbaarheid van bestuur d.d. 26 maart 2004 (B.S. 1 juli 2004) en evenmin haar beslissing naar recht verantwoordt.” 6.
- In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster het middel, waarbij zij de verwijzing naar de jurisdictionele motiveringsplicht verbetert met een verwijzing naar artikel 149 van de Grondwet. IX-10.201-6/11 Beoordeling
- Het verzoekschrift omvat achttien randnummers met voornamelijk feitelijke achtergrondinformatie en eigen appreciaties van verzoekster. Het enige cassatiemiddel is te lezen onder nummer 16, zoals hiervóór aangehaald. Onder nummer 17 volgt een “toelichting” bij het middel. De Raad beoordeelt hierna dat middel, zoals uiteengezet onder nummer 16 en toegelicht onder nummer
- Verzoekster zet noch in het middel, noch in de toelichting uiteen op welke wijze het bestreden arrest een schending inhoudt van de jurisdictionele motiveringsplicht, zodat het middel in die mate niet ontvankelijk is.
- Het decreet van 26 maart 2004 ‘betreffende de openbaarheid van bestuur’ is opgeheven bij artikel IV.273, 4°, van het bestuursdecreet van 7 december
- De schending van een opgeheven decreet kan niet tot cassatie leiden. In die mate is het middel onontvankelijk.
- Artikel II.277 van de Codex Hoger Onderwijs (VCHO) luidt: “Het bestuur treedt ten aanzien van de studenten op als bestuursinstantie voor wat betreft de toepassing van het titel II, hoofdstuk 3, van het Bestuursdecreet van 7 december
- Voor wat betreft de examens houdt de openbaarheid van bestuur in dat studenten een recht op inzage in en toelichting bij de door hen afgelegde examens hebben. Indien na de toelichting blijkt dat de betrokken student een kopie wil van het door hen afgelegde examen, dan heeft deze student kopierecht. Iedere kopie dient persoonlijk en vertrouwelijk behandeld te worden en mag enkel gebruikt worden in functie van de onderwijsloopbaan van de student.” IX-10.201-7/11 Artikel II.277 VCHO waarborgt de studenten “een recht op inzage in en toelichting bij de door hen afgelegde examens” en een “kopierecht” in het kader van de openbaarheid van bestuur. Artikel II.277 VCHO bevat geen regels omtrent de wijze of het ogenblik waarop aan de uitoefening van die rechten vormgegeven moet worden. Het middel, dat steunt op een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
- Het “recht van verdediging” is geen algemeen rechtsbeginsel dat van toepassing zou zijn op de interne beroepsprocedure die een student instelt tegen een ongunstige studievoortgangsbeslissing. Het middel, dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.
- Artikel II.283 VCHO luidt: “De student die oordeelt dat een ongunstige studievoortgangsbeslissing aangetast is door een schending van het recht, heeft toegang tot een interne beroepsprocedure, waarvan de vormen zijn vastgelegd in het onderwijs- en examenreglement. De student stelt een verzoek tot heroverweging van de studievoortgangsbeslissing in binnen een vervaltermijn van 7 kalenderdagen, die ingaat op: 1° in het geval van een examenbeslissing: de dag na deze van de proclamatie; 2° in het geval van een andere studievoortgangsbeslissing: de dag na de kennisgeving van de genomen beslissing aan de student. Het verzoek bevat een feitelijke omschrijving en motivering van de ingeroepen bezwaren.” Het artikel heeft betrekking op de “interne beroepsprocedure”. Verzoekster heeft de schending ervan niet aangevoerd in haar beroep bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen of er zelfs maar naar verwezen. Het middel is in zoverre nieuw en bijgevolg onontvankelijk. IX-10.201-8/11 13.
- Voor de bodemrechter heeft verzoekster in het eerste middel in die procedure onder meer de schending aangevoerd van “de hoorplicht als algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur”. Volgens verzoekster is die hoorplicht geschonden omdat zij niet, minstens niet adequaat, haar examens kon inkijken met het oog op het formuleren van haar verzoek tot heroverweging. 13.
- In het bestreden arrest stelt de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen vast “dat de resultaten van de tweede examenkans van verzoekster zijn gepubliceerd op 12 september 2022 om 19u00”. Hij wijst “enerzijds op het bestaan van een inzagemoment op 14 september 2022, ruimschoots vóór het verstrijken van de termijn voor het indienen van een intern beroep, waarop [verzoekster] niet aanwezig was – althans minstens ter plaatse, op de campus, in persoon aanwezig was – en anderzijds op het feit dat [verzoekster], op 19 september 2022 een afschrift van de examenkopijen heeft ontvangen, met de aanvulling van het intern beroep heeft gewacht tot 30 september 2022”. Voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen “is de aangevochten beslissing van de interne beroepsinstantie van verwerende partij niet onregelmatig en evenmin onredelijk”. Om tot dit besluit te komen, “houdt de Raad niet enkel rekening met zowel het initiële, tijdig aangekondigde, inzagemoment [op 14 september 2022] als het ter hand stellen van een examenkopie aan verzoekster binnen de termijn voor het geldig instellen van een intern beroep [op 19 september 2022]”. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen “vergelijkt daarnaast de termijn die verzoekster heeft genomen om het verzoekschrift aan te vullen – na ontvangst van de examenkopieën – ook met de decretaal bepaalde termijn voor het indienen van een intern beroep”. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen wijst erop “dat verzoekster in casu de mogelijkheid tot inzage is geboden in de documenten die tot de eindscore hebben geleid” en “dat verzoekster heeft gedraald met de aanvulling van het intern beroep in functie IX-10.201-9/11 van de inhoud van de gecorrigeerde examenkopijen”. Deze Raad “is in de gegeven omstandigheden niet van oordeel dat […] de hoorplicht niet is nageleefd”. De Raad heeft op deze wijze de draagwijdte van de hoorplicht niet geschonden, namelijk of verzoekster over de mogelijkheid beschikte om op nuttige wijze haar standpunt uiteen te zetten. In zoverre faalt het middel naar recht. 13.
- Of verzoekster effectief op nuttige wijze haar standpunt heeft kunnen uiteenzetten, vergt een beoordeling van de feitelijke gegevens van de zaak, waartoe de Raad van State in zijn hoedanigheid van administratieve cassatierechter niet bevoegd is. In zoverre is het middel onontvankelijk.
- Het enige cassatiemiddel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negenentwintig november tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jurgen Neuts, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. IX-10.201-10/11 De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.201-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.047 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.